Na het schrijven van dit hoofdstuk vond ik mijn vermoeden, dat als
getuige bij Tesselschades huwelijk hare getrouwde zuster Truitje
zou zijn opgetreden, bevestigd door het navolgende uittreksel uit
het Puiboek, mij door mijnen geachten vriend, den Stads-archivaris
Scheltema, medegedeeld:
Puiboek No. 9.
1 November 1623 Compareerden voor Claas Pietersz. en Cornelis
Schellinger, Allart Jansz. Krombalch van Alkmaar, geen ouders hebbende,
geassisteerd met syn swaager Dirk Jansz. Quitingh, woonende tot
Alckmaar, al waar de geboden mede gaan, met Tesselschaa Visschers, out
28 jaaren, geen ouders hebbende, geassisteerd met Truytie Visschers,
haar suster, op de Geldersche kai.
(Get.) Allart Janszoon Crombalch. Tesselscha Roemers Visschers.
Men kan uit dit voorbeeld wederom zien, hoe weinig men zich om
de spelling der namen en om de rechte qualificatie bekommerde. Van
Truitje wordt o. a. niet eens gemeld, dat zij getrouwd is, evenmin als
dit plaats heeft in de volgende aanteekening uit hetzelfde Puiboek,
betreffende Anna's huwelijk.
12 Janwari 1624. Compareerden voor Cornelis Schellinger en
Adriaan Raep, Dominicus van Wesel, out 38 jaaren, woonende op de
Wieringerwaard, alwaar de gebooden meede gaan, met Anna Roemers
Visschersdr. woonende op de Geldersche Kay, geassisteert de bruygom
met Jacob Bicker en de bruyt met Truytie Roemers, haar suster.
(Get.) D. v. Wesell 1624. Anna Roemers.
Opmerkelijk is het, dat in de eerste huwelijks-aanteekening alleen
de leeftijd van de Bruid, en in de tweede alleen die van den Bruigom
vermeld wordt.
De lezer zij wijders verzocht op de eerste bladz. van dit hoofdstuk
voor "den eersten November" te lezen "den twintigsten November." 1
November had de aanteekening, 20 Nov. het huwlijk plaats, als het
bruiloftsvers van Hooft ons leert.
Ik zal ook nu wederom het verwijt niet ontgaan, mij, gelijk mij ter
ooren is gewaaid, meer gedaan, dat ik gemakshalve mijne opstellen,
in plaats van met eigen werk, met verzen van anderen opvulde. Ik
geloof echter, dat wie eerlijk denkt en bovendien eenigen goeden
smaak bezit, mijne handelwijze aan betere motieven toeschrijven en
niet af zal keuren. Die gedichten, door mij geheel of ten deele
opgenomen, zijn de bronnen, waaruit ik mijn tafereel geput heb:
't zijn mijne justificatoire bescheiden; vergenoegde ik mij, met er
naar te verwijzen, ik zou den lezer noodzaken, om, tot recht verstand
van mijn geschrijf een half dozijn boeken bij de hand te hebben en
gedurig op te slaan. Maar bovendien strekken die brokken uit Hooft,
Vondel, Huyghens enz. minder nog tot toelichting van mijn opstel,
dan wel omgekeerd.--Velen (ik zelf tot nog voor korten tijd) hebben
die brokken nimmer met dat genot gelezen, hetwelk alleen dan gesmaakt
kan worden, wanneer men ze onderling in verband gebracht en daardoor
recht heeft leeren begrijpen. Nu wellicht zal menigeen, die ze tot
nog toe of niet of maar vluchtig gelezen had, zich wellicht door
de uittreksels, die ik geef, aangespoord gevoelen, om ze eens meer
opzettelijk in 't oorspronkelijke te gaan nalezen, en zoowel zijne
kennis van de zeden, de toestanden en het onderling verkeer--als
zijn smaak voor de echte, gezonde, krachtvolle letterkunde van die
dagen--zal niet anders dan er bij kunnen winnen.--Dat is mijn wensch;
wordt die vervuld, dan zie ik mijn doel bereikt.
In den Amiraal.
Wij stonden in ons vorige Hoofdstuk voor en in het huis der dochters
van Roemer Visscher op de Gelderde Kade. Wij laten op eens nagenoeg
een halve eeuw voorbijsnellen, begeven ons langs de Bantammerbrug
naar de overzijde, stappen de dicht ineengebouwde buurt door,
die aldaar gedurende dat tijdsverloop verrezen is, komen door eene
tweede brug op 't Waals-eiland, volgen de Nieuwe Bantammerstraat,
en staan, den zesden September 1672, op den Buitenkant. 't Is
hier altijd druk en woelig; maar heden moet er toch iets ongewoons
aan de hand zijn. Van de eene brug tot de andere is de kade zwart
van de menschen, zoo dicht opeengedrongen, dat men, om de geijkte
uitdrukking te bezigen, "over de hoofden zou kunnen loopen;" 't
zijn varensgasten, arbeiders aan de werf, sjouwerlieden, vooral--en
die zijn niet de minst luidruchtigen--vrouwen, jonge dochters en
kinderen;--maar onder die menigte van hoezeer ruwe en onbeschaafde,
toch over 't algemeen ronde en eerlijke aangezichten, wier thans zoo
norsche en gramstorige uitdrukking blijkbaar aan de opgewondenheid
van het oogenblik is toe te schrijven, vertoont zich hier en daar
een gelaat, waarop lage hartstocht te lezen staat, met oogen,
die niet van toorn, maar van roofzucht schijnen te branden; oogen,
die in rustelooze beweging zijn, nu her- dan derwaarts gluren en
overal heen willen kijken, om zich alleen dan af te wenden, wanneer
zij den blik ontmoeten van een eerlijk man: en gewis, wanneer wij de
fielterige uitdrukking gadeslaan, die zich in den wezenstrek vertoont,
wanneer wij letten op die geelachtige, dunne, fijngevormde, maar aan
de uiteinden iets gekromde vingers, die zoozeer afsteken tegen de
breede, door eerlijken arbeid vereelte, van spek doortrokken handen,
die zich naast de hunne bewegen, dan behoeven wij geen dienaars van
den Hoofdschout of zelfs geen volleerde gezichtkundigen te zijn, om
in de eigenaars van zulke ongunstige aangezichten, van die listige
oogen en van die kromme vingers, een slag van volk te zien, dat, zoo
't niet voorlang reeds met het tuchthuis en met de beulsknechts eene
nauwe kennis heeft gemaakt, onmisbaar t' avond of morgen met hen in
aanraking komen zal.
Maar wat zoekt nu die volksmenigte? Met welk doel is zij
bijeenverzameld? Wien bedreigt haar woest getier en haar grimmig
gebarenspel? Van weerskanten aangeloopen, hebben de voorsten onder dien
hoop zich op één punt vereenigd en er stand gehouden: dáár dringen
de achter hen aangroeiende massa's hen op: en wanneer wij nu slechts
letten op de oogen der aanwezigen, dan bevinden wij, dat die alle
gericht zijn naar een huis, niet ver van de nieuwe Schippersstraat,
't welk, of welks bewoners alzoo het doel moet zijn van hun toeven.
't Moest voorwaar een kloekgebouwde en sterkgespierde gast zijn,
die zich thans door dien opeengepakten volksdrom heen, een weg baande
naar dat huis; maar wij, die zooeven negen-en-veertig jaren doorzweefd
hebben, wij bezitten het voorrecht, met hetzelfde gemak, door een muur,
't zij van steen, 't zij van menschen, heen te dringen, en wij hebben
het dan ook nu maar voor 't wenschen, om ons te bevinden ter plaatse,
waar wij wezen willen. Wij staan voor het bedoelde huis en nemen het
in oogenschouw.
Het perceel onderscheidt zich in niets van de daarnevens gelegene;
't is een enkel erf, waarvan alleen het benedenste gedeelte tot woning
is ingericht, terwijl de hoogere verdiepingen tot graanzolders dienen:
noch de deur, noch de twee kruisramen daarnevens, noch de gevel trekken
't oog door eenig buitengewoon snij- of lijstwerk: in één woord, er
is niets merkwaardigs aan het perceel te bespeuren, en wie er niet
ter wille des bewoners op lette, zou er voorbijgaan zonder er in
't minst acht op te geven.
Het kan dus niet het huis als zoodanig zijn, waar 't op gemunt is;
die krijtende menigte moet het geladen hebben op den bewoner.
Maar wie is dan die bewoner? Een kapitein of schipper wellicht,
die de verontwaardiging der varensgasten heeft opgewekt, door
aan zijne manschap hun prijsgeld of gage te onthouden?--Of een
scheepsbouwmeester, die zijn werkvolk op het zuur verdiende loon
beknibbelt?--Maar neen!--wij leven in een land van rust en orde en
de weg van rechten staat immers voor de klagers open?--Is het dan
misschien ook een Spion--wij zijn, men vergete 't niet, in 1672 en de
voorposten van 't Fransche leger zijn te Muiden--een Spion, die met
den vijand heult en hem bericht heeft gezonden, waar, hoe en wanneer
hij 't best binnen Amsterdam dringen en Europa's rijkste stad aan
plundering en moord zal prijsgeven?--of een omgekochte booswicht, die
brandstoffen in zijne kelders verborgen heeft, waarmede hij de stad
op onderscheidene plaatsen te gelijk in brand meent te steken?--'t
Kan niet missen of de man, die hier woont, moet al het een of ander
zeer boosaardig opzet koesteren, dat het eene zoo krachtige openbaring
van verontwaardiging heeft uitgelokt.
Niet eene van al die gissingen is juist. De man, die hier in
dit eenvoudige huis woont, maar die zich voor 't oogenblik niet
daarbinnen en zelfs niet in de stad bevindt, heeft in zijn reeds
langdurigen en in lotgevallen buitengemeen rijken levensloop, nimmer
in de verste verte aanleiding verschaft, dat aan eene beschuldiging,
als die, welke zoo even ondersteld werden, voet zou kunnen worden
gegeven:--en ik heb zijn naam slechts te noemen, om aan te toonen,
dat, wat men hem ook ten laste kunne leggen, hem stellig geene slechte
streken of wandaden kunnen toegeschreven worden van zoodanigen aard
als straks genoemd werden. Daartoe staat hij te hoog, en, is hij
misdadig, dan moet zijne misdaad in evenredigheid staan met zijne
stelling in de maatschappij. Immers, die man moge in eene nederige
en onaanzienlijke woning huizen, hij moge, wanneer hij zich daar
bevindt, het leven leiden van een doodeenvoudig burgermannetje, zich
aan den disch vergenoegen met gezouten vleesch, stokvisch, ingeleide
snijboonen en rapen, en hij houde met vrouw en dochter er geen ander
dienstpersoneel dan twee meiden op na, toch bekleedt hij den hoogsten
rang, dien een gewoon burger buiten de Regeerings-Colleges bereiken
kan; toch is hij Luitenant-Admiraal van Holland en West-Friesland,
Luitenant-Admiraal-Generaal van 's Lands vloot, door den Koning van
Denemarken met brieven van adeldom, door dien van Frankrijk met de
orde van Sint Michiel, en, wat meer dan al het voorgaande zegt [44],
door de Regeering van Amsterdam met het Grootburgerschap beschonken:
en hij geeft antwoord op den naam van Michiel Adriaansz. De Ruyter.
De Ruyter--Wanneer men dien naam hoort, dan stroomt ons een zoo
hemelsche geur tegen van oprechte godsvrucht, nooit verzaakte
plichtsbetrachting, lieftallige minzaamheid, reinheid van hart en
wandel, onwankelbare trouw en bestendige gelijkmoedigheid in voor-
en tegenspoed, vereenigd met schaars geëvenaard krijgsbeleid, rustigen
heldenmoed, vastberaden kloekheid, in 't kort van alle christelijke,
maatschappelijke en krijgsdeugden, dat men niet begrijpt, hoe men in
één adem van zulk een man en van eene misdaad, zelfs van een vergrijp,
kan spreken.
En toch, die doldriftige hoop, die daar de kaai vult en 't huis
bedreigt, spreekt er van en beticht den Admiraal van niets minder
dan van schendig landverraad.
Vanwaar die beschuldiging, die ons even ongerijmd als lasterlijk
in de ooren klinkt? En zijn al de menschen, die daar staan, dan op
eenmaal krankzinnig geworden?
Het heeft er zeker veel van, maar om op te lossen, wat een
onverklaarbaar raadsel schijnt, dienen wij ons helder voor den geest
terug te brengen, wat in die laatste maanden had plaats gehad.
Reeds sedert den jare 1670 waren velen hier te lande niet zonder
bezorgdheid geweest, dat de Koning van Frankrijk eenig kwaad
opzet koesterde tegen de Republiek. Al meer en meer hadden die
geruchten kracht en wichtigheid gekregen, en tegen 't einde van
1671 was de Regeering van Amsterdam zoozeer overtuigd geraakt van
de noodzakelijkheid om op alle kansen voorbereid te zijn, dat zij
op maatregelen bedacht was, strekkende ter verdediging der stad,
de grachten van masten en hout ontledigen en de vestingwerken liet
voltooien, den Kolonels aanbeval, de Schutters in den wapenhandel
te oefenen en de compagniën voltallig te houden, en zich met
Gecommitteerde Raden gelijk mede met de Staten van Utrecht verstond,
omtrent de middelen tot tegenweer, aan de Grebbe, aan de Vecht en
elders, te bezigen. Tevens was zij, bij 't besef, dat een en ander
niets baten zou zonder een eminent hoofd, in wien de natie vertrouwen
stelde, eene der eerste geweest om, reeds vroeg in 't voorjaar van
1672, aan te dringen op de spoedige verheffing van Prins Willem tot
Kapitein-Generaal. Toen nu werkelijk, op 7 April, niet enkel Frankrijk
maar ook Groot-Brittannië den oorlog aan onzen Staat had verklaard, was
men hier te ijveriger aan 't werk gegaan met zich ter verdediging toe
te rusten en vrijwillige dienstneming aan te moedigen, ja, hoezeer
men 't een geruimen tijd tegenhield, men ging er in Juni toe over
alle slooten en polders vol te laten loopen, ten einde de stad, in
geval van nood, onder water zou gezet kunnen worden, welk laatste dan
ook geschiedde omstreeks de helft der maand, zoodra men de tijding
ontvangen had, dat de Franschen over den Rijn, en de Betuwe waren
binnen gerukt. Eerlang waren Utrecht, Naarden, zelfs een oogenblik
Muiden in hunne handen gevallen, en nu werd het omgelegen land, door
't inlaten van 't zeewater, in eene bare zee herschapen, de poorten
dicht gehouden, de valbruggen opgehaald, de hameien gesloten:--voorts
twaalf compagniën gewapend bootsvolk aangenomen--die, onder 't bevel
van den Vice-Admiraal Isaak Sweers, de uitleggers, in 't IJ en in den
Amstel gesteld werden--en drie compagniën vrijwillige Ruiters, onder
't bevel van den Oud-Schepen Dirk Tulp, van den Advocaat-Fiskaal
der Admiraliteit Hendrik Hooft en van den Stads-Secretaris Jan Van
Vlooswijk. De knapen uit de weeshuizen, zelfs vele Doopsgezinden,
hielpen mede aan 't voltrekken der wallen: in 't kort, ieder werkte
mede, behalve de Joden, die verschoond werden, mits f 1260 aan de
stad opbrengende. De wallen met tweehonderd stuks geschut, sommige
poorten met ravelijnen voorzien en 't krijgsbestuur opgedragen aan
Kolonel Joan Van Beveren, die in Geertruidenberg het bevel had gevoerd.
