Een goedkeurend knikje: de man was er niet weinig mede gestreeld,

dat Vondel hem nog steeds den roem der boekverkoopers achtte:

Die midden in het choor der Hollandsche Poëten....

Weder een vroolijke lach op het gelaat: hij had niet verwacht, dat

Vondel hem in het koor, en nog wel midden in het koor der dichters

plaatsen zou.

Met 't drucken van sijn rijm, veel geld te samen hoopt.

Hier verdwijnt de glimlach en maakt plaats voor een zuur

gezicht. "Hm!" zegt Pers, "wat gaat het den lieden aan, of ik geld

verdiene of niet?"

--"Wel!" merkt zijn oudste dochter aan: "'t is toch altijd iets

vleiends, wat de dichter hier zegt, door te doen uitkomen, hoe groot

het debiet van vaders werken is."

--"Nu ja!" hervat Pers: "dat kan wel zijn; maar toch.... dat geld

samen hoopen en dat nog wel met mijn rijm, alsof ik dat bij voorkeur

drukte.... ik weet niet; maar ik ben het met mijzelven ter nauwernood

eens of ik den regel als eene hoffelijkheid dan wel als een spotternij

moet aanmerken.

--"En nu het andere bijschrift?" zegt Pieter.

Pers leest:

Ghy burgers en ghy vremden,

Dit 's Perssius van Embden.

Sijn beeld na Phebus swijmt,

't Sij dat hij dicht of rijmt,

Die sijn boecken, en prenten

Op 't dierste weet te venten.

Hier zien vader en kinderen elkander een poos stilzwijgend aan; want

wederom weet geen hunner of de laatste regels moeten worden opgevat

als eene lofspraak, waarbij te kennen gegeven wordt, dat Pers boeken

verkoopt, die veel waarde bezitten, dan wel als een verwijt, dat hij

ze den lieden duurder aansmeert dan wel behoort.

--"Joost heeft mij beet gehad," zegt eindelijk de boekverkooper,

terwijl hij het papier bij zich steekt, "en het mij ingepeperd,

dat ik in de laatste jaren niets meer voor hem druk."

Het portret kwam--zonder bijschrift--in 't licht.

In de gouden Reael.

Het is de dertigste April van het jaar 1567. Wij treden een deftig

koopmanshuis op het Water binnen, in welks luifel wij een fraai

vergulden reaal zien prijken, naar welk muntstuk men gewoon is den

bewoner, Laurens Jakobszoon, in onderscheiding van zoovele anderen als

dien naam dragen, te noemen. Wij slaan in 't voorbijgaan een blik in

de zijkamer, waarvan de deur openstaat en ons vergunt, op de tafel,

midden in 't vertrek, een soort van offerkist te onderscheiden, met

twee hangsloten voorzien. Verder doorloopende, komen wij in eene

achterkamer, waar wij een zestal lieden, om eene tafel gezeten,

bijeen vinden. De kloekgebouwde man, in de kracht zijns levens,

doch wiens geestige bruine oogen, die tintelen van vuur en vernuft,

hem jeugdiger nog doen schijnen dan hij werkelijk is, wiens blonde,

een weinig rosachtige lokken in zoo weelderigen overvloed het gezond en

blozend aangezicht omringen, is de heer des huizes. Zwart daarentegen

is het krullend haar en de kegelvormige baard, en helder blauw zijn

de oogen des beeldschoonen jongelings, die aan zijne linkerzijde is

gezeten. Deze is Nikolaas Pauw, de telg uit een beroemd Amsterdamsch

geslacht, dat reeds meermalen regeeringsambten heeft bekleed. Naast

hem zien wij Floris Roodenburg, den schutterhoofdman, uit adellijken

huize, wel ijverig voor de zaak der gewetensvrijheid, maar toch tot de

zoodanigen behoorende, die zich niet gaarne onvoorzichtig wagen. Dit

was onder anderen gebleken uit zijne weigering om 't verbond der

Edelen te teekenen en uit zijne zorg, om eene quitantie van gelden,

door de Amsterdamsche Gereformeerden aan Brederode verstrekt, en

welker bezit hem in gevaar kon brengen, te verscheuren en door

te slikken. Verder vinden wij hier Frank De Wael, mede uit een

burgemeesterlijk geslacht en die, schoon ouder dan Reael, zich,

in al wat tot de politieke zaken betrekking had, door het scherper

doorzicht van dezen leiden laat: voorts Harman Harmanszoon, in wiens

spijker of pakhuis "'t Nieuw Jeruzalem." op de Oude-Zijdskolk,

de eerste predikingen der Gereformeerden hadden plaats gehad, en

eindelijk, aan de rechterhand van Reael, Adriaan Reinierszoon in 't

Kromhout. Niet minder dan Pauw, schoon op geheel andere wijze, levert

hij naar 't uiterlijke een contrast op met den man, die tusschen hen

gezeten is. Zoo levendig als het uitzicht is van Reael, zoo droog en

stemmig is dat van Reinierszoon, of Kromhout, gelijk hij meest genoemd

wordt. Naar de strenge wijze der Calvinisten zit hem 't haar sluik op

't hoofd en elk vlokje, dat dreigde zich wat verder te vertoonen dan

aan de deftigheid voegt, is onverbiddelijk weggeschoren, zoodat de

groote ooren zich geheel vrij vertoonen. Een onhebbelijk lange neus,

een grove bruine knevel en slecht gekamde baard, een perkamentkleurig

gelaat, strekken niet, om 's mans schoonheid te verhoogen; maar toch

kenmerkt het geheel ijzeren vastheid van karakter, en uit de donkere

oogen spreekt niet alleen eene kalmte, die vertrouwen inboezemt,

maar ook tevens eene scherpzinnigheid, die aan de onbehaaglijke

trekken iets bevalligs bijzet.

