"Meer dan er ier sou kunnen 'ang, al wasse de winkel sesmale soo

kroot," is het antwoord, en nu verhaalt hij ons, hoe hij de kerken

te Hoorn, Enkhuizen, Delft, Utrecht, Amersfoort, Leiden, Arnhem,

Kampen, Groningen, Middelstum, Purmerend, Medemblik, den Briel,

enz. van klokken heeft voorzien, en er hem nu nog voor de Groote Kerk

te Hoorn en voor andere gebouwen meer besteld zijn.

"En wat was uw proefstuk hier te lande?" vragen wij: "gij zijt een

Lotharinger, niet waar?"

"Van Levecourt kebore, ja welle! Mijn eerste werke wasse in 't

jaar 46, te Zutfen, waar ik met mijn broeder Pieter eb kekoot, die

ses-en-twintik klok voor de Wijnuistoor, en in 47 die vijf-en-twintik

klok voor die kerke van Saint Levin te Deventre. Maar toen eb ikke

kedok, Amsterdamme is de rekte plaasse foor een artist, en ikke pen

kekoom ier, waar mij de Magistrat ep afgestaan deze erf om daar te

bouw mijne kieterij, en daar eb ik ook al mijn klok kekoot, en voor

de Oude kerke dat speelewerk, van vijf-en-dertik klok, en daarvoor

eb zij mij betaal f 28,716: en nu sijn mij bestel die klok voor de

nieuwe stattuis te kiet binnen ses maand; daar sullen aan kespendeer

worden 27000 pond metaal. En as die sinjeurs nu eens wille koom in

mijne werkplaas, sij sullen nok ander keurige dink sien."

Wij geven gaarne aan de uitnoodiging gehoor en verlaten de loods,

waar wij ons bevinden, voor eene tweede, die tot het bewerken en

beproeven der gegoten voorwerpen dient, en vanwaar ons reeds een

voor 't gehoor min aangenaam krassend geluid van ijzer, dat geveild

of afgeschraapt wordt, is te gemoet gekomen. Was het in den winkel

eenzaam en stil, hier in de werkplaats heerscht bedrijvigheid en

gewoel. Eene uit een aantal klokken, die van den zolder afhangen

en de muziek hebben doen hooren, waarop wij straks vergast werden,

is door de werklieden met kabels afgelaten en, met behulp van een

kunstig uitgedacht werktuig, omgekeerd in een soort van ijzeren

rasterwerk opgevangen en vastgezet. Iemand, die over den rand dier

klok is heengebogen, en wiens bovenlijf er geheel in verdwijnt, is

bezig, daar die knarsende geluiden voort te brengen, die wij hoorden;

terwijl een ander bij de tafel daarnevens staande, met een blad in

de hand, vol aanteekeningen en figuren, die blijkbaar pas geschreven

zijn--want de inkt is nog nat--den arbeid gadeslaat.

"Ah! monsieur Verbeek!" zegt Hemoni tot dezen laatste: "iere sijn

sinjeurs, die mijne winkel en kieterij koom bekijk. Sij koom net van

passe, om te zien oe wij probeer die klok."

Wij groeten monsieur Verbeek, wiens naam als kunstenaar ons reeds

bekend is uit de navolgende rijmen van den eerzamen Melchior Fokkens:

De kunst in d' avond-stondt der werelt, nu gebooren,

Doet met verwonderingh 't Muzyck der klokken hooren,

Ons ooren zijn verbaest, den ouden tijd verdwijnt,

Vermits een grooter licht in 't nieuwe ons verschijnt.

Wie zou dit zoet geluydt der nieuw ghegoten klocken

Van over hondert myl niet herwaerts konnen locken?

Noyt was ons Amsterdam met sulck vermaeck geciert;

Dit zoet gespeel door Straet en Boom en Burghwal zwiert.

Laet varen Griecken Landt met zijn verzierde droomen,

Parnassus groen geberght en noyt gevonde stroomen,

Hier is een and'ren klanck, dat noyt de wijze Grieck',

Noch het beroemde Atheen, dat staegh om wijsheidt ziek,

Zijn krachten leydt te kost, en mochten oyt gebeuren

Gheen volck, hoe woest het is, die dit niet goet zou keuren

Wanneer ons hier Verbeeck, door 't klocken zoet gespeel

En 't klinckende Muzyck ons hert en ooren streel:

Wat 's van Apollos harp, Orfeur kunstigh zinghen,

't Heeft uyt met dit gelaet en oud vermufte dingen:

Wanneer men dit gheklanck in Amsterdam begluurt,

Ons levenstijdt is kort, de kunst gestadigd duurt.

Die regels zijn zeker niet fraai: zij laten, wat stijl, taal en maat

betreft, vrij wat te wenschen over; maar zij kunnen als een staaltje

dienen van de ingenomenheid, die de Amsterdammers hebben met hun

klokkenspel, en met den bekwamen kunstenaar, die ze zoo tot aller

voldoening weet te bespelen. Inderdaad ontlokt Verbeek, niet enkel

geleid door zijn juist gehoor, maar ook door onmiskenbaar kunstgevoel

gedreven, aan het klokkenspel nog schooner akkoorden dan zelfs den

vervaardiger mogelijk was toegeschenen. Gaarne neemt dan ook Hemoni

zijn raad in bij den arbeid, en gaarne staat hij Hemoni met dien raad

ter zijde.

De meester voert ons thans de werkplaats rond, waar t' elker zijde

zijne handlangers en leerlingen zich kwijten, ieder van zijne

verschillende taak. Hier ziet men er aan 't schoonmaken, schuren,

polijsten, vernissen van klokken en andere gegoten voorwerpen; daar is

men bezig aan 't uitbeitelen van letters, cijfers, beeld- of loofwerk

of andere sieraden, die er op moeten prijken: wat verder is de een

bezig met ingewikkelde berekeningen, en de ander met het uitwerken

op grooter schaal van geteekende schetsen van verschillenden aard,

door Hemoni ontworpen. Wij zien en verwonderen ons over al het fraaie,

dat ons getoond wordt, maar wat in bijzondere mate onze opgetogenheid

wekt, is eene sfeer van koper, waarop eene bedreven hand de geheele

oppervlakte des aardbols met de graveernaald schetst, naar het

voorbeeld van eene houten sfeer, uit den winkel van den grooten

aardrijkskundige Blaeu. Het is de bol, waar Hemoni zoo straks van

gewaagde, die op de schouders van het Atlasbeeld, dat wij in den

winkel zagen, zal komen te rusten.

Maar terwijl wij nog staren op dit meesterstuk, daar houdt eindelijk

het gekras binnen de omgekeerde klok op en duikt daaruit de bekwame

werkman op, die het had voortgebracht. Aan zijne jaren en aan de

onderlinge gelijkenis herkennen wij Pieter Hemoni, den broeder van

François. Hij legt den beitel neder, waarmede hij een werk verricht

heeft, dat aan geene onervaren handen mocht worden toevertrouwd: de

klok wordt weder met de opening naar beneden gewenteld, en opgehaald,

doch slechts op twee derden eener manshoogte van den grond, zoodat

de beide broeders en Verbeek er hunne hoofden in kunnen steken, om

het verrichte in oogenschouw te nemen. Monsieur François is tevreden,

althans hij geeft een goedkeurenden knik; maar Verbeek wil nog nadere

overtuiging: hij tilt een zwaren hamer op en slaat daarmede tegen de

klok, die terstond een zilveren klank laat hooren.

"Ik geloof dat wij het nu meester zijn," zegt hij, "en dat niets het

volmaakt akkoord meer storen zal. Haal nu maar op; dan kunnen wij

't nog eens beproeven."

"Silence!" roept Hemoni, terwijl de klok naar boven gaat; en plotseling

zwijgt elk geluid in de werkplaats: al de aanwezigen--ook wij--houden

den adem in: Hemoni en Verbeek staan in gespannen aandacht, met een

blad papier in de eene en eene pen in de andere hand, gereed, elke

valsche noot, elk min juist akkoord, elk gebrek aan overeenstemming op

te teekenen; en het klokkenspel begint opnieuw. Maar thans ruischen de

melodieën zuiver als kristal, en alleen aan de nabijheid, waarin wij

geplaatst zijn, is het te wijten, zoo zij op ons niet die aangename

uitwerking doen, welke zij eens uit de hoogere verblijfplaats, voor

welke het klokkenspel bestemd is, in de ooren van marktbezoeker en

wandelaar weerklinken zullen.

"Bravo! bravo!" roepen wij, zoodra de muziek ophoudt: "hoe kan 't zijn,

dat zulke zware instrumenten zulk eene liefelijke samenstemming van

tonen kunnen teweegbrengen!"

"Ja," zegt Verbeek, terwijl zijn gelaat van welgevallen schittert bij

't ophalen der verdiensten zijns vriends: "dat had niemand kunnen

denken, voordat onze meester hier de kunst uitvond. Tot op zijn tijd

hing het treffen van den juisten toon van een tal berekeningen af, die,

wanneer zij ongelukkig faalden, het geheele werk deden mislukken. Dan

moest er weer opnieuw gevormd, en opnieuw gegoten worden, totdat men

eindelijk een gunstiger uitkomst verkregen had; maar dan mocht het

eer toeval heeten dan kunst: en de meeste klokkenspelen lieten nog

veel te wenschen over. Maar onze meester François kwam het eerst op

het wijze denkbeeld om de zwaarte van het gietwerk iets ruimer te

nemen, en ook den toon wat hooger dan te voren, en dan de klokken

met stalen beitelwerk uit te draaien, tot zij op den juisten toon

waren gebracht en alle volstrekt samenstemden. Dat stemmen nu wordt,

zooals de heerschappen gezien hebben, altijd zoo nauwlettend verricht,

dat niemand bij 't geluid mag spreken en wij onze aanmerkingen

schriftelijk opteekenen, om ze elkander eerst mede te deelen als

het spel heeft opgehouden. Ja hij heeft het zoover gebracht, dat het

gewone klokkeluiden, dat elders spoedig verveelt, hier te Amsterdam

iets welluidends heeft. Immers er zijn vier groote klokken van hem,

waar men mee luidt, van welke de kleinste en de grootste, of de hoogste

en de laagste, net een octaaf verschillen en de twee middelsten op

een quint of tertie tusschen beide gaan, zoodat, 't zij men ze alle

vier, of er maar twee of drie van luidt, zij altijd een geluid geven

dat muzikaal accordeert."

"Ja," zegt Pieter Hemoni, met een vroolijken glimlach: "sij lank soek',

eer sij tekenwoordik op de wereld eene stad vind', soo voorzien van

kunstikke klok' als Amsterredamme."

"Bah!" zegt François: "watte isse er, dat bij Amsterredamme is te

verkelijk? Waar finde men erkens eene smid, asse meester Wouter

Geurtsgen, die soo excelleer in 't smeeden van ijzeren traliën met

loofewerke en krullen, soo net met den 'amere kemaak, dat men niet

zou kunnen et soo keurig maak in de kieterij? Nu, ij dan ook lever

sijn werk aan den konink van Sweden en andere uit'eemsche prinsen. En

waar vinde men kastemakere, die zoo kunstik inlekwerk weten te maak,

dat door de eele wereld kezok wor? En waar mozaïsten als meester Dirk

Van Rijssewijk? 't Mot alles van ier koom, waar de foorname liede

te Londre of Paris unne saal en pronkkamer mee versier, en anders is

't niet koet."

En nu brengen wij, op 's mans voorstel, een bezoek aan de gieterij. Wij

zullen er niet anders van zeggen, dan dat, had Schiller anderhalve

eeuw vroeger geleefd, men zou hebben kunnen denken, dat hij hier

de inspiratiën geput had, die hem zijn heerlijk "Lied van de klok"

deden schrijven, en dat wij versteld staan, wij, die 't gebruik der

stoomwerktuigen kennen, hoe, zonder hun hulp, en met de middelen,

die hem ten dienste stonden, Hemoni, in betrekkelijk korten tijd,

zoo ontelbaar vele meesterstukken uit zijne gieterij heeft kunnen

afleveren.

Bij het keeren van daar, en voordat wij afscheid nemen van onze

heusche kunstenaars, wijst Pieter Hemoni ons nog, in een hoek van de

werkplaats, die tot kantoor gebezigd wordt, boven den schrijflessenaar

een vers, in plano gedrukt en in een koperen lijst gevat, en van den

volgenden inhoud:

Op het

Klokmusyk

t' Amsterdam.

Nec mortate sonans.

Laet al d' oude Grieken zwijgen,

Stoffende, zoo trots en fier,

Van Amfions goude lier,

Op wiens klank de vesten stijgen,

Bacchus zijn geboortestadt [52]

Van den hemel zagh bescheenen,

Daer zoo veel vertrooide steenen

Zich verhieven uit het plat,

Op de maat van snaer en zanger,

Wij verwondren ons niet langer.

Droom en kluchten gaven stof

Aen de lichtgelovende ouden,

Die gedroomde steden bouden,

Dat versieren ging te grof.

Grieken, dartel in zijn vonden,

Zoekt uit duisternisse licht,

Diende zich van ydel dicht,

Aan geen schijn van reên gebonden,

Toen het geestigh logens goot,

En zijn verf niet eens verschoot.

Wij, verlicht door ryper klaerheit,

Mogen spreecken, rijck van roem,

Zonder dat men 't werck verbloem',

In der daedt, en in der waarheit:

Gysbrechts stad wordt rontom heen,

Op muzyk van torenklokken

Met een steenen muur omtrokken,

Wordt gekloncken hecht aan een,

Wijl Verbeek met voet en vingeren

Klancken weet daaraan te slingren.

Hij verdooft met klokgeluit

D' allereêlste kerkkooraelen,

Speelt met klokken, als cymbaelen,

's Hemels kooren kycken uit,

Op de heele en halleve uuren,

En de vierendeelen mee,

Steeckt de Koningin der zee

't Hooft nu trotser uit haer muuren,

Gort haer vruchtbren schepetuin

Met een gordel van arduin.

Ik verhef mijn toon in 't zingen

Aen den Aemstel en het Y,

Op den geest van Hemony.

D' eeuwige eer van Loteringen,

Die 't gehoor verlekkren kon

Op zijn klokspijs, en zijn nooten,

Ons zoo kunstrijk toegegoten.