Het behoeft nauwelijks vermeld te worden, dat, terwijl in het anders
zoo vreedzame Amsterdam zulke buitengewone dingen geschiedden, de goede
burgerij niet weinig stof tot praten vond: en, zooals 't gewoonlijk
gaat, waren er niet weinigen, die de schuld van hetgeen gebeurde
aan de Regeering weten. De De Witten, zeiden zij, en zij, die tot
de zoogenaamde Loevesteinsche factie behoorden, gingen slechts van
één hoofdbeginsel uit, namelijk, zichzelven te bevoordeelen en alle
ambten en waardigheden voor zich en de hunnen te houden, en hiertoe
den Prins en alle Prinsgezinden er van uit te sluiten. Daarvoor had
die verfoeilijke Akte van Seclusie gediend: daarvoor had men jaren
lang met Frankrijk geheuld en den Koning van Groot-Britannië, die
't natuurlijk euvel moest opnemen, dat men den zoon zijner zuster
buiten de ambten zijner voorzaten sloot, herhaaldelijk verbitterd:
daarom had men oorlog met Engeland, onzen natuurlijken bondgenoot,
gevoerd, en zooveel bloeds en schats onnoodig verspild;--en nu scheen
't wel, dat men liever Frankrijk hier den meester zou zien spelen, dan
op het gedane terug te komen en den Prins tot Stadhouder verheffen. En
al was de volksmenigte in Amsterdam tot geen uitersten overgeslagen,
zooals in andere steden plaats vonden, toch ontbrak het onder de
burgerij niet aan de zoodanigen, die maar half tevreden waren met
de handelwijze hunner Regenten. Zij hadden, ja, in de benoeming van
den Prins tot Kapitein-Generaal toegestemd; maar, naar men de leden
der Vroedschap kende, was 't niet moeilijk na te gaan, dat de meesten
niet dan schoorvoetende tot dien stap waren overgegaan: er waren, ja,
middelen van verdediging aangewend; maar ook daarmede had de Regeering
zich juist niet gehaast: en mocht die vertraging al in billijkheid
worden toegeschreven aan een lofwaardige zucht om geene onnoodige
kosten te maken en vooral om geen honderden morgens uitmuntend land
ontijdig prijs te geven aan 't geweld der wateren, en alzoo, tot groote
schade der eigenaars, millioenen schats te verspillen, de kwade tongen
hadden eene andere uitlegging aan de zaak gegeven en zich niet ontzien
te fluisteren, dat de Heeren misschien zoo afkeerig niet zouden geweest
zijn van, tot loon voor landverraad, met Fransche titels en Fransch
goed begiftigd te worden; ja zulke praatjes hadden zelfs bij sommige
bedaarde en verstandige lieden geloof gevonden, toen zij vernamen hoe
de hofstede van Schepen A, of de landerijen van Raadslid B en zelfs
van Burgemeester C, alle in de nabijheid van Utrecht, Amersfoort of
Naarden gelegen, op uitdrukkelijken last van den Franschen Veldheer,
van alle oorlogslasten waren verschoond gebleven.--In allen gevalle,
de Akte van Seclusie was nog niet vernietigd, en de Prins nog geen
Stadhouder: en zoolang dit niet geschied was, wilde de Burgerij,
nu meest Oranjegezind, zich niet overtuigd houden van den goeden
wil harer Regenten, en sloeg zij gretig en gereedelijk geloof
aan alle praatjes, waarbij gemelde of andere Heeren, in Lands- of
Stads-bediening, verdacht werden gemaakt van ongeoorloofde handeling
met het Fransche Hof. Een klaar bewijs had zij daarvan gegeven, door,
op den 26sten Juni, den Veldmaarschalk Prins Joan Maurits van Nassau,
zeker een der vroomste en getrouwste verdedigers van het Vaderland,
bij zijne doorreis naar Muiden, openlijk aan te randen en voor verrader
te schelden.--Eene afkondiging op den 29sten Juni door de Regeering
gedaan, dat zij gezind was de stad, haar godsdienst en vrijheid,
met goed en bloed tot het uiterste te beschermen, en de fiksche
wijze, waarop hare Afgevaardigden ter Vergadering van Holland hadden
geprotesteerd tegen elke toetreding tot den schandelijken vrede,
dien Frankrijk ons aanbood, hadden wel de gemoederen eenigszins
tot kalmte gezet; doch groot was nog 't getal gebleven van hen, die
heimelijk morden: en 't was geen tien dagen later gebleken, toen de
Burgemeester Andries de Graeff, aan 't Nieuwezijds-Heerenlogement
op den Haarlemmerdijk gereed staande om den postwagen in te stappen,
die hem naar Den Haag ter dagvaart voeren moest, werd aangetast door
't grauw, dat hem beschuldigde, de stad te gaan verkoopen, en hij
niet dan met moeite was ontzet geworden; terwijl op den 3den Juli de
Afgevaardigden van Edam, door Amsterdam trekkende, insgelijks door
't gepeupel aangetast, naar den Dam gesleept, en gedwongen waren
geweest, hunne lastbrieven te doen zien.
De eerlang (op 4 Juli) gevolgde benoeming van den Prins tot
Stadhouder had wel voor een tijd de Gemeente tot bedaren gebracht;
doch de overtuiging, dat de Regenten in dezen van den nood eene
deugd gemaakt hadden, was oorzaak geweest, dat hun die deugd niet als
zoodanig was aangerekend: en aldra had weder een dwaas gerucht, dat de
sleutels der poorten, die 's nachts ten huize van den voorzittenden
Burgemeester berustten, niet goed bewaard werden, aanleiding gegeven
tot de bewering, dat het onverantwoordelijk was, die aan één persoon
toe te vertrouwen, dewijl toch de ondervinding geleerd had, hoe
vaak een Burgemeester, door 't overleveren van der stede sleutels,
zijne Stad en Burgerij den vijand in handen geleverd had. Een oploop,
en waaraan deze reis een aantal leden der Schutterij deelnamen, was
hiervan het gevolg geweest, waarbij het huis van Burgemeester Van
de Poll met plundering was bedreigd geworden, en de Regeering had
zich verplicht gezien in dezen aan het verlangen der menigte toe te
geven en, overeenkomstig een voorstel, door den Krijgsraad gedaan,
de sleutels des nachts voortaan in de Hoofdwacht te doen bewaren in
eene kist met twee verschillende sleutels, waarvan de eene bij den
Burgemeester, de andere bij een der Hoofd-Officieren berustte.
Willem III had nu, omstreeks half Augustus, de stad met een bezoek
vereerd, was hoffelijk ontvangen, had een geschenk van f 30,000,
en bij zijn vertrek de hernieuwde verzekering van de zijde der
Regeering bekomen, "dat Amsterdam steeds met een genegen hart zijn
bezoek erkennen zou en besloten had, alles, ja goed en bloed, op
touw te zetten ten dienste van Zijne Hoogheid en tot behoudenis van
den Staat."--Nu, zou men zeggen, kon niemand iets meer verlangen. En
toch had het gemor, hadden de onrustige bewegingen onder de burgerij
niet opgehouden.
't Was dan ook wellicht aan min verlichte lieden niet zoo geheel
kwalijk te nemen, dat zij met hun gewoon plomp menschenverstand niet
begrepen, hoe Regenten, die in der tijd 't heftigst hadden medegewerkt
tot uitsluiting van den Prins, thans, na zijn herstel, met schik in
't bewind konden blijven, ook al hadden zij zelven thans hun stem
gegeven aan dat herstel. De Prins, zoo redeneerden zij verder, moest
op een tijdstip als het tegenwoordige, nu het Land in gevaar en de
vijand voor de poort was, aan 't hoofd der steden zoowel als aan
't hoofd der vloot en des legers alleen zulke mannen vinden, die hij
wist, dat aan zijn persoon waren verknocht en hem met trouw en ijver
konden dienen; geen politieke weerhanen, die zich nu tot hem keerden,
omdat zij niet anders konden en hem, zoodra zij er maar kans toe
zagen, weer verlaten, of althans den voet dwars zouden zetten.--De
vreeselijke moord, op 20 Augustus, en dus kort na 's Prinsen vertrek
vanhier, aan de gebroeders De Witt gepleegd, mocht afschuw verwekken
bij alle weldenkenden, hij had gestrekt om nieuw voedsel te geven aan
den geest van wantrouwen, die bij de burgers heerschte. Het stuk was
gepleegd, niet door een ordeloos grauw, maar door Haagsche schutters
en gezeten lieden uit den burgerstand, ten aanzien en met schijnbare
goedkeuring van aanzienlijke personen en familiën, ja van bedienaars
des Heiligen Woords; en dit een en ander gold bij onnadenkenden voor
een onwederlegbaar bewijs, dat hier geen bloote wraak of moordzucht in
't spel geweest was, noch zelfs recht gedaan over vroegere misdrijven;
maar dat er een nieuw en schendig opzet ontdekt was, even uitgestrekt
van omvang als verderfelijk voor den Staat, en dat de Gebroeders
daarvoor hunne billijke straf hadden ontvangen:--en het was onder
dezen indruk, dat er zich al meer en meer stemmen hadden doen hooren,
die aandrongen op 't ontslag der Regenten, en er in dien geest onder
anderen een schotschrift ter beurze was aangeplakt: zoodat de leden
der Regeering, zelven beginnende in te zien dat hunne stelling niet
langer houdbaar bleef, tot het besluit gekomen waren, hunne ambten
ter beschikking van Zijne Hoogheid te stellen.
Maar, terwijl de Vroedschap nog over dit laatste punt beraadslaagde,
waren de doldriftigsten onder de Amsterdamsche heethoofden nog
steeds aan 't overpeinzen, wie alzoo mede konden betrokken zijn in
het verraad op groote schaal, waarvan zij de De Witten verdacht
hielden: en zoo gebeurde het, dat men, hetzij domheid, hetzij,
wat waarschijnlijker is, doemwaardige boosheid, den naam van
De Ruyter noemde. Van hem was het bekend, dat hij én onder den
Raadpensionaris, én onder den Ruwaard van Putten, het bevel had
gevoerd, en met beiden in volmaakte overeenstemming, ja op den
meest vriendschappelijken voet had verkeerd:--wat op zich zelf
reeds aanleiding scheen te geven tot verdenking: voorts, ofschoon
de Admiraal zich altijd buiten alle politieke geschillen gehouden
en zich bepaald had, naar krijgsmansplicht, stipte gehoorzaamheid
te betoonen aan zoodanige lastgevingen, als hij van zijne wettige
overheden ontving, scheen de omstandigheid, dat juist hij altijd
door de Staten, of liever door hun oppermachtigen Raadpensionaris,
bij voorkeur boven anderen was gekozen geweest tot het uitvoeren
hunner ondernemingen, kracht bij te zetten aan de verdenking, dat
hij met lijf en ziel hunne Staatkunde was toegedaan, en, evenals
zij, den Prins uit alle hooge ambtsbetrekkingen wilde verwijderd
houden. Ten bewijze, dat de vloot- en zeevoogden, in wie de Staten
hun bijzonder vertrouwen stelden, noodwendig hunne staatkunde
toegedaan moesten zijn, voerde men wijders den schoonschijnenden
grond aan, dat de zoodanigen onder hen, die als Prinsgezinden bekend
stonden, van bevordering uitgesloten, ja langzamerhand waren ontslagen
geworden. Vooral was dit het geval geweest met den Achilles van de zee,
gelijk men hem noemde, met Kornelis Tromp. Tweemalen was deze op de
schandelijkste wijze verongelijkt. De eerste reize, in 1665, toen hij,
tot Luitenant-Admiraal van de Maas benoemd en met het opperbevel der
vloot belast, in Texel vergaderd, had moeten ondervinden, dat hem,
zonder eenigen schijn van grond, dat bevel ontnomen werd en opgedragen
aan De Ruyter, die wel eenige maanden vroeger tot Luitenant-Admiraal
verheven was, maar bij de Admiraliteit van Amsterdam, boven welke die
van de Maas den voorrang bekleedde:--de tweede reis, in 1666, toen
hij, tot loon van de dapperheid door hem in den zeeslag van 4 en 5
Augustus bewezen, op aandrang van De Witt uit 's Lands dienst ontslagen
was. En ongelukkig viel het niet te ontkennen, dat dit ontslag een
gevolg was geweest van een twist tusschen hem en De Ruyter, waarbij
deze--misschien voor 't eerst en 't laatst van zijn leven--zich tot
harde en onbillijke beschuldigingen tegen een medebevelhebber had laten
verleiden [45]. Was het vreemd, dat De Ruyters gedrag in deze zaak
door de vrienden van Tromp, en door de Prinsgezinden in 't algemeen,
in het ongunstigste daglicht was gesteld, en nieuw voedsel gegeven
had aan het beweren, dat hij in alles met den Raadpensionaris dacht
en handelde?
En nu, nu men onder 't volk verspreidde, dat De Witt het Land aan
Frankrijk had willen verkoopen, was door de hierboven aangehaalde
aantijgingen, den weg gebaand, om De Ruyter voor te stellen
als medeplichtige aan zoodanig verraad, en hem van niets minder
te beschuldigen dan van 's Lands vloot aan Frankrijk te hebben
overgeleverd. En, hoe dwaas en ongerijmd die beschuldiging den naneef
ook in de ooren moge klinken, zij deed het niet in de ooren
Van 't lichtgeloovigh volck, dat veel te los van hooft
Genoten dienst vergeet, en 't erghste liefst gelooft,
van 't volk, dat De Ruyter nog niet op het voetstuk zag geplaatst,
door de nakomelingschap hem toegekend, noch met den stralenkrans
omgeven, welken deze hem waardig heeft gekeurd. Neen, dat volk vergat
zijne diensten, of liever nog, het vond in die diensten zelven stof
tot verwijt. Immers, was het niet voornamelijk tegen den Koning van
Engeland, tegen 's Prinsen Oom, dat De Ruyter had gestreden? Waren die
oorlogen met Engeland niet--althans zoo redeneerde men--juist het werk
van De Witt, en alleen gevoerd om het herstel van den Prins onmogelijk
te maken?--Was het gehate en ondankbare Frankrijk bij die oorlogen niet
onze bondgenoot geweest?--Had De Ruyter niet van Lodewijk XIV de orde
van Sint-Michiel ontvangen?--En moest het dan zoo vreemd schijnen,
dat De Ruyter, op last van De Witt, en in overeenstemming met diens
veronderstelde bedoelingen, 's Lands zeemacht ter beschikking stelde
van den Franschen Monarch?
Ik wil niet beweren, dat verstandige, onbevooroordeelde lieden
aan zulke lasterlijke praatjes geloof sloegen; ik heb alleen
willen uiteenzetten, hoe hier "het erghste" geloof kon vinden bij
de onnadenkende menigte, die langzamerhand--als wij gezien hebben,
er toe gebracht was, niemand meer te vertrouwen: hoe het een gretig
onthaal vond bij Prinsgezinde matrozen, bij voormalige zeevarenden van
Tromp, bij Amsterdamsche werk- en sjouwerlieden, die aan De Ruyter noch
zijne Zeeuwsche afkomst, noch zijne lage geboorte vergaven;--want het
is opmerkelijk, dat het volk altijd eenigen nijd en wrevel gevoelt
tegen iemand, die uit zijn midden tot hooger rang is opgeklommen,
en spoediger geneigd is van een zoodanige kwaad te denken dan van
iemand van aanzienlijke geboorte. Maar vooral werkten de uitgestrooide
geruchten op de beweeglijke gemoederen dier vrouwen, wier mannen of
naaste verwanten zich aan boord van de vloot bevonden, en voor wie
nu ook, zelfs al hadden zij geen bijzondere reden, om den Admiraal te
verdenken, de bloote gedachte, dat hetgeen men verhaalde toch misschien
kon gebeurd zijn, reeds voldoende was, om met ongerustheid, met angst,
met mistrouwen vervuld te worden, en in allen gevalle te willen weten,
waar zij zich aan te houden hadden.
En zoo komt het dan, dat op den meergenoemden zesden September,
juist op dien zelfden Dinsdag, nu de Stads-Secretaris, Dirk Schaep
naar het leger te Bodegraven is vertrokken, om de Regeeringsambten
ter beschikking van Zijne Hoogheid te stellen, de reeds door mij
beschreven toeloop plaats heeft voor 't huis van den Admiraal.
De beroerte, zegt Brandt [46], was, door een slinksch geval of loos
beleid, zoo schielijk opgekomen als een zomerstorm, die de zeelieden
verrast. Ten een ure na den middag, bij 't afgaan der Beurs, was er nog
geen mensch omtrent het huis te zien geweest en een oogenblik daarna
was het grauw, mannen en vrouwen, van alle kanten komen aanloopen,
zoodat het menschen scheen te regenen, en de straat aan alle kanten
volstond.