Het was in dat zelfde pakhuis van Harmansz., waar wij zoo even

van gewaagden, dat, nu eene maand geleden, alzoo op 30 Maart, eene

vergadering plaats had gehad van de aanzienlijkste voorstanders der

nieuwe begrippen, waarop dezen zich verbonden hadden, binnen de maand

den honderdsten penning hunner goederen op te brengen, ten einde

eene som van omtrent f 11,000 bijeen te brengen, tot terugbetaling

van voorschotten, gedaan voor kosten, aan wapenen, pakhuishuur,

reizen enz., ten dienste hunner zaak besteed. Tot de inzameling dier

gelden moest de offerkist dienen, bij Reael geplaatst; en het is, om

thans zoowel te onderzoeken wat de giften hebben opgebracht, als te

overwegen, wat den Gereformeerden onder de bestaande omstandigheden

te doen staat, dat de huidige samenkomst in den Gouden Reael is belegd.

Gewis, geen Amsterdammer meer dan Reael kan gerechtigd en bevoegd zijn,

om bij beraadslagingen voor te zitten als die hier gevoerd zullen

worden; want niet een heeft meer dan hij getoond, hoezeer hem de

zaak der gewetensvrijheid ter harte gaat, noch is hij het voorstaan

daarvan met meer beleid en vastberadenheid te werk gegaan. Reeds de

Vlaming Pieter Gabriël, die 't eerst, en wel in de Engelsche steeg

den catechismus was begonnen te verklaren, had Reael onder zijne

toehoorders mogen tellen: het was Reael, die, met Reinier Kant,

Frank De Wael, Maarten Coster, Albert Heyes en Willem Floriszoon,

den leeraar Jan Arendszoon uit Kampen ontboden en gepoogd had te

bewerken, dat het prediken te Amsterdam dezen vergund werd. Toen dit

tegenstand had gevonden bij de Overheid, die nog schroomde in strijd

te handelen met de strenge plakkaten, had hij, en duizenden zijner

stadgenooten op zijn voorbeeld, dag aan dag de prediking bijgewoond,

door Gabriël en Arendszoon, te Overveen, in 't open veld gehouden:

inmiddels telken dage huiswaarts keerende, om den indruk gade te slaan,

door deze stoute handelwijze op de Regeering gemaakt.

Bemoedigd door hetgeen hij had waargenomen, was hij een der

hoofdbewerkers geweest, dat eerlang ook even buiten de Haarlemmerpoort

herhaaldelijk gepredikt werd, en dat, toen de Overheid zulks beletten

wilde, de toehoorders zich gewapend naar de vergadering begaven,

gereed, desnoods geweld met geweld te keeren. Niet tevreden,

den schrik onder de Regeeringsleden gebracht en hen van lieverlede

gedwongen te hebben, de prediking op stads grond te gedoogen, had hij

nog andere leeraars uit Embden en van elders doen overkomen, om zoo

te Amsterdam als door heel Holland de nieuwe leer te verbreiden. De

beeldstormerij, die in Augustus 1566 hier ter stede als elders plaats

vond, had hem nieuwe aanleiding geschonken, om de sidderende Overheden

te doen berusten in al wat hij ten voordeele zijner geloofsgenooten

verrichtte. Naar Sint Maarten gereisd, had hij Nikolaes Schelte,

pastoor aldaar, overgehaald, Gabriël en Arendszoon in hunne taak

te komen verlichten en had hun in 't Leprozen kerkje doen prediken,

ja zelfs bij Burgemeesteren bewerkt, dat er de beelden op hun last

waren uitgenomen. Doch had hij getoond hoe onverflauwd zijn ijver

was, hij had tevens doorslaande bewijzen gegeven, dat hij langs

geene andere dan vreedzame wegen zijn doel wenschte te bereiken,

en dat al, wat naar oproer of geweld zweemde, hem tegen de borst

stuitte: ja hij was bijna 't slachtoffer geweest van zijne zucht,

om alle baldadigheden tegen te gaan, en ontkwam slechts door een

wonder den hem toegedachten dolksteek, bij gelegenheid, dat hij de

plundering van 't Minderbroedersklooster zocht te beletten. Steeds in

al wat de rust der stad betrof door de Overheden geraadpleegd en hun

vertrouwen genietende, was hij een der voornaamsten geweest onder de

teekenaars van de overeenkomst (of zoogenaamde "Orde"), op 30 September

1566 gemaakt, en bij welke den Gereformeerden grooter vrijheid werd

toegestaan. Maar niet alleen bij de Regeering van Amsterdam, ook bij

Prins Willem te 's-Gravenhage, en bij Brederode te Vianen, had hij

de belangen voorgestaan dier Gereformeerde Gemeente, die hem bij elke

gelegenheid tot haar Gemachtigde benoemde. Thans echter was de toestand

dier Gemeente, na de krachtige maatregelen, door de Landvoogdes genomen

en die de uitwijking, niet alleen van Brederode, maar zelfs van Oranje

hadden ten gevolge gehad, op eens hoogst bedenkelijk geworden. Velen,

die, om 't geloof naar Amsterdam als naar een toevluchtsoord waren

heengestroomd, hadden de stad weder verlaten, en hun voorbeeld was

reeds gevolgd door menigen burger, die er zich niet langer veilig

achtte. Het was onder den indruk dier gebeurtenissen, dat de personen,

die wij bij Reael aantreffen, zich vereenigd hadden.

