I.

Costers Academie.

Wij willen nu, van het huis van Witsen naar de overzijde gaan, om

stand te houden voor dat poortje, tusschen de Run- en Beerestraten,

en eens te zien, wat op die smalle strook papier te lezen staat, die

er is aangeplakt en de aandacht van de voorbijgangers niet weinig

schijnt te trekken. Daar zijn wij er, en, vergeet dit niet, het is

op een Decemberdag van 't jaar. Zie maar; gij behoeft er uw bril niet

voor op te zetten: de letters zijn groot en duidelijk genoeg. Er staat:

I. v. Vondels

Gebroeders,

Treurspel.

't Gerecht des hemels haet het gruwlijck bloedvergieten,

Verdelght al Sauls huis en zijn gedachtenis.

Al schijnt het aen den tijd hier jaren lang te ontschieten,

Hoe langh de wraeck vertrecht, zij komt in 't end gewis.

Ten vier uren presijs [61].

Eilieve! een stuk van den ouden Joost! dat zal wel de moeite waard

zijn, dat wij 't eens gaan kijken. Maar 't is nog geen drie geslagen:

wij hebben nog den tijd, en terwijl wij een straatje omwandelen, zal ik

u inmiddels eens vertellen, waar wij Amsterdammers dien schouwburg, die

daar nu eerst sedert drie jaren staat, eigenlijk aan te danken hebben.

Gij weet, naar ik onderstel, dat, reeds vóór de hervorming, het

in de Nederlanden krioelde van zoogenaamde Kamers van Rhetorijke,

of Rederijkers-Gezelschappen, in welke men moralisatiën of "Spelen

van Sinne" vertoonde, prijsverzen opgaf en beantwoordde, plechtige

optochten hield en zich en anderen op verschillende wijze poogde te

vermaken. De geestelijke heeren, die toen juist allen geen heiligen

waren, kregen er in die zedespelen niet zelden ongenadig van langs:

en zij getroostten zich dat: al sedert de dagen van "den vos Reynaert"

waren zij het gewend, dat men met hen schertste. De leus van Mazarin:

"laat ze gerust zingen als zij maar betalen," was ook toen de hunne,

en zoolang noch hun gezag noch hun inkomen schade leed, lieten

zij dat Rederijkersvolkje gerust zijn gang gaan, ja vermaakten

zich nog wel over de uitgekraamde zedelessen en schimpscheuten,

die zij, natuurlijk ieder op zijn frater, en niemand op zich zelven

toepasten. Maar zie! daar kwam Luther; daar vond zijne stem, en die

zijner medestanders weerklank hier te lande, en dat wel bijzonder

in de Kamers van Rhetorijke, die, hoezeer dan op kleine schaal,

toch de critiek vertegenwoordigden, evenals in latere eeuwen de

dagbladpers. Nu veranderde de zaak van natuur. Wat men uit den mond

van de predikers der hervorming niet hooren wilde, dat wilde men

even zoomin hooren van de Rederijkers: en zoo werden op vele plaatsen

de kamers verboden en de leden gestraft. Te Amsterdam, waar in 1553

eene dier Kamers een batement of blijspel vertoond had, in 't welk

de zeden der geestelijken wat onvoorzichtig waren doorgestreken,

werden de negen liefhebbers, die 't stuk gespeeld hadden, tot eene

bedevaart heel naar Rome veroordeeld: wat hun althans belette, in de

eerste maanden zulk een waagstuk te herhalen.

Van dien tijd af schijnen alle Kamers voor eene wijl uit Amsterdam

verdwenen te zijn, op eene na, die, ook na de Regeeringsverandering

in 1578, in stand bleef, en de "Oude Kamer" genoemd werd. Zij voerde,

tot blazoen, een kruisbeeld met een egelantier onder de doornen, en

tot zinspreuk In Liefde Bloeyende. Werkelijk bloeide zij dan ook, niet

enkel door het getal en het aanzien harer leden, waaronder schier al de

voornaamste Regenten geteld werden, maar ook door hare werkzaamheden,

als een school, waar de regelen der schrijftaal door mannen als

Coornhert, Spieghel en Roemer Visscher onderzocht en het Nederduitsch,

zooals wij het thans spreken en schrijven, gevormd zou worden.