't Lust ons op de klokketoon,

Ons doorluchte torentranssen,

Eenen klokkedans te danssen.

Cybelé behaelt geen prijs

Door geschal van keteltrommen,

Nu de torentransen brommen

Met een liefelijker wijs,

Dan haer dolle Korijbanten.

Geen of een alleen vermagh

Om te voeren nacht en dagh

Eenen rey van musikanten.

Voert dien klokhelt op 't altaer,

Eens gezien in duizent jaer.

MDCLXI.

J. v. d. Vondel.

In de paarlemoeren Schelp.

Wij hebben de woning van Hemoni verlaten en, onzen weg langs de

Keizersgracht vervolgende, zien wij uit de Wolvestraat drie heeren

komen, wier deftig voorkomen en sierlijke kleedij ons doen vermoeden,

dat zij tot den aanzienlijksten stand behooren. Zij spreken een

uitheemsche taal, maar toch meenen wij, aan de wijze waarop zulks

door twee hunner geschiedt, zoowel als aan hunne gelaatskleur,

houding en manieren, stadgenooten te herkennen. Alleen de derde, die,

op de eereplaats, in 't midden gaat, is blijkbaar een vreemdeling. De

kwistige overvloed van bonte pluimen, die rondom den bol van zijn hoed

golven, de zwier, waarmede de oranjekleurige, met goud gestikte mantel

van den linkerschouder afhangt, de gouden ketens, die zich kruisen

onder en over de slippen van eene das, uit het fijnste kantwerk

vervaardigd, de omgekeerde piramide van veelkleurige linten, die

't onderlijf bedekt, de breede kanten, die over de omgeslagen randen

neervallen der laarzen, met gouden sporen voorzien, die weelderige

opschik in één woord, en daarbij die gele, doorschijnende tint van

het gelaat, die blinkende raafzwarte vlechten, die in natuurlijke

krullen tot ver over de schouders heen dartelen, die levendige,

als sterren vonkelende oogen, en die welluidende uitspraak van de

liefelijkste aller talen, stellen het buiten allen twijfel dat wij

hier een Italiaan voor ons uit zien gaan, en wel, dat wij de lingua

romana in bocca toscana hooren spreken.

En zoo is het ook. Die vreemdeling, die op de plaats van eere gaat, is

niet slechts een Toskaner, maar een Florentijner, en niet slechts een

Florentijner, maar een zoon uit het doorluchte Huis van Medicis, die

de groote wereldstad bezoeken en kennis komt maken met de rijkdommen

en merkwaardigheden, waardoor zij zich op dit tijdstip--wij tellen nu

1667--boven alle andere van Europa onderscheidt. De Medicis, dien wij

daar voor ons zien, is Kosmo III, zoon van den Groothertog Fernando, en

de heeren, die aan weerszijden van hem wandelen, zijn--de Burgemeester

Andries De Graeff, die van de reizen, welke hij, op 't voorbeeld der

meeste jongelieden van goeden huize, in de dagen zijner jeugd naar

Frankrijk en Italië deed, zooveel van de taal van Petrarca onthouden

heeft, dat hij zich nog verstaanbaar daarin kan uitdrukken--en

de Heer Albertus Benzi, de voorname Amsterdamsche koopman, die,

Italiaan van afkomst, groote zaken doet met zijne stamgenooten,

de belangen van de Medicissen en andere doorluchte Florentijnsche

geslachten te Amsterdam waarneemt, en thans den Prins tot gids en

tolk verstrekt. Wij bemerken nu, dat de vijf of zes andere heeren,

die de reeds genoemde op korten afstand volgen, tot hun gezelschap

behooren. Twee daarvan zijn edellieden van 's Prinsen gevolg, de

overige zijn jeugdige leden van Amsterdamsche Regeeringsfamiliën,

den doorluchtigen bezoeker als eene soort van eerewacht toegevoegd.

Wij zijn toch nieuwsgierig te weten, wat de Prins en zijne geleiders

elkander alzoo te vertellen hebben, en, gebruik makende van ons

voorrecht, om alles te hooren en te zien, zonder zelven opgemerkt te

worden, voegen wij ons bij hen.

"Ik betuig uwe Edelheid," zegt Kosmo, terwijl hij even stilstaat, om

het vergezicht gade te slaan, dat hem van de brug af, waar hij zich

op bevindt, rechts en links wordt aangeboden, en zich te verlustigen

in het bont gewoel der talrijke schaatsenrijders, die hier op en af

langs de baan zwieren, "bij al de wonderen, waarvan ik reeds ooggetuige

geweest ben in deze uwe stad, niet te begrijpen, hoe er nog iets zou

kunnen zijn, dat mij verwondering baarde."

"Uwe Doorluchtigheid is te welwillend," zegt De Graeff: "wat is

Amsterdam toch, in vergelijking met Florence, Venetië, Genua, en het

eenige Rome? Wij zijn er hier al grootsch op, als wij eenig marmer

binnen onze nederige woningen hebben, terwijl ten uwent geheele

paleizen uit marmer rijzen."

"En ziedaar juist wat mij met verbazing slaat," hervat Kosmo:

"dat gij, een land bewonende, dat noch marmer, noch steen, noch

timmerhout oplevert, toch eene stad als deze op palen hebt weten

te stichten, en op die palen huizen gezet, in een bouwtrant, die,

van den onzen verschillende, minder statig en grootsch, maar tevens

minder eentonig, en oneindig vroolijker, bevalliger en netter is,

en die huizen van binnen hebt weten te stoffeeren, niet enkel met

het kostelijkste marmer, maar ook met pracht van tapijten, gordijnen,

behangsels en meubelen, zoo kunstig en prachtvol als waarvan men bij

ons in de verste verte geen denkbeeld heeft. Gij moet dan gruwzaam

rijk zijn, gij Heeren Amsterdammers."

"Ik weet niet," verstout Benzi zich op te merken, "of uwe

Doorluchtigheid hier wel te recht den tegenwoordigen tijd van 't

werkwoord bracht. Die laatste Engelsche oorlog heeft ons vrij wat

achteruitgezet."

"Men kan 't niet merken," zegt de Prins, lachende: "en dan," vervolgt

hij: "wat al kunstenaren in alle vakken! Gij hebt schilders, wier

manier van de Italiaansche verschilt, doch die op hunne wijze met

het penseel weten te tooveren en begoochelingen teweegbrengen,

waardoor men de natuur zelve waant te aanschouwen: gij hebt

bouwmeesters en beeldhouwers, zoogoed als zij ergens te vinden zijn:

uw orgelspel overtreft al wat ik ooit gehoord heb; uwe schrijnwerkers,

juweliers, goudsmeden en andere kunstenaars van dien stempel zijn

de voortreffelijksten, die men vinden kan: uwe drukkerijen zijn

de beste van Europa; in elk ambacht levert gij de meest gezochte

stukken werks:--ja ik zou niet weten in welk vak eenige stad u den

prijs kon afwinnen."

"Indien het mij geoorloofd is, dit te zeggen," merkt 's Prinsen

Hofmeester, Signor Filippo de Neri, aan, die, met de overige heeren

de brug opgekomen zijnde, de uitboezeming van den Prins gehoord heeft:

"dan zou ik willen doen opmerken, dat Amsterdam geene mozaïsten bezit,

gelijk Florence die bij menigte telt."

"Om in 't mozaïek te werken," zegt Kosmo, de schouders ophalende,

"moet men de onderscheidene soorten van marmer en gesteenten, die

men behoeft, maar voor 't grabbelen om zich heen vinden, en hoe zou

een kunstenaar daar te Amsterdam aan geraken?"

"'t Is zooals Z. Doorluchtigheid te recht aanmerkt," zegt meesmuilende

Benzi: "de materialen ontbreken hier:--intusschen, Signor Filippo

heeft nog niet alles gezien, wat er in Amsterdam te zien valt."

"Neen, waarschijnlijk niet," zegt Kosmo: "doch waar gaan wij nu

eigenlijk heen?"

"Naar een winkel in de straat hier recht tegenover ons, zoo 't Uwe

Doorluchtigheid goeddunkt," zegt De Graeff.

"Ik volg blindelings het geleide van Uwe Edelheid," antwoordt Kosmo:

"als wel wetende dat ik dan onmisbaar goed te recht kom."

En wederom zet zich het gezelschap in beweging. 't Werd ook tijd;

want de voorbijgangers, nieuwsgierig als de Amsterdammers van oudsher

geweest zijn, en wel steeds zullen blijven, hebben zich langzamerhand

om het gezelschap heenverzameld en staan den "vreemden Prins" reeds

op eene vrij onbescheiden wijze aan te gapen. Doch de wandeling, die

men te doen heeft, is niet groot, en men is spoedig van 't lastige

bekijk verlost; halverwegen de Beerestraat vertoont zich een gewoon

burgerhuis, dat zich in niets van de overige onderscheidt, dan door

de kolossale gekleurde schelp, die, bij wijze van uithangbord, boven

de luifel uitsteekt. Het is deze woning, welke de Burgemeester zijn

voornamen gast verzoekt binnen te treden, en, gevolgd van het geheele

gezelschap, begeven zij zich, door de openstaande voordeur en het

donkere voorhuis, naar eene ruime, goed verlichte achterkamer, die

tot werkplaats dient, en waar zich, op dat tijdstip, drie personen

bevinden. Van die drie is er een, die blijkbaar de bewoner van

het huis is, achter eene tafel gezeten, op welke het blad eener

andere tafel gelegen is. De man is reeds van gevorderden leeftijd:

hij draagt eene kalot op het hoofd, en een knijpbril op den neus,

en is bezig, uit platgemaakte schelpen, waarmede verschillende houten

bakken naast hem gevuld zijn, de zoodanige te kiezen als hem dienstig

zijn voor zijnen arbeid. Wat de knaap, die zich achter hem bevindt,

uitvoert, is moeielijk te zeggen; want, reeds op het eerste gerucht van

aankomende bezoekers, heeft hij een kleed geworpen over de tafel, bij

welke hij aan 't werk is. De derde persoon, die zich in de werkplaats

bevindt, is een bejaard man in eenvoudige burgerkleeding, die bij het

binnentreden des Burgemeesters terstond is opgerezen van de houten

schabel, waarop hij gezeten was, en zich bescheiden in een donkeren

hoek van de kamer terugtrekt. Ook de heer des huizes is, zoodra hij,

van zijn arbeid opkijkende, de qualiteit der bezoekers heeft bespeurd,

opgestaan, om hen te begroeten en hunne bevelen af te wachten.

"Gij houdt het mij ten goede, meester Dirck," zegt De Graeff, "dat ik u

hier den Prins van Toskane breng, die wel zien mag, dat men ook elders

dan in Florence tafels weet in te leggen naar de wijze der mozaïsten."

"'t Zal mij veel eer zijn," antwoordt meester Dirck, "en," voegt hij

er met eene niet ongepaste zelfverheffing bij, "hij zal de eerste

groote sinjeur niet geweest zijn, die zich overtuigd heeft, dat de

Amsterdammers ook nog wat kunnen uitvoeren."

Kosmo heeft van deze woordenwisseling natuurlijk niets verstaan; doch

hij heeft er ook geene moeite toe gedaan; zijne aandacht is, reeds

van 't eerste oogenblik, aangetrokken geweest door het kunstwerk,

dat hij voor zich ziet en geheel verdiept in de beschouwing van dat

ronde blad van toetssteen, waarop, binnen een half voltooid randwerk

van loofwerk, bloemen en vruchten, eene vaas is afgebeeld, mede gevuld

met gebloemte van alle soort, rondom hetwelk bontkleurige kapellen,

juffers, bijen, gouden torren en andere gevleugelde insecten vliegen,

en dat alles, in plaats van met verven, met paarlemoer afgebeeld,

zoo kunstig en natuurlijk, dat gij elk diertje, elk blad, elke bloem

of vrucht als in leven waant voor u te zien.

De Prins heeft een tijdlang in zwijgende verbazing de oogen op dat blad

gevestigd gehouden; maar nu richt hij ze op naar den kunstenaar, en,

terwijl zijn gelaat de minzaamste uitdrukking aanneemt, geeft hij hem

door blik en gebaren de opgetogenheid te kennen, die het aanschouwen

van dit meesterstuk bij hem heeft verwekt.

"Het is gelukkig," zegt hij vervolgens, zich tot Filippo de Neri

wendende, "dat gij met den Heer Benzi geene weddenschap hebt aangegaan

over het al of niet bestaan van mozaïsten te Amsterdam: gij ziet nu,

dat ook in dezen opzichte, Amsterdam niets aan Florence te benijden

heeft."

"'t Is er mede als met de schilderijen, Uw Doorluchtigheid," zegt

de Neri, die zich niet als verwonnen wil beschouwen: "de manier van

werken tusschen onze en de Hollandsche meesters is verschillend;

maar elke heeft hare eigene verdiensten."

"En is dit alles uit louter paarlemoer vervaardigd?" vraagt Kosmo.

De kunstenaar, aan wien De Graeff de vraag heeft overgebracht,

vergenoegt zich, tot antwoord, aan den Prins de bakken voor te

houden, waar de materialen zich in bevinden, die hij tot zijn arbeid

gebruikt. Die bakken bevatten een aantal dunne, platte schijfjes en

schilfers, elk van eene verschillende kleurschakeering, van donkerbruin

tot zilverwit.

"En hoe weet gij nu die deelen, waar de ruwe, holle schelp uit is

samengesteld, dus van elkander te scheiden en plat te slaan, zoodat zij

tot het gebruik kunnen dienen, waarvoor gij ze bestemt?" vraagt Kosmo.

"Indien ik hem dat vertelde," zegt Meester Dirck, op het vernemen der

vraag, en terwijl hij met een ondeugenden glimlach naar de overdekte

werktafel achter hem omziet, "dan zouden zij het te Florence ook

spoedig weten."

"Onze brave kunstenaar heeft geene te hooge gedachten van mijne

bescheidenheid," zegt lachende Kosmo, nadat hem het antwoord van

meester Dirck is overgebracht: "en toch, ik kan hem geen ongelijk

geven.--Met dat al, 't is niet het werktuiglijke van zijne kunst,

dat hier 't meest in aanmerking komt: 't is het scheppend genie,

dat bij den arbeid heeft voorgezeten, dat die bloemen en dat

loofwerk van den rand zoo los en bevallig dooreen heeft weten te

slingeren, dat bij het samenstellen van den ruiker in die vaas eene

zoo verwonderlijke schikking heeft weten in acht te nemen, waardoor

elke bloem en bloemstengel evenzeer uitkomt, en er toch niets is, dat

rammelt of aan de werking van het geheel schade doet. Voorwaar, die

man is, als teekenaar, als schilder, grooter nog dan als kunstwerker,

en wel waardig dat de dichters zijn lof bezingen."