--"Wat nieuws?" vraagt, na eene korte stilte, Adriaan Reinierszoon

Kromhout: "zeker weinig, dat voordeel geeft."

--"Bevestigt het zich?" vraagt Roodenburg, "dat de Prins van Oranje

het land voorgoed verlaten heeft?"

--"Gij behoeft er niet meer aan te twijfelen," antwoordt Reael met

een blik, waarvan de somberheid de aanwezigen te meer treft, naarmate

men die minder van hem gewoon is.

--"En"--herneemt Kromhout, "dat de Landvoogdes eene bezetting soldaten

in Amsterdam wil leggen, met Noircarmes aan 't hoofd?"

--"Noircarmes! dien gruwzamen moordenaar! den beul van

Valencijn!" roept Frank De Wael uit.

--"Noircarmes, den beul van Valencijn," zegt Reael, bevestigend.

--"De tijding is zeker," voegt Pauw er bij: "mijn vader, en"--hier

wijst hij op Roodenburg, "ook de zijne hebben heden morgen Burgemeester

Buick naar Brabant vergezeld, om de Landvoogdes te bewegen, dat zij

de stad van bezetting verschoone."

--"Uw beider vaders!" roept Kromhout: "maar dat is immers blijkbaar

een valstrik, dien men hun spant. Hoe zouden Burgemeesteren kunnen

denken, dat Madame de Parma of die van haren rade een verzoek

zouden inwilligen, hun gedaan door twee burgers, die zich juist als

voorstanders der Gereformeerden hebben doen kennen?"

--"En niet zonder reden gewis," zegt Reael, "heeft Buick hen tot zijne

medeafgevaardigden doen benoemen. Ik herken hierin de list van dien

schalken vos, die hen van hier heeft willen verwijderen, omdat hij hun

invloed bij de goede gemeente vreest: en misschien ook, omdat hij de

geheime hoop voedt, dat hun de terugkeer uit Brabant niet zal vergund

worden.--Twijfelt er niet aan, vrienden! Noircarmes zal hier komen

en de vervolging zal aanvangen tegen al, wie in de leste troebelen

gemoeid is geweest.--Ik wil u meer zeggen: ik ben hedenmorgen vroeg,

namens Burgemeesteren, verzocht geworden, mij voor een tijd uit den

weg te maken, tot de bui ware overgewaaid."

--"En wat was uw antwoord?" vragen allen als uit éénen mond.

--"Ik heb," herneemt Reael, "mij willen vergewissen, in hoeverre

die raad uit ware belangstelling sproot, dan wel alleen gegeven was

opdat, indien ik bleef en mij eenig leed wedervoer, Burgemeesteren

alle verantwoordelijkheid deswege van zich af konden schuiven.--Ik

heb verlangd, dat mij een eervol getuigschrift, onder Stadszegel,

verleend werd, om mij tot paspoort te dienen. Het antwoord strookte

niet volkomen met de beleefdheid der waarschuwing: immers, het luidde,

dat Burgemeesteren thans te veel overkropt waren met bezigheden, om

aan mijn verzoek te voldoen; doch dat men 't stuk mij zou nazenden,

indien ik de plaats mijner bestemming opgaf."

--"En wat is thans uw voornemen?" vraagt Kromhout.

--"Mijn besluit in dezen zal afhangen van de gezindheid, die

ik bij mijne vrienden bespeur. Willen zij met mij het dreigend

onweer trotseeren, goed en bloed opzetten en desnoods hun leven ten

offer brengen aan de zaak der gewetensvrijheid, ik zal met hen pal

staan,--achten zij het meer geraden, zich naar de omstandigheden te

voegen en elders een gunstiger tijd af te wachten, ik zal, wat het

mij kosten moge, mij van hier verwijderen en geduld oefenen."

--"Ik denk er over als gij," zegt Kromhout: "en uw gedrag zal het

mijne bepalen."

--"Met mij," zegt Pauw: "is het een bijzonder geval, en, wat er

gebeure, ik mag de stad niet verlaten: mijn vader heeft mij de

bezorging zijner zaken, gedurende zijne afwezigheid, opgedragen:--ik

mag zijn vertrouwen niet teleurstellen, en moet zijne terugkomst

verbeiden."

--"Ik," zegt Harmansz., "zie evenmin kans, mij te verwijderen, en

mijne zaken in den steek te laten.--Wat mijn leven betreft, het is

in Gods hand, en ik acht mij elders niet veiliger dan hier."--

--"Wat mij betreft," zegt De Wael, "ik volg Laurens Jakobsz.: blijft

hij, zoo blijf ik ook: acht hij 't raadzaam te vertrekken, zoo pak

ik mijn boeltje."--

--"En Reinier Kant?" vraagt Kromhout: "hij zou immers hier komen. Laat

hij zich nu wachten, hij, die altijd de voorste was bij elke handeling

en elken voorslag?"

--"Ook mij ontrust zijn uitblijven," antwoordt Reael: "wat brengt

Stijntje?"

Deze laatste woorden worden gericht tot de dienstmaagd, die

binnentreedt en haren meester een briefje ter hand stelt.

--"Wordt er antwoord gewacht?" vraagt Reael.

--"Neen meester! de jongen, die 't bracht, heeft zich terstond weer

verwijderd," antwoordt Stijntje.

--"'t Is wel! laat ons alleen," herneemt Reael, "van Kant!" vervolgt

hij, zoodra de dienstmaagd uit de kamer is: "zou hij verhinderd

zijn?--Maar wat is dat?"