In 't jaar 1585, na 't overgaan van Antwerpen, kwamen twee Brabantsche

Kamers vandaar naar Amsterdam over. De eene, die niet lang in wezen

bleef, had tot blazoen "het Vijgeboomken," met de zinspreuk Het zoet

vergaeren: de andere heette "De Witte Lavender," met de zinspreuk Uit

levender jonst. Tusschen deze laatste en de "Oude Kamer" ontstond alras

groote naijver: op de Oude Kamer werden sommige stukken van Hooft,

op de Brabantsche in 1612 Vondels "Pascha," op beide de geestige

kluchten van Bredero vertoond. Maar de naijver ontaardde in twist,

eerst tusschen de beide Kamers, toen tusschen de leden onderling; het

personeel was van lieverlede niet meer wat het vroeger geweest was;

schier alle mannen van aanzien en smaak hadden zich onttrokken aan een

gezelschap, waar lieden zonder opvoeding den boventoon voerden. De

gelijkheid van allen op het gebied der kunst is op zich zelve eene

schoone zaak; maar evenals elke andere gelijkheid, mist zij veelal

hare toepassing, wanneer zij in practijk gebracht en aan vaste regelen

moet onderworpen worden. Het mocht een schoon denkbeeld heeten, dat

in de Rederijkerskamer de nederige ambachtsman zich eene plaats kon

verschaffen naast den vermogenden handelaar of den deftigen regent:

dat, waar alleen iemands letterkundige verdiensten in aanmerking

kwamen, de winkelier Vondel of de smid Krul eene hoogere plaats innamen

dan deze of gene Schepen of Commissaris; maar niet alle winkeliers en

ambachtslieden, die in de Kamer werden opgenomen, waren mannen van

bekwaamheid en studie als Vondel en Krul. Velen waren onbeschaafd,

lieden, die handwerk en huisgezin verwaarloosden, om zich toe te

geven aan onbeduidende rijmelarij: lieden, die geen behoefte naar

onderricht, geen zucht tot veredeling van hunnen smaak, geene liefde

tot de kunst als zoodanig naar de Kamer dreef, maar het verlangen om

lof in te oogsten voor hun erbarmelijk broddelwerk, om hunne ijdelheid

gestreeld te zien door zich in denzelfden kring te bevinden met hunne

Magistraten, of wel, wat nog erger was, om zich bij kroes en kan te

vermaken in gezelschap van "vroolijke jongens" gelijk zij. Was het

wonder, dat, toen die "vroolijke jongens" den boventoon kregen, de

meer beschaafden zich allengs terugtrokken? Was het wonder dat een man

van kiesche vormen en keurig in zijn omgang als Pieter Corneliszoon

Hooft, toen in 1611 de Schepen Dr. Jan ten Grootenhuis eene poging

aanwendde tot herstel der Kamer, zijne medewerking alleen verbond

aan de voorwaarde, dat "den onnutten en ongebondenen, die alleen

tegen de geregeltheid schoorvoeten, uit naam der Heeren Magistraten

beluit werden, op boete van geweldt, haar der Kamer te onthouden." Hoe

weinig ook de vroolijke blijspeldichter Gerbrand Adriaensz. Bredero,

van wien men anders een min gestreng oordeel over de leden der Kamer

verwacht zou hebben, met hen was ingenomen, bleek uit de benaming van

Dit wraeck-goed, dat uitschot, dees onwetende buffels,

die hij den toenmaligen toongevers naar 't hoofd wierp, en uit de

naastvolgende vergelijking, welke hij tusschen de vroegere en latere

leden der Kamer maakte:

Besiet de kaerten self en overleest de namen

Van over twintigh jaer, gy zult schrickend u schamen,

Dat ghy nu met dit schuym soudt wonen hier ten pronck

Of in de schouplaets, daer eerst niet dan goud in blonck.