"En dat hebben zij ook gedaan," zegt Benzi: "ginder," vervolgt hij,

op den man wijzende, die bij de komst van 't gezelschap zich in een

hoek der werkplaats begeven had, en daar in eerbiedige houding is

blijven staan: "ginder staat onze puikdichter, die reeds meer dan

een halve eeuw alles bezongen heeft wat Amsterdam goeds en grootsch

opleverde en ook meester Dirck Van Rijswijk niet heeft vergeten."

Kosmo wendt den blik naar den persoon, die hem wordt aangewezen, en

beschouwt met aandacht die flinke gestalte, dat wakker en open gelaat,

dat breede voorhoofd, en dat oog, waaraan het wicht van tachtig,

vaak kommervolle jaren, niets van zijn gloed ontnomen heeft.

"Men kan het dien man aanzien, dat hij een dichter is," zegt hij

tegen De Graeff.

"Hij wordt voor den besten gehouden, dien wij hebben," zegt de

Burgemeester: "jammer maar, dat zijne financiën in geen beteren staat

zijn: de poëzie moge eene schoone zaak zijn, zij geeft geen brood."

Vondel had in vroegere dagen ook een weinig aan 't Italiaansch gedaan:

hij heeft er genoeg van onthouden, om de woorden te verstaan, door

De Graeff gesproken, en een smartelijke glimlach zweeft om zijn

mond. Kosmo heeft dien opgemerkt, en hij wil een pleister op de wond

leggen, die hij gevoelt dat den dichter geslagen is.

"De poëzie geeft meer," zegt hij: "zij geeft de onsterfelijkheid

niet alleen aan den zanger, maar ook aan hen, die hij tot stof zijner

zangen kiest."

"Verstaat gij, sinjeur Vondel! wat zijne Doorluchtigheid zegt?" vraagt

De Graeff, op een half spottenden toon, aan den dichter: "hij zegt,

dat gij mij onsterfelijk gemaakt hebt; want ik behoor tot dezulken,

op wie gij rijmen gemaakt hebt."

"Ik heb het verstaan," antwoordt de grijsaard, terwijl hij met

een vriendelijken blik en eene nederige hoofdbuiging den Prins voor

zijne heuschheid dankt: "intusschen," vervolgt hij, zich weer naar De

Graeff richtende, "heeft Uwe Edelachtbaarheid wel gezorgd, dat haar

naam vereeuwigd blijft, zonder dat ik daar iets aan kan toe of afdoen."

"Gij verstaat dan ook Italiaansch?" vraagt Kosmo, met jeugdige drift,

om de tafel heen, naar Vondel toeloopende.

Vondel maakt eene diepe buiging; terwijl hij bij zich zelven zich

beklaagt, niet machtig te zijn in dezelfde taal, waarin hij wordt

toegesproken, behoorlijk te antwoorden; doch zijne tegenwoordigheid

van geest redt hem uit de verlegenheid en, het Latijn te baat nemende,

betuigt hij aan den Prins zijn leedwezen, dat onkunde en ongewoonte

hem verhinderen, zich van den schoonen tongval te bedienen, waarin

Petrarca en Guarini hadden gedicht.

"Maar gij kent hen toch," zegt Kosmo, zich mede van de Latijnsche

taal bedienende: "en Tasso, hebt gij hem gelezen?"

"Eene mijner dierbaarste vriendinnen [53], nu helaas! mij sedert

lang ontvallen, heeft," antwoordt Vondel, "zijn meesterstuk in ons

Neerduitsch overgebracht: zij placht mij haar vertrouwen te schenken

en zoo nam zij mijn raad daarbij in: en de uren, door mij besteed,

om haren arbeid na te zien en met het oorspronkelijke te vergelijken,

reken ik onder de zoetste van mijn leven."

"De vriendin, waar ge van spreekt," zegt Kosmo, "bewees eene vrouw van

smaak en oordeel te zijn: van smaak, dat zij het "verlost Jeruzalem"

op prijs stelde, van oordeel, dat zij den raad innam van een zoo

voortreffelijk dichter, als waarvoor gij, naar ik hoor, bekend

staat. Uw naam is...."

"Justus Vondelius, Uwe Doorluchtigheid."

"Het spijt mij nu dubbel, uwe taal niet te verstaan; want daardoor

is mij het genot ontzegd, uwe schoone zangen te lezen. Gij hebt,

hoor ik, ook de wondere gewrochten van gindschen kunstenaar bezongen."

"Ik heb twee van zijne tafels bezongen," antwoordt Vondel, "de eene,

niet ongelijk aan degene, waar meester Dirck thans aan bezig is, en

die tot een geschenk moest strekken aan wijlen den Directeur-Generaal

Hulft; de andere van meer omvang, en het feestmaal der Goden

voorstellende."

"Die tienduizend gulden heeft gegolden," voegt Benzi er bij.

"Tienduizend gulden!" herhaalt de Prins: "maar dat is een rantsoen voor

een Vorst; en ik zal mijne kas wel aandachtig mogen raadplegen, eer

ik mij veroorloof, hier eene bestelling te doen.--Nu, Signor Justus,

gij zult mij verplichten, indien gij mij die beide gedichten wilt

doen toekomen: ik zal ze hier ter stede door een bekwamen tolk in

't Italiaansch laten overbrengen en ze als een gedachtenis medenemen."

En met eene minzame hoofdbuiging afscheid nemende van den dichter,

begeeft hij zich weder naar de tafel en laat aan Meester Dirck vragen,

of hij ook werkstukken heeft, die voltooid en te koop zijn. Rijswijck

geeft hierop een wenk aan zijn dienaar, en deze, eene kast openende,

haalt daar eenige schenkbladen en andere voorwerpen uit, van

minderen omvang dan het kunststuk, dat nu onder handen is, doch,

wat de bewerking aangaat, niet minder keurig en uitvoerig. Immers

ook van deze kan men, met Vondel, zeggen:

....Hier blinckt de schoone regenboog

Van bloemen loofwerck en festoen,

Uit root en blaeu en geel en groen

En gout gemengelt, in ons oogh....

....Hier geeft genoffel, [54] leli, roos

Gemengt uit onderscheiden kleur,

Trots Indisch velt, een lucht en geur,

Hier praelt robijn, saffier, turkoos.

Hier blinckt de gout- en zilvermijn.

Hier rijst de witte morgenstar.

Zy voert den dagh af op haer kar

En boodschapt ons den zonneschijn....

....Hier legt de schilder zijn palet

En rijck penceel uit zijne hant.

De juwelier acht diamant

Noch dier gesteente, in gout gezet.

Dees kunst schept, uit een ruwe schulp,

Gesteente, en tulpen, knoppen, blaên

Gestarnte, en licht, en zon, en maen.

Zy neemt vernis noch verf te hulp.

De schilderkunst verschiet haer verf,

Gelijck de maaght haer frissche jeught,

De tulpen zien haer waerde en vreught

Verwelckt of schrikken voor bederf.

De rijp, de nevel en de mist

Verstickt de tulp: een felle storm

Verslijt haar leven, eer men 't gist:

De paerlemoerbloem, op haar steel,

Volght d' eeuwigheit in duurzaemheit

En blijft tot dat de werelt scheit,

Waer bloeide ooit eêler bloempriëel!....

of ook, op eene andere maat;

....Hier weit het oogh in allerhande bloemen,

De kunst verdooft de stof.

....Stoft d' Indiaan op d' endeloze rente

Van 't vrolijck ooftsaizoen.

Dat eeuwigh duert: het is hier eeuwigh lente.

Geen kou verbijt dit groen.

....Dees veltzwarm ziet den dischbeemt nooit verdorren.

Het leeft er overal

Van krekel, vliegh, wywouter, goude torren,

En joffren zonder gal,

De maenebloem, de starrebloemen locken

Die vlugge zielen uit.

De morgenstar, de korenbloem, de kloeken

Ontluiken op 't geluit.

De kivitsbloem, en keur van schoone tulpen,

Die, als 't kameleon,

Met menigh slagh van verwen zijn behulpen,

Bekooren zelf de zon,

Genoffel, of eenverwigh, of gemengelt,

Gezegent met een lucht

Van nagelpoêr [55], in zoo veel kleurs gesprengelt,

Het hart verquickt, als 't zucht....

....Wat quist men tijt om 't eeuwige bewegen

Te heffen op het hooft!

Dat uurwerck speelt en draait u eeuwigh tegen

En flikkert onverdooft.

Dees zonnebloem volght met haar drijvende oogen

De zon, haar bruidegom.

Zy lonckt haar aan, van zuivre min bewogen

En zoeckt zijn gunst alom.

Wanneer haar lief zijn hooft en gouden luister

Des avondts onderhaelt,

Dus leentze noch den zonneglans by duister,

Hoe diep hy nederdaelt....

"Welnu!" zegt eindelijk Kosmo, nadat hij eene der tentoongestelde

voorwerpen heeft uitgekozen: "gij zult dit aan mijn logement doen

bezorgen, Signor Van Rijswijck, en hier," op Filippo de Neri wijzende,

"is mijn schatmeester, die er den brenger de honderd dukaten voor

uitbetalen zal, die gij er voor vraagt. Ik stel er mij een feest van

voor, dit kunstwerk aan de mozaïsten in mijn vaderstad te wijzen:

en hou u maar goed, Signor! als deze of gene onder hen hier komt en

u de kunst poogt af te zien."

Het bezoek is afgeloopen en het hooge gezelschap heeft de werkplaats

van Meester Dirck Van Rijswijck verlaten.

"Een nobel Heer, die Prins van Medicis," zegt Vondel, na hun vertrek,

tegen zijn vriend den kunstenaar: "zie, onze groote Heeren hier zijn

brave, eerbiedwaardige mannen, en toonen zich bij wijlen ook wakkere

Mecenaten; maar toch ontbreekt hun iets, dat deze vreemdeling bezit."

"Wat dan?" vraagt meester Dirck, verwonderd.

"Wat?--het echte kunstgevoel," antwoordt Vondel, spijtig voor zich

ziende.

"Ei wat," herneemt Rijswijck: "zij hebben toch mijn feestmaal der

Goden met tienduizend gulden betaald."

"Ja, dat hebben zij," zegt Vondel, peinzende, en het gevoel

onderdrukkende, dat bij hem ontstaat op de vraag, die in weerwil

van hem zelven bij hem oprijst, waarom of zijne verzen, die toch

ook een kunstig gevlochten, en de eeuwigheid verdurenden krans

vormen van bloemen, loofwerk en vruchten, of niet, of met eene

aalmoes betaald worden: "dat hebben zij: maar zij hebben uw werk,

zij hebben de schilderijen van Van der Helst of Stockade, en de

beelden van Quellijn betaald, zooals zij 't een kostelijk meubel,

een pronkstuk in hun vertrek of voorportaal doen:--en zij achten in

den grond noch uw kunstwerk, noch die schilderijen of beelden meer

dan een nieuwmodisch behangsel of vloertapijt, dat veel geld kost:

en zij kunnen er den hoogeren geest niet in herkennen, die u en die

andere groote kunstenaars bezield heeft. Maar die Italiaan is in eene

andere lucht gewonnen en gevoed: op dien bodem, die voorheen Maro's

en Flaccussen gekweekt heeft, waar de liefde tot de kunst eeuw in eeuw

uit van de vaderen op hunne nazaten is overgegaan, en waar, nog heden,

zoowel de Heilige Vader op 't Vaticaan, als de nederigste landbouwer

op 't veld, de verzen van Virgilius en die van Tasso of Petrarca in

den mond heeft en zich buigt voor de kunstgewrochten van Titiaan en

Rafaël en Michel Angelo. Zie!--daar had ik moeten geboren zijn."

"Gij, vader Vondel!" zegt Rijswijck: "'t mocht wat: al zijt gij van

Keulen hierheen gedwaald, gij zijt en blijft toch een Amsterdammer

in uw hart."

"Nu ja, dat is waar," herneemt de grijsaard, wederom als tot zich

zelven sprekende: "want het is te Amsterdam, dat ik geleefd en geleden,

en schier al wat mij dierbaar is begraven heb."

"Wat mij betreft," hervat Rijswijck, na een langdurig stilzwijgen van

weerszijden: "ik verheug mij, dat ik hier woon; want ik twijfel of

ergens, behalve hier, mijne tafels zoo goeden aftrek zouden vinden

tot den prijs, waar ik ze op gezet heb."

Den volgenden dag ontving Kosmo van Medicis het bestelde schenkblad;

gelijk mede de verlangde gedichten; doch bij deze laatsten was de

navolgende tweespraak gevoegd, die Vondel ter eere van 's Prinsen

verblijf te Amsterdam had vervaardigd:

Amsterdam.

Wat glori komt mijn hooft beschijnen,

In 't hartje van den wintertijt!

Italiaen.

De morgenstar der Florentijnen,

Een eeuwige eer, uw kroon benijt.

Amsterdam.

Wat telgh is 't? Uit wiens stam gesproten?

Spreekt duitlijck Duitsch. Hoe luit die naem?

Italiaen.

De jonge Kosmo van den grooten,

De waerelt kenbaer door zijn faem.

Amsterdam.

Een godtheit daelt, als uit de wolcken

Om laegh in 't vrye Nederlant.

Italiaen.

Onthaelt van zeven vrye volcken,

Daar gy alleen de zeekroon spant.

Amsterdam.

Zoo zagh voorheen de groote moeder

Der koningen [56] mijn groote stadt.

Italiaen.

De moeder van den Franschen hoeder,

Geheilight door het lelibladt.

Amsterdam.

Zy gaf Gaston, zijn broeder [57], 't leven,

Nu schoonvaêr der Toskaensche spruit.

Italiaen.

En eert u noch in hare neven.

Gy zeilt hun havens in en uit.

Amsterdam.

Fernandus zagh mijn bloedvlagh paelen,

Toen 't Britsch kasteel ten hemel voer;

Italiaen.