Aller oogen zijn, als wij reeds zeiden, op het huis gevestigd, en wij
zullen doen als de anderen, ja meer nog, wij zullen doen wat zij nog
niet kunnen, en ons, in spijt dat de deur gesloten is, naar binnen
en naar de zijkamer begeven. De blinden voor de benedenvensters
van het kruisraam zijn gesloten, doch de bovenvensters verschaffen
toch licht genoeg, om ons Mevrouw De Ruyter te doen zien, in niet
weinig bekommernis, met gevouwen handen, op een stoel tegen den wit
gepleisterden wand gezeten, terwijl haar twintigjarige dochter Margriet
in niet minder verlegen houding tegenover haar staat, en de beide
dienstmaagden, Aagje de linnenmeid en Klaasje de keukenmeid, zeker
om Mevrouw meer moed in te boezemen, handenwringende en schreiende
de kamer op en neer loopen.
"Wat zullen wij toch doen, Moeder?" roept Grietje: "en niemand om
ons raad te geven! Dat Barend maar hier ware."
De schrandere lezer zal beseffen, dat de Barend, wiens tegenwoordigheid
door de jonge juffrouw verlangd werd, natuurlijk niemand anders is
dan haar verloofde, de leeraar Bernardus Somers.--Maar eer wij verder
gaan, dien ik een woordje te zeggen over het gezin van onzen zeeheld.
De Ruyter was driemalen getrouwd geweest: de eerste reize in 1631,
toen hij het nog niet veel verder dan busschieter had gebracht,
met Maria Velters van Grypskerke, die nog in 't zelfde jaar in 't
kraambed overleden, en wier kind haar in den dood gevolgd was; de
tweede reize in 1636, toen hij stuurman was, met Kornelia Engelsdochter
van Vlissingen, die hem vijf kinderen schonk, van welke thans--in
1672--nog drie in leven zijn, t. w. Kornelia, in 1639 geboren en nu
sedert eenige jaren gehuwd met Johan De Witte, Kapitein van eene
compagnie zeesoldaten bij de Admiraliteit te Amsterdam, Alida,
in 1642 geboren en eerst met Johan Schorer, vervolgens met Thomas
Pots, Predikant te Vlissingen, getrouwd, en Engel, dus naar zijn
grootvader van moederszijde genoemd, die zeker niet gedroomd had,
dat zijn kleinzoon eens in de gelegenheid zou komen eene Hertogskroon
af te slaan [47]. In 1650 zijne tweede vrouw verloren hebbende,
was hij, in 1652, nu schipper zijnde, voor de derde reize getrouwd
met Anna Van Gelder, weduwe van Jan Pauluszoon, die, als hij, voor de
Gebroeders Lampsens gevaren had. Anna Van Gelder had aan haren man een
voorzoon aangebracht, die, bij zijns vaders naam Jan Paulusz., haar
naam Van Gelder voegde en nu mede in zeedienst en met de dochter van
den Amsterdamschen koopman Wessel Smit getrouwd was. Twee dochters had
Anna haren man geschonken: met de oudste, Margriet, hebben wij zooeven
kennis gemaakt: de jongste, Anna, was in 1666 aan de pest overleden.
"En wat zou Barend?" vraagt Mevrouw De Ruyter, de schouders ophalende:
"denkje, dat die lieden met eene predikatie zijn weg te krijgen?"
--"Och lieve hemel!" roept de keukenmeid: "al hadden wij twintig
manskerels, in huis wat kon dat nog helpen tegen zoo'n troep."
--"Wat willen zij toch?" vraagt Mevrouw--misschien voor de tiende
keer:--"ik begrijp hun oogmerk niet. Kijk eens door 't venster,
Aagje! of je ook zien kunt wat ze in 't zin hebben."
Niet zonder vreeze van gezien te worden door hen, die buiten staan,
voldoet de deern aan het verzoek: zij sluipt naar 't kruisraam,
waarvan de benedenluiken dicht zijn, klimt op een stoel en gluurt
even door 't bovenvenster naar buiten.
--"Wel! wat zie je?" vraagt Mevrouw.
--"Och! juffrouw!"--want al draagt de echtgenoote van een
Luitenant-Admiraal-Generaal in officiëele stukken en op officiëele
vereenigingen den titel van Mevrouw, in haar huisgezin en in den
nederigen kring, waarin zij nog voortdurend verkeert, zou haar die
als eene bespotting geklonken hebben.--"Och Juffrouw! zij praten
en rammelen allen door elkaar en wijzen maar altijd door op het
huis.--Och!--waren wij maar hier vandaan."
--"Zouden wij niet naar den tuin, Juffrouw! en over de schutting een
goed heenkomen zoeken?" vraagt Klaasje.
--"Wegvluchten!" roept hare meesteres op een toon van verontwaardiging:
"het huis alleen laten? Sinjeur zou 't aardig opnemen, als hij
terugkwam;--maar toch, je doet me daar aan iets denken.-- Aagje! jij
bent de jongste en de vlugste: zie jij, dat je over de schutting komt,
in den tuin van buurman Smit, en vraag hem, of hij ons eens van raad
wil komen dienen. Hij is kloek en bedaard en weet met dat slag van
volk om te gaan: hij zal misschien kunnen uitvorschen wat zij toch
eigenlijk verlangen."
--"Wil ik het anders ook doen?" vraagt de keukenmeid, zonder te
bedenken dat zij te log en te zwaarlijvig is om acrobatische oefeningen
te verrichten, en alleen het vooruitzicht in 't oog hebbende om
veilig van de plaats te komen;--maar haar aanbod komt wat laat of
is althans overbodig: Aagje heeft nimmer aan een ontvangen bevel
met zooveel spoed en bereidvaardigheid gehoorzaamd: zij is de gang
reeds ten einde, de achtertrap reeds af--den tuin reeds ingesneld,
heeft het houten trapje, dat bij den schoonmaak dienst doet, uit het
berghok gehaald en tegen de schutting gezet, is deze overgesprongen,
heeft bij de buren, van wie zij niets bespeurt, omdat die allen in
't voorhuis naar den oploop zitten kijken, een ladder, die tegen een
pereboom stond, van zijne plaats gehaald en is met behulp daarvan
de tweede schutting overgeklauterd, en veilig geland in den tuin van
Wessel Smit:--bij dezen loopt zij 't huis in, terstond naar boven, en
den man zelven tegen 't lijf, die, geheel gekleed, met den hoed op,
den rotting in de hand, sjerp en ringkraag om den hals en den degen
op zijde, in de gang staat.
Dat Mevrouw De Ruyter aan Wessel Smit gedacht heeft, is licht te
verklaren: niet alleen is hij haar buurman, een welgesteld koopman
en kapitein van een Burgervendel, maar zijne dochter is bovendien,
als reeds gezegd is, met Jan Pauluszoon Van Gelder getrouwd en er
bestaat alzoo een nauwe band tusschen hem en de vrouw des Admiraals.
Maar al bestond die band niet, men heeft, om den man vertrouwen te
schenken, hem maar aan te zien, zooals hij daar voor ons staat, met
zijne reusachtige gestalte, met zijne breede borst en wakker gelaat,
met die sprekende donkerblauwe oogen, die van onder de zware bruine
wenkbrauwen u gewoonlijk zoo gul en welwillend, maar op zijn tijd ook
zoo streng en gebiedend kunnen aanzien, met dat hooggewelfde voorhoofd
en die goedhartig spottende uitdrukking der breede, doch welgevormde
lippen: in 't kort met een voorkomen, dat--behoudens eenig verschil in
kleederdracht, door een tijdsverloop van bijna vijf-en-twintig jaren
teweeggebracht--ons volkomen een dier kloeke hoplieden herinnert,
door Van der Helst op zijn Schutters-maaltijd afgebeeld.
--"Jij hier, Aagje!" vraagt hij: "hoe drommel ben jij zoo opeens uit
de lucht komen vallen?"
--"Uit de lucht, Sinjeur!" herhaalt Aagje: "neen Sinjeur! uit den
tuin; ik ben achterom gekomen, weet UEd? want het is voor niet veilig:
en nu laat de juffrouw vragen, of Sinjeur 'reis bij haar wou komen
om raad te schaffen."
--"Dat had ik juist al gedacht, dat zij dien noodig zou hebben." zegt
Smit: "en zoo had ik den Japanschen rok uitgetrokken en de plunje
aangeschoten, waar ik t' avond mee op wacht denk te gaan, om eens
naar de Juffrouw heen te kuieren. Ga dan gerust weer naar haar toe:
ik zal er misschien zoo gauw zijn als jij."
--"Maar wil Sinjeur ook niet door de tuinen gaan?" vraagt Aagje.
--"Och ja, Sinjeur!" roepen uit één mond de beide dienstmaagden van
Smit, die, nieuwsgierig met wie haar meester toch in gesprek kon
zijn, inmiddels uit het voorvertrek zijn toegeschoven: "Och ja! 't
is moedwillig in 't gevaar loopen, nu op straat te gaan."
--"Gekheid!" zegt Smit, de schouders ophalende: "waar is Willem?"
--"Op 't kantoor," antwoordt eene der meiden: "bezig alles goed weg
te sluiten, zoo 't rapalje eens binnen mocht dringen."
--"Roep hem hier."
De meid loopt naar beneden en keert weldra met den jongen
kantoorbediende terug.
--"Willem!" zegt Smit: "ik ga naar buurvrouw De Ruyter: krijg jij
intusschen de lijsten van de Schutters, die tot mijn vendel behooren:
loop bij Sergeant Joosten hier op den hoek, geef er hem een van,
draaf dan met u beiden bij al mijne Wilde Ieren rond, en gelast hun
uit mijn naam zich onmiddellijk te wapenen en naar 't huis van den
Vendrig te begeven: stuur voorts iemand naar 't Stadhuis om kennis
te geven van den oploop, en onzen trommelslager, dien je met zijne
kameraden op den Dam zult vinden, alarm te laten slaan. Verstaan?"
--"'t Zal gebeuren Patroon!" zegt Willem, met een schalkschen lach,
waaruit men kan opmaken, dat reeds het vooruitzicht van het standje,
dat plaats zal hebben, hem vermaak verschaft, en hij haast zich weer
naar 't kantoor, terwijl Aagje inmiddels langs den weg, dien zij
gekomen is, terugkeert, en Smit, zich naar de voordeur begevende,
die ontsluit en uittreedt op zijne stoep.
Daar iedereen in de buurt uit vrees zijne deur gesloten houdt, wekt
het opengaan van die van Smit noodwendig de aandacht der menigte en
zoo wenden zich de oogen opeens van het huis van De Ruyter af en naar
het zijne.
--"Wat is er aan de hand, mannen?" vraagt hij, zich schijnbaar
verwonderd houdende, en intusschen zijne scherpziende blikken over
den volkshoop latende weiden.
--"Wat er aan de hand is?" roept een varensgast: "daar hebben we jou
althans geen rekenschap van te geven."
--"Tut, man!" zegt Smit: "ik betaal schot en lot, kaai- en leggeld:
en als de vrije doortocht voor mijn huis belemmerd wordt, dan heb ik
recht, geloof ik, om te vragen, wat men voorheeft."
--"Wat praatje van recht?" schreeuwt nu een uit den hoop, een vent,
met een rood buis, en met een gelaat alsof hij zoo even van de galg
gedropen was: "kom maar van de stoep, jou dikke schelm, men zal je
op zijn Jan De Witts trakteeren."
Op het oogenblik, dat deze weinig geruststellende toezegging gedaan
wordt, is Willem met de lijsten onder zijn wambuis de deur uitgekomen,
die hij achter zich sluit.
--"Ei zoo!" zegt Smit, terwijl hij langzaam de stoep afkomt en den
doordringenden blik strak gevestigd houdt op den spreker: "wou jij
dat doen?--Nu! als ik het verdiend heb, ga dan vrij je gang;--maar
ik hoop, dat er hier genoeg vrome lui zijn, die Wessel Smit kennen,
en die wel weten, dat hij geen landverrader is."
"Wel neen!" mompelen terstond onderscheidene stemmen: "Wessel Smit
is geen landverrader:--wij hebben niks teugens jou, Sinjeur!"
--"Zoo! dat meende ik ook," herneemt hij, terwijl hij bedaard verder
stapt.
Willem heeft behendig gebruik gemaakt van het oogenblik, dat aller
oogen op zijn patroon gevestigd zijn met die eerbiedige verbazing,
welke eene rustige kloekheid altijd bij de menigte verwekt, is de
stoep afgesneld en onopgemerkt langs de huizen verder geslopen.
Wessel Smit is voor de stoep van De Ruiters huis gekomen, die vol
menschen staat. Zich wel wachtende van iemand aan te raken, wat
gevaarlijke gevolgen zou kunnen hebben, vergenoegt hij zich,--rechts
en links te verzoeken, dat men hem doorlate;--doch zijn verzoek klinkt
als een bevel, en onwillekeurig gehoorzaamt men. Hij staat op de stoep,
hij schelt aan: Margrietje, die voor het bovenkruisvenster gegluurd
en hem herkend heeft, snelt naar voren, laat hem binnen en haast zich,
de voordeur weer achter hem te sluiten.
--"Goddank! dat UEd. gekomen is, buurman Smit!" zegt Mevrouw De Ruyter,
opstaande en hem de handen drukkende: "wij zitten hier in doodelijke
verlegenheid, wat te doen."
--"Wat te doen?" herhaalt Smit: "te beginnen met deur en vensters
open te zetten, een goed gelaat te toonen, en dat rapalje met goede
woorden te paaien tot er ontzet komt."
--"Den boel openzetten!" roept Grietje met verbazing uit: "maar dan
zullen zij binnenkomen en ons plunderen."
--"Dat zouden zij toch al hebben kunnen doen," zegt Smit: "en dat
jelui 't ontkomen zijt, is alleen, omdat het hun aan een hoofdleider
mangelt. Zooveel althans heb ik er al van gezien, dat zij nog
besluiteloos zijn: en daarom: openzetten! door u schuil te houden,
versterkt gij slechts die lieden in hun kwaad vermoeden.--Het gepeupel
slacht de honden: als men hun ontloopt of voor hen wegschuilt,
blaffen en bijten zij: als men hen fiks in de oogen kijkt, loopen
zij druipstaartende weg."
--"Ik geloof, dat buurman gelijk heeft," zegt Mevrouw De Ruyter, die
met de komst van Smit haren moed, die door 't gejank van dochter en
meiden wat gezakt was, geheel had voelen herleven; en, meteen naar
't raam tredende, opent zij de vensters, schuift de grendels van de
luiken en stoot deze naar buiten.
Nu ontstaat er een dof en rondloopend rumoer onder 't grauw, maar toch
blijkt het, dat de raad van Smit goed geweest is; want vooralsnog
blijft de volkshoop zich bepalen bij uitroepen, als: "kijk daar is
ze! en 'er dochters ook! wat 'n astrantigheid, dat ze d'r brutale
bakkes zoo vertoonen durven!"
--"En nu, buurvrouw!" herneemt Smit: "houd het mij ten goede zoo ik
u voor een oogenblik weer verlaat. Zoo men u iets vraagt, geef goed
bescheid, en maakt men het u te lastig, dan ben ik in een ommezien
weer bij u. Ik blijf in de buurt; want ik ga niet verder dan Dirk
Duizend, om met hem te overleggen hoe wij u best helpen: en ik hou
vandaar een oog in 't zeil."
En, de daad bij 't woord voegende, stapt hij weder ter deure uit, door
den volksdrom heen, tot aan het vierde huis, dat door zijn Vendrig,
Dirk Duizend, wordt bewoond. Ook deze heeft reeds voorzien, dat zijn
dienst zal gevorderd worden en staat zijn hopman in de deur te wachten.
--"Dat is een gekke boel, Duizend!" zegt Smit, zoodra hij binnen is.
--"Dat zeg je wel, Kapitein!" is 't antwoord: "maar wat is er nu van
je orders?"