Toch was er een man, blakende van liefde voor de kunst, en die er niet

aan wanhoopte, door zijne pogingen aan de Kamer eene betere toekomst te

bereiden. Die man was Dr. Samuel Coster. Met echt Hollandsch overleg

begreep hij, dat, wilde men eene goede uitkomst verkrijgen, men vóór

alles moest beginnen met de financiën der Kamer op een geregelden

voet te brengen.

Vroeger had de Stad de onkosten gedragen, die op het spelen liepen;

nu wisten Coster en zij, die hem ter zijde stonden, met de Regenten

van het Oude-mannenhuis eene schikking te treffen, die aan weerszij

de voordeeligste uitkomsten opleverde. Men liet de toeschouwers

eene kleinigheid betalen en stond de ontvangen penningen af aan

het genoemde gesticht, uit welks inkomsten daarentegen de kosten

vergoed moesten worden tot het spelen gemaakt. Het voordeelig slot

van rekening had omstreeks 't jaar 1615, in minder dan tien maanden

tijds, f 2000 beloopen; terwijl de Kamer, nu geene uitgaven hebbende,

in dien tusschentijd merkelijk verrijkt was geworden. De verkregen

uitkomsten moedigden Coster aan, met des te meer kracht de handen aan

't werk te slaan, om eene algeheele hervorming der Kamer tot stand te

brengen. Wel is waar, de tegenkanting, die zijne pogingen ondervonden,

was niet gering. Aan de eene zijde had hij te kampen met velen uit de

Rederijkers zelven, die hij voor een troep "moolikken" schold: aan de

andere zijde verhieven de kerkelijken hun krachtige stem. De dominees

hadden, tevens met de onverdraagzaamheid der priesters en der monniken,

ook hun haat tegen de Rederijkers overgenomen, en bij hun afkeer van

alle wereldsche vermaken konden zij het aan Coster niet vergeven, dat

hij in zijn treurspel "Ifigenia" de geestelijke heerschzucht in den

persoon van Eurypilus had tentoongesteld. Maar Coster was de man niet,

om zich aan het gekef van ontevreden Rederijkers of aan het gebulder

van vergramde predikanten te storen: te minder, daar hij een krachtigen

steun vond in de "politieken," gelijk men de zoodanigen noemde, die het

evenwicht tusschen de partijen zochten te bewaren, en den Staat buiten

of liever boven allen kerkelijken twist te houden. Coster scheidde zich

met zijn aanhang af van dien ordeloozen hoop en richtte de Kamer van

nieuws af op, onder den naam van "Academie," en wel in een gebouw,

op zijne kosten gesticht op het erf, dat wij zooeven verlieten, en

dat hem de Regeering daartoe had afgestaan. Inmiddels was tusschen

hem en de Regenten van het Burger-Weeshuis op 23 September 1617 eene

overeenkomst gesloten, waarbij bepaald werd, dat het Weeshuis al de

kosten dragen en gedurende de eerste zes jaren een derde gedeelte

van de ontvangsten genieten zou, en hij de overige twee derden: na

verloop dier zes jaren zouden partijen de winsten gelijkelijk deelen.

Nog in 't zelfde jaar 1617 werd de Academie ingewijd met een voorspel,

"Apollo" genaamd, en vervaardigd door zekeren Siffridus Sixtinus,

na hetwelk men het treurspel gaf van G. Van Hoogendorp "de Moord

beghaen aan Willem Prince van Oranien." Des anderen daags vertoonde

men "Warenar met de Pot," die allervermakelijkste klucht van Hooft.

Of nu, toen de termijn, bij de overeenkomst bepaald, begon te naderen,

Coster geld noodig had, of zijne praktijk als geneeskundige hem

geen tijd genoeg overliet, om zich met de beslommeringen van eene

tooneeldirectie te bemoeien, dan of hij er door andere redenen

toe genoopt werd, zeker is het, dat hij op den 9den Augustus 1622

aan het Weeshuis het erf, den opstal en al den theatralen toestel

overdeed voor eene som van--schrik niet!--f 6850, en eene kusting

van f 3200 ten behoeve van Lammert Lammertsz., die er op kleefde en

ten laste van 't Weeshuis werd overgeteekend. En ik kan er u bij

vertellen, waar die theatrale toestel in bestond: ja, 't was niet

min, en de merkwaardigheden van 't Doolhof zelf konden er niet bij

halen. Luister maar:

1º. Eenige geschilderde omdraaiende doeken.