--"Is hem iets overkomen?" vraagt Kromhout, bespeurende, hoe de kleur

op 't gelaat van zijn vriend, nu deze 't briefje geopend heeft, onder

't lezen verschiet.

--"Van den beurtman. 29 Aprilis. Ik berg mij. Berg u ook.--

Kant.--Ziedaar den geheelen inhoud van 't briefje," zegt Reael.

--"Heeft Kant gevaar geroken?" roept Kromhout: "is Kant heengegaan,

zonder ons zelfs vooraf te waarschuwen, dan voorwaar mogen ook wij

alle hoop wel opgeven."

--"Nog één punt moet opgehelderd worden, eer ik mij van hier begeef,"

zegt Reael: "het is heden de dag, waarop wij bepaald hadden, de giften,

in de kist verzameld, te tellen. Uit het meer of min aanzienlijke der

bijeengebrachte som, zullen wij kunnen opmaken wat wij te vreezen of

te verwachten hebben."

Onder het uiten van deze woorden rijst hij op, en gevolgd van zijne

vrienden, begeeft hij zich naar de zijkamer. Daar verbeidt hen een

aandoenlijk schouwspel. Eene vrouw in rouwgewaad, armoedig, doch

zindelijk gekleed, staat bij de offerkist, waar zij juist hare gift

heeft gebracht.

--"Het is de weduwe, die haar penninksken offert!"--fluistert Reael

Kromhout in. "God geve, dat ook de vermogenden van hun rijkdom gegeven

hebben, gelijk zij van hare armoede."

Met gebogen hoofd en zedig nijgende, glijdt de arme vrouw de zes

vrienden voorbij, en verwijdert zich, terwijl allen, als door een

zelfde gevoel gedreven, den breeden hoed van 't hoofd nemen, en haar

eerbiedig groeten.

--"En nu," zegt Reael: "de kist onderzocht. De vrienden hebben,

zoo ik hoop, de sleutels meegebracht?"

Pauw en Roodenburg, die met hem tot bewaarders der penningen waren

aangesteld, halen op deze vraag ieder een sleutel voor den dag,

Reael vertoont den zijnen: de twee hangsloten en het slot der kist

worden geopend en het deksel afgelicht.--Bij den eersten blik, daar

binnen geworpen, openbaart zich op het gelaat van de aanwezigen een

trek van teleurstelling.

--"Er is niet veel goud bij," zegt Roodenburg.

--"De benoodigde f 11,000 zijn er althans niet," merkt Harmansz. aan.

Het geld wordt uitgestort en nageteld: het bedrag is f 747-8 stuivers

en 6 penningen.

--"En nu," zegt Reael, "heb ik althans geen verder bewijs noodig,

dat een langer verblijf hier niet meer zou zijn dan eene doellooze

uittarting van 't gevaar. Indien zij, die zoo boud gesproken en, bij

eere, trouwe en mannenwaarheid, zich verbonden hebben den honderdsten

penning hunner goederen op te brengen, om zoo heilige schulden af

te doen, nog te veel gehecht zijn aan den Mammon, om hun woord na

te komen, zullen zij dan hun leven veil hebben voor de zaak des

Heeren?--Met dezulken is niets voor 't oogenblik aan te vangen: en

wij zullen moeten wachten tot hun geweten en gewis ook eene bittere

ondervinding hen tot andere inzichten doen komen.--Vrienden! mijn

boeier ligt aan de kaai.--Ik ga heden avond onder zeil naar

Medemblik. Wie vergezelt mij?"

--"Gaat uwe vrouw mee?" vraagt Kromhout.

--"Zij zal bij hare moeder blijven," antwoordt Reael, "die devoot

Katholiek is, doch haar om haar geloof niet kwellen zal en waar

niemand haar zal moeien; wij zullen later zien, of zij zich bij mij

zal kunnen voegen."

--"Maar de mijne zal mij niet alleen laten trekken," zegt Kromhout:

"al mijne verwanten en de hare zijn heftig op ons gebeten, over hetgeen

zij onze kettersche gevoelens noemen, en zij zou bij hen eene hel op

aarde hebben."

--"Zij zal mij welkom zijn," zegt Reael.

--"En nu de gelden?" vraagt Pauw.

--"Breng die aan de vrouw van Cornelis Loefszoon," antwoordt Reael,

"die den Heer Van Brederode gehuisvest en er zelfs geen dank voor

bekomen heeft.--Of weet iemand er een beter gebruik voor?--Niet?--Wel,

dan zij het zoo. Vriend Frank! ik reken ook op uw gezelschap t' avond?"

--"Ik zal er zijn," zegt De Wael.

En, werkelijk, nog dien zelfden avond voerde de boeier van Reael

hem en De Wael, benevens zekeren bontverkooper, Matthijs Janszoon

genaamd, en Kromhout met zijne vrouw en veertienjarig dochtertje

het IJ uit. Den tweeden Mei kwam het gezelschap te Medemblik; doch

zich daar niet veilig achtende, trok het met een karveelschip naar

Wieringen. Vruchteloos toefde het daar op de beloofde paspoorten: de

Regeering van Amsterdam liet hun weten dat zij die zelven konden halen:

bewijs genoeg, dat de afgifte nimmer bedoeld was geweest. Inmiddels

onderricht, dat men hen vervolgde, waren zij naar Vlieland

overgestoken, met oogmerk, om aldaar eene gelegenheid te zoeken,

om verder te komen. Alle schepen, schuiten, pinken waren echter in

beslag genomen en te hachelijker werd de toestand der vluchtelingen,

toen de Schout een verzoek van Burgemeesteren van Amsterdam bekwam,

om hen te vatten. Gelukkig kregen zij er kennis van, en, van den nood

eene deugd makende, vonden zij eene oude krabbeschuit, die wel een

halfjaar in den grond gelegen had, bij nacht, boven water en staken

zij er mede van land. Doch zoo lek was dit broze vaartuig, dat zij

den koers naar Harlingen wendden, om daar binnen te loopen. Dan pas

waren zij in 't gezicht dier haven gekomen, of daar vertoonde zich

een schouwspel, wel geschikt om hen met nieuwe angsten te slaan. Een

schip, dat een honderdtal vluchtelingen vervoerde, waaronder de

Heeren Van Batenburg, de Friesche Edelen Beima en Galama, den Jonker

Van Ilpendam en andere lieden van aanzien, werd aanboord gelegd

en overweldigd door een oorlogsvaartuig, 't welk de Stadhouder van

Friesland had afgezonden. Met reden beducht, dat hun een dergelijk lot

zou treffen, hielden de Amsterdammers af, en zeilden naar 't Wad, den

Abt genaamd. Hier brachten zij den nacht door, besteedden dien om de

lekke schuit met het linnen, dat zij bij zich hadden, te kalefateren,

en sukkelden zoo voort, totdat zij eindelijk den 20sten Mei behouden

te Embden aankwamen.

Hoe, elf jaar later, de staat van zaken binnen Amsterdam veranderde,

hoe zoovelen, die vroeger met levensgevaar ter stede uitgevlucht en

ellendig en berooid als ballingen hadden rondgezworven, zich door

dien omkeer aan 't hoofd der regeering hunner stad gesteld zagen, hoe

Adriaan Pauw en Kromhout onder de eerstbenoemde nieuwe Burgemeesteren

geteld werden, hoe eindelijk ook Reael, kort daarna te Amsterdam

teruggekeerd, er aanzienlijke ambten bekleedde, en hoe zijn roem nog

verdonkerd werd door dien van zijn doorluchtigen zoon, dat alles is

te vaak verteld en te algemeen bekend, om hier nog herhaald te worden.

In Visschers Roemer.

Wij zetten onze wandeling voort, en, op den Eersten November van 't

jaar 1623 het Damrak ten einde gekomen zijnde, slaan wij rechtsom,

de "Uiterste" of "Nieuwe Brug" over. De nieuwe huisjes, die hier de

zware (voor vijf jaren weggebroken) Sint-Olofspoort vervangen, aan

de rechterzijde latende, vervolgen wij onzen weg langs de kaai, die,

onder den naam van "Houttuinen," zich uitstrekt langs het IJ. Aan

den "Schreiers-hoek" en "-toren" gekomen, houden wij altijd rechts

en volgen de kaai, met groene boomen beplant, langs de gracht, die

voorheen de "Uiterste" of "Stedegraft" geheeten werd. Zij heeft

dien naam echter afgelegd, sedert het buitendijksch land aan de

overzijde meer en meer betimmerd werd, en de kaai wordt nu, naar de

vaartuigen, tot wier gewone ligplaats zij verstrekt, de "Geldersche

Kaai" genoemd. De overzijde, vroeger de timmerwerf van de vloot,

is gedurende de laatste vijf-en-twintig jaren dicht met huizen bezet

en met straten en stegen doorsneden. Geen anderen toegang heeft zij

vooralsnog met de eigenlijke stad, dan door de kleine Waterpoort,

over de brug van dien zelfden naam, die wij voor ons zien. Maar zoover

reikt onze wandeling niet. Wij staan stil voor eene woning, die, even

voorbij Schreiershoek, zich door hoogte, breedte en bouworde voordeelig

van de belendende huizen onderscheidt. De hooge voorgevel is van roode

baksteenen opgebouwd, smaakvol afgewisseld met gele tufsteenen en,

waren wij hier slechts eene maand vroeger gekomen, wij zouden dien

geheel verscholen zien achter de groene en breede wingerdbladeren;

slechts enkele en thans verdorde zijn er van overgebleven aan de

ranken, die, oprijzende uit den houten koker, binnen welken de stam

vervat en tegen schade beveiligd is, zich op de hoogte der eerste

verdieping naar alle zijden uitbreiden, en, zich om en langs de

vierkante kruisramen heenslingerende, in 't najaar de bewoonsters

der bovenkamers op het plukken van hare gouden trossen schijnen te

noodigen [11].

Het onderhuis is geheel bekleed met een houten beschot: fraaie

houten pilasters rijzen aan weerszijden van de deur en tusschen de

vensters, en torsen eene kroonlijst met keurig beeld- en snij- en

lofwerk voorzien. Niet minder sierlijk gesneden is het lijstwerk,

dat de ramen omvat, en keurig van uitvoering is het beeldje, dat,

boven de deur prijkende, een visscher vertoont, doch blijkbaar niet

een van de gewone soort; althans uit het schepnet, dat hij, omgekeerd,

in de linkerhand houdt, stort hij geen visschen, maar muntspeciën

in een open koffer uit, en zijn vischwant ligt, aan denzelfden kant,

heengeworpen over balen, vaten en koopmansboeken; terwijl, rechts van

hem, allerlei zinnebeelden van kunst en wetenschap op elkander zijn

gestapeld en hij met de rechterhand een roemer omhoog heft. Dit fraaie

beeldhouwwerk, evenals het geheele onderhuis, door een groene luifel

beschut, zinspeelt op den naam des laatsten bewoners, en kondigt ons

aan, dat wij, wanneer wij langs de drie blauwe stoepsteenen de deur

zijn binnengetreden, ons bevinden

in 't saligh Roemers huys,

Wiens vloer betreden wordt, wiens dorpel is gesleten

Van Schilders, Kunstenaers, van Sangers en Poëten.