--"Ik heb reeds om de manschappen gezonden," zegt Smit: "plant jij nu
't vendel in je stoep, dan weten zij, waar zich te vereenigen."
--"Al ree!" zegt Duizend, en het vendel, dat in een hoek der kamer
klaar stond, opnemende, begeeft hij met Smit zich naar buiten en steekt
het door de ijzeren ringen, te dien einde aan de leuning bevestigd.
--"Wat moet dat?" wordt straks van alle kanten geschreeuwd, door hen,
die een duister vermoeden hebben van hetgeen volgen zal: "wat moet
dat Vendel?"
--"Wel mannen!" antwoordt Smit: "zie je niet aan mijn ringkraag en
bandelier, dat ik vandaag de wacht heb? Of hadt jelui liever, dat de
Muiderpoort onbezet bleef, en de Françoizen er op hunne sloffen binnen
konden komen?--Jelui lijkt wel stapel zot, om je over zoo'n natuurlijke
zaak te verwonderen, als dat ik mijn vendel opsteek, waar mijn volk bij
vergaderen moet. Kom, maakt wat ruimte! ik moet weer naar mijn huis."
En met deze woorden de gemoederen, wat het opsteken van 't vendel
betreft, gerustgesteld hebbende, begeeft hij zich weder naar den
kant der bedreigde woning heen, waar hij heeft bespeurd dat zijne
tusschenkomst noodwendig gevorderd wordt. Immers is daar, terstond
na zijn vertrek, het rumoer al meer en meer luidruchtig geworden:
woeste kreten, scheldwoorden, bedreigingen, volgen elkander op:
menige vuist is gebald, menige arm heeft zich opgeheven: en reeds
heeft dezelfde fielt met het roode buis, die Smit gedreigd had met
het lot van De Witt, zich gebukt om een steen los te maken en zoo
het eerste sein tot vernieling en plundering te geven.
--"Hei wat!" zegt Smit, den vent plotseling bij den arm grijpende:
"wie heeft jou tot Stads-stratemaker aangesteld?" en voorts, ziende
dat zijne vraag de omstanders doet lachen, gaat hij, zich nu tot hen
wendende, voort:
--"Is er een onder jelui, die dezen man kent?--Niet?--Nu! dan zullen de
rakkers van den Schout hem wel kennen." En meteen stoot hij den boef
van zich af, die, bemerkende, dat hij voor 't oogenblik de lachers
niet op zijne zijde heeft, zich brommende onder de menigte terugtrekt.
--"En nu," vervolgt Smit, terwijl hij, met een voet op de onderste
trede van De Ruyters huisstoep, met de eene hand den knop van de
leuning omvat, de andere, waarin zijn geduchte rotting geklemd is,
zoover mogelijk uitgestrekt houdt en in die houding als 't ware post
vat om de woning te beschermen: "en nu, vertel jelui mij eens, wat
je hier toch komt zoeken?"--
Ieder, zoowel de vrouwen, die daar binnen doodsbleek voor 't raam
staan, als de volksmenigte daar buiten, begrijpt, dat het hachelijk
oogenblik gekomen is, dat aan den staat van spanning, waarin men over
en weder verkeert, een einde maken moet. Er is eene minuut stilte,
en dan klinkt het opeens:
--"Dat weet je immers wel!'"
--"Hoe drommel wil ik 't weten?" vraagt wederom Smit, "als niemand
het mij zeit. Ziet, je kent mij allen voor een Amsterdammer van ouder
tot ouder, en die 't wel meent met den Prins, met de Stad en met de
Burgerij, en heb je reden van klagen, dan zal ik je voorspraak wezen,
al was 't bij Burgemeesteren:--en zegt nu wat je te zeggen hebt."
--"Wel!" roept een stevige varensgast: "als je 't dan niet weet,
dan zal ik het je zeggen. De Admiraal, die schelm, heit zich deur De
Witt laten ompraten om 's Lands vloot aan de Françoizen te leveren."
En nu er een het ijs gebroken heeft, raken alle tongen los.
--"Hij heit er honderdduizend kroonen voor ontvangen," roept eene
vrouw.
--"Hij zou voor ieder van onze arme mannen een dukaton genieten,"
roept eene andere.
--"Maar hij is gelukkig intijds gepakt, voordat hij het schelmstuk
volbrengen kon," schreeuwt een derde.
--"Ja sekuur," roept de guit met het roode buis, die nu weer de poppen
aan 't dansen hoopt te brengen: "ik heb hem gisteren, aan handen en
voeten geboeid, in Den Haag op de Voorpoort zien brengen."
--"Heb je?" vraagt Smit, droogjes weg: "ja vriend! ik geloof wel,
dat je met de Voorpoort en andere gevangenissen goed bekend bent;
maar of je den Admiraal juist kent, dat 's een tweede.--En nu
buurvrouw! je hoort, wat die menschen zeggen: wat heb je daar nu
op te antwoorden?--Stilte daar!--wij kunnen wel te gelijk zingen;
maar niet te gelijk spreken."
--"Ja! ja! stilte!" roepen nu de bezadigdsten onder den hoop: "wij
moeten hooren, wat de vrouw te zeggen heit."
Mevrouw De Ruyter was bij de eerste beschuldigingen, tegen haren man
ingebracht, niet weinig van haar stuk geraakt; want zij gevoelde,
dat zij niet veel anders daar tegen in kon brengen dan betuigingen,
die geen geloof zouden verdienen; maar de logen, door den man in 't
rood uitgekraamd, hoe kwaadaardig ook, is haar welkom, omdat zij dien
voor 't minst met een onwederlegbaar bewijs kan tegenspreken. Bemoedigd
steekt zij dan ook het hoofd naar buiten en roept met heldere stem:
--"Die man dáár vergist zich, ik heb vandaag nog een brief van mijn
man, die gisteren is geschreven, en waarin hij mij bekend maakt,
dat hij met 's Lands vloot eerstdaags de vijanden weer hoopt te
gaan opzoeken."
--"Hoor jelui 't?" vraagt Smit; en toen, zich haastig naar Mevrouw De
Ruyter keerende: "den brief! den brief!" zegt hij: "spoedig!--Nu zel
jelui 't zelven lezen," vervolgt hij tot het grauw: "Hier! is er een
onder jelui, die met de hand van den Admiraal bekend is?" en meteen
houdt hij den brief, dien Mevrouw is gaan halen en hem toegestoken
heeft, geopend in de hoogte.
--"Ik! ik!" roepen eenige stemmen: en een half dozijn burgers treden
na voren: met een snellen blik op hen te werpen, overtuigt zich Smit,
dat er onder hen althans twee of drie zijn, wier uitzicht vertrouwen
inboezemt, en zonder aarzelen stelt hij den brief aan een van dezen
ter hand.
--"Daar." zegt hij, "lees, en je zult zelf erkennen, dat bedriegers
't volk misleiden en dat al wat men van omkooperij en gevangenis
spreekt, louter verdichtselen zijn."
--"Ja waarachtig!" roept de toegesprokene, na den brief gelezen te
hebben, "'t is de hand van den Admiraal, en dag en plaats komen uit!"
--"'t Is zoo, bij me zolen!--ja zeker het is zoo!" zeggen anderen,
die, om den eersten spreker heengedrongen, mede een kijkje in den
brief gekregen hebben.
--"'t Is een nagemaakt schrift," mompelt Roodbuis, terwijl hij
nader sluipt.
--"Kan jij dat daar van daan zien?" vraagt Smit: "dan moet je al
bijster goeje oogen in je bol hebben.--In allen gevalle, als jelui
beter zekerheid wilt hebben, gaat om naricht naar 't Stadhuis of naar
de Admiraliteit."
--"Wel ja!--hij wil ons met een kluitje in 't riet sturen!" roept
hij met het roode buis en eenige andere van zijne gasten: "of wij
gek waren!--zoo laten wij ons niet afschepen."
--"Maar 't is toch zijne hand," voeren de meest bezadigden hiertegen
in: "en als de Admiraal niks gedaan heeft, dan is 't uit!"
--"Neen, 't is niet uit!" bulkt een ander, "al is de man niet gevangen,
daarom blijkt het nog niet dat hij geen landverrader is: hij kan wel
aan zijne vrouw schrijven wat hij wil."
--"Wij moeten eerst onderzoeken," zegt een van de welgezinden.
--"Wat onderzoeken! Jij heult misschien ook al met die landverraders."
--"Ik met verraders heulen! Een schelm, die 't zeit."
--"Hawaar!" brult de ander, hem een slag gevende;--en nu ontstaat
er een gevecht tusschen de twee, waarin straks anderen zich mengen,
't zij om te scheiden, 't zij om aan te hitsen.
--"Tijd gewonnen! Alles gewonnen!" roept Smit met een zegevierenden
glimlach Mevrouw De Ruyter toe:--"en nu, kanaljes! scheer je de stoep
af! Holla hier mannen!"
Hij had reeds hellebaarden en sabels zien glinsteren voor de stoep
van zijn Vendrig, en nu, terwijl hij met sterke vuist een voor
een drie of vier van de knapen, die op de stoep hadden post gevat,
in de kraag neemt, drijft hij hen met rottingslagen vandaar, waarop
hunne makkers, voor dezelfde behandeling beducht, een goed heenkomen
zochten. Onderwijl rukt Duizend met het vaandel en een dozijn gewapende
schutters aan en vat nevens hem post voor het huis.
--"Wat beduidt dit?" roepen nu niet weinigen onder 't volk, hunne
dreigende gebaren hernieuwende.
--"Dat beduidt," antwoordt Smit, op forschen toon, "dat ik met
mijn volk naar de poort moet, waar de Françoizen hun eersten aanval
zullen doen, en er bijtijds moet wezen, om hen af te wachten. En nu,
ruimbaan! daar komen mijne Wilde Ieren!"
En inderdaad, eene geheele compagnie, die in de wandeling met
dien naam geheeten wordt, komt in 't volle geweer van den kant der
West-Indische pakhuizen aangerukt, dringt door den volkshoop heen en
schaart zich voor het huis. Terstond deelt Smit nu zijne bevelen uit,
laat de nieuwe Schipperstraat door drie gelederen musketiers bezetten,
met last, indien 't grauw wilde doorbreken, daaronder te schieten:
en zijne overige manschappen, wel tweehonderd sterk, voorgaande,
drijft hij met rottingslagen de menigte tot aan zijn huis terug. Nu de
handen wat ruimer hebbende, geeft hij den zijnen bevel, zich gereed
te maken, en gebiedt, dat, bij de minste verdachte beweging van
't gepeupel, de musketiers zullen aanleggen en de piekeniers hunne
pieken vellen. Maar nog bedaart het woest getier der menigte niet,
die weer naar voren en op de pieken aandringt. Hoe gaarne Smit eene
bloedstorting wil voorkomen, hoe hij aarzelt last tot schieten te
geven, toch vreest hij, er toe te zullen moeten overgaan, wanneer
zijn getrouwe Willem hem op zijde komt.
--"Patroon!" fluistert hij: "zie je die tjalk wel, daar in 't water,
die niet verder kan? Als wij die eens praaiden."
Smit wendt het oog naar de hem aangewezen richting, en ziet werkelijk
een dier gewapende uitleggers, welke ik hierboven verhaald heb, dat
de Regeering in dienst genomen had, die met moeite zich een weg zoekt
te banen tusschen de schuiten, die, propvol met toekijkers geladen,
in het IJ liggen:--zonder zich lang te bedenken, haast hij zich naar
den walkant en roept:
--"Kaptein! ben je genegen den vromen Admiraal van dienst te zijn,
en zijn huis tegen dat geboefte te beschermen?"
--"Den Admiraal De Ruyter?" antwoordt de bevelvoerder van den
uitlegger: "wel zeker ben ik: ik heb niet voor niemendal zeven jaren
bij hem aan boord gevaren. Hier mannen!--duwt me die schuiten eens
aan een zij; haalt de stukken boven, en dan zullen wij zien, of wij
de kust niet schoon kunnen houden."
Zoo gezegd zoo gedaan: het vaartuig werkt zich tot voor den wal! Zes
stukken geschuts vertoonen weldra op het dek hunne gapende monden, en
worden met schroot geladen, tot niet weinig schrik van de opeengepakte
rumoermakers!--en, om hunne ontsteltenis nog te vergrooten, doet zich
van verre hoefgetrappel hooren en komen weldra achttien gewapende
ruiters, door Burgemeesteren, op 't bericht van Smits Luitenant,
naar 't bedreigde punt gezonden, in vollen galop aangerend. Smit
ziet met wat ongestuime drift zij toesnellen, en hoe zij, op die
wijze voortgaande, allicht een honderdtal van de op elkaar gepakte
menigte in 't water zullen drijven: en, nu zelf het grauw in zijne
bescherming nemende, treedt hij hun te gemoet en verzoekt hen, zich in
't gelid te stellen en zachter te rijden. Maar nauwelijks heeft hij
hen voor het huis en onder zijn bevel, of hij hernieuwt met hunne
hulp zijne poging, om de moedwilligen terug te dringen, die hij dan
ook werkelijk tot voorbij de nieuwe Bantammerstraat weet te drijven;
terwijl hem dit pas gelukt is of de Oud-Schepen en Raad Kornelis Roch
komt aan 't hoofd van zijn burgervendel gezegde straat uit tot zijn
bijstand. Geen half uur is er verloopen, of vier andere vendels zijn
in de wapenen aangerukt, en 't grauw, zijn toeleg verijdeld ziende,
is van lieverlede naar alle zijden en van 't eiland verstoven.
--"Zie zoo, Buurvrouw!" zegt Smit tot Mevrouw De Ruyter, "nu kan je
gerust deur en vensters weer sluiten en een glaasje voor den schrik
drinken. Ik kuier met mijn vendel naar de Muiderpoort, doch er blijft
volks genoeg achter om u te beschermen."
En, zonder de dankbetuigingen der gerustgestelde vrouwen af te wachten,
zet hij zich aan 't hoofd van zijn vendel en trekt naar zijne wacht;
terwijl het Waalseiland dien dag en den geheelen nacht door de vier
versch gekomen compagniën bewaakt blijft, die er niemand op laten
dan wie er thuis behoort.
Het logenachtige van de verspreide geruchten was inmiddels gebleken:
die ter goeder trouw er aan geloofd hadden, zagen in, dat zij bedrogen
waren geweest, en die ze met een boos opzet uitgestrooid hadden,
dat hun kans vervlogen was.
Zoo was, door de kloeke welberadenheid van één man, eene beroerte
gestild, die de schromelijkste gevolgen had kunnen hebben; en dat,
zonder dat er een droppel bloeds vergoten was.
In de gracht.
Nog steeds staan wij aan den IJkant, waar wij ons aan het slot
van het vorige Hoofdstuk bevonden. Maar, vijf-en-dertig jaren zijn
verloopen, en anders, maar niet minder levendig en gestoffeerd is de
watervlakte. Toen de voorvallen plaats vonden, die stof gaven tot
het laatste, door ons geschilderde tafereel,--was de vijand in 't
land en op de kusten, en waren de toegangen tot de machtige koopstad
van alle zijden belemmerd. Thans, al moge ook de Staat, de krachtige
politiek van Willem III voortzettende, nog voortdurend met Frankrijk
in oorlog zijn, en al moge ook nu en dan een kaper van Duinkerken
onzen handel afbreuk doen, de schepen der bevriende natiën weten
den weg naar Amsterdam te vinden en geene vlag, die niet hier voor
onze oogen wappert, geen koopwaar, onbewerkt of bewerkt, die niet
hier aangebracht of vanhier vervoerd wordt. Maar ook de schepen,
op eigen erf gebouwd, woelen en krioelen hier in steeds toenemende
hoeveelheid dooreen: 't zij die uit Ceylon, uit den Indischen Archipel,
of uit de havens van den Indischen zeeboezem gekeerd, hier de geurige
specerijen, of stofgoud of elpenbeen, of andere kostbare en kostelijke
voortbrengselen van die gewesten met zich voeren: 't zij die in de
West-Indiën hunne ladingen koffie, suiker en verfhout hebben ingenomen:
't zij die geurige thee en prachtig porselein uit China, of tin uit
het verre Japan, of pelterijen uit Archangel, of hout uit Noorwegen,
of ijzer uit Zweden, of graan uit Dantzig aanbrengen, of uit de
Levant de zijde, waarmede de vermogende Amsterdammers zich zelven,
of den ballast van prachtig marmer, waarmede zij hunne gangen en
voorportalen zullen versieren: 't zij die van de walvischvaart keeren
met overvloed van traan en walrustanden, of van Spanje met de goud-
en zilverertsen van Mexiko en Peru.