Dat uwen waterleeuw van Galen

Den doot in 's Hertoghs haven zwoer.

Amsterdam.

De zoon kan hier het graf aanschouwen,

't Welck 's helts gebeent en naem bewaert;

Italiaen.

En daeden, op de zerk gehouwen.

Zoo blijft de deught alom vermaert.

Amsterdam.

Dees prins ziet hier mijn schiltkroon proncken,

Ten prijs van zijn voorvaders [58] stam.

Italiaen.

En keizers gifte uw trouw geschoncken,

Zoo blinckt Florence te Amsterdam.

Amsterdam.

Mijn kapitool, bij zijn gebouwen

Geleken, zal te pover staan.

Italiaen.

Ik zweer, 't gezicht wil hem noit rouwen,

Hat wijckt Sint Mark, noch Vatikaen.

Amsterdam.

Maer d' Arno schenckt gezonder luchten

En ooft, dan d' Aemstel hem kan biên.

Italiaen.

Uw mastbosch draeght ook goude vruchten,

Een bosch, van Princen waert bezien,

Amsterdam.

Prins Kosmo dreight den Griekschen roover

Te ketenen op Tunis strant.

Italiaen.

Scheept Putten [59] met uw krijghsvloot over,

Zoo wordt die zeepest uitgebrant.

Amsterdam.

Dan keerenze met Kriste-slaven,

En Smyrna ziet den handel vry.

Italiaen.

En d' Aemstelheer onthaelt zijn braven

Met zeekortouwen langs het Y.

Amsterdam.

Dan brult de zeeleeuw van Venedigh,

En Kandië schept verschen moedt.

Italiaen.

Hy wet zijn klaauwen eens zoo snedigh

En Villa dempt al 't helsch gebroet.

Amsterdam.

Dan krijgt Europe een nieuw gestalte,

En 't kruis braveert de Turksche maen.

Italiaen.

Gansch Barbarye schrikt voor Malte.

Dat Asië en haar maght houdt staen.

Amsterdam.

Geene afgunst groey noch rijze tusschen

Den Hertogh en 's lants vrijen staet.

Italiaen.

De Batavier omhels Hetrusschen

Zoo lang de zon te water gaet.

Bij Burgemeester Witsen.

Uit de Beerestraat op onze schreden teruggekeerd en de brug weder

overgegaan zijnde, begeven wij ons rechts de Keizersgracht op, naar het

fraaie huis met een hardsteenen gevel, dat ginds over den Schouwburg,

Costers oude Academie, zeven-en-twintig jaren geleden--wij zijn nu

in 1688--door den bewoner werd gesticht. Die bewoner is Mr. Nikolaas

Witsen, sedert 1671 Raad, sedert 1673 Schepen, in 1682, 1685, en

ook nu wederom, Burgemeester van Amsterdam. Wij komen de stoep op te

gelijk met een welgekleed Heer, die er aanschelt, en terwijl hij wacht,

dat hem opengedaan wordt, hebben wij den tijd, hem in oogenschouw te

nemen; wat wij beter kunnen doen, omdat hij in 't volle licht staat

der ondergaande Augustuszon. Mij dunkt, hij komt ons niet geheel

onbekend voor: neen inderdaad, wij hebben dat gelaat meer gezien,

en wel op eene dier schilderijen, aan de Stad behoorende, en die

nog steeds op eene voegzame verblijfplaats wachten. Maar dáár is hij

voorgesteld als een jong en krachtvol man, met levendigen oogopslag,

wakker en blozend gelaat, donkerbruin haar, dat in weelderige vlechten

over 't voorhoofd en langs hals en schouders nedergolft, terwijl zijn

eenige opschik bestaat in een omgeslagen halsboord en een oranjesjerp,

die zijn wambuis omsluit;--terwijl nu datzelfde gelaat zich taankleurig

en gerimpeld, de houding gebogen, de wangen flets en voos vertoonen,

eene krulpruik het hoofd bedekt, eene kanten das met wit lint om

den hals is gestrikt, en kanten manchetten uit de breede omslagen

van den zwartfluweelen rok te voorschijn komen. En toch hebben wij

wel denzelfden persoon voor oogen, maar, sedert hij op de schilderij

werd afgebeeld als Sergeant der burgerij, zijn er jaren verloopen,

en thans bekleedt hij de Burgemeesterlijke waardigheid. Geen wonder,

dat er verschil bestaat tusschen den Jean Appelman van toen en den

Jean Appelman van heden.

De deur gaat open: de knecht antwoordt op de hem gedane vraag, of

zijn Heer thuis is, wel toestemmend, maar toch eenigszins aarzelend,

laat den bezoeker in de zijkamer, en begeeft zich de trap op, naar

het studeervertrek van zijn meester, binnen 't welk wij hem volgen.

Wij behoeven niet te vragen of wij ons in de kamer eens geleerden

bevinden. Niet omdat talrijke boekenkasten de wanden bedekken, zoodat

alleen hier of daar het goudlederen behangsel doorschijnt;--want het

bezit eener rijke boekverzameling begint reeds eene der noodwendigheden

te zijn, die een man van vermogen--ook al slaat hij er nimmer een

oog in--zich wel getroosten moet, wil hij niet voor een plomperd

worden aangezien: neen, wat ons tot de zoo even vermelde overtuiging

brengt, is, vooreerst, de meer bijzondere aard dezer boekerij, die,

schoon verre van arm in werken, die tot godgeleerdheid, rechts- en

staatswetenschap betrekking hebben of over letterkunde handelen,

toch vooral waarde heeft door de volledige verzameling, die zij

bevat, van hetgeen in vroegere en latere tijden over wiskunde in

al hare onderdeelen is geschreven, en alzoo bij den bezitter eene

bepaalde voorliefde aanwijst voor dat vak van studie:--ten andere,

de omstandigheid, dat, waar de voorhang is opengeschoven, zich menige

opene ruimte vertoont, getuigende dat aldaar óf een geheel werk óf een

deel van eenig werk is uitgenomen, en dat, wanneer wij rondkijken, wij

het ontbrekende boek op eene schrijftafel of op een stoel terugvinden,

niet zelden open of met talrijke papiertjes bestoken, als zoovele

aanduidingen, dat men het geraadpleegd heeft en nogmaals raadplegen

wil:--ten derde, omdat de aanwezige aard- en hemelglobes niet, als

in de meeste boekerijen het geval is, bij wijze van sieraden op de

bovenhoeken der middelste kast prijken, zorgvuldig met hoezen tegen

stof bewaard, maar open op eene tafel staan; terwijl evenzeer de

talrijke wiskundige, optische en physische werktuigen, in kwistigen

overvloed op tafeltjes, buffetten en consoles of zelfs op den grond

uitgestald, de bewijzen met zich dragen, dat zij niet voor den pronk

zijn aangekocht, maar wel degelijk aan hun bezitter aanhoudende

diensten bewijzen:--en eindelijk, omdat de tafels overladen zijn

met kaarten, boeken en schrifturen, en wij onder deze laatsten eene

menigte opstellen van des bewoners eigen hand erkennen.

Wij bedriegen ons dan ook niet; de man, die daar zit, is werkelijk

een der voornaamste wis- en sterrekundigen, waar Nederland op roemen

mag, en zoowel de verhandelingen over de Zon en de Kometen, die hij

als jongeling schreef, als het werk over de "Aloude en hedendaagsche

Scheepsbouw en bestier," dat hij, als vrucht van rijpere ervaring,

in 1671 in 't licht gaf, getuigen niet enkel van doorgaande en

onvermoeide studie en werkzaamheid, maar vooral ook van grondige

kennis der onderwerpen, door hem behandeld.

En toch zijn 't, behalve een zee-atlas en eenige zeekaarten, en eenige

tabellen, met weerkundige waarnemingen, geen boeken of papieren, tot

het vak der wiskunde behoorende, die op dit oogenblik onder Witsens

onmiddellijk bereik gelegen zijn:--neen: 't is Grotius, de jure

belli et pacis, 't is een exemplaar van de Engelsche magna charta,

't zijn proclamatiën en pamfletten, betrekking hebbende tot de jongste

gebeurtenissen, in Engeland voorgevallen: en zoo het voorhoofd nog

meer gefronst, de wenkbrauwen nog meer samengetrokken, de vorens om

den mond nog dieper gegroefd zijn dan gewoonlijk, 't is niet op eenig

wiskundig problema, dat het schrandere brein thans bezig is te peinzen.

Doch Witsen is het niet alleen, die onze aandacht wekt, en, wanneer wij

bloot op 't uiterlijke afgaan, vinden wij ons meer aangetrokken tot

den man, die tegen hem over gezeten is, en wiens vlug en vroolijk

uitzicht, wiens levendige geestige oogopslag, wiens nu en dan

spotachtige glimlach, tot zoovele bewijzen strekken, dat de last

van een reeds gevorderden ouderdom hem niet zwaar valt en de lust

des levens hem te midden van aanhoudende staatszorgen niet begeven

heeft. Die wakkere grijsaard is Cornelis Geelvinck, Heer Van Castricum,

sedert 1652 Raad, sedert 1657 Schepen, in 1673 voor de eerste-, nu voor

de vierdemaal Burgemeester, Grooter contrast dan tusschen hem en den

ernstigen, meest zwaartillenden Witsen is moeielijk uit te denken: en

desniettemin--misschien wel juist daarom--bestaat voortdurend tusschen

hen beiden de beste overeenstemming en verstandhouding. Al drukken

zij, als 't zaken betreft, hun gevoelen uit op geheel verschillende

wijze, de slotsom komt meestal op 't zelfde neer: Witsen schaamt

zich somtijds zijne zwaarmoedigheid, wanneer hij een ambtgenoot van

hoogere jaren en langer ondervinding, zoo moedig en voortvarend ziet,

en Geelvinck toont zich minder haastig en luchthartig, wanneer hij

de bezwaren heeft gehoord, hem ontwikkeld door iemand, wiens diepe

kunde en helderheid van inzichten hij hoogschat.

"Burgemeester Appelman vraagt, of mijnheer geen belet heeft," zegt

de bediende, terwijl hij de deur half open houdt.

De beide Heeren zien elkander aan en eene wolk van misnoegen maakt voor

een oogenblik het reeds zoo strakke gelaat van Witsen nog donkerder

dan gewoonlijk. Hij bedwingt echter zijn wrevel en zegt:

"Laat den Heer Burgemeester hier.... maar luister!--ik ben voor

niemand verder te spreken, dan voor den Heer De Wildt: dien brengt gij,

als hij komt, naar de zaal, en komt mij dan waarschuwen."

De knecht buigt het hoofd en verwijdert zich.

"Juist nu een bezoek van onzen collega Appelman!" zegt Witsen tegen

Geelvinck: "zou hij lont geroken hebben?"

"Geroken misschien," zegt Geelvinck met een geruststellenden glimlach:

"maar hij zal lang rondsnuffelen eer zijn neus hem bij de aangelegde

mijn brengt. In allen gevalle, als hij bij ons komt visschen, zullen

wij hem met een kluitje in 't riet sturen."

"Stil!" zegt Witsen, "daar is hij."

Appelman komt binnen, en de beide Heeren rijzen op, om hem te

groeten. Uit de koel beleefde wijze, waarop Witsen zich buigt en hem

den leunstoel aanwijst, dien de knecht heeft gereed gezet, en uit de

achteloosheid, waarmede Geelvinck na eene snelle buiging met het hoofd,

weder in den pas door hem verlaten zetel terugvalt, mag men opmaken,

dat de nauwe betrekking, waarin zij tot den bezoeker staan, tot heden

nog maar weinig sympathie, ja zelfs geen gemeenzaamheid tusschen hen

verwekt heeft, en de toon, waarop het gesprek aanvangt en voortgezet

wordt, versterkt die opvatting niet weinig.

"Ik hoop niet, dat ik de Heeren stoor," zegt Appelman, zoodra hij

gezeten is.

"De komst van een ambtgenoot moet ons altijd welkom zijn," zegt Witsen,

wederom met eene beleefde buiging.

"Maar misschien ben ik nu over," zegt Geelvinck, "en heeft de Heer

Appelman iets aan den Heer Witsen te zeggen, dat ik niet hooren mag:

in dat geval zal ik het veld ruimen."

Hoe oogenschijnlijk beleefd deze woorden klinken, men mag twijfelen

of zij oprecht gemeend zijn: immers onder 't spreken werkt Geelvinck

zich nog dieper in zijn stoel, slaat het eene been over 't ander en

neemt in alle opzichten de houding aan van iemand, die zich recht op

zijn gemak zet.

"Verre van dien," antwoordt de nieuwgekomene: "het is mij integendeel

dubbel aangenaam, twee mijner ambtgenooten hier vereenigd te vinden:

ik zal zoodoende een dubbel licht ontvangen."

"Onze waarde collega scherst," zegt Geelvinck, "hij zal ons toch

niet willen doen gelooven, dat hij in duisternis verkeert en wij in

't volle licht gezeten zijn."

"Wij zullen in allen gevalle gaarne vernemen, welke inlichtingen de

Heer Appelman verlangt," zegt Witsen, met deftige hoffelijkheid.

"Om dan terstond tot de aanleiding van mijne komst over te gaan,"

hervat Appelman; "zij is gelegen in mijne bezorgdheid over den keer,

dien de politieke zaken nemen, en waarover ik volgaarne de gedachten

der beide Heeren zou hooren."

"En wat is er gebeurd," vraagt Witsen, "dat juist nu stof geeft tot

die meer bijzondere bezorgdheid?"

"Mij dunkt," antwoordt Appelman, "dat die stof nog al voor de hand

ligt; wanneer wij al die toerustingen zien te water en te land,

die troepen, die op de Mookerheide bijeenkomen, die drukte op de

Landswerven, die inspectiereizen, die Z. Hoogheid doet, en honderd

andere dergelijke teekenen van onrustige beweging, dan moet men wel

tot de slotsom komen, dat er iets buitengewoons op til is."

"Wat zal ik u zeggen?" merkt Witsen aan: "wij hebben een tijd beleefd,

toen er te weinig zorg voor de defensie gedragen werd, en dat is ons

in 72 zwaar genoeg opgebroken."