Ik zeg het "saligh Roemers-huys;" want de man, die zijn naam aldus in

den vorm van een rebus boven zijne deur heeft laten beitelen, Roemer

Visscher, is niet meer: voor drie jaren is hij, tot smart van allen,

die hem kenden, overleden.

Maar het is niet in het huis des rouws, dat ik u thans wil inleiden:

integendeel, de rouw is geweken en alles kondigt vreugd en vroolijkheid

aan. Voor de stoep prijkt eene eerepoort van sparretakken, hulst

en nimmerdor, bestoken met oranje-appels en vlaggen van papier en

klatergoud, en saamgebonden met veelkleurige linten: en van die

eerepoort hangt in 't midden eene sierlijke kroon af, waar, al moge

het welriekende gebloemte der Junimaand er aan ontbreken, toch geen

bontgekleurde bloemen falen, uit gaas, wit papier en andere stof op

't kunstigst vervaardigd. Festoenen en vlaggedoek zijn om de deur

geslingerd, die openstaat en ons het gangportaal doet zien, waar twee

gouden naamcijfers, in een wit ovaal, ons tegenblinken. De straat,

aan weerszijden is (niet zwart gelijk men in de 19e eeuw zal zeggen,

als eene afschuwelijke mode de mannelijke sekse bijna uitsluitend

in effen donkere kleederdracht zal gestoken hebben, maar) bont van

menschen: net gekleede buurkinderen, met blozende wangetjes, staan

gereed, het Bruidspaar, als 't van 't kantoor van Huwelijkszaken terug

zal keeren, met loovertjes, suikererwten en speculatie te bestrooien;

want de Bruid, die verwacht wordt, is de jongste dochter uit den huize,

is Maria Tesselschade, Roemer Visschers dochter.

Al behooren wij niet tot de genoodigden, en al is het nu een dag,

waarop zelfs de gulheid van den "ronden Roemer," die aan elken

beschaafden bezoeker een welwillend onthaal waarborgde, geene anderen,

dan die tot het feest behoorden, zou hebben kunnen toelaten, wij maken

gebruik van den tooverstaf der verbeelding, die elken toegang voor

ons opensluit en niet gedoogt, dat er iets voor ons verborgen blijve:

wij treden de lange gang ten einde en eene achterkamer binnen, waar

reeds een aanzienlijk deel der gasten vergaderd is en de komst van

het Bruidspaar verbeidt.

Wij zullen met die gasten, althans met velen onder hen, nader kennis

maken: maar vooraf willen wij een blik om ons heen slaan.

Reeds in gewone dagen levert de kamer bijzonderheden genoeg op, om

ons eenige uren met het beschouwen daarvan bezig te houden. Ik spreek

niet alleen van de roode gordijnen van kostbaar kroonsaai, die voor

de langwerpige boogvensters hangen, met kleine in lood gevatte,

rijk beschilderde ruiten: van de fraai gebeeldhouwde kolommen,

die de hooge schouw steunen, boven welke een keurig fruitstuk van

Adriaan Van Utrecht prijkt: noch van de sakredaanhouten glazenkast

met keurig porselein; meer nog dan een en ander verdient dit trezoor

uwe opmerking, waarop fijne roemers prijken, door de kunstvaardige

handen der dochters van den huize op 't bevalligst gesneden en met

opschriften versierd: en die beeldjes en vruchten, door haar uit was

geboetseerd: en, aan den wand, dat borduurwerk in ebbenhouten lijsten,

en die teekeningen of schoonschriften, waarmede zij vroeger haren vader

op menigen geboortedag hadden verjaard. Ook het afbeeldsel van den

vader prijkt er; dat rustig en krachtvol wezen, waar goedhartigheid

en schalksch vernuft op zijn vermengd: en naast het zijne hangen de

afbeeldsels van zijne vrienden, en herkent men het diep gegroefde

gelaat van den geleerden vriend en medestrijder van Willem I, Dirk

Volkertsz Coornhert, en de fijne aristocratische trekken van den

classiek-gevormden koopman, Hendrik Laurenszoon Spieghel.--Maar voor

dat alles en nog meer, dat de pronkzaal bevat, wij hebben er thans geen

oog voor; want deze dag is, als wij reeds zeiden, een buitengewone:

de zwart en wit geruite marmeren vloer is bestrooid met loovertjes

en winterbloempjes, acht festoenen van groen en gebloemte zijn met

het eene einde vastgemaakt aan krammen, in de bovenhoeken van het

vertrek, en aan het midden van elke bovenlijst geslagen, terwijl de

andere einden zich vereenigen aan een knop, op korten afstand van

den wand in de zoldering bevestigd: en van dien knop hangt, vlak

tegenover den schoorsteen en voor den grooten Venetiaanschen spiegel

met kristallijnen rand, een zware kroon van goud en gebloemte, met

zijden linten doorstrikt, boven eene kleine verhevenheid, waarop, in

een prachtig getooiden armstoel, de Bruid "te pronk" zal zitten--gelijk

de gewone uitdrukking luidt.--Nemen wij de gelegenheid waar, om,

zoolang die "bruidstroon" nog ledig blijft, het oog te slaan op de

aanwezige gasten, die de komst der nieuwgetrouwden verbeiden, en aan

welke inmiddels, door net getooide Juffers, speelnooten der Bruid,

hippocras en hylikmaker [12] wordt aangeboden.