Maar het zijn niet alleen de groote zeekasteelen van uit- of
inheemschen bouw, die hier de breede watervlakte vullen: 't zijn,
tusschen hen door en om hen heen, de kleinere vaartuigen voor de
kustvisscherij of voor die op de binnenwateren bestemd: 't zijn de
tallooze beurt- en marktschepen, tjalken en smakken uit de eilanden
en uit al de havens aan IJ of Zuiderzee hier samengekomen: 't zijn
boeiers en speeljachten, in de Stad zelve, aan de Zaan, te Haarlem,
te Hoorn, ja waar niet al thuis behoorende: 't zijn lichters, die
de diepgaande koopvaarders van hunne lading hebben ontlast: 't zijn
sloepen, die bij de oorlogsvaartuigen behooren, op Pampus geankerd:
't is in éen woord elke soort van vaartuig, klein of groot, welke
zich de verbeelding schier zou kunnen voorstellen, alle zeker, welke
de scheepsbouwkunst in 't wezen geroepen heeft.
Tusschen al die vaartuigen door baant een klein, maar vlugzeilend
jacht zich een weg:--het voert geen in goud gevat wapen op den
spiegel, noch eenig ander teeken, dat van den rang des eigenaars
getuigt: het is geen adviesjacht; want het heeft geen wimpel met het
wapen van eenige Admiraliteit in top: het is geen pleziervaartuig;
want het mist dat kunstige snijwerk, die prachtige kleuren, dat
blinkend goud en verlaksel, waarmede het in dat geval zou pronken;
het is blijkbaar alleen gebouwd met het oog op stevigheid, kracht en
snelheid: en wie eenige kennis van het zeewezen bezit, kan met een
oogopslag onderscheiden, dat dit vaartuig moedig den storm het hoofd
zal bieden, ongedeerd menigen stoot verduren, en, uit welken hoek de
wind ook waaie, zich niet licht de loef door een mededinger zal laten
afsteken:--en wij, die gaarne een zoodanig vaartuig zien en trachten
te weten, wien het toebehoort, wij volgen het met het oog, nu het met
eene zwierige wending, eerst door eene der openingen in het paalwerk,
dat de stad omheint, vervolgens door de geopende Kikkerbil-sluis
heenzwaait en voortstrijkt langs de Kalkmarkt. Terwijl zeilen en
mast gestreken worden, springt een flinke knaap, oogenschijnlijk van
ongeveer twintigjarigen ouderdom, haastig aan wal met de opgeschoten
lijn, waarvan hij reeds het uiteinde aan een klamp aan boord bevestigd
heeft; die lijn ontrolt zich naarmate hij ijlings verder spoedt, en
hij maakt zich gereed, het vaartuig voort te trekken: eene flinke
deern, wier gelaatstrekken u geen oogenblik doen twijfelen of zij
is de zuster van gemelden knaap, neemt een handboom op, stoot het
vaartuig van wal, en begint met rustige kracht te boomen.--Het
moge voor ons gevoel iets stuitends hebben, zulk een zwaren arbeid
door eene vrouw te zien verrichten, toch beweert de "ongevoelige"
faculteit, dat eene malsche vrouweborst, hoe teeder en zwak in schijn,
daartegen, zoowel als tegen het in 't lijntje loopen beter bestand
is dan de ruige borst ook des sterksten mans.--Aan 't roer staat een
kloekgebouwde grijsaard, die, terwijl hij met welgevallen de oogen
om zich heen slaat, met niet minder welgevallen den geurigen damp
schijnt te genieten, die uit het neusbrandertje voortkomt, dat hij
tusschen de tanden houdt vastgeklemd. Eene vrouw, weinig jonger dan
hij, en een aankomend meisje, houden zich intusschen bezig met het
aftuigen en wegwerpen der zeilage; 't is klaar, dat men vooreerst
geen plan meer heeft die te gebruiken.
Het is onbetwistbaar een huisgezin, dat wij voor ons hebben, een
huisgezin, dat uit man, vrouw en drie kinderen bestaat:--immers in de
gelaatstrekken, zoo van den knaap als van de beide vrijsters, vinden
wij die van vader en moeder terug:--en even onbetwistbaar schijnt
het, dat dit huisgezin de geheele bemanning uitmaakt. Nu! 't zijn
ook allen krachtige, door zon en wind verbrande en verweerde tronies,
waarop de echte zeemans ongedwongenheid en zeemans-koenheid te lezen
is: en toch, er is iets in de levendigheid van den blik, die allen,
ouderen en jongeren, onderscheidt, dat ons aan iets anders, dan aan
gewone varenslieden denken doet. Wie zijn zij? Vanwaar komen zij?--De
vader is een Hollander, zoo wij op gelaat en voorkomen afgaan; maar
hadden wij een der kinderen afzonderlijk ontmoet, wij zouden geaarzeld
hebben in het wagen eener gissing aangaande den landaard, waartoe het
behoort. Het raadsel wordt ons echter opgelost, wanneer wij de moeder
met aandacht beschouwen: die gekroesde roodblonde haren toch, die
sterk geteekende kinnebakken, die zomersproeten zelfs, bij ongewone
regelmatigheid van trekken en ongemeene doorschijnendheid van vel,
't welk b. v. aan den nek, waar het niet door den invloed van zon
en luchtsgesteldheid geleden heeft, met hagelblankheid tusschen de
krullende lokjes doorschittert:--dat alles te zamen spreekt van 't oude
Angel-Saxische bloed, en zij, die wij voor ons zien, kan niet anders
wezen dan eene dochter van Albion. Zelfs schijnt het, dat zij voor 't
eerst in Amsterdam zich bevindt; want, al gaat zij ijverig voort met
den arbeid, waar zij aan bezig is, toch werpt zij nu en dan een blik
om zich heen, die van nieuwsgierigheid getuigt. Wel is waar--en dit
toont aan, dat zij een echte telg van Engeland is--geen trek op haar
gelaat ontplooit zich en zij schijnt over de wonderen der wereldstad
noch opgetogen, noch verbaasd, op zijn best bevreemd. Nu en dan een
zweem van goed-, niet zelden een zweem van afkeuring is al, wat hetgeen
zij opmerkt, bij haar teweegbrengt. Maar sterkeren indruk maakt het
tooneel, dat haar omringt, op het zestienjarige dochtertje: de oogen
van het meisje tintelen als sterren van vroolijke opgewondenheid en,
keer op keer, wanneer in de rij der huizen, die zij langs varen,
een fraai gestoffeerd magazijn, een sierlijke gevel, of wat ook door
praal of bouwtrant de aandacht wekken mag, of wanneer op de kaai deze
of gene Friesche of Zaanlandsche vrouw met haar prachtig hoofdtooisel,
of een Armeniër met zijn tulband en kaftan, of een Perziaan, of een
Amsterdamsche pronker, of zelfs een citroenjood met zijn baard en zijn
samaar zich aan hare oogen voordoet, tikt zij, met een vroolijken lach,
soms met een uitroep van dartele blijheid, hare moeder op den arm,
om de aandacht van deze op dat ongewone voorwerp te vestigen.
De lijn is alreeds een paar keeren in- en weder uitgegooid: en het
jacht is de Sint Antonies-, is de Zwanenburgerbrug door-, den breeden
Amstel opgevaren; ook hier moet de lijn weder ingenomen, zoodra men
de Blauwbrug is doorgekomen, want aan wederzijden ligt het vol van
Keulsche aken en die Samereuzen-(Sambre et Meuse) schepen, naar
welke de hooge Amstelbrug daar in de verte bij sommigen den naam
voert van Samereuzen-brug--een naam, zoo kluchtig in de dagen der
omwenteling, Franschgezindheid en sentimentaliteit vertaald met pont
des amoureux;--wat echter nog minder gek was dan de later in zwang
gekomen benaming van "Hooge Sluis." Immers, verliefden mag men er nu
en dan aantreffen; maar een sluis is niet dan op eerbiedigen afstand
te vinden.
Om tot ons jacht weder te keeren, de broeder is, nu het trekken
onmogelijk werd, weder aan boord gesprongen, en helpt zijne oudere
zuster in het verrichten van hare moeitevolle taak. Maar het zwaarste
is volbracht. Het jacht zwaait rechts de Keizersgracht in, en,
na nog de brug, die de Utrechtsche-straten aan elkander verbindt,
onderdoor te zijn gevaren, houdt het op de kaai aan, wordt aan een
paar ringen vastgelegd en kiest hier als in veilige haven, zijne
ligplaats voor dezen tijd. De schipper heeft zijn roer vastgezet:
zijne vrouw en jongste spruit hebben alles geborgen wat te bergen
viel: broeder en zuster de handboomen weder in de mikken gelegd, en
het geheele gezelschap zich binnen de kajuit begeven, om na gedaan
werk eene welverdiende rust te smaken, en zich met een stevig ontbijt
te ververschen.
Wij zouden hen wel willen volgen, om nadere kennis met hen te maken;
want, al kunnen wij ons geen bepaalde rekenschap geven waarom, het
gezin boezemt ons belangstelling in, en, wij weten het, het kostte ons
weinig moeite: de verbeelding is voor ons de ring van Gyges, die ons
onzichtbaar alom doet tegenwoordig zijn, het "Zeezaad open u!" [48]
waardoor elke deur, hoe vastgegrendeld ook, zich ontsluit. Maar ik
wil den lezer eene verrassing besparen, en daarom ons bezoek tot
morgen uitstellen, en de goede menschen heden in hunne stille rust
niet bespieden.
De dag van morgen is gekomen: het jacht ligt nog terzelfder plaatse
aan de kaai vastgemeerd; doch niemand is op het dek te zien. Zouden
allen het verlaten hebben? Wij willen dit eens onderzoeken en
ten dien einde stappen wij aan boord, treden de kajuit binnen,
en.... staan geheel versteld van het onverwachte schouwspel, dat zich
aan ons voordoet. Niets, dan alleen de achteroverhellende stelling der
vensters tegenover ons, herinnert, dat wij ons hier in een vaartuig,
en in het gewone verblijf eens schippers bevinden; al het overige
roept ons toe: gij betreedt eens schilders werkplaats, of liever,
om geen twijfel aangaande de beteekenis van die twee woorden over te
laten, een atelier.
Rechts, links, tegenover de vensters, is, van boven tot onder, de wand
bedekt met teekeningen, met platen, met schilderijen, in de meeste
waarvan, zoo niet dezelfde manier, dan zeker dezelfde hand niet te
miskennen valt. In de schaarsche tusschenruimte hangen linialen, haken,
teekenstokken en verdere behoeften eens kunstenaars. Op de tafel en
op de vensterbank staan pleisterbeeldjes, bronzen en houten figuren,
van allerlei vorm en soort, modellen van schepen en gebouwen, tusschen
rollen prenten en teekenpapier. De zitting van de vaste bank zelve is
gedeeltelijk opgeslagen en toont ons, in de holte daarvan verborgen,
een aantal doozen, met penseelen, kwasten, doezelaars, potlooden,
krijt, kokers, tempermessen en wat dies meer zij, of met blazen verf
gevuld: ook potten, sponzen en anderen noodwendigen voorraad. De
half uitgehaalde tafellade zien wij insgelijks voorzien van teeken-
en schilderbehoeften, en wel voornamelijk van de zoodanige die bij den
arbeid het onontbeerlijkst zijn, of die de meeste waarde bezitten. Aan
de tafel zit een jong mensch, ijverig bezig eene der schilderijen,
die tegenover hem aan den wand hangt, na te teekenen. 't Is een
jongeling van een bevallig voorkomen, en al zit hij, om beter op zijn
gemak te zijn, zonder rok aan 't lijf, toch kan men het hem aanzien,
dat hij niet onverschillig is omtrent zijn uiterlijk voorkomen, en
dat hij smaak met zorg vereenigt bij zijn streven om er betamelijk,
ja behaaglijk uit te zien: want zijne fraaie bruine lokken glinsteren
u welriekend tegen: zijne hemdsmouwen zijn van fijn en helderblank
linnen, en eene rijke kanten das is niet zonder zwier om den hals
gestrikt: het lichtbruine satijnen vest is bezaaid met zilveren
bloempjes, de broek, van grijs satijn, boven de knieën vastgestrikt
met rooskleurige linten: rooskleurige satijnen kousen bedekken de
beenen, en Moorsche pantoffels, van gouddraad gestikt, versieren de
voeten. Nevens hem, in 't midden der kajuit, staat een bruinhouten
schildersezel, waarop een half afgewerkte schilderij, een riviergezicht
voorstellende, met welks voltooiing zich de ontwerper daarvan bezig
houdt: deze is een man, naar 't schijnt van den middelbaren leeftijd,
wien eene fraaie blonde pruik over de schouderen hangt. Zijn rok
van bruine sergie is eenvoudig, maar net en voegende aan zijn stand;
even eenvoudig vest en broek: en de kousen van fijn touwwerk, zoowel
als de hooge zwarte schoenen van deugdzaam Spaansch leder, spreken
evenzeer van stemmigen eenvoud. Op de bank, aan een der hoeken, zit
eene reeds op hare jaren komende en toch niet onbevallige vrouw aan
een borduurraam te werken. Hare kleeding, hoewel geen bepaalde zucht
tot opschik, veelmin eenige wansmaak verradende, heeft toch, door
snede en kleurmengeling iets, dat als ongewoon de aandacht wekt. De
moesjes, waarmede 't gelaat spaarzaam bezaaid is, mogen al eene zeer
gebruikelijke tooi zijn en het kapsel niets hebben dat bijzonder
afwijkt van de heerschende mode, de achter op 't hoofd gedragen hooge
kanten muts, hoedanige wij uit de afbeeldingen van dien tijd kennen,
verschilt eenigszins in fatsoen van die, waarmede in Holland de dames
gewoon zijn uit te gaan: en de laatstgemelden zouden oordeelen, dat
de oranjekleurige samaar wel wat scherp afsteekt tegen het blauwe
onderkleed; ook zouden zij het vreemd vinden, dat de onbekende, bij
't borduren, de gemslederen handschoenen niet heeft afgelegd, die de
handen en een gedeelte van den arm bedekken. Maar gewis zouden zij
geene aanmerkingen maken op de smaakvolle kleeding der twee lieve
meisjes, bij elkander in een hoek der kajuit gezeten, en waarvan de
oudste zich met naaiwerk bezighoudt, terwijl de andere een boek in
handen heeft, waar zij overluid aan 't gezelschap uit voorleest. Beider
dracht is gelijk van stoffage en kleur en snede: parelgrijze samaren
met rozeroode garneersels, over groene onderkleeden: het haar gekapt
à la Sévigné en grijze zijden kousen met goudlederen schoentjes.
Gewis, een tafereel, als 't geen zich hier aan u voordoet, waart
gij verre van te verwachten; maar uwe verwondering moet nog hooger
stijgen; want nu gij aandachtiger de gelaatstrekken der aanwezigen
opneemt, nu begint bij u een vermoeden te ontstaan, dat--ja, al
schijnt het ongeloofelijk, het is zoo--weldra bij u tot zekerheid
wordt:.... de personen, die gij voor u ziet, zijn dezelfden, die
gij gisteren zaagt: die net gekleede teekenaar droeg gisteren een
schippersbuis en liep in 't lijntje: die zedig gekleede jonge juffer
boomde gisteren het vaartuig door de stadsgrachten: die matrone in 't
oranjekleurig damast hielp gisteren de zeilage bergen: die schilder
eindelijk stond gisteren in zijn duffelsche pij als stuurman aan 't
roer.--Zulk eene hervorming brengt verandering van uiterlijke dracht
teweeg; vooral als eene blonde pruik dienst doet om grijze haren,
moesjes om zomersproeten, handschoenen om de vereelte handen te dekken,
en een nieuwmodisch fatsoen van kleedij om aan de gestalte en ledematen
een schijnbaar geheel anderen vorm en andere bewegingen bij te zetten.