"Zie eens," vervolgt Appelman, terwijl hij twee nummers van de Opregte

Haarlemmer Courant voor den dag haalt, "de nieuwsmaren zelven brengen

't uit voor wie ooren heeft om te hooren. Wat lezen wij hier in

die van Dinsdag: "'s-Gravenhage den 16 Augusti. Gisteren zijn de

Heeren Van Massis en Van Coeverden haer Ho. Mo. Gedeputeerden, na

't Noorder Quartier vertrocken tot 't bywonen van de Bestedinge van

eenige nieuwe oorlogschepen," en nu in die van gisteren: "tot het

campement of de generale Revue over de troepen, dat op de Moocker

Heyde in 't laatst van deze ofte in het eerst van de andere maent

staet gehouden te werden wort alles vervaerdigt.""

"Ik heb in dat nummer van gisteren eene betere tijding gelezen,"

zegt Geelvinck: "die van de behouden aankomst der retourvloot met

vierd'half millioen aan waarden."

"Nu, dat behoefde de Haarlemmer Courant ons niet te melden," zegt

Appelman, de schouders ophalende: "er zijn immers reeds gisteren

twee van de Heeren Bewindhebberen naar Texel gegaan om de schepen te

ontvangen. Maar die krijgstoerustingen, waar kunnen die op zien?"

"Mij dunkt," antwoordt Witsen: "daar is nog al grond voor te

vinden. Heeft Frankrijk niet, om aan Keulen een Aartsbisschop naar

zijne keuze op te dringen en evenzeer in Luik zijn haan te doen

koning kraaien, de beide Bisdommen met zijne troepen bezet? En

als aan onze grenzen onrust heerscht, is het dan zoo vreemd, dat

de Staten maatregelen nemen, om onze veiligheid te verzekeren? dat

Z. Hoogheid de grensvestingen in oogenschouw neemt, en dat er troepen

op de Mookerheide samentrekken, om aan onze buren te doen begrijpen,

dat wij niet slapen?"

"Nu ja, dat kan wezen: maar dan dat ongehoord versterken onzer

zeemacht?"

"Mijn waarde ambtgenoot ziet mij aan alsof ik het helpen kon,"

zegt Geelvinck: "het is hem toch bekend, dat ik reeds sedert het

voorjaar mijne betrekking tot de Admiraliteit heb opgegeven, en niet

verantwoordelijk ben voor 't geen zij besluit."

"Zeker niet," zegt Appelman: "maar toch zou de gissing misschien

niet te gewaagd zijn, dat de Heer Van Castricum met het doel dier

uitrusting bekend was en daarom juist zijn ontslag genomen heeft."

"De Heer Van Castricum wordt oud," hervat Geelvinck, droog weg:

"en op zijne jaren heeft men aan het Burgemeesterschap al meer dan

genoeg te dragen.--Maar anders, wat het bouwen van schepen betreft,

hebben wij ze niet noodig, om de Algerijnen te tuchtigen? Wanneer

hebben die zeeschuimers de stoutheid ooit zoover gedreven als nu,

dat zich hunne galeien zelfs in 't gezicht onzer kusten, ja in onze

zeegaten durven vertoonen? Is 't niet meer dan tijd, aan zulk een

overmoed paal en perk te stellen en hun, eens voor altijd, te toonen,

dat wij nog als vanouds den bezem in den mast kunnen voeren en de

Zee vrijvegen van zulk schuim?"

"De Heer Van Castricum is dus overtuigd, dat de vermeerdering der

vloot geen ander doel heeft dan een expeditie tegen die van Algiers,"

zegt Appelman op een spottend schertsenden toon.

"Weet de Heer Appelman er een ander aan te wijzen?" vraagt Witsen,

een ernstigen blik op hem vestigende.

"Hm!" antwoordt Appelman: "dat zou misschien zoo zwaar niet

vallen;--maar van wat anders: is aan de Heeren dat schotschrift onder

de oogen gekomen, dat in Den Haag verschenen is, en waarin de echtheid

van de geboorte des Prinsen van Wales wordt in twijfel getrokken?"

"La couronne usurpée et l'enfant supposé bedoelt mijnheer?" zegt

Witsen: "ik heb daarvan gehoord, en tevens, dat men den drukker voor

't Hof ter verantwoording zal roepen."

"En hem het loon geven dat hij verdient," voegt Geelvinck er bij.

"Nu ja," herneemt Appelman: "men zal hem straffen, maar daarmede toch

den indruk niet wegnemen, dien 't geschrift bij velen heeft opgewekt."

"Bij koffiewijven en klappeien," valt Witsen in, terwijl hij de

schouders ophaalt: "maar welk man van gezond verstand hecht eenige

waarde aan dergelijken naamloozen laster?"

"Misschien niet aan den laster zelf," antwoordt Appelman: "maar wel aan

het doel, waarmede gelasterd wordt. De uitgave van dat schotschrift

is geen alleenstaand feit: heeft men niet sedert een geruimen tijd

allerlei geruchten in omloop zoeken te brengen, ten einde te doen

gelooven, dat de Koningin van Groot-Brittannië, reeds eene maand voor

den tijd, dat zij bevallen heet te zijn, van een dood kind verlost

was? Heeft het grauw die praatjes niet opgevangen met een gretig

oor? en hebben wij daaraan niet te wijten, dat toen, nu eene maand

geleden, de Engelsche Consul alhier een feest gaf ter viering van

die heuglijke geboorte, de glazen bij hem werden ingesmeten en zijne

gasten genoodzaakt bij de buren te vluchten?"

"Een droevig geval," zegt Witsen, het hoofd schuddende.

"Ja," gaat Appelman voort, "en het toont weinig diligentie van de

zijde der Justitie, dat men nog geen der belhamels gevat heeft. Is 't

geen schande voor Amsterdam, dat zulke oproerige bewegingen, bij eene

gelegenheid als deze, waar nog wel vreemde Ministers en andere notabele

lieden tegenwoordig waren, straffeloos hebben kunnen plaats vinden?"

"Het lokaas, dat de Justitie voorhield, was toch nog al aardig,"

merkt Geelvinck aan: "duizend gulden voor hem, die den eersten

steensmijter verklikte!--honderd dukatons voor het aanbrengen van een

handdadige!--'t Schijnt dat niemand tegenwoordig geld noodig heeft;

niet eene enkele aanwijzing is er gedaan, zelfs geene valsche."

"En toch," herneemt Appelman, "ware, naar mijne gedachte, mits men

zich wat moeite getroost had, deze of gene der schuldigen wel op te

sporen geweest. Enkele lieden onderstaan zich dan ook, te beweren,

dat de Regeering die beweging niet ongaarne gezien heeft, en zich

wel wachten zal, angstvallig naar de bewerkers daarvan te zoeken."

"Dat zijn wij van ouds gewoon," zegt Geelvinck, "dat men ons de schuld

geeft, als een boef zijne straf niet krijgt. Onze waarde collega zal

zich toch niet storen aan domme praatjes? Hij moet veel brij hebben,

die ieders mond wil stoppen."

"Ik zie er intusschen geen bezwaar in," zegt Witsen, "dat

Burgemeesteren nog eens aandringen bij den Heer Boreel, om ijveriger

nasporingen te doen."

"'t Is nog de vraag," zegt Appelman, "of de Heer Hoofd-Officier niet

misschien een wenk van eene andere zijde gekregen heeft, om in dezen

niet met rigueur van Justitie te ageeren."

"Hoe!" roept Witsen uit: "zou mijnheer dan denken, dat dergelijke

oproerige manifestatiën door de Hooge Regeering werden goedgekeurd?"

"Dat wil ik juist niet zeggen; maar wij hebben meer dingen zien

gebeuren, die stof tot nadenken gaven. Toen, nu zestien jaar geleden,

de Heeren De Witt werden om hals gebracht, werd zulks als een enorm

en ongehoord feit gedeploreerd;--maar wie werd er voor gestraft? Wie

zelfs er voor geapprehendeerd?--Immers niemand."

"Wie had men kunnen straffen?" vraagt Geelvinck: "men had den halven

Haag moeten ophangen."

"De Prins is geen huichelaar," zegt Witsen: "en ik heb mij overtuigd

gehouden, dat hij diep getroffen was door dat beklaaglijke voorval."

"Juist!" zegt Appelman: "men is bij zulke gelegenheden diep getroffen;

maar men profiteert van het gebeurde."

"Alzoo," herneemt Witsen, "ziet, naar uwe meening, Z. Hoogheid eenig

voordeel in de manifestatiën tegen zijn koninklijken schoonvader

gericht?"

"Wel!--was Mevrouw de Prinses geen erfgename van de Britsche kroon? en

zijn hare aanspraken niet vervallen sedert aan de Koningin een zoon

geboren is? En steekt er iets vreemds in, dat zij, en vooral de Prins

haar man, niets liever zouden zien dan de bewijzen, dat die Prins

Van Wales een ondergeschoven kind is? ja dat zij, ook bij mangel van

dergelijke bewijzen, met welgevallen elken twijfel zullen opnemen

aan de wettigheid van zijne geboorte."

"Onverbiddelijk logisch," zegt Witsen.

"En wanneer men daarbij in aanmerking neemt de overkomst van

den Admiraal Herbert en van zoovele andere Engelsche Heeren van

qualiteit, als dag aan dag het voorsalet van Z. Hoogheid belegeren,

en 't luid verkondigen, hoe de zaken in Engeland niet op die wijze

kunnen voortduren, en hoe 't Koninkrijk, zoowel als de Protestantsche

Kerk aldaar beiden te gronde gaan, tenzij eene krachtige hand dien

verwarden boel kome herstellen, zou dan de onderstelling zoo vreemd

zijn, dat de Prins wel gaarne de man ware, om die hand te leenen?"

"Alzoo," zegt Witsen, "is mijnheer ook de meening toegedaan van hen,

die beweren, dat er eene onderneming tegen Engeland op til is?"

"Wat mijne meening aangaat," zegt Appelman, "die is, dat de Heer

Witsen beter dan iemand mij zeggen kan, of zulk een vermoeden juist

is of niet. De Heer Witsen heeft in den laatsten tijd meer dan eens

een keer naar Den Haag gedaan, en gewis niet zonder daar gewichtige

informatiën op te doen."

"De beide Heeren," zegt Witsen, "zijn herhaaldelijk ter dagvaart

geweest, en 't is hun zoogoed bekend als mij, dat men in Den Haag ook

niet altijd te weten komt wat men verlangt te weten. Z. Hoogheid is

de man niet, om zich onvoorzichtig uit te laten en 't moet een fijn

diplomaat zijn, die uit kan vorschen wat heimelijk bij hem broeit."

"Maar," herneemt Appelman, "niemand zal mij van overdrijving of

vleierij beschuldigen, als ik zeg, dat ik den Heer Witsen houde voor

een fijn diplomaat: voor iemand, die weet te doorzien wat voor den

kortzichtige verborgen blijft--ja, die misschien in 't geheim is."

"Waarom niet?--Maar zoo dit laatste het geval ware, dan zou daaruit

alleen volgen, dat ik mij over het onderwerp niet mocht uitlaten."

"Ha zoo!" zegt Appelman, met een zegepralenden blik: "nu, dan geloof

ik te weten, waar ik mij aan moet houden."

"En ik geloof," zegt Witsen, "dat mijnheer zich zou kunnen vergissen,

indien hij onderstelde, dat ik eene geheimzinnige houding aanwendde,

als wilde ik doen denken, dat ik meer van de zaak af wist dan het

geval is."

"Wat meent mijnheer?" vraagt Appelman, eenigszins verwonderd opziende.

"Zie, mijn waarde Heer," vervolgt Witsen, "ik wil u rondborstig mijne

meening zeggen. Gesteld, de Prins had het voornemen, dat hem door u

wordt toegeschreven, zou daar, naar uwe meening, ooit iets van kunnen

komen zonder medewerking van Amsterdam? En zou, in zulk geval, er

van zijne zijde geen stap moeten gedaan worden, om de Vroedschap in

't belang der zaak te winnen?"

"Zonder tegenspraak."

"Welnu! Tot heden is niets van dien aard geschied.--Wat volgt

hieruit? Of, dat er geen voornemen bestaat, als door u wordt

ondersteld: óf, dat de plannen van Z. Hoogheid nog niet tot rijpheid

zijn gekomen.--Ware het, in zulk een staat van zaken, niet gevaarlijk,

zelfs onverantwoordelijk, vermoedens te helpen verbreiden, die op

een valschen grondslag kunnen rusten, en bij onze naburen, vooral bij

Frankrijk, den argwaan, dien men wellicht reeds koestert, versterken?"

"Maar," vraagt weder Appelman, "zou die argwaan niet veel beter

worden weggenomen door eene ronde verklaring van 's Prinsen zijde,

dat hij geen oorlog tegen zijn schoonvader bedoelt?"

"Dat zou zeker het geval zijn," antwoordt Witsen: "alleen moet ik u

doen opmerken, dat Z. Hoogheid moeielijk uit eigen beweging zoodanige

verklaring kan afleggen, of antwoord geven, voordat hem de vraag

gedaan is."

"Wel! misschien wordt die vraag hem wel eerstdaags gedaan," zegt

Appelman.

"Ei zoo?" merkt Geelvinck op, zich wederom in 't gesprek mengende,

"de Heer Appelman vroeg zooeven, of onze ambtgenoot Witsen in 't

geheim was van 's Prinsen bedoelingen; ik zou nu op mijn beurt gaan

vermoeden, dat de Heer Appelman in 't geheim was van de bedoelingen

der Heeren d'Albeville of d'Avaux."

"Ik hoop, dat mijn geachte collega schertst," zegt Appelman,

eenigszins geraakt.

De Heer Van Castricum kan alleen eene scherts bedoelen," zegt Witsen,

op verzoenenden toon: "want hij weet zoogoed als een onzer, hoe althans

de Heer d'Avaux er volstrekt geen geheim van maakt, dat die wapening

hem verontrust, en hij er rekenschap van denkt te vragen. En gebeurt

dat, dan zullen Hunne Hoogmogenden dienen te weten wat zij hem hebben

te antwoorden,--altijd ondersteld, dat zij zelven op de hoogte zijn."

"Wat vooralsnog stellig het geval niet is," voegt Geelvinck er bij. "Ik

heb althans van meer dan een Afgevaardigde ter Generaliteit dezelfde

klachten vernomen als nu van den Heer Appelman, dat hij namelijk

niets kon te weten komen van wat toch de Prins eigenlijk wilde."