Bont en gemengd is doorgaans toch het gezelschap, wanneer, gelijk ten

deze het geval is, Bruid en Bruidegom in verschillende plaatsen te

huis behooren, en zonder dat de wederzijdsche familiën met elkander

in betrekking staan. Maar bont vooral en gemengd zou in elk geval

het gezelschap op het feest van eene der dochters van Roemer geweest

zijn, ten gevolge van de uiteenloopende soort harer kennissen. Het

huis van Roemer toch was vanouds eene soort van vrij territoir,

waar ieder, welke ook zijne politieke of godsdienstige denkwijze

was, welkom werd geheeten, en alleen zij uitgesloten, die zichzelven

en anderen tot last en verveling waren. Roemer Visscher toch en de

zijnen waren aan de leer hunner vaderen getrouw gebleven, maar daarom

had hij zich niet, na den omkeer van zaken, zooals velen onder zijne

geloofsgenooten, teruggetrokken uit den omgang met hen, die anders

dachten als hij. Hij was een veel te groot minnaar van de fraaie

letteren zoowel als van het beoefenen en opbouwen der moedertaal,

en bovendien van te gezelligen aard, om, waar het lieden betrof,

wier wetenschappelijke richting met de zijne overeenstemde, of

wier tegenwoordigheid zout en leven aan het onderhoud gaf, die, in

één woord, gereed waren met hem (om de taal zijner eeuw te spreken)

offers aan Apollo en de Muzen te brengen, af te vragen of zij tot de

Oude Geuzen of tot de Pausgezinden behoorden. Daarom ontbraken thans

ook genen zoomin als dezen, nu het er op aan kwam, de bruidstranen

zijner geliefde dochter te komen--drogen, had ik haast gezegd;

ik meen--opdrinken. Zie maar dien krassen zes-en-zeventiger, met

zijn doordringenden blik, zijn scherpgeteekenden neus en kortaf

gebiedenden toon, die daar in gindschen hoek een roemer hippocras

aanneemt, hem door een bekoorlijk blond maagdelijn aangeboden:

dat is de eerste openlijke verdediger van het stelsel, waarvan het

uitvoeren hem voor vijf jaren zijne plaats in de vroedschap en aan

's Lands Advocaat het hoofd gekost heeft--Cornelis Pieterszoon Hooft,

oud-geus, rederijker, maar vooral Amsterdammer in zijn hart: en de man

met wien hij zich onderhoudt is--zijn gewaad, hoe deftig, ja stemmig,

zou 't ons niet verraden--een Roomsch-Katholiek Priester;--maar die

Priester is Jan Albert Ban, tevens rechtsgeleerde, en bovendien--wat

hem hier zoo welkom wezen doet--wijdberoemd musicus; een man, die,

als Vondel van hem zingt,

In 't barnen van den twist

En stryt van ongelijcke klancken

Ons hooren laet den lieven pais

Der Engelen in Godts pallais.

Een ander Roomschgezinde, de Haagsche Advocaat Gysbert Corneliszoon

Plemp, staat wat verder, in levendig gesprek gewikkeld met de

schoone en lieftallige kasteleines van Muiden, Christina Van Erp:

en zij herinnert hem, hoe hij ook hare bruiloft met den Drossaard

bijgewoond en met een gedicht heeft opgeluisterd: jammer maar, denkt

zij er bij, dat het in 't Latijn was. Ook de Drossaard zelf bevindt

zich in de nabijheid en ook hij drukt de hand aan een Katholiek,

den Advocaat Vechters, zoo beroemd als taalvorscher en om zijne

rijke boekverzameling. In dien anderen hoek wedijvert Dr. Samuel

Coster, de reeds bedaagde Academist, met den jongen en vroolijken

Daniël Mostert--die in 't vorige jaar tot Secretaris der stad is

aangesteld, en wiens kittelend vernuft aan den naam beantwoordt dien

hij draagt--wie 't meest de Juffers, die om hem staan, door kwinkslagen

en kluchtige gezegden een lachje afpersen, ja nu en dan een blos op

de wangen zal jagen.

Zeer verschillend, wat maatschappelijken toestand, rang en betrekking

aangaat, zijn de twee personen, die daar in een levendig gesprek

gewikkeld zijn: de een, met dat geestig en levendig oog, met die

innemende gelaatstrekken en dien zwier in houding en gebaren, die den

man der meest verfijnde beschaving kenmerkt, heeft op veertigjarigen

leeftijd reeds eene schitterende loopbaan gehad, en reeds Oost-Indië

als Gouverneur-Generaal bestuurd; de andere, iets jonger dan hij, met

een thans eenigszins bleek en ziekelijk voorkomen, dat zijne fonkelende

adelaarsoogen des te meer doet uitkomen, is eenvoudig een welgesteld

winkelier in de Warmoesstraat;--maar toch zijn Laurens Reael en Joost

Van den Vondel vrienden; ja broeders, vereenigd door gelijkheid van

smaak en gemeenschappelijken taal- en letterarbeid. Hun beider reeds

bejaarde vriend, de koopman en kunstmeceen Laurens Baeck, voegt zich

bij hen: hij heeft zijne hofstede Schey-Beeck in de Beverwijk verlaten,

om met zijne bekwame zoons Justus en Jacob en zijne bevallige dochters

Katharina en Debora het trouwfeest der pupil van hun vriend Hooft te

komen bijwonen.