Maar wie is nu die huisvader, die beurtelings schipper en schilder
is?--Een weinig geduld, lezer! wij zullen 't weldra vernemen.
"Leg nu het boek van den vromen ouden Bunyan maar terzijde," zegt de
man, en wel in 't Engelsch, tot zijne dochter; "het is elf uren en ik
denk, dat wij weldra bezoek zullen ontvangen.--En gij, Robbert! mocht
wel denken, uw rok aan te trekken: het past niet, dat men u in uwe
hemdsmouwen aantreffe."
"'t Is zoo warm, vader!" antwoordt de jonkman: "ik begrijp zelfs
niet, hoe gij 't uithoudt met die pruik. En dan, voor wien zou ik
mij geneeren? Voor dien ouden beunhaas, dien wij wachten?"
"Gerrit Van Uilenburg is een man, die zijn vak verstaat, en zelf
schilder geweest is," herneemt de vader: "bovendien de vraagbaak van
al wie schilderijen koopen of bestellen wil, de man, die reputaties
kan maken of afbreken naar verkiezing, en dien het in geen geval
zaak zou zijn, ontevreden te maken; bij dat alles, en dit ware reeds
genoeg, een man van jaren;--doch al kwam er niemand, gij weet bij
ondervinding, ik hou er niet van, dat een der mijnen er verwaarloosd
of verwilderd uitziet. Hoe meer wij ons, zoo dikwerf wij op reis zijn,
in eenvoudige varenslieden vervormen, hoe meer het noodig is, dat wij
met het schipperspak ook alle plompheid en ongemanierdheid afschudden
en als deftige lieden voor den dag komen. Zoo gij op een enkel punt
vergeet, u als een gentleman voor te doen, gij loopt alras gevaar, u
in meer dingen te veronachtzamen, en wanneer ik mij die lastige pruik
getroost, kunt gij u een rok getroosten; daarom niet langer gedraald."
Robbert zwijgt, en, zij het met een zuur gezicht, hij trekt den rooden
rok met gewerkte knoopen aan, die aan een knop hangt. Terwijl legt
zijne moeder ook nog een loodje in 't zakje.
"Ja," zegt zij, "wat men wordt als men zich zelf verwaarloost, dat
blijkt uit het onderscheid tusschen de boeren hier en in Engeland. Bij
ons in Engeland wascht een boer zijne handen als hij thuis komt,
trekt zijn werkbuis uit, doet zijn rok en schoon linnen aan, kleedt
zich als een gentleman en is in niets van Lord A. of Sir John B. te
onderscheiden; hier in 't land smijt een boer ook zijn buis uit, maar
wascht zich niet, trekt niets aan, valt plomp aan de etenstafel neer,
en eet, bless my life, in zijne hemdsmouwen en met den hoed op den
kop!--en zoo blijft hij ook een kinkel in de oogen van iedereen."
Het blijkt dat de vermaning juist bijtijds gegeven is; want hier wordt
de vrouw--van den huize had ik bijna gezegd--in hare rede gestoord
door een tikken op de kajuitsdeur, die terstond daarop geopend wordt:
een oud mannetje in deftige burgerkleeding brengt eerst het hoofd,
vervolgens het geheele lichaam binnen.
"Welkom, sinjeur Gerrit Uilenburg!" zegt de vader des huisgezins,
deze reis niet in 't Engelsch, maar in een Hollandsch, waarvan hem
de uitspraak terstond als een echten Amsterdammer kenmerkt: "dat is
braaf van je, dat je me zoo terstond komt opzoeken."
"Stil! stil!" zegt Uilenburg, den wijsvinger voor den mond brengende
en half bedeesd achter zich ziende: "ik ben niet alleen," en meteen,
ter zijde schuivende, laat hij den doortocht vrij aan een heer in
't bruin fluweel, met een rijkgeboorden hoed, een kolossale pruik en
een stok, met een hoogen knop, van amber en gouden kwasten voorzien,
en fluistert: "Burgemeester Pancras!"
Op dien naam buigen vader en zoon zich diep en nijgen moeder en
dochter eerbiedig tot den grond: terwijl allen het stilzwijgen bewaren,
dat voegt tegenover zoo aanzienlijk een personage.
"Ik ontmoette Zijn Edel Achtbare juist op de Reguliersgracht en
Z. Ed. A. was zoo goed mij staande te houden om wat over kunst te
praten, en toen Z. Ed. A. hoorde, dat ik naar u toeging, behaagde het
Z. Ed. A. te zeggen, dat Z. Ed. A. zelf zulk een ongewone vertooning
wenschte te zien, als eene schilderswerkplaats in een vaartuig."
"Het is niet alleen om het ongewone der vertooning, dat ik trek
gevoelde mij hierheen te begeven," zegt de Burgemeester met een
hoffelijke hoofdbuiging, "de naam en de verdiensten van monsieur Jan
Griffier zijn mij genoeg bekend om mij te doen verlangen, hem zelven
en het een of ander van zijne laatste werken te leeren kennen, en
dit zal, hoop ik, mij bij hem tot verschooning strekken, dat ik dus
ongenoodigd en onverwacht zijn heiligdom betreed."
"Al te veel eer," is al wat "Monsieur" Griffier kan uitbrengen, en
werkelijk, wat valt er ook veel meer te antwoorden op het beleefde
gezegde van een groot heer als de Burgemeester is, die genoeg overtuigd
mag zijn, dat hij geen verontschuldigingen behoeft in te brengen,
wanneer hij zich zooverre vernedert, om een schilder in diens eigen
werkplaats te bezoeken? Wij mogen er hard aan twijfelen, of hij
zoodanig bezoek wel gebracht zou hebben, indien het vreemde van de
zaak, eene werkplaats in de stadsgracht, hem niet had verlokt. Men
laat anders, in deze achttiende eeuw, den schilder tot zijnent komen,
evenals den rijtuigmaker, den behanger, den stukadoor en wie men al
meer noodig heeft om huis of stal op te pronken, en men gaat niet bij
hem. Dat mogen Frans I of Karel V gedaan hebben;--maar die vorsten
leefden in een tijdvak, toen men nog niet wist hoe het hoorde, en
waren Roomsch bovendien;--en zoo Karel II van Engeland zich ook iets
van dien aard mag veroorloofd hebben, het is genoeg bekend hoe die
monarch zijn fatsoen te grabbelen gooide. In allen gevalle, hetgeen
wij hier zien gebeuren, is bijzonder genoeg, om ook alleen uit het
bijzondere der oorzaak verklaard te kunnen worden.
Intusschen hebben de twee meisjes, op een wenk van hare moeder, de
kleppen van de bank dichtgeslagen en op de eereplaats twee kussens op
elkander gestapeld, ten einde den bezoeker een zetel te bereiden. Hij
zegt met een vriendelijken hoofdknik dank voor de attentie; doch
maakt er vooreerst nog geen gebruik van, en neemt de kunstwerken,
die langs den wand hangen, in oogenschouw.
"Hm!" zegt hij, "dat is de Rijn bij Coblents, niet waar? Ja, ja, ik
heb dat gezien, in mijn jongen tijd, toen ik van de academie kwam en
de gewone reis door Duitschland en Frankrijk deed.... Heel aardig,
op mijn woord! En dat, wat moet dat verbeelden, Uilenburg?"
Is het, om den graad van topographische kennis des ouden mans op de
proef te stellen, dat Pancras zijne vraag tot hem, en niet tot den
kunstenaar zelven richt? of oordeelt hij, dat de achtbaarheid van
stand er bij lijden zou, indien hij zich in een gemeenzaam onderhoud
met den laatstgemelde begaf? Wij durven dit niet beslissen.
"Het zal de Teems moeten voorstellen, Edel Achtbare!" antwoordt
Uilenburg, met eene diepe buiging.
"De Teems bij Wolwits [49]," voegt de schilder er op bescheiden
toon bij.
"Wat dunkt er u van?" vraagt opnieuw Pancras aan den kunstkooper.
"Lief van behandeling," antwoordt deze, terwijl hij met den knijpbril
op den neus het stuk van nabij bekijkt en Griffier wederkeerig op hem
het oog, niet zonder angstigen schroom, gevestigd houdt, "geestig
van stoffage, helder van koloriet; er kon wel wat meer water in de
lucht, wat meer lucht in 't water zijn,.... maar over 't geheel is
't een lief stukje."
Griffier haalt adem; want de uitspraak van den gevreesden kunstkenner
is over 't geheel gunstig.
Maar wie is die Uilenburg, die hier over de waarde of onwaarde van
de aanwezige kunstgewrochten beslissen moet?
Wie hij is, lezer? Sla Vondels Poëzie op, bij voorraad nog de
4o. uitgave, Deel I bladz. 378, Deel II bladz. 372, en gij zult reeds
eenigszins op de hoogte komen. Hoor slechts het kortere der beide
daar geplaatste, in 't nog bange jaar 1673 vervaardigde gedichten in
zijn geheel, en het slotcouplet van het andere.
Op de verkoopinge der Italiaansche Schilderyen,
ten huize van Geeraert Uilenburg, Schilder.
Noch spant de Schilderkunst de kroon by brave Heeren,
En zwicht voor onverstant, noch geen grimmas van Nijt.
Zy wil de nieuwe zael van Uylenburgh stoffeeren
Met Italjaensche kunst, in dezen droeven tijd:
Schoon Mars, in 't harrenas gewapent, ten bederve
Des volx, de landen zet in vier en gloet uit wraeck,
Dees tiende Kunstgodin, verkoren bij Minerve,
Spreekt door haer schoone verf en stomme beeldenspraeck.
Een ieders hart verlangt naer prijs in 't vrolijk loten,
De Godt Apollo komt, vol levens en vol geest,
In dees vergadering. Hy groet de kunstgenooten,
En speelt op zijne harp in 't midden van dit feest.
De mist der lastertong verstomt door 's kenners klaerheit.
De logentael verdwijnt voor 't helder licht der waerheit.
t' Amsterdam 23 van Sprokkelmaent 1673.
En nu de "Toezang" van den Zege der Schilderkunst:
In Amsterdam trotseert de kunst
Van Italjaen en Nederlander
Den opgerechten oorlogsstander,
En wint by alle kenners gunst
Daar Uilenburg [50] zijn Schilderyen,
In spijt van alle razernyen,
Hoe elk ons dreigt te vier en zwaerd',
Met winst vertiert, bedankt van Heeren,
Dien 't lust hun zalen te stoffeeren
Met zulk een rijkdom, lang vergaert.
Dies hoe de krijgselende treffen,
De schilderkunst mag 't hooft verheffen.
Wij leeren uit de bovenstaande verzen, dat Uilenburg, reeds in 1673,
handel in schilderijen dreef, en wel, in weerwil dat de oorlog nog
woedde, met voordeeligen uitslag: wij vinden ook, dat hij, in het
opschrift van 't eerste gedicht, "schilder" wordt genoemd: en werkelijk
had hij in zijne jeugd het penseel gehanteerd. Doch, ondervindende dat
de verkoop van eigen werk hem geen brood gaf, kwam hij bijtijds tot
het gelukkig besluit, zich door den verkoop van 't werk van anderen,
niet alleen brood, maar zelfs een ruim bestaansmiddel te verschaffen
en de beoefening der kunst vaarwel te zeggen voor de critiek der
kunst. Het door hem gekozen beroep was, als zoodanig, nog nieuw, en
de keuze daarvan bewees, dat hij, zoo al geen kunstgenie, dan voor
't minst doorzicht bezat. Lang zonder mededingers, wist hij de rijke
Amsterdammers naar zijne tentoonstellingen te lokken, en zoodoende
met hen in aanraking te komen. Weldra was hij hun raadsman, hun gids,
hunne vraagbaak in 't vak van kunst, en werd er nauwelijks eene
schilderij gekocht of besteld, dan door zijne tusschenkomst. Reeds
bijna vijftig jaren had hij nu zijn vak uitgeoefend, en hoe ouder
hij geworden was, hoe dieper de eerbied, welke men voor zijne "rijpe
ondervinding" gevoelde, hoe machtiger zijn invloed, hoe min betwistbaar
zijne uitspraken waren geworden. Is het wonder, dat de kunstenaars
niemand gelijk hem ontzagen, en hem luide als hun beschermer, hun
goeden genius, hun voorzienigheid roemden?--al mochten sommigen hem
in hun hart verwenschen.
"En dit landschapje hier?" vraagt Burgemeester Pancras: "wat stelt
dat voor? 't Is in eene heel andere manier dan de vorige stukken."
"Uw Ed. Achtbare zal toch wel niet twijfelen of 't van dezelfde hand
is," zegt Uilenburg: "maar anders, ja, Uw Ed. Achtb. ziet volkomen
juist: 't is in geheel verschillenden trant geschilderd: en men erkent
hier het streven om de manier van Lingelbach na te volgen."
"Ik geloof, dat ik slechter modellen zou kunnen kiezen," zegt Griffier,
eenigzins gevoelig over den toon, waarop de toelichting gegeven was:
"voor 't overige, 't is eene fantasie:.... ik wil ook nu en dan wel
eens iets anders voorstellen dan rivier- en zeegezichten."
"En dit, Sinjeur Uilenburg?" vraagt Pancras, op een klein schilderijtje
wijzende, dat een paard voorstelt bij eene herberg: "dat is toch
stellig niet van dezelfde hand."
Men lette op het Sinjeur. Griffier was maar een kunstenaar, en werd
dus als Monsieur aangesproken; Uilenburg een koopman, al was het dan
ook maar in kunst, en stond dus hoog genoeg op de maatschappelijke
ladder om den titel van Sinjeur te voeren.
"Volkomen juist aangemerkt, Edel Achtbare!" zegt de toegesprokene:
"het is een aardig Wouwermannetje: Ei! ei, monsieur Griffier! tref
ik een mededinger in u aan, dat je ook al stukken van anderen
vent. Nu! men moet leven en laten leven."
"'t Is niet van Wouwerman," zegt Griffier; "'t is van mijn zoon
Robbert, dien ik de eer heb UEd. A. voor te stellen."
Zie, hoe blijde de gelaatstrekken van Robbert staan, en met hoeveel
trots en geheime vreugde de blikken van moeder en zuster zich op
hem vestigen, nu men zijn jongelingswerk voor dat van den grooten
Wouwerman aanziet; maar ook, hoe kijkt onze oude kunstkooper op den
neus, hij, die juist bij zich zelven voornam, het schilderijtje bij
de eerste gelegenheid aan den eigenaar af te koopen en er winst mede
te doen:--zich zóó vergist te hebben! het werk van een aankomeling met
dat eens beroemden meesters te verwarren! 't Is om nooit te vergeten.
"Van uw zoon?"--herhaalt Pancras, verbaasd: "Sinjeur Uilenburg,
is dat geloofbaar?"
"Ja Edel Achtbare!" antwoordt deze: "als de man het zelf erkent!.... ik
zou het trouwens bij nauwlettender onderzoek wel gemerkt hebben.--Mijne
oogen worden er niet beter op met de jaren, en zoo meende ik, bij
den eersten opslag, dat ik een Wouwerman vóór mij had.--Nu, 't is
in allen gevalle eene goede kopie. Die linker voorpoot kon wel wat
helderder uitkomen.... en de achtergrond is wat verward;.... maar
voor een eerstbeginnende is 't heel wel."
Burgemeester Pancras heeft weinig aandacht op deze soort van
rekantatie geslagen. Door opleiding en ambtsbetrekkingen geleerd,
menschen te bestudeeren en te beoordeelen, is hij onwillekeurig
getroffen geworden door de laatste woorden van Griffier: hij heeft
den blik van de schilderij afgewend om dien te vestigen op den man,
die nu niet meer alleen door de zonderlinge keuze van verblijfplaats,
maar ook om andere redenen zijne opmerkzaamheid waardig schijnt. Er
ontstaat een algemeen stilzwijgen: 't welk de achtbare burgervader
eindelijk afbreekt met te zeggen:
"Dat is meer eerlijk dan politiek van u gehandeld, monsieur
Griffier! hadt ge gezwegen, ge hadt dat stuk voor een Wouwerman aan
den man kunnen brengen."