"Ik zie wel," zegt Appelman, "dat mijne komst vruchteloos is, enik niet

veel wijzer zal heengaan dan ik gekomen ben:--en toch smart het mij;

want mijne stelling wordt gedurig moeielijker tegenover zoovelen,

die dagelijks van mij willen weten wat er gaande is."

"Beata ignorantia!" zegt Geelvinck: "zalig die niets te zeggen

hebben, omdat zij niets weten: want die loopen nimmer gevaar zich

te verspreken."

"Wat er van zij," vervolgt Appelman, zonder de scherts van Geelvinck

op te nemen, "ik schroom niet te zeggen aan wie 't hooren wil, dat

de Prins als een onzinnige zou handelen, indien hij in ernst op eene

onderneming dacht die nooit gelukken kan."

"En dewijl de Prins een verstandig man is," zegt Witsen, "mogen wij

ook vertrouwen, dat hij zich in geene zaak zal steken, die geene kans

biedt van slagen."

"Hoe zou daar kans toe zijn?" vraagt Appelman, "Lodewijk XIV zal

Koning Jakobus niet verlaten."

"Dat zou althans niet met zijn gewoon staatsbeleid overeenkomen,"

zegt Witsen.

"Ten andere, gelijk door u zelf is opgemerkt, de Prins vermag niets

zonder medewerking van Amsterdam, en de Stad zal nimmer toestemmen hem

te ondersteunen in een opzet, dat op bederf van haren handel uit zou

loopen;--om niet te spreken van de spanning, die nog altijd tusschen

haar en Z. Hoogheid bestaat, ondanks de quasi-verzoening."

"Zeker zal Amsterdam den Prins nooit tot den oorlog aansporen,"

zegt Witsen: "ik althans zou 't niet doen."

"En dan nog, om eene vloot in zee te brengen met eenige hoop op goeden

uitslag, dient er een Admiraal te wezen, in wien zoowel de Prins als

de equipage een onbepaald vertrouwen stelt. De Graaf Tromp, de man,

aan wien als Luitenant-Admiraal-Generaal het bevel zou toekomen,

is ontevreden op Z. Hoogheid, sedert die hem in Februari jl. maar

veertiend'halfduizend gulden heeft toegewezen, in plaats van f 100.000,

die hij wegens achterstallen vorderde."

"Inderdaad," zegt Geelvinck, "ik geloof dat Z. Hoogheid thans

moeielijk veel dienst van den Heer Tromp zou kunnen bekomen, indien

't eene onderneming tegen Engeland gold. Ofschoon de Heer Tromp

ongelijk heeft, aan den Prins te wijten, wat hij moest wijten aan de

Admiraliteit. Z. Hoogheid heeft alleen het advies gevolgd, hem door

deze gegeven. Intusschen, ik zie niet in, dat, als de Prins werkelijk

plan had op eene onderneming, hij die zou moeten opgeven, omdat de

Heer Tromp niet als Admiraal gebood. Wij hebben nog zeevoogden van

verdiensten, als de Heeren Evertsen, Almonde, Schepers en anderen,

die ik noemen kon."

"Dus gelooft de Heer Van Castricum toch, dat er wel iets gebeuren

kon?" vraagt haastig Appelman, terwijl Witsen Geelvinck met eenige

bevreemding aanziet over hetgeen hij als eene onvoorzichtigheid van

die zijde aanmerkt.

"Wel!" antwoordt Geelvinck, met een onnoozelen blik, "is er dan geene

Mogendheid, die men zou kunnen bestrijden, en tegen welke juist de

Graaf Tromp zich moeielijk kan laten gebruiken?"

"Inderdaad!" roept Appelman uit, op den toon van iemand, wien een

licht opgaat: "dat zou kunnen zijn: mijnheer bedoelt, dat men Zweden

wil helpen, en dat het op Denemarken gemunt is."

"De Heer Appelman gelieve wel op te letten, dat ik het niet ben,

die zoo iets beweer," zegt Geelvinck.

"Neen, gewis niet," herneemt Appelman, op een toon van tevredenheid,

"'t is natuurlijk enkel onderstelling, maar ja wel, de Admiraal

Tromp heeft zijn Gravetitel aan den Koning van Denemarken te danken,

en dus.... ja, zoo zou zich alles ophelderen."

"Ik geloof," zegt Witsen, "dat het voorzichtigste in dezen is, aan

geene gissingen, van welken aard ook, toe te geven."

"Natuurlijk! de Heer Witsen heeft gelijk, als altijd," zegt Appelman,

"doch," vervolgt hij, meteen opstaande, "het zal nu mijn tijd worden

en ik verzoek mijne geachte collega's nogmaals om verschooning,

indien ik hen wellicht in een belangrijk onderhoud heb gestoord."

"'t Waren familie-aangelegenheden, die wij te bespreken hadden,"

zegt Geelvinck: "anders niet."

"Wij willen intusschen met den Heer Appelman hopen en bidden,"

zegt Witsen op plechtigen toon, "dat, wat er ook gebeure of niet,

het tot welzijn van den Staat moge gedijen."

De beide Heeren zijn onder 't spreken ook opgestaan, de bezoeker neemt

zijn afscheid en na wederzijdsche groete verlaat hij het vertrek. Pas

heeft Geelvinck hem de trap hooren afgaan, of hij zegt lachende

tot Witsen:

"Nu! wat hij hier vernomen heeft, mag hij, voor zooveel mij betreft,

gerust overbrieven aan den Heer d'Avaux."

"Indien het waar is," zegt Witsen, "dat hij met dezen in betrekking

staat. Maar ik kan zoo ongunstig niet van hem denken, en zelfs de

Prins, toen hij mij verzocht voor hem te verbergen, wat hij mij

aan Waveren en u verzocht mede te deelen, betuigde mij, hem om geene

andere reden te mistrouwen, dan omdat hij hem voor een onvoorzichtigen

babbelaar hield."

"En Z. Hoogheid had geen ongelijk," zegt Geelvinck. "Nu, de man moge

thans rondbabbelen wat hij hier gehoord heeft; niemand zal er wijzer

door worden."

"Intusschen," zegt Witsen, "laat ik het voor uwe rekening, wat gij

hem omtrent die familie-aangelegenheden hebt wijsgemaakt, die wij te

behandelen hadden."

"Heb ik dan onwaarheid gesproken? Geldt het geene familie-quaestie? Een

aanstaanden krijg tusschen schoonzoon en schoonvader?"

De nauwgezette Witsen schudt het hoofd; want voor zijn gevoel is er

weinig onderscheid tusschen een gezegde, dat logen behelst, en een

gezegde, dat, hoewel niet bepaald logenachtig, toch ten doel heeft

te misleiden; hij houdt echter zijne meening daaromtrent voor zich en

vergenoegt zich, te zeggen: "'t Is een drukkende last, een geheim van

zulken aard als ons is toevertrouwd, en ik wenschte wel in de plaats

van onzen ambtgenoot te zijn en van niets af te weten. Wat zouden wij

b. v. hebben moeten doen, indien hij ons eens op den man af gevraagd

had, of ons iets stelligs van de zaak bekend was?"

"Mij dunkt," antwoordt Geelvinck, "hij heeft de vraag, zij het

dan eenigszins ingewikkeld, toch vrij verstaanbaar gesteld en wij

hebben er ons uit gered. 't Is intusschen in één opzicht gelukkig,

dat onze ambtgenoot Hudde verhinderd is geweest hier te komen. Had

onze vriend Appelman ons alle drie bij elkaar gevonden, hij had gewis

kwaad vermoeden opgevat."

"En nog beter is het, dat hij niet een half uur langer is gebleven,"

zegt Witsen: "want er ware dan kans geweest, dat hij bij 't

heengaan den man, dien wij wachten, op de stoep ware tegen 't lijf

geloopen. Doch waarlijk, 't wordt al duister, en onze Heeren zullen

niet lang meer wegblijven: het is tijd, dat ik dien overeenkomstig

mijne bevelen geef."

Hij schelt, doch er verloopt eenige tijd eer de knecht zich

vertoont. Evenals al zijns gelijken loopt Jan niet gaarne tweemaal en

zoekt dus eerst te raden wat men van hem begeert, meenende er nog dank

voor in te oogsten als hij zijns meesters wenschen voorkomt. Eindelijk

komt hij binnen met twee aangestoken kaarsen in de hand.

Witsen is een man, die zijne wereld te goed kent, om zijn dienstbode in

't bijzijn eens derden te beknorren. Hij bepaalt er zich bij, hem een

straften blik toe te werpen, die genoeg aan Jan zijne ontevredenheid

te kennen geeft over het ongepaste van zijn bevel vooruit te loopen

en hem te laten wachten--en vraagt vervolgens:

"Zijn de lichten in de zaal opgestoken?"

"Nog niet, Edel Achtb.!" zegt Jan bedremmeld, "ik dacht...."

"'t Is onverschillig wat gij dacht. Ga ze terstond opsteken, zet den

wijn klaar en kom mij bericht brengen als alles gereed is."

Jan vertrekt en beneden gekomen, poogt hij door dubbelen spoed den

beganen bok weder goed te maken; zoodat hij alras in staat is het

verwachte bericht te brengen. De beide Heeren begeven zich hierop

naar beneden, in de rijk gestoffeerde zaal, waar talrijke waslichten,

van de groote hangkroon, van de luchters voor den schoorsteen en van

de zilveren kandelaren, haar helder licht verspreiden. Op de tafel

spiegelen zich in het gladgewreven ebbenhout een flesch Rijnsche wijn,

twee zilveren blaadjes, waarvan het eene een viertal groene roemers

van het fijnste glas draagt, het andere twee zilveren trommeltjes,

die gesneden Deventer koek en bitterkoekjes bevatten, een mandje

van fil de grain, tot aan den rand met klontjes suiker gevuld,

en een lepelkistje van 't zelfde. Aldra slaat de klok halfacht:

bijna op 't zelfde oogenblik houdt voor het huis eene toeslede stil,

waaruit twee heeren stappen, die terstond worden binnengelaten en

naar de zaal geleid. Daar gekomen, blijft de oudste van de twee in

bescheiden houding op den achtergrond staan, en laat den jongere

vooruittreden naar het midden van 't vertrek, waar reeds de beide

Burgemeesters hem zijn tegemoetgegaan. Uit de eerbiedige wijze,

waarop de machtige Regenten den bezoeker, die hun zoon kon zijn,

begroeten, kan men afleiden, dat zij hem als een personage van gewicht

beschouwen, en werkelijk hebben wij hem slechts aan te zien, om ons

overtuigd te houden, dat hij de onderscheiding, die zij hem bewijzen,

niet onwaardig is. Al is zijne kleeding doodeenvoudig, als die eens

reizigers, zijn gansche voorkomen duidt den man van geboorte aan, die,

gewoon in de hoogste kringen te verkeeren, zich overal op zijn gemak

gevoelt:--zelfs tegenover Burgemeesters van Amsterdam. En geen wonder:

indien Alexander eenmaal van Hephestion zeide: "deze is een tweede

Alexander," zoo ziet ook Willem III zijn anderen ik in Hans Willem,

Baron Bentinck. En hij doet dit op goede gronden; want geen vorst

heeft immer hartelijker blijken van trouw en verknochtheid genoten,

dan die Bentinck aan den Prins gegeven heeft. Vraagt gij mij, waarin

die bestaan hadden, dan wijs ik u op de enkele naden en pokputten,

die dat anders zoo fraai en regelmatig gelaat schijnbaar ontsieren,

maar inderdaad, voor al wie er de geschiedenis van kent, er een

luister aan geven zoo schoon als ooit een borst ontleende aan ster

of ridderketen. En welke is die geschiedenis? In April 1675 werd

Willem III door de kinderziekte aangetast, en het stond te vreezen,

dat hij het slachtoffer worden zou van die zelfde gruwzame kwaal,

die eenmaal zijn vader op schier gelijken leeftijd ten grave had doen

dalen. Immers de pokken wilden niet uitkomen, en de geneesheeren

wisten geen ander middel daartoe aan de hand te doen, dan dat een

jong, gezond persoon, na het innemen van een zweetmiddel, zich bij

den zieke te bedde lei en, door zijne natuurlijke warmte, bij dezen

de uitwaseming opwekte. Nauwelijks zou men met kracht van goud iemand

gevonden hebben, die zich liet overhalen, om een dienst te bewijzen

van zoodanigen aard en die hem den dood kon kosten; Bentinck, toen

een van 's Prinsen kamerjonkers, bood zich vrijwillig daartoe aan,

en werkelijk had het middel den gewenschten uitslag. Maar al kwamen

de pokken voor den dag, de zieke was nog verre van buiten gevaar. Nu

echter voltooide Bentinck zijn werk: zestien dagen en zestien nachten

week hij niet van de sponde des lijders, en de Prins getuigde na zijn

herstel, niet te weten of Bentinck al dien tijd geslapen had of niet,

maar wel, dat hij nooit zijn naam genoemd had, zonder altijd een

vaardig antwoord van hem te hebben gekregen. Maar 't gevolg was dan

ook geweest, dat, toen de Prins weder op de been was, Bentinck naar

huis ging, om eenige dagen welverdiende rust te genieten, deze zelve

door de kinderziekte aangetast werd en in doodsgevaar verkeerde. Zijn

gezond en sterk gestel had echter de bovenhand, zoodat hij zelfs in

staat was, zij het dan nog maar half hersteld, reeds in Mei den Prins

bij 't heropenen van den veldtocht te vergezellen. Was het wonder, dat

de Prins van toen af aan Bentinck al zijne dankbaarheid had gewijd,

en dat hij, de meest geslotene onder alle vorsten, voor Bentinck

alleen geene geheimen had. Zijne dankbaarheid had hij hem bewezen,

door hem, toen hij de Heerlijkheden Drimmelen en Rhoon verkregen had,

ofschoon geen geboren Hollander, in de Ridderschap van Holland te doen

beschrijven en zelfs de eerste plaats bekleeden: zijn vertrouwen,

door hem naar Engeland te zenden, om de hand van Prinses Maria voor

hem te verwerven, en hem telkens in gewichtige onderhandelingen te

bezigen; gelijk dit ook thans weder het geval was geweest. Wel is

het dan ook aan Witsen en aan Geelvinck bekend, dat zij hier niet een

blooten zendeling of lasthebber van den Prins voor zich hebben, maar

diens vertegenwoordiger in den volstreksten zin des woords; en die

bewustheid geeft hun tevens het natuurlijke richtsnoer aan de hand,

hoe zich tegenover hem te gedragen.