Nevens Jacob Baeck bemerkt gij diens boezemvriend, den

drie-en-twintigjarigen Willem Van den Vondel, met wien hij redeneert

over een voornemen, dat zij hebben opgevat, om te zamen het klassieke

land der kunst, het schoone Italië te gaan bezoeken. Met zeldzame

gaven des verstands en des harten toegerust, is Willem Van den Vondel

steeds de lust en de vreugd geweest, eerst van zijns vaders huis en

later van allen, die hem kenden, maar vooral is hij de lieveling van

zijn ouderen broeder, die, zij het ook al te nederig, aan al wie 't

hooren wil verklaart, "dat Willem hem verre overtreft." De zooveel

belovende jongeling zal die reize naar 't verre Schiereiland doen;

maar helaas! om nimmer in zijn vaderland terug te keeren.

Doch wie is die andere jongeling, slechts weinig ouder dan pas

genoemden en die, meer dan zij, ja, meer dan vele mannen van jaren

en gezag, hier de aandacht der aanwezigen en niet het minst die der

jufferschap tot zich trekt? Zijne rijke en hoofsche kleedij is naar

den allerlaatsten smaak, doch wordt met zooveel gemak gedragen, dat

men terstond den man herkent, die zich zwierig kleedt, omdat zijn

stand het medebrengt en niet, omdat hem zijn snijder aldus heeft

opgeschikt. Zijn bruin gelaat kan wel niet schoon genoemd worden,

doch het tintelt van geest en leven: en in stem, in spraak, in manieren

spreidt hij dat bevallige, dat innemende, dat echt hoffelijke ten toon,

't welk noch goud, noch hooge betrekkingen, noch al de moeite, die

men aanwendt, kunnen verschaffen aan hem, wien het van natuur niet

eigen is. Zie! daar spreekt hij met de juffers over Fransche modes,

over menuetten, pavanes en sarabandes, terwijl Debora Baeck aan eene

van hare kaartjes [13] ronduit verklaart, nooit een danser te hebben

gehad, die netter passen maakte en beter in de maat bleef; of wel,

hij redeneert over muziek, en meester Dirk Swelinck, de wijdberoemde

organist, vertelt overluid, dat hij zelden bij een liefhebber meer

kennis van het vak bij meer voortreffelijkheid van uitvoering gevonden

heeft. Maar daar komt 's Legers Opperwachtmeester Wijts, een der helden

uit den vrijheidsoorlog en der bekwaamste krijgskundigen uit zijn tijd,

onzen jongeling in 't gemoet, drukt hem de hand en doet hem een paar

vragen aangaande 't beleg van Bergen-op-Zoom: en de ander antwoordt

daarop, zonder zich te bedenken, met een zaakkennis, die, aan wie hem

niet kennen, al licht zou doen gelooven, dat hij een krijgsman is van

beroep. Intusschen acht de grijze Burgemeester De Vlaming van Oudshoorn

het de moeite wel waard, van de gelegenheid gebruik te maken, die zich

voordoet, om een woordje over staatkunde te wisselen. Hij treedt naar

onzen jonkman toe, en, hem met meer eerbiedigheid aansprekende dan

men in iemand van zijn stand en achtbaarheid tegenover een jongen

spring-in-'t-veld verwachten zou, veroorlooft hij zich een paar

"bescheiden vragen" aangaande het vermoedelijk doel der zending, die de

Heer Gramaye vanwege Keizer Ferdinand bij de Heeren Staten volbrengen

komt. Op zedigen toon, maar zonder aarzeling, geeft de jongeling de

verlangde inlichtingen, ja treedt daarbij in bijzonderheden, die genoeg

bewijzen, dat hij aan een goed geheugen een helder doorzicht paart en

den sluier weet op te lichten, waaronder de diplomatie haar geheimen

zoekt te verbergen;--nauwelijks heeft hij aan de weetgierigheid van

den Burgemeester voldaan of Plemp klampt hem aan boord, om over een

paar onlangs verschenen emendaties op Virgilius te spreken en Pieter

Corneliszoon Hooft, zijn slag waarnemende, duwt hem een dichtgevouwen

papier in de hand en bijt hem in 't oor: "ziehier het sonnet, waar ik u

over gesproken heb. Wees zoo goed het eens in te zien en te betuttelen

[14] waar 't noodig zijn mocht."

De jongeling, die evengoed in de dans-, muziek-, krijgs- en staatkunst

te huis is als in de oude en nieuwe letteren, die in vlugheid van

vernuft, schranderheid van oordeel, blijmoedigheid van geest en

voortreffelijkheid van inborst voor geen der hier aanwezigen onderdoet,

en die eenmaal als geheimschrijver van drie vorsten uit het huis van

Oranje en niet minder als kernachtig dichter zich een beroemden naam

zal weten te verschaffen, is de Hagenaar Constantijn Huyghens.

Was het wonder, dat hij de hofstad verlaten had om het bruiloftsfeest

van Tesselschade te komen vieren? Reeds voor een jaar of vijf had hij

de kennis met Roemers dochter op 't Huis te Muiden gemaakt en tusschen

hen was eene vriendschap ontstaan, gelijk men zelden tusschen lieden

van verschillende kunne aantreft, en die hun geheele leven duren

zou. Hiervan getuigde o. a. het gedichtje, dat hij aan de gezusters

geschreven had, in dank voor suikerpeen.

Gesonde peen,

Ik vatt' de reên

Van uw geschenck:

't Is met een wenck

Smaecklijk bewezen;

De wortel soet,

De vrucht moet goet

En heilsaem wezen.

Op eer en deughd

Stond d' eerste vreughd

Van ons vergaeren:

Al wat der jaeren

Knoop en gespann

Tot noch daer van

Heeft uytgegeven

En