II.

De nieuwe Schouwburg.

Hier hebt gij nu, om te beginnen, de hardsteenen poort, van Dorische

orde gebouwd, en zeer eenvoudig, wat ook niet meer is dan naar

behooren; want maakt men den ingang van een gebouw te mooi, dan valt

somtijds het binnenste af. Kijk, die twee borstbeelden boven de poort

zijn Herakliet en Demokriet; in het frontespies leest gij het woord

"Schouwburg," en daaronder, in gouden letteren, de gouden spreuk,

door Vondel berijmd:

De wereld is een Speel-Tooneel,

Elck speelt sijn rol en krijgt sijn deel, [63]

wat onlangs een spotter aldus parodiëerde:

De wereld is een pijp kaneel,

Elk zuigt er aan en krijgt niet veel.

Binnengaande, vinden wij hier rechts 't "Comptoyr," waar wij ieder ons

lootje nemen!--tweemalen in de week wordt er gespeeld, 's Maandags en

Donderdags; wij stappen het binnenplein over en treden, door de tweede

poort, die van 't gebouw zelf, het portaal binnen. Hier mangelt het

voorwaar niet aan verzen: lees dit maar, al wederom van Vondel, en dat

u meteen de verklaring geeft van de twee borstbeelden boven den ingang:

Tooneelspel quam in 't licht tot leersaem tijdverdrijf,

Het wijckt geen ander spel, nocht konincklijke vonden,

Het bootst de weereld na: het ketelt siel en lijf;

Het prickelt ze tot vreughd of slaet ons soete wonden,

Het toont in 't klein bestek al 's menschen ydelheyd,

Daar Demokryt om lacht en Heraklyt om schreyt.

en dan dat andere, van den glazenmaker Jan Vos:

De Godsdienst roept de ziel: het lijf de zorg voor 't leven,

Elck heeft haer eygen tijt, wie die hier tegen streven,

Wie tijt in tijden vint, wort geen tooneel ontseyt.

Zoo leert men door het spel noch deught in ledigheyt.

Vindt gij, zooals ik, die regels wat volle hoogdravend, en daardoor

wat duister, zoo lees deze, die zijn eenvoudig en verstaanbaar;

doch zij zijn ook weer van Vondel:

Geen kind den Schouburgh lastigh sy,

Tobackspijp, bierkan, snoepery

Nocht geenerley baldadigheyd.

Wie anders doet wordt uytgeleyd.

Eene nuttige waarschuwing inderdaad! Boven in de vleeschhal zaten zij

niet zelden onder hun pijpje en hun biertje naar de Kameristen te

luisteren; maar hier hebben de Regenten begrepen, dat wie op zijne

tabak en zijne kan verzot was, naar de kroeg kon gaan, en alleen

beschaafde lieden hier behoorden te worden toegelaten. En nu gaan

wij links deze breede trap op naar de Regentenkamer. Zie, 't ruime

vertrek staat vol met beelden van goden en godinnen, die nog van de

"Oude Kamer" hierheen zijn verhuisd, en boven de ruime Schouwe leest

gij dit raadseltje van Vondel:

Geluckigh is het Land,

Daer 't kind sijn moer verbrant.

Hierboven zijn de woonvertrekken van den kastelein; daar zult gij

niet veel vinden, om uwe belangstelling op te wekken. Wij keeren dus

maar naar 't portaal terug, en gaan, langs de trap tegenover de poort,

de schouwburgzaal binnen.

Wij bevinden ons nu in 't "ruim," waar de kijkers mogen staan, doch in

vergoeding vrijheid hebben heen en weer te loopen; wij zullen dan ook

gedurende de vertooning hier niet blijven, maar ons zetten in een van

die "cierlijke huisjes of kamerkens," die, ieder tusschen twee fraaie

pilasters in Korintischen stijl, in twee rijen boven elkander, om 't

"ruym" heenloopen. Daarboven is de gaanderij, met oploopende banken,

voor hen, die niet verkiezen te staan, en voor wie die "huisjes" te

duur zijn. Achter de banken, tegenover het tooneel, is een halfrond

kerkraam, dat, als de dagen lengen, vrij wat licht geeft en vrij

wat kaarsen spaart; echter is de kerkkroon, die in 't midden hangt,

bereids opgestoken.