Maar geen mindere belangstelling verdient van onze zijde, al houdt

hij zich bescheiden op den achtergrond, de man, die aan Bentinck tot

geleide strekt. Wij kennen Huib de Wildt uit de keurige afbeelding,

die Ferdinand Bol van hem geleverd heeft--en die wij, óf ten huize van

's mans waardigen nazaat, óf voor eenige jaren op de tentoonstelling

van oudheden in Arti hebben kunnen zien--óf althans uit de teekening

door Couwenberg daarnaar gemaakt en gesteendrukt in De Jonges

"Geschiedenis van 't Zeewezen." Wel is waar, sedert dat De Wildt

voor Bol gezeten heeft, zijn er eenige jaren verloopen. Hij telt er

thans een en vijftig; maar nog teekent zijn gelaat dezelfde wakkere

opgeruimdheid, dezelfde schranderheid van geest, als u uit zijne

afbeelding tegenblinken. Is de kruin al meer en meer kaal geworden en

heeft het hoofdhaar een zilveren tint gekregen, de lokken golven nog

in weelderigen overvloed over hals en schouders; en ook in zijn deftig

zwart gewaad heeft De Wildt nog altijd een vlug en innemend voorkomen.

"Wij vinden ons zeer vereerd met uw bezoek, mijnheer Bentinck,"

zegt Witsen, "alleen doet het ons leed, u te moeten melden, dat onze

ambtgenoot, de heer Hudde, door onpasselijkheid verhinderd is, bij

dit mondgesprek tegenwoordig te zijn."

"Ik wil niet hopen, dat de ziekte van den Heer Hudde van ernstigen

aard is," zegt Bentinck.

"Hij lijdt aan zijne gewone kwaal, de jicht," herneemt Witsen,

om alle vermoeden van eene voorgewende ongesteldheid weg te nemen:

"Ik heb nog heden morgen tijding van hem vernomen; hij is buiten en

kan zijne kamer niet verlaten.--Mijnheer De Wildt, ik verheug mij,

u te zien."

"Hoe maakt het de Heer Secretaris?" vraagt Geelvinck, aan De Wildt de

hand reikende: "wij zien elkander tegenwoordig, tot mijn leedwezen,

zelden meer."

"Ik wenschte," zegt De Wildt, "dat dit leedwezen zoo groot ware, dat

zich de Heer Geelvinck genoopt voelde, bij de Admiraliteit terug te

keeren, die hij ter kwader ure verlaten heeft."

"Vergun mij vóór alles," zegt Bentinck, terwijl hij op den hem

aangeboden armstoel plaats neemt, en ook de overige Heeren zich zetten,

"eene onbescheiden vraag; maar de campagnes, die ik heb medegemaakt,

hebben mij geleerd, dat het bij alle gelegenheden goed is, te weten,

niet alleen hoe men ergens aankomt, maar ook hoe men er weder vandaan

raakt, en daarom veroorloof ik mij, mij bij uwe Achtbaarheden te

vergewissen, of ik heden nacht de stad zal kunnen verlaten?"

"De Heer De Wildt had mij onderricht, dat het uw wensch was,"

zegt Witsen, "en de noodige bevelen zijn dienaangaande gegeven. En

thans," vervolgt hij, de roemers volschenkende, "zij het mij vergund,

mijn edelen bezoeker welkom te heeten in 't vaderland en te mijnen

huize. De Heer Bentinck heeft zoo pas het land verlaten, waar de

wijnstok groeit, en zal ongetwijfeld beteren wijn gedronken hebben

dan ik hem kan aanbieden."

"Ik ben den Heer Witsen grooten dank schuldig voor zijne heusche

ontvangst," zegt Bentinck: "voor 't overige kan ik wat zijn

Ed. Achtbare zegt niet opvatten dan als eene loutere scherts; de

bovenlanders weten zeer goed, als zij den edelen wijnstok planten

en snoeien, dat het beste druivennat uitsluitend bestemd is, om de

kelders der Heeren van Amsterdam te voorzien; maar wat daarvan zij,

ik ben, ja, aan den Rijn geweest, en zelfs nog een weinig verder: en

't is om aan de Heeren verslag te doen van mijn wedervaren aldaar,

dat ik zoo vrij ben geweest, bij hen gehoor te verzoeken."

De beide Burgemeesters buigen zich zwijgend, en de spreker, dit

stilzwijgen aanmerkende als eene vergunning, om voort te gaan,

vervolgt aldus:

"Ik behoef niet aan de Heeren te herhalen wat hun bekend is,

dat Z. Hoogheid, bewogen met den toestand der Kerk in Engeland,

en bovendien bezorgd voor alle inbreuk op de rechten, welke aan de

Prinses krachtens hare geboorte toekomen, het zich tot plicht heeft

gerekend, aan de roepstem gehoor te geven, die van over zee tot

hem gekomen is, en die, in 't voorbijgaan gezegd, zich al luider en

luider doet hooren. Zou het opzet gelukken, dan waren er drie dingen

noodig: schepen, krijgsvolk en geld; en dat een en ander--wat de

zaak niet gemakkelijker maakte--op de meest bedekte wijze te zamen

gebracht. Wat de scheepsmacht betreft, die moest uit den aard der

zake aanzienlijk wezen; immers men mag de kans niet loopen, dat

's Konings vloot aan de onze te gemakkelijk het landen belette. Hoe

men heeft beproefd, te dezen opzichte in de behoefte te voorzien,

is aan de Heeren grootendeels bekend, inzonderheid aan den Heer Van

Castricum, door zijne betrekking als Lid der Admiraliteit?"

"Wellicht weet de Heer Bentinck niet, dat ik met Mei als zoodanig

ben afgetreden," zegt Geelvinck.

"Ik weet dit," hervat Bentinck, "doch ook, dat de gewichtigste

maatregelen aldaar nog met uwe voorkennis genomen zijn. Intusschen,

de Heer De Wildt is bij machte, aan de Heeren, gelijk Z. Ed. dit

reeds aan mij gedaan heeft, volkomen opgave te doen van de hier en

elders verkregen uitkomsten."

"Met genoegen," zegt De Wildt, "indien de Heeren 't mij

vergunnen. Behalve de een en twintig schepen van oorlog, die, volgens

hetgeen in December van 't vorige jaar besloten was, zijn uitgerust

en met Mei gereed waren, om zee te kiezen, is, overeenkomstig den

last, door Z. Hoogheid in 't laatst van Februari aan de Admiraliteiten

verstrekt, zorg gedragen, alle schepen van oorlog, zonder onderscheid,

in bruikbaren staat en onder hun want te brengen, en nu drie dagen

geleden is mij een ander bevel van Z. Hoogheid geworden om al degene,

die nog hier beneden de 145 voet aanwezig zijn, naar de zeegaten op

te zenden."

"En dat nader bevel vond gewis mijn wakkeren vriend niet onvoorbereid,"

viel Geelvinck in, wel wetende, hoe, in al wat het zeewezen betreft,

Willem III, evenals vóór hem Jan De Witt, niets besluit of beveelt,

zonder voorafgaand overleg met De Wildt.

"Ik had er iets van gehoord," antwoordt De Wildt met een glimlach, "en

daarom ook zorg kunnen dragen, dat, van heden af, bij tusschenpoozen,

om geen opzien te verwekken, niet alleen dagelijks eenige schepen

kunnen vertrekken, maar dat bovendien ieder schip zal voorzien zijn van

ettelijke gewapende sloepen, bekwaam om bij eene landing gebezigd te

worden, en van andere vaartuigen, om voor branders of adviesjachten

te dienen; terwijl ik tevens onder de hand door vertrouwde lieden

onderscheiden galjoten en fluiten heb doen huren, tot transport voor

krijgsvolk, paarden, vivres en ammunitie.--Naar mijne berekening,

opgemaakt uit hetgene mij van de Maas en van 't Noorderkwartier bekend

is, zal de vloot kunnen bestaan uit omstreeks 50 schepen van oorlog

en fregatten, en, als men daaronder rekent de branders, adviesjachten,

transportschepen enz., uit omstreeks 400 zeilen. Daarmede is in allen

gevalle wat aan te vangen, en is de tijd daar, dan zullen er nog wel

eenige pinken kunnen bijgevoegd worden om de landing te bevorderen."

"De werkzaamheid van den Heer De Wildt is ons genoeg bekend," zegt

Witsen, "alsmede, dat wat hij voorneemt ook geschiedt, zoo hier als in

't Noorderkwartier, ja zelfs aan de Maze."

"Het zal," herneemt Bentinck, "aan de Heeren bekend zijn, dat het

commando over de vloot bij instructie van 22 Mei j.l. is opgedragen

aan den Luitenant-Admiraal Evertsen, volgens welke instructie zij

alleen moet dienen, om onzen handel te beschermen en inzonderheid te

waken tegen de Algerijnen; en in zooverre heeft zij dan ook aan den

last voldaan, als reeds, volgens de laatste berichten, de retourvloot

behouden voor Texel is aangekomen."

"En," vraagt Witsen, "heeft de Heer Evertsen, behalve die officiëele

instructie, waar UEd. van spreekt, geen geheimen lastbrief ontvangen

omtrent de ware bestemming van de vloot?"

"Dit is nog niet raadzaam geoordeeld," antwoordt Bentinck: "de Heer

Tromp alleen is in 't geheim; doch hij zal niet met het uitvoeren

van den tocht belast worden;--en dit acht hij, met den Prins, in

't belang der zaak zelve."

"Hoe kan dat zijn?" vraagt Witsen.

"Ik heb," voegt Geelvinck er bij, "hooge achting voor de verdiensten

van den Heer Tromp; maar ik kan toch niet vermoeden, dat hij,

de Luitenant-Admiraal-Generaal, de belangen der onderneming beter

zou verzekerd achten in de handen van een ander en die nog wel een

minderen rang bekleedt."

"Dat is ook het geval niet," zegt Bentinck: "maar de Heer Evertsen

zal evenmin het bevel voeren over de onderneming."

"Niet?" roept Witsen: "ik hoop toch niet, dat men de fout begaan zal,

die den Staat eenmaal zoo duur kwam te staan, van het opperbevel der

vloot toe te vertrouwen aan een Generaal der Landmacht?"

"Neen, dat niet," antwoordt Bentinck; "maar de Prins heeft geoordeeld,

dat, wil men de gevoelens der Engelschen niet krenken, alle schijn moet

vermeden worden, alsof men als vijand, en met eene veroveringsvloot

kwam aanzetten. Die vloot moet alle waarborgen aanbieden, dat zij ter

hulpe opdaagt geheel voor een Engelsch belang: en geen betere waarborg

was daarvoor uit te denken, dan door haar onder 't commando te stellen

van een Brit. 't Zal den Heeren niet bevreemden, wanneer ik hun zeg,

dat die Brit geen ander zijn zal dan de Admiraal Arthur Herbert,

die zich, als bekend is, sedert eene maand hier te lande bevindt. De

Heer Tromp heeft zelf de aandacht op hem gevestigd: de zaak heeft

haar beslag en zijne benoeming tot Luitenant-Admiraal-Generaal zal

weldra plaats hebben. Hij heeft een tal van vrienden op 's Konings

vloot en het is zijne en onze verwachting, dat, zoodra zij weten,

dat hij op onze vloot het bevel voert, geen hunner zich genegen zal

betoonen eenigen weerstand te bieden, ja dat wij spoedig de helft

der Officieren en matrozen tot ons zien overkomen. Het eenig bezwaar,

dat zich zou kunnen voordoen, bestaat in de wijze, waarop ons zeevolk

en vooral onze Vlootvoogden de zaak zullen opnemen; doch ik vlei mij,

dat ook dit vraagpunt eene gunstige oplossing zal bekomen. De Heeren

Evertsen en Almonde zijn verstandige lieden, en de Prins bezit de

gave der overreding--althans," voegt hij er bij, "wanneer hij met

geene al te zwaartillende Heeren te doen heeft."

"Zeer waar," zegt Witsen: "er behoort moed toe, om 't met Z. Hoogheid

oneens te blijven."

"Dit nu," vervolgt Bentinck, "wat de Zeemacht betreft; met opzicht

tot de troepen had het verzamelen daarvan wel geen bezwaar in,

maar wel de kunst, om dit zoo te doen, dat er geen achterdocht

ontstond. Z. Hoogheid rekent 9000 voetknechten en omstreeks 4000

ruiters noodig te hebben voor den tocht: die waren licht te vinden;

doch door ze uit de bestaande krijgsmacht te nemen, zou men deze te

veel verzwakken, en 't ging niet aan, Engeland te verlossen, om zelve

de prooi van een ander te worden. Bovendien, die vermindering onzer

krijgsmacht kan niet geschieden buiten bewilliging der Staten: en om

deze te verkrijgen, zou de Prins hen van zijn oogmerk hebben moeten

doen kennis dragen, en, ware dit geschied, de Markies van Albeville,

althans de Graaff d'Avaux, had er spoedig de lucht van gehad. De Prins

rekende op zijne geluksster en die was gunstig: het binnentrekken

der Franschen in Keulen gaf een geschikt voorwendsel: en de wensch,

dat de grensplaatsen zouden versterkt en ons grondgebied behoorlijk

beveiligd worden, werd uitgesproken door de Staten zelven."

"Wat hun Fagel had ingegeven," zegt Geelvinck, binnensmonds.

"Aan de Heeren, die tot dat einde gecommitteerd werden, en waartoe

ik," vervolgt Bentinck, "ook behoorde, ontdekte de Prins zijn toeleg,

en nu, terwijl Keulen de dekmantel was, bevorderden zij met hem het

verzamelen van krijgsvolk."

"Wij hebben zoo iets vermoed," zegt Witsen, zich de kin wrijvende.