2º. 22 wapens van de voornaamste prinsen, op ovalen geschilderd.

3º. 9 vierkante wapens van de Unie en 6 prinsenwapens op doek.

4º. 3 groote schilden, daar de lampen aan hingen, aan de andere

zijde geschilderd, met hunne blokken en koorden.

5º. Het dalende hemelwerk met zijne loopstangen, koorden en blokken.

6º. 3 tafels, met hare schragen en banken.

7º. Nog eene tafel, wat kleiner, met twee schragen.

8º. 3 stukken, daar het tooneel mee vergroot wordt.

9º. Eene gevangenisdeur, traliesgewijze gemaakt.

10º. Twee groote houten traliën, in het spel van Hersilia gemaakt.

11º. De blaffeturen, gemaakt tot hemelwerk.

12º. 2 groote zwarte linnen gordijnen, daar het tooneel mee gesloten

wordt.

13º. Al de losse deelen op de hoogste zoldering.

14º. Het graf van Achilles.

15º. De triumfwagen.

16º. Het vierkante autaartje.

17º. Vormen van tienwerk, op zolder liggende.

Ziet ge, al dat moois, die blaffeturen en dat graf van Achilles,

die ovale wapens en die gevangenisdeur, en wat er meer op den

catalogus stond, met nog een huis en erve op den koop toe, voor even

f 10,000! Men kan niet zeggen, dat Dr. Samuel die Heeren te erg het

vel over de ooren gehaald heeft.

Maar terwijl de Academie nu voor rekening van het Weeshuis speelde,

bleef dat gedeelte van de leden der Oude Kamer, dat Coster niet gevolgd

was, zijne vertooningen in zijn oude lokaal boven de vleeschhal

in de Nes voortzetten voor rekening van het Oude-mannenhuis: en

wat men al praten moge van de voordeelen eener vrije concurrentie,

goede tooneelspelers zijn zoo dik niet gezaaid, dat men ze maar voor

't vragen heeft, en dewijl de stukken van onze vrienden Hooft, Coster,

Bredero, Vondel, enz. doorgaans elk voor 't minst een dozijn bekwame

tolken vereischen, wat al zooveel was en nog is als de stad met moeite

oplevert, zoo spreekt het wel van zelf, dat men met den bestaanden

voorraad van goede tooneelspelers maar op zijn best één schouwburg

gerieven kon, en dat, zoolang de bestaande krachten tusschen twee

wedijverende Kamers verdeeld waren, geen van beiden meer dan half

werk kon leveren. Zoo sukkelde men aan weerszij een jaar of wat

voort: men poogde elkander zooveel mogelijk de loef af te steken en

men onttroggelde elkander de goede spelers; gaf men in de Nes een

nieuw stuk, dan moest men het op de Keizersgracht ook geven; hield

men hier optochten bij feestelijke gelegenheden, dan moest ginds ook

hetzelfde groot spektakel vertoond worden: 't ging hard tegen hard:

de Regenten over en weer konden elkander niet langer luchten of zien,

en de beide godshuizen leden er niets dan schade door. Burgemeesteren

begrepen eindelijk, dat het zóó niet langer gaan kon en drongen

er op aan, dat de twee inrichtingen, de Oude Kamer en de Academie,

goedschiks of kwaadschiks, zich tot één lichaam zouden vereenigen;

maar het duurde toch nog tot in 't jaar 1635, eer die zaak haar beslag

kreeg en het Weeshuis een derde gedeelte van den Schouwburg met diens

toebehooren, aan het Oude-mannenhuis verkocht. Eens echter, tot een

vergelijk gekomen zijnde, begreep men, geen half werk te moeten doen,

en, in plaats van de houten loods, waarin men tot nog toe gespeeld

had, een fiks gebouw van kalk en steen te zetten: en de Regenten der

godshuizen konden met te meer gerustheid daartoe besluiten, omdat zij

in hun midden den bouwmeester bij de hand hadden, wien zij 't werk

konden opdragen: den Mederegent van 't Weeshuis en Vroedschaps-Lid

Nicolaas Van Campen.

Aan den naam van Van Campen hecht zich bij u, als bij iederen

Amsterdammer, menige herinnering, niet waar? en misschien wenscht gij

te weten of en in hoeverre de man, dien ik u noemde, met den beroemden

bouwmeester van 't Stadhuis in betrekking stond. Gelukkig ben ik

in staat tot zekere hoogte aan uwe nieuwsgierigheid te voldoen. Er

leefden in de zestiende eeuw twee gebroeders, Willem en Jacob, en eene

zuster, wier doopnaam ik niet gevonden heb. Willem was de grootvader

van den bovenvermelden Nicolaas, Jacob had twee zoons, Cornelis en

Pieter. Cornelis, in 1564 geboren, was een man van hooge beschaving

en fijngevormden smaak; op gevorderden ouderdom was hij, bij zijn

verbazend geheugen, nog de vraagbaak van velen. Vondel zong hem zijn

"Koninklijke Harp" toe en Hooft raadpleegde bij 't schrijven zijner

Nederlandsche Historiën hem over al, wat betrekking had tot hetgeen

te Amsterdam in de Spaansche tijden en bij 't "geus worden" der stad

was voorgevallen. Hij, Cornelis, was getrouwd geweest met Catharina

Quekels, die hem twee kinderen schonk, Jacob, in 1598 geboren, en

de bekoorlijke Machteld, haar, die door Constantijn Huygens bemind

werd, en op wier dood in 't bloeien harer jeugd Vondel zulk een

alleraandoenlijkst gedichtje schreef. Pieter, de broeder van Cornelis,

in 1568 geboren, had bij zijne vrouw, Gerritje Claessen, vrouwe van

Randenbroek, twee dochters, Margaretha en Geertrui, en een zoon,

Jacob, den bouwheer van 't Stadhuis.--En nu de zuster van Willem en

Jacob? Ik zeide u, dat haar naam mij niet bekend was; maar des te meer

die van haren man en hare drie dochters. Die man was Roemer Visscher,

de drie dochters Anna, Geertrui en Tesselschade.

Gij ziet alzoo, dat de familie zich over hare leden niet te schamen

had, en gij ziet tevens, dat, toen ik u bij eene vorige gelegenheid

[62] verhaalde, hoe 't op Tesselschades bruiloft toeging, ik recht had,

Machteld Van Campen aldaar als speelnoot in te leiden, wier vader,

hoewel toen reeds bij de zestig, een volle neef was van de jonge bruid.

Het was dan aan Nicolaas Van Campen, dat, als ik u straks zeide, het

bouwen van den nieuwen schouwburg werd opgedragen. Die bouw, waaraan

ruim f 29,000 besteed werden, was in 't jaar 1637 voltooid. Op 3

Januari 1637 werd het gebouw ingewijd, en wel, gelijk gij weet, met de

vertooning van Vondels Gijsbrecht van Aemstel, en in tegenwoordigheid

van Schout, Burgemeesteren, Schepenen en Raden--wat natuurlijk niet

weinig ergernis gaf aan de predikanten, die al zoo tegen de Academie

geijverd hadden. Hoe voortreffelijk de bouwmeester zich van zijne taak

gekweten heeft, zou ik u kunnen aantoonen uit de verzen, die Vondel tot

zijn lof zong; doch 't is eenvoudiger en beter, dat gij er met eigen

oogen over oordeelt en, dewijl wij nu de plek weer genaderd zijn en

wij, al zijn de twee groote lantaarns boven de poort reeds opgestoken,

nog een half uurtje den tijd hebben, kunnen wij dit besteden, om de

localiteiten op te nemen. Ik ben bij Regenten en suppoosten bekend

en kan u overal binnen brengen, ook waar 't publiek geen toegang heeft.

Vertellingen van vroeger en later tijd · 第 8 / 51 题