Van het tooneel is nog niets te zien, behalve de voorgrond,

waar de muren aan weerskanten als gevangenis geschilderd zijn. De

achtergrond is afgesloten door het groote gordijn, waarvan de banen

met de stadskleuren afwisselen, zwart, wit en rood, en dat daar van

dien ijzeren dwarsstang afhangt. Moet het tooneel eene gevangenis

voorstellen, dan blijft het gordijn hangen; anders gaat het open en men

ziet.... wat gij zien zult. Maar van boven kunt gij over 't gordijn

heenzien, en bemerkt alzoo, dat de zoldering, die zich in 't midden

tot een hoog gewelf verheft, over zaal en tooneel doorloopt. Pas

op! daar beginnen al langzamerhand toekijkers op te dagen. Zie, die

man daar op de gaanderij, met zijn donker uitzicht, zijn platten neus

en smallen, doorloopenden knevel, dien gij voor een Oosterling zoudt

aanzien, en die toch een geboren Amsterdammer is, ja geen andere taal

spreekt dan zijne eigene, is Jan Vos, de schilder-glazenmaker, wiens

verzen gij zooeven gelezen hebt, en die jonkman met dat levendige oog,

die met hem spreekt, is de boekverkooper Otto Barentsz Smient. Hij

heeft, twee jaar geleden, eene der uitgaven van Vondels "Gijsbreghd"

bezorgd; maar het is niet als uitgever van boeken, dat hij zijn

naam zal vereeuwigen; neen, hij herkauwt een plan, waar hij nu nog

om wordt uitgelachen, maar dat hij eenmaal, zij het ook na jaren,

zal verwezenlijken: [64] hij wil namelijk eene "loopmare" of courant

uitgeven, die niet, gelijk nu, bij bijzondere gelegenheden alleen,

maar eens, ja meermalen in de week, de nieuwstijdingen, zoo uit het

vaderland als van elders in de wereld, mededeelt. Gij schudt het

hoofd, gij acht het onmogelijk, dat een dergelijk ontwerp ooit tot

stand kome: gij vreest, dat de schrijver van eene zoodanige courant

zich dikwijls verlegen zal vinden, om geschikte stof; maar Smient

is vol moed en voorspelt zelfs, dat er eenmaal een tijd zal komen,

waarin de courantiers het formaat hunner bladen vergrooten zullen,

wanneer die bladen niet meer eens of tweemalen 's weeks, maar dagelijks

in 't licht zullen komen: wanneer hun getal bestendig zal toenemen,

zonder dat de concurrentie hinder doet aan 't debiet: wanneer zij eene

macht in de wereld zullen worden, opwegende tegen die van Vorsten en

Parlementen en legers, en wanneer men de beschaving van een land zal

afmeten naar het getal zijner couranten, en dan zal het voor ons land

geene geringe eer zijn, het eerste gewest te zijn, dat geregelde, goed

geschrevene en met juiste berichten voorziene couranten geleverd heeft.

Maar dat afdwalen naar de toekomst, die de "loopmaren" wacht,

moet ons niet doen vergeten, dat wij in den schouwburg zijn, en dat

gij nog wel andere personen wilt leeren kennen dan Jan Vos of Otto

Barentsz Smient. Gij kijkt naar die Juffer, die daar zoo meteen in

een der kamerkens van de benedenste gaanderij heeft plaats genomen:

nu! ik kan het u niet ten kwade duiden; de fiere Katharijne Baeck is,

al telt zij reeds 38 jaren, nog altijd

levend, helder, welgedaen, [65]

en

Vertellingen van vroeger en later tijd · 第 9 / 51 题