"Intusschen," herneemt Bentinck, "het werven van krijgsvolk is een

werk van langen nasleep en onzekeren uitslag en dat in ons geval te

veel gerucht zou gemaakt hebben; er moest dus een ander middel gevonden

worden, om ons doel in dezen te bereiken, en Z. Hoogheid droeg mij de

taak op, dat middel te beproeven. Ik werd naar Berlijn afgevaardigd,

quasi om bij den nieuwen Keurvorst den rouw te beklagen over zijns

vaders dood; doch inderdaad, om hem bekend te maken met onzen toeleg en

zijn bijstand te verzoeken. Met die zelfde boodschap heb ik de Hertogen

van Lunenburg-Zels en van Wurtemberg, en den Landgraaf van Hessen

bezocht, en allen bereid gevonden, om 's Prinsen toeleg te begunstigen,

in geval van oorlog met Frankrijk de Staten bij te staan, en desnoods

de manschap aan te vullen, die van hier over zee gezonden wordt."

"Ik twijfel er niet aan," mompelt Geelvinck; "of men zal die Duitsche

Vorsten steeds bereid vinden, hun onderdanen in te wisselen tegen

Hollandsche dukaten."

"En wat meer is," vervolgt Bentinck; zich houdende of hij de aanmerking

niet gehoord had, "de Hertog van Hanover zal niet aarzelen in elk

geval partij voor ons te kiezen."

"Hoe?" vraagt Witsen, eenigszins verrast: "in weerwil van zijne

verbintenis met Frankrijk?"

"Wanneer ik zeg, de Hertog," herneemt Bentinck, glimlachende, "dan

meen ik, onder ons gezegd, de Hertogin. Zij heeft niet vergeten, dat

zij eene kleindochter is van Koning Jacobus I, en, bij 't afsterven

van de Prinses van Oranje en die van Denemarken zonder wettig oir, de

naastgerechtigde tot de kroon van Groot-Brittannië. De gesprekken van

den Heer Burnet hebben de staatzuchtige vrouw vuur doen vatten en zij

heeft haar Vorstelijken gemaal zoodanig weten te bewerken, dat ik hem,

bij mijn bezoek, geheel op onze hand vond.--Voeg hier nu bij, dat wij

op het bondgenootschap van Zweden kunnen rekenen, zoodat eerstdaags

een tractaat met Koning Karel XI staat gesloten te worden, waarbij

het ons zesduizend man toezegt, die in onze soldij zullen komen.--De

Heeren zien dus, dat twee der hoofdbezwaren bereids zijn overwonnen,

en het was Z. Hoogheid nuttig en noodig voorgekomen, mij hierheen te

schikken, om hiervan Uwe Achtbaarheden kennis te doen dragen."

Wederom eene wijl stilte. De Burgemeesteren zien elkander een oogenblik

aan, als wilde de een den ander de eer laten om 't woord te voeren:

eindelijk vat Witsen, als gastheer, het op.

"Ik geloof ook in naam van mijn ambtgenoot te spreken, wanneer ik Uwe

Edelheid dank zeg voor de ons bewezen eer; maar ik geloof evenzeer

in zijn naam te spreken, als ik er bijvoeg, dat Uwe Edelheid zich de

moeite der reis had kunnen sparen. De Heer Bentinck versta ons wel;

zijn bezoek is ons welkom en zijne tegenwoordigheid vereert ons huis;

maar de mededeeling van nieuwe en meer staatsgeheimen verzwaart den

last, die al reeds op ons drukt en ons hoe langer hoe meer in eene

valsche stelling doet verkeeren tegenover onze mederegenten, wie wij

niet mogen waarschuwen voor de kans, die zij loopen, om hunne schepen

of goederen in Frankrijk of Engeland te zien in beslag nemen. Hadden

wij tot de onderneming geraden of ons zelfs bijzonder gunstig daarover

uitgelaten, de zaak ware verschillend; doch, wat mij althans betreft,

ik heb daar ten allen tijde bedenkingen tegen aangevoerd, en ik geloof,

dat de Heer Van Castricum daarover niet anders denkt dan ik."

"Ik dank den Heer Witsen voor zijne rondborstigheid," zegt Bentinck;

"doch hij zal mij wel willen toegeven, dat een iegelijk onverstandig

handelt, die, als hij zijn vertrouwen iemand schenkt, hem zijne

geheimen maar ten halve mededeelt: en dewijl nu de Heeren van den

aanvang af door Z. Hoogheid zijn geraadpleegd geworden, geboden

plicht en noodzakelijkheid, dat zij niet onkundig bleven van den

tegenwoordigen stand der zaak. Maar bovendien, ik heb gezegd, dat

twee der voorwaarden, zonder welke de onderneming niet kan doorgaan,

zijn vervuld: over de derde heb ik nog niet gesproken. De zenuw van den

krijg is--geld:--en Amsterdam heeft de koorden van de beurs in handen."

"Ik verbeeldde mij," zegt Witsen, "dat de geldzaak in orde was,

althans geen bezwaar kon maken."

"Ja, en neen.--'t Is waar, de Admiraliteiten hebben ter dezer

gelegenheid goedgunstig toegestaan--iets wat zelfs de Heer De Witt

indertijd nooit van haar heeft kunnen verkrijgen--de uitrusting bij

wijze van voorschot voor hare rekening te nemen;--doch de huur der

transportschepen, de soldij van het te verwachten krijgsvolk en de

hemel weet hoeveel meer nog, moet betaald worden, en daartoe zal geld,

en niet weinig ook, benoodigd zijn."

"Dat zal te zijner tijd aan de Staten dienen gevraagd te worden,"

merkt Witsen aan.

"Ja, dat zal kunnen geschieden, als eens de Staten in 't geheim

zijn genomen; doch de tijd daartoe is nog niet geboren--en het

is den Prins thans maar alleen te doen, om te weten, of, naar de

meening van de Heeren, Amsterdam genegen zal bevonden worden, om ter

Staten-Vergadering tot onderstand te raden, en desnoods de middelen

aan te wijzen, om de zaak te bevorderen."

"Ik heb vroeger," zegt Witsen, "reeds mijn twijfel te kennen gegeven,

of een voorstel in dien geest hier bij de Vroedschap wel zou doorgaan."

"Dat weet ik," herneemt Bentinck: "maar er zijn sedert dien tijd

twee maanden verloopen en de verontwaardiging over de tirannieke

handelwijze van Koning Jacobus heeft meer en meer veld gewonnen: de

gemoederen zullen wellicht thans meer ten voordeele der onderneming

gestemd zijn, dan vroeger het geval is geweest."

Hier vat De Wildt, die tot nog toe bescheiden gezwegen heeft, het

woord op, om 's Prinsen vertegenwoordiger te steunen: "Ik weet zeker,"

zegt hij, "dat bij niet weinigen een kruistocht ten behoeve der

Protestantsche Kerk als eene Gode behaaglijke daad wordt beschouwd."

"Juist!" voegt Bentinck er bij: "en men vergete niet, dat, toen de

Heeren 't eerst over deze zaak onderhouden werden, er geen Prins van

Wales meer verwacht werd, dewijl het gerucht vrij algemeen liep, dat

de Koningin een miskraam had gehad. Mocht men toen de hoop voeden,

dat de staat van zaken in Engeland alleen van tijdelijken aard was,

en dat, als, na het overlijden van den Koning, Prinses Maria de kroon

aanvaardde, alles daar weder op den ouden voet zou terugkeeren,

thans is alles veranderd; men is op eene wijze, die ik niet zal

qualificeeren, voor den dag gekomen met een Prins van Wales: komt

morgen Jacobus II te sterven, er is niets veranderd, men behoudt een

Jezuïeten-regeering, en, in stede van een Protestantsch, een Roomsch

Engeland. Daartegen dient gewaakt, en kon men vroeger beweren, dat

alleen de belangen van Z. Hoogheid, als echtgenoot der Prinses-royaal,

in de zaak gemengd waren, thans is het onze geheele Republiek, die

belang heeft, een einde te maken aan den toestand, die ginds bestaat."

"Ik heb vroeger gezegd, en zeg het nog," hervat Witsen, "dat,

waar het de belangen van den godsdienst geldt, men die Gode alleen

behoort over te laten.--Houdt de meerderheid in Engeland krachtig

aan de Protestantsche Kerk vast, dan zal zij ook bij machte zijn,

de Paperij te weren, en desnoods Koning Jacobus te behandelen als

zij vroeger zijn vader heeft gedaan.--Als wij echter de zaak niet als

theologanten, maar--wat geloof ik, onze plicht is--als staatslieden

beschouwen, dan komt zij mij voor, eene minder aanbevelenswaardige

zijde te hebben. De onderneming gelukke al of niet: wij maken ons

Frankrijk ten vijand, dat enkel op een voorwendsel wacht, om den krijg

te hervatten: en, hebben wij herhaaldelijk met roem oorlog gevoerd,

een land van commercie, als het onze, heeft behoefte aan vrede."

"De Heeren," zegt Bentinck, "hebben mij echter vroeger de verzekering

gegeven, dat zij zich niet tegen het verleenen van onderstand zouden

verklaren."

"Ongetwijfeld," zegt Geelvinck: "en de Heer Witsen wil alleen het

gevoelen uitdrukken van hen, die de zaak bloot van een politieke

zijde beschouwen."

"Wel," hervat Bentinck, "verbeuren wij de vriendschap van Frankrijk,

waar toch al niet veel op te roemen valt, wij verzekeren ons van die

van Engeland:--en 't is vooral dat Rijk, onze mededinger op zee, waar

wij in goede harmonie mee moeten leven. Verdeeld hebben wij alles te

vreezen: dit heeft 't jaar 72 genoeg geleerd:--vereenigd kunnen wij

geheel Europa tarten."

"Wij zullen," zegt Witsen, "dan wachten tot wij officieel worden

uitgenoodigd, de Vroedschap te raadplegen, en dan wil ik den Heer

Bentinck gaarne ons voornemen mededeelen, 't welk strekken zal te

verklaren, dat, zoo de Prins volhardt in zijn plan, wij het betamelijk

achten dat de Regeering hem ondersteune, mits men met de Engelsche

Natie op een goeden voet blijve, en, zoo mogelijk, worde schadeloos

gesteld voor de opofferingen, ten haren behoeve gedaan.--En nu,

mijne Heeren! het avondmaal wacht: de Heer Bentinck zal niet weigeren

het geringe voor lief te nemen en voor eene wijl, aan mijn disch,

met ons, alle staatszorgen en politieke quaestiën aan eene zijde te

stellen en ons 't een en ander te vertellen van het merkwaardige,

dat hij op zijne reizen bespeurd heeft. Hij is toch een Ulysses

mores hominum qui vidit et urbes [60]

en wij kunnen van hem vernemen, hoe het in die Duitsche steden er

uitziet, sedert wij ze in onze jeugd bezochten."

Bentinck buigt zich, wel inziende, dat voor 't oogenblik elke poging

om tot het behandelde onderwerp terug te keeren, geheel vergeefs

zou wezen, en de vier Heeren begeven zich naar de eetkamer, waar

een prachtige en overvloedige maaltijd is aangerecht. Wat onder

het nuttigen daarvan gesproken wordt, hebben wij hier niet te

vermelden: alleen dit, dat, als op het nagerecht Bentinck aan de

beide Burgemeesters afvraagt of zij niet met hem een roemer willen

ledigen op den goeden uitslag der onderneming, zij zich beleefdelijk

daarvan verschoonen.

De tijd van scheiden komt. Bentinck, die zijne bekomst heeft van

het schokken en hossen in de toeslede, en niet bevreesd is, dat nu,

bij donkeren nacht, hem iemand herkennen zal, verkiest zich te voet

naar den Overtoom te begeven, waar de karos hem wacht, die hem naar

Honselaarsdijk bij den Prins zal brengen. Hij neemt afscheid van de

Burgemeesters en vertrekt, met De Wildt, die hem tot buiten de poort

vergezellen zal.

"Slechte troost, die men mij gegeven heeft," zegt hij, zoodra zij op

straat zijn, tot zijn geleider.

"Wees niet bekommerd, mijnheer!" antwoordt deze: "de Heer Witsen

is--wat zelden voorkomt--tevens een man van strenge nauwgezetheid en

een doorslepen diplomaat. Hij wil niet bepaald afraden wat wellicht

ten voordeele van den godsdienst strekken kan, en evenmin kans loopen,

dat men hem, als de onderneming verkeerd uitvalt, ten laste legge,

die met woord of daad te hebben aangemoedigd, maar wordt eens

de zaak in de Vroedschap aangebracht en aldaar, waar ik niet aan

twijfel, tot het ondersteunen van den Prins besloten, dan zal hij,

dan zullen de Heeren Van Waveren en Van Castricum, niets onbeproefd

laten wat dienen kan, om die ondersteuning zoo krachtig mogelijk te

doen zijn. Overhaasting alleen had ons voornemen kunnen verijdelen:

de zaak moet zooverre gevorderd zijn, dat het terugtreden onmogelijk

is, en de Stads-Regeeringen zelven dit inzien."

En de uitkomst leerde dat De Wildt de waarheid had voorspeld. Toen

de Raadpensionaris Fagel bij omzendbrief van 9 September aan de

Steden verzocht, haren Afgevaardigden ter dagvaart te gegelasten,

een besluit te nemen tot verdediging van den Staat, en te Amsterdam

de regeerende Burgemeesters benevens eenige Gemachtigden uit den Raad

werden verzocht van voorlichting te dienen, werd zoowel door dezen

geadviseerd als bij de Vroedschap begrepen, dat, onder de bestaande

omstandigheden, er geene keuze meer overbleef dan aan den Prins den

verlangden steun op de meest afdoende wijze te verleenen: en hoe

zich Witsen daarin tot genoegen zoowel van den Prins als van zijne

Vaderstad kweet, bleek daaruit, dat hij, toen, gelijk men weet, de

onderneming met goeden uitslag bekroond was, tot Buitengewoon Gezant

naar Engeland werd afgevaardigd, om den nieuwen Koning met zijne

troonsbestijging geluk te wenschen, en dat deze hem, tot loon voor

zijne diensten eene baronie wilde verleenen en het Curatorschap der

Leidsche Hoogeschool. Hij bleef echter ook toen zich zelven gelijk

en sloeg titel en waardigheid af, geen rang of voorrechten voor zich

begeerende te trekken uit eene gebeurtenis, waarvan het bevorderen

aan zijne stadgenooten wel veel eer en oogenschijnlijk ook veel

blijdschap had gegeven, maar tevens, door den oorlog met Frankrijk,

die nu ontstond, onmetelijke nadeelen had toegebracht.

Vertellingen van vroeger en later tijd · 第 7 / 51 题