"Ik mag niemand misleiden," hervat Griffier, "en, al ware ik minder
nauwgezet, ik geloof toch dat, in een geval als dit, ook bij den
hebzuchtigsten mensch de trek naar voordeel zou hebben ondergedaan voor
hoogmoedige blijdschap over de zegepraal, door zijn kind behaald. Zie,
Edel Achtbare! als een kenner gelijk Sinjeur Uilenburg, zij het ook
maar voor een oogenblik, er mee bedrogen is geweest, dan moet mijn
jongen er toch niet vergeefs naar getracht hebben, de manier van
Wouwerman na te doen;--want eene kopie is 't niet."
"Goed gesproken," herneemt Pancras met een hoofdknik, die van
welgevallen getuigt: "ge moet mij eens iets meer vertellen van wat
u aangaat en hoe gij er toe gekomen zijt, zulk een avontuurlijk
leven te leiden." En meteen, na op zijn horloge gezien te hebben,
neemt hij de plaats in, die voor hem was gereedgemaakt: een blijk
van welwillendheid, dat de verbazing van Uilenburg wekt en de
kajuitsbewoners niet weinig verheugt; want het schijnt zooveel te
kennen te willen geven, als dat de machtige Burgervader ook hun ten
beschermer wil zijn.
"Ge zijt, zoo ik vernomen heb, een Amsterdammer," vervolgt Pancras.
"In 1645 hier geboren," antwoordt Griffier.
"Zoo! in 't tijdperk dus, dat de kunst hier 't meest gefloreerd heeft:
geen wonder, dat een jong mensch toen trek gevoelde om in dat vak te
werken. Van der Helst en anderen hebben er nog al wat aan verdiend,
aan dat stoffeeren van 't stadhuis en van zooveel andere gebouwen."
"'t Was toch niet zoozeer hun voorbeeld," herneemt Griffier, "of
het voordeel, dat hun kunstvak hun bezorgde, dat mij voornamelijk
aantrok. Ik was een Amsterdammer, maar toch hield ik van de
buitenlucht en de vrije natuur meer dan mijne stadgenooten dat
gewoonlijk doen.... ik wilde boomen, ik wilde landschappen teekenen,
ik zag ze niet; en zoo stelde ik mij een tijdlang tevreden met bloemen
af te beelden. Maar dat was mij weldra niet genoeg: ik moest meer
verscheidenheid van voorwerpen, ik moest uitgebreider tafereelen
hebben, en om daarin te slagen begaf ik mij onder leiding van Rogman."
"Niet onverdienstelijk," merkt halfluid Uilenburg aan: "maar wat ruw
en slordig."
"Door hem," vervolgt Griffier, zonder zich aan de aanmerking te storen,
"raakte ik in kennis met Lingelbach, met Adriaan Van de Velde...."
"Knappe lieden, beiden in hun vak," bromde Uilenburg er tusschen.
"Met Ruisdael, met Rembrandt."
"Hm! die zijn lang uit den smaak," bromt dezelfde basstem voort,
"de een is al zwarter en onbehaaglijker dan de andere."
--"Heiligschennis!" hoor ik hier den lezer roepen: "Ruisdael en
Rembrandt onbehaaglijk? En 't is nog een zoogenaamde kunstkenner,
die zoo iets beweert."
Val er den goeden sinjeur Uilenburg niet te hard om, lieve lezer! hij
spreekt alleen het gevoelen uit, dat toen, dat vijftig jaar vroeger,
dat vijftig jaar later, nog het algemeen heerschende was. In 1714 zal
men voor een landschap van Ruisdael f 17, in 1734 voor een kapitaal
dito, gestoffeerd door Adriaan van de Velde, f 20 geven,--dat is,
omstreeks evenveel penningen als het later guldens zal opbrengen.--En
wat Rembrandt betreft, bij zijn leven werd hij onder de kunstenaars
van den derden rang gesteld; en schier al wat men, eene eeuw na zijn
dood, bij Wagenaar [51] aangaande hem leest, is eene aanhaling uit het
"gebruik en misbruik des tooneels" van Pels, voornamelijk strekkende
om hem in een ongunstig, ja bespottelijk daglicht te stellen.--Dat
echter ten dezen Griftier niet volmondig instemt met het oordeel,
door Uilenburg geveld, bewijst de trek van wrevel en minachting,
die zich even op zijne omgekrulde lip vertoont; doch hij houdt zich
als had hij niets gehoord en gaat rustig voort met zijn verhaal.
"Ik kreeg vergunning, hen in hunne werkplaatsen te bezoeken en ik
genoot het voorrecht, mij met hen te onderhouden over de geheimen,
zoowel als over de eischen der kunst. Bij het beschouwen hunner
meesterstukken, bij het hooren hunner lessen, zag ik wat aan
mijne opleiding ontbrak, en trachtte, op hun voorbeeld, lucht en
kleurschakeering en helderheid in mijn werk te brengen. Intusschen was
't gebeurd, dat een mijner medeleerlingen bij Rogman, Jan Loten, naar
Engeland was gegaan en er door zijn penseel een onafhankelijk bestaan
verworven had. Bij een bezoek, dat hij in 1667 aan zijne geboortestad
bracht, verhaalde hij er mij zooveel van, dat mij de lust bekroop,
hem bij zijn terugkeer te vergezellen. Ik had geen ouders meer, en
niemand, die zich mijner aantrok; ik had altijd een afkeer gehad van
een zittend leven, op dezelfde plek doorgebracht; ik wilde eens wat
anders zien: en zoo nam ik de gelegenheid waar en ging mee. Eenmaal
in Engeland zijnde, zag ik al spoedig in, dat mijn belang medebracht,
er te blijven. Ik vestigde mij te Londen en bevond er mij niet kwalijk
bij; want de stukken, die ik maakte, schonken mij eenigen naam en
genoegzaam voordeel. Toch was ik te onrustig van aard om daar ter
plaatse, of waar dan ook, hetzelfde zittende leven te leiden, dat
mij te Amsterdam had verveeld; en al bleef Londen de plaats waar ik
te bevragen was, ik veroorloofde mij uitstapjes, nu te water, dan te
land, om de natuur, die ik liefhad, te bestudeeren; en dan bracht ik
van mijne zwerftochten telkens wat nieuws voor de kunstliefhebberij
terug:--zoo kreeg ik allengskens genoeg bij elkaar om aan trouwen te
denken, en kon ik het beter treffen? Ik vond in moeder, die daar zit,
juist eene vrouw die ik verlangen kon, de dochter van een schipper, en
die menigmalen haren vader naar Oost en West had vergezelschapt, die
niet bang was alzoo om ook aan mijne watertochtjes deel te nemen. De
fortuin was mij meer en meer gunstig en zoo schafte ik mij een jacht
aan, sierlijk en gemakkelijk, en een goede zeiler bovendien, en dat ik
geheel naar behooren inrichtte, dat het mij tot magazijn en werkplaats
dienen mocht. Ik zei mijne huishuur op, betrok met vrouw en kinderen
mijn drijvend logies en toog daarmede nu her- en derwaarts heen, waar
mijne luim mij heenvoerde. Dat waren gelukkige dagen, waarbij arbeid
en uitspanning hand aan hand gingen, en over 't algemeen zag ik nooit
de rivier van Londen weer, of mijne kajuit was wèl gestoffeerd met
land- en watertafereelen, afbeeldingen van Italiaansche bouwvallen,
uitgewerkte riviergezichten, landschappen, bloemen en vogels, en wat
dies meer zij, in olie- of sapverf, somtijds ook in plaat, want ik had
mij mede op het etsen toegelegd. Maar zie, een mensch verlangt toch
altijd weer naar zijn geboorteland, en zoo ging het mij ook naarmate
mijne jaren klommen. Ik besloot, de reis naar Holland te aanvaarden;
doch ik kon daar niet met leege handen komen, ik moest eigen werk
meebrengen om te toonen wat ik kon, en werk van goede schilders om
van den verkoop daarvan te leven, zoolang ik mijn eigen werk niet
verkocht had. Ik stak, onvoorzichtig genoeg, bijna al wat ik had
in schilderijen en andere kunst; ik scheepte die in en begaf mij op
reis met de mijnen. Pas waren wij in volle zee, of het weer, dat tot
dien tijd gunstig was geweest, begon te veranderen, een storm stak op
uit den Zuidwesten, en, spijt al wat wij vermochten, het jacht werd
bij Goeree op den Hinder geworpen. Daar zaten wij, een etmaal lang,
met een schip vol water, en niets anders dan den dood voor oogen,
toen Onze Lieve Heer uitkomst schonk. Een visschersvaartuig daagde ter
redding op, en wij brachten er het lijf af,--maar ook niets dan dat,
ik moest mijn sierlijk jacht verliezen, en den geheelen kunstschat,
dien het bevatte...."
"Waren er nog al kapitale stukken onder?" vraagt Uilenburg haastig.
"De catalogus is mede naar den kelder gegaan," antwoordt Griffier
droogjes, en de trekken des Burgemeesters, die, op het verhaal van
den geleden ramp, eene medelijdende uitdrukking hadden aangenomen,
ontplooien zich tot een glimlach.
"Het is wonder," zegt hij, "dat ge dien slag te boven zijt gekomen. En
waart gij dus alles kwijt?"
"Alles," antwoordt Griffier, "op een rolletje gouden dukaten na,
dat mijn oudste dochter in een gordel om haar lijf had geborgen,
en, in plaats van, gelijk ik gehoopt had, de Maas met vlag en wimpel
en eene kostbare lading triomfantelijk op te varen, kwamen wij als
arme en beroofde schipbreukelingen aan wal. Maar toch gaf ik den
moed niet op. Ik dacht, zoolang ik door Gods goedheid nog teekenpen,
kwast en etsnaald hanteeren kan, zal ik niet van honger omkomen, en,
al heb ik vijf kruisen achter den rug, ik zal zien of ik de geleden
schade niet herstellen kan. Er zijn sedert dien tijd dertien jaar
verloopen, en ik ben al mooi op weg. Ik zette mij te Rotterdam neer,
waar ik terstond na mijn aankomst de deernis en hulpvaardigheid van
kunstbeschermers ondervonden had. Door hun bijstand, en eerlang door
het vervaardigen en verkoopen van nieuwe schilderstukken zag ik mij
na een jaar of wat in staat gesteld, mij een ander vaartuig aan te
schaffen, dit, waar Uw. Ed. A. zich thans op bevindt, wel niet zoo
rijk en prachtig als het oude, maar toch sterk en stevig gebouwd,
en ruim genoeg voor zijne bestemming. Ik betrok het met mijne vrouw,
die ik tot mijn eerste stuurman verhief, en mijne kinderen, die, naar
hunne jaren en geschiktheid, voor bootsman, hofmeester, matroos of
putjer moesten spelen. Dat spaarde huishuur en dienstbodengeld. Van
dien tijd af heb ik geene andere woning gehad en als een zwerver op
de binnenwateren geleefd, nu en dan eens den Rijn, de Schelde of de
Maas opvarende, maar zelden mij ver van honk begevende. Op reis zijn
wij eenvoudige varenslieden en doen zelven het noodige werk; liggen
wij stil, dan verwisselen wij de schippersplunje tegen de gewone
burgerkleeren. Nu laatst was ik te Deventer, en toen bekroop mij een
onweerstaanbare trek om mijne vaderstad terug te zien,--en zoo ben ik
den IJsel afgezakt en gisteren hier gekomen. Dat de eerste persoon,
die bij mij aan boord komt, de Heer Burgemeester is, strekt mij wis
tot een gunstig voorteeken; en ik durf er nu voorwaar gerust op zijn,
dat het mij en de mijnen wél zal gaan, zoolang ik hier vertoef. Ik
moet nu Uw. Ed. A. verschooning verzoeken, dat ik zoolang over mij
zelven gesproken heb, en hoop maar Uw Ed. A. niet te veel kostbaren
tijd ontroofd te hebben."
"Wel!" zegt Pancras, na nogmaals op zijn uurwerk gekeken te hebben,
"'t heeft mij niet verveeld, u te hooren, en ik prijs uw loffelijken
moed, die zich door geene harde fortuin liet afschrikken. Maar zeg
mij nu eens, hoe maakt ge het toch, als ge met ruw weer op het water
zijt? Ge kwaamt gisteren over de Zuiderzee en daar kan het ook soms
ongemakkelijk spoken. Mij dunkt, dan moet al die rommel hier in de
kajuit als een knippelspel door elkander raken."
De schilder glimlacht; doch antwoordt voor 't oogenblik niets,
of liever, hij antwoordt op duidelijker wijze dan hij 't met den
mond had kunnen doen: hij spreekt alleen 't woord range! (redder
op!) uit, en terstond geschiedt er iets, dat den Burgemeester, en
meer nog den Amsterdammer kunstkooper, met verbazing vervult. Met
schier ongeloofelijke vaardigheid zijn door Robbert en de meisjes al
de op tafel en op de bank aanwezige teekeningen en platen in groote
omslagboeken geborgen en deze achter twee koperen banden, die de
bank over hare geheele lengte langs loopen, vastgestoken. Niet
minder snel verdwijnen penseelen, kwasten, tempermessen en alle
verdere kleinere gereedschappen in de lade der tafel: de blazen en
potjes met verf, de beeldjes, modellen en andere groote voorwerpen
in doozen, die door het opslaan van eene klep in de bank hare plaats
vinden: paletten en linialen worden aan koperen knoppen opgehangen,
de schildersezel ineengeslagen en in 't lang tegen de bank aan lederen
riempjes vastgemaakt, in één woord, als door een tooverslag is alles
zoo net en handig opgeruimd als geene Amsterdamsche schoonmaakster
het in een halven dag had kunnen doen.
"Uw Ed. Achtb. ziet," zegt Griffier, "dat alles zijne plaats heeft,
en gauw genoeg uit den weg is. De tafel is goed aan den vloer,
gelijk de schilderijen aan den wand bevestigd: zoolang er geen
water in de kajuit komt, hebben wij voor geen schade te vreezen,
en de schilder kan gerust in den schipper overgaan. Maar al is de
boel geborgen, ik ben toch altijd bij machte om, weer of geen weer,
eene schets te maken in 't voorbijgaan. Hier in dezen bak," en hij
wijst op een blikken bakje, naast de deur tegen den wand gespijkerd,
"zijn bestendig teekenpen, houtskool, potlood, krijt, O.-I. inkt,
een paar penseelen, eene passerdoos en wat dies meer zij, bij de
hand, en in mijn duffelsch buis zit een schetsboek, zoodat ik nooit
verlegen ben, zelfs bij stormweer, om in vluchtige trekken hetgeen
mij opmerkenswaardig voorkomt op 't papier te stellen."
"Ik zie dat alles goed ingericht is," zegt de Burgemeester, "maar
nu, dat werk daar ge aan bezig waart, mag men dat niet zien?"--En
meteen wijst hij op de half afgewerkte schilderij, die Griffier, bij
't opruimen, van den ezel genomen had en nog steeds in de hand houdt.
"Met genoegen," zegt de kunstenaar en houdt aan zijn minzamen bezoeker
het kunstwerk voor, dat een gezicht vertoont op Antwerpen, van de
Schelde genomen. Hoewel Pancras nog moeilijk kan oordeelen over de
uitwerking, die het stuk maken zal als 't voltooid is, toch staat
hij versteld en opgetogen over de uitvoerige netheid der behandeling,
en vooral over den rijkdom van schepen, schuiten en andere vaartuigen
en der ontelbare menigte figuren, hier afgebeeld.
"Wat dunkt u, Uilenburg!" zegt hij, "zou dat niet een aardigen
tegenhanger vormen voor mijne Van de Velde?"
"Oud en nieuw past niet samen. Edel Achtbare!" merkt Uilenburg aan:
"met dat al, 't stuk is niet onaardig; maar men zal het eerst kunnen
waardeeren als 't af is."
"'t Is besteld," zegt Griffier met eene buiging.
"Nu, dan spreken wij er niet langer over," zegt Pancras, terwijl
hij nogmaals op zijn horloge kijkt: "ook zal het mijn tijd worden,
monsieur Griffier dank te zeggen voor hetgeen ik gezien heb. En,
wacht, ge moet eens tot mijnent komen, morgen b. v. vóór tien uren;
ik wil ook iets van u hebben,--mijne slaapkamer buiten is nieuw
opgemaakt; maar er ontbreekt nog een schoorsteenstuk; daar zult ge
zoo'n riviergezicht in dezen trant voor schilderen. Ik zal u de maat
dan opgeven.... of liever, ge zult zelf eens naar mijn buiten gaan
en de gelegenheid opnemen. Gij kunt dan meteen de behangsels in de
eetzaal zien, die monsieur Moucheron heeft geschilderd.--En nu vaarwel,
monsieur Griffier, en veel voorspoed in onze goede stad van Amsterdam."
En na eene halve buiging tegen Griffier en de zijnen gemaakt te
hebben, verlaat hij de kajuit, door vader en zoon gevolgd, die, na
hem uitgeleide gedaan en behouden aan wal te hebben zien stappen,
tot de hunnen terugkeeren.
"Een minzaam heer is Burgemeester Pancras, niet waar?" vraagt de
kunstkooper, terwijl hij, van 't lange staan vermoeid, de ledig
gelaten zitplaats inneemt.
"Zeer minzaam!" zegt Griffier: "hij laat mij de schouwe op zijne
slaapkamer behangen."
"Minzaam!" herhaalt de moeder des huisgezins, terwijl eene diepe
ademhaling het geluk aantoont, dat zij gevoelt, na een zoo langdurig
gedwongen stilzwijgen weder te mogen spreken: "minzaam!" vervolgt
zij in gebroken Hollandsch, "wel, hij heeft ons geen single
wordtoegesproken en juist notice van ons genomen, alsof wij stomme
meubelen hadden geweest."
"Hoe! wat had de madam dan gewild?" vraagt Uilenburg, die de pretentie
van mejuffrouw Griffier vrij ongerijmd vindt, "mij dunkt, 't is
al iets om nooit te vergeten, dat zulk een heer je met een bezoek
vereert.--En wat praat jij van behangen, monsieur Griffier?--Wat
Holsteyn, Moucheron, Verkolje en zoovele anderen doen, en waar
Honthorst zich in zijn tijd ook niet voor geschaamd heeft, daar zul
je toch geen te groot heer voor zijn;--en 't geeft goed, hoor!--beter
dan al die kabinetstukjes. Je kunt je gelukkig gesternte wel danken,
dat je hierheen heeft gevoerd, en mij ook, die den heer Burgemeester
zoo gunstig over je gesproken heb.--En kom! nu moeten wij eens zien
of wij zaken samen kunnen doen?"
Op dat woord van "zaken doen" hervat de moeder haar borduurraam,
en de dochter haar brei- en naaiwerk, en wij.... wij haasten ons,
weder uit de kajuit te verdwijnen en de beide heeren achter te
laten aan een onderhoud, dat hun zeker veel, ons hoegenaamd geen
belang inboezemt. Wij hebben gezien wat wij zien wilden--eene
schilderswerkplaats in de stadsgracht.
Nog een kort woord ten slotte om den lezer, zoo hij er belang in stelt,
mede te deelen hoe het verder met onzen schilder afliep.
Of Griffier werkelijk het schoorsteenstuk voor Burgemeester Pancras
vervaardigde, durf ik met geen zekerheid zeggen; wel, dat zijn verblijf
te Amsterdam hem niet onvoordeelig was en hij er vrij wat schilderijen
aan liefhebbers verkocht. Hij vertoefde er dan ook een geruimen tijd,
gedurende welken, naar Wagenaar verhaalt, zijn vaartuig nu eens in
deze, dan weder in gene der hoofdgrachten stil lag. Intusschen begon,
gelijk hij vroeger naar zijn geboorteland, zijne vrouw weder naar
het hare te verlangen, en hij vond te minder bezwaar, haar daarin te
wille te zijn, omdat een zeker soort van bijgeloof hem inblies, dat een
terugtocht naar Engeland hem vergoeden zou, wat de tocht vandaar hem
gekost had. Hij stak dan nogmaals de zee over, en werkelijk was niet
alleen de reis ditmaal voorspoedig, maar ondervond hij te Londen zeer
spoedig de gunst en bescherming van aanzienlijke mannen, inzonderheid
die van den Hertog van Beaufort. Hij zag dan ook geen reden om de stad
weder te verlaten en bleef er wonen tot aan zijn dood, die, naar men
beweert in 1718 voorviel.--Inmiddels was zijn zoon Robbert te Amsterdam
gebleven, waar hij zich door zijn penseel een ruim bestaan verwierf
en, evenals zijn vader zich onderscheidde door de veelsoortigheid van
zijn talent. Ongelukkig, niet zoozeer voor zijn tijdelijk belang als
voor zijn kunstroem en dien van Nederland, nam hij het aanbod aan,
dat hem de oude Uilenburg deed, om diens vennoot in den kunsthandel te
zijn, welk vak hij, na 's mans dood, zoo hier als in Engeland bleef
uitoefenen: wat hem natuurlijk den tijd ontroofde, dien hij aan de
behandeling van 't penseel had kunnen besteden. Te meer moeten wij het
betreuren, wanneer wij in aanmerking nemen, welke schoone vruchten
de rijpere leeftijd had kunnen opleveren van een man, die reeds in
zijne prilste jeugd zooveel schoons en voortreffelijks geleverd had.
In de Klok.
Bij onze laatste wandeling bevonden wij ons in het begin der 18de
eeuw en stonden wij aan of liever op een vaartuig in de Keizersgracht
bij de Reguliersgracht. Wij springen weer een zeventigtal jaren terug
en.... waar zijn de sierlijke huizen, die wij aan weerskanten zagen
prijken? Waar de volkrijke straat, die wij voorbij, waar de bruggen,
onder welke wij door zijn gevaren? Wij vinden ze niet meer,--om ons
juister uit te drukken--wij vinden ze nog niet;--maar toch de merkpalen
zijn al aanwezig, die aanwijzen waar ze komen moeten, en uit al wat
wij om ons heen zien blijkt, dat hier spoedig de weilanden, tuinen en
molenwerven, die ons omringen, zullen plaats maken voor deftige kaaien
en volkrijke straten. Immers in den jare 1657 is door de Vroedschap
besloten, Amsterdam voor de vierde reize, en wel aan de Zuidzij, te
vergrooten: in 1657 is een aanvang gemaakt met het graven van nieuwe
grachten en het bouwen van veertien nieuwe, met steen bemuurde, door
hooge gordijnen aan elkander verbonden bolwerken: en in 1663 is door
's Lands Staten aan Amsterdam octrooi verleend tot onteigening van alle
landen, tuinen, erven en gronden, die met de voorgenomen uitlegging
binnen de stad getrokken worden.
Alles is hier nu drukte en gewoel, honderden van arbeiders zijn hier,
zijn ginds aan 't werk in die weeke pap, die noch aarde, noch zand,
noch klei, noch veen, noch water is, maar een mengsel van dat alles
te zamen, aan 't heien van palen, aan 't baggeren, aan 't kruien, aan
't uitdiepen en ophoogen: landmeters, bazen en opzichters beschouwen of
besturen den arbeid: karren, wagens en schuiten voeren de benoodigde
bouwstoffen aan of keeren terug om nieuwen voorraad te halen: en een
tal van nieuwsgierigen waart om de planken schuttingen, die het veld
omgrenzen, in de hoop van, 't zij over 't beschot, waar dat laag
genoeg is, 't zij door een openstaande deur, 't zij door een reet
of opening in of tusschen de planken, te kunnen begluren wat daar
binnen geschiedt.
Wij willen ons daarmede niet bezighouden; wij zoeken weer het bewoonde
gedeelte der stad op en wel bepaald dat gedeelte, waar de nieuwe
Keizersgracht zich bij de reeds bestaande zal aansluiten.
Die aansluiting zal plaats hebben aan den ouden stadswal, die vlak
tegenover de Beulingstraat loopt, en waar Heeren-, Keizers- en
Prinsengracht tegen stuiten; maar aan wier buitenzijde men bezig is
de vaart te graven, die den naam van Leidschegracht zal voeren: en het
is nu aan de binnenzijde van dien wal, op den hoek der Keizersgracht,
dat wij de woning vinden, waar wij thans voornemens zijn een bezoek
af te leggen, en die eene gebeeldhouwde klok in den gevel voert.
Het huis is klein en onaanzienlijk: het schijnt dat van een gewoon
ambachtsman; maar toch is de bewoner meer dan dat: hij is een
kunstenaar van de hoogste bekwaamheid in zijn vak, en zijn naam
is wijd en zijd door Amsterdam en vandaar geheel de wereld door
verbreid. Wanneer wij dan ook den kunstig bewerkten hamer, die op
de voordeur hangt, oplichten, bij den bewoner aankloppen en aan
de dienstmaagd, die ons opendoet, vragen, of wij Monsieur Hemoni
kunnen te spreken krijgen, doen wij, schoon onbekenden, niets, dat
hare bevreemding wekken kan, want zij is het sedert lang gewend,
dat lieden van elken rang en stand en landaard, op dezelfde wijze,
zich aanmelden en zich verlangend toonen om den arbeid van haren
meester gade te slaan en de kunstgewrochten, door hem vervaardigd,
van nabij te leeren kennen.--Op onze vraag wordt dan ook dadelijk
met een bevestigenden hoofdknik geantwoord, waarop de bemoedigende
toespraak volgt: "als de heerschappen maar over de plaats willen gaan,
Mesjeu is op den winkel."
Er zoude nog anderhalve eeuw verloopen, eer men het woord atelier
gebruikte.
Wij volgen de aanwijzing, gaan de korte huisgang door, het kleine,
met klinkers belegde plaatsje over, stooten daar eene deur van ruwe
planken open, en verschaffen ons zoo den doortocht tot de opene ruimte,
binnen welke zich de werkplaats van Hemoni bevindt.
En luister, pas zijn wij aldaar gekomen, of op eens, als ware het ter
onzer verwelkoming, daar vangt, zwaar en luid, ja oorverdoovend, maar
toch zuiver en vol harmonie, de muziek aan van een tal van klokken van
metaal, en doet ons voor een poos stilstaan, zoo omdat het onverwachte
geluid ons verrast, als omdat wij vreezen, in de nabijheid daarvan,
noch ons zelven noch anderen te zullen verstaan.--Maar ook al hadden
wij willen voortgaan, wij zouden 't niet hebben durven doen; want uit
de werkplaats tegenover ons is plotseling iemand, die ons bespeurd
had, voor den dag gesprongen, en hij legt den vinger op den mond en
maakt terugwijzende gebaren, een en ander kennelijk om ons te doen
begrijpen, dat wij noch naderen, noch geluid geven, noch ons zelfs
verroeren mogen. Gehoorzaam aan dien wenk blijven wij dan ook staan,
en wachten af tot het verbod moge zijn opgeheven. Doch niet zoo
spoedig wordt aan dit verlangen voldaan: het bekende deuntje:
Wel mag ik u Laura vragen,
is afgespeeld en nog blijft van verre de terugwijzende hand opgeheven:
wij arme bezoekers zien elkander verlegen en besluiteloos aan en
onze oogen schijnen te vragen of wij ook het erf weer verlaten
zullen en ons bezoek op een geschikter tijd hervatten; maar toch,
een vriendelijk knikje van den man daar tegenover ons geeft ons
weer moed; want wij maken er uit op, dat het oponthoud, 't welk wij
ons getroosten, maar tijdelijk zijn zal: en inderdaad, na nog eenige
minuten verwijls gaat de deur der werkplaats weder open, en een nieuw
personage treedt te voorschijn, wenkt den wachter, die buiten stond,
weder binnen, en komt naar ons toe.
"Ah bonjour mijn 'eer," zegt hij onder 't naderen: "ikke pardon
vraak voor u te ebbe late wakkete, ikke bezik was an te probeer die
klokkespel en dan ikke onkaarne kestoor, vous comprenez?"
En wij treden bemoedigd voorwaarts en lichten den hoed af; want wij
beseffen, dat de kloeke grijsaard, die tot ons spreekt, niemand is
dan de beroemde klokkegieter, monsieur Hemoni zelf.
"Indien wij ongelegen komen...," zoo luidt de afgebroken volzin, dien
wij 't beleefdheidshalve noodig achten hem toe te voegen, al ware
't maar om hem welwillend jegens ons te stemmen.
"Oh! pas du tout, kom binne!" klinkt het, en, zijne uitnoodiging
gevolg gevende, bevinden wij ons weldra binnen de ruime loods, die
des eigenaars gieterij, werkplaats en magazijn bevat.
Het is 't magazijn, of, zooals men gewoonlijk zegt, de winkel, die
't eerst ons ontvangt: de winkel, hoog en omvangrijk, als vereischt
wordt uit aanmerking van het getal en de grootte der voorwerpen, die er
in bewaard worden. Het eerste, dat dan ook onze oogen trekt, zijn zes
kolossale beelden van metaal: vier daarvan stellen even zoovele deugden
voor, als: Voorzichtigheid, Rechtvaardigheid, Matigheid en Wakkerheid;
het vijfde den Vrede, het zesde een zwaar gebouwden, grofgespierden
man, in de houding als torste hij een last, die echter onzichtbaar is.
"Ja," zegt Hemoni, in antwoord op onzen vragenden blik, "dat zijne
de beeld, die motte kom te staan op de nieuwe stattuis, boven de
frontispice, foor en akketer, datte de werk van monsieur Artus
Quellin."
"Ja gewis," merken wij aan, "die beelden zijn voortreffelijk en
gemakkelijk te erkennen voor wat zij moeten voorstellen;--maar die
man?.... wien moet hij verbeelden?"
"Die man?" herhaalt Hemoni, "dat isse den Atlas, die de emelbolle
traak; maar de emelbolle is er nok niet op: ij zal nok lank kenoek
ebbe de plaisir van die te foel op sijne nekke; die emelbolle lekke
in de werkplaasse: sij nok niet keëel klare. Soo aanstons wij sullen
sien datte, comprenez-vous.--Maintenant," gaat hij voort, terwijl
hij wijst naar eene der talrijke klokken, die aan 't gewelf hangen:
"ier isse de klok voor de poorte, die sel koom te staan an de ende
van de nieuwe strate, ofer de Eilike-Wek, nok eene eele end ferder
dan de Eilike-Weks-poorte, en die sel iet de Leise poorte: en dan
komme er nok twee poort, waarfoor ik bestel eb kekreek de klokken,
namelik de Utrekkese poorte en de Weesseper poorte, allebei kroote
mooie poorte, comprenez-vous?"
"Volkomen;--maar voor welk gebouw moet die klok dienen, met die keurig
bewerkte beeldjes om den bovenrand?"
"Aha! die klok, en al die andere klok, die er bij staan, isse de
klokkespel foor die kroote kerke à Rotterdamme, comprenez-vous? Sij
eersstaak sal worde afke'aalt. Is eene eele werk kewees, te make alle
die beeldjes en relief;--maar esse généralement seer kepreese. Monsieur
Artus Quellin, ij mij seide: "friente Emoni," seide hij, "al adde
ik selleve die beeldjes kemaak, ikke sou mij daar niet over skaam,"
en de Bourguemestre van Rotterdamme, als ij ware ier, ij ook daarmee
ware bijzonder kontent."
"Wel! hij zou wel ongemakkelijk zijn, of weinig gevoel voor de kunst
hebben, zoo 't anders ware," zeggen wij, terwijl wij in opgetogenheid
het fraaie beeldwerk beschouwen, op die klokken aangebracht, en waar
't slechts jammer van is, dat ze op eene plaats zullen komen te hangen,
waar weinigen ze zoo op hun gemak kunnen zien, als wij nu doen.
"Gij hebt vele dergelijke klokken gemaakt, monsieur Hemoni?" vragen
wij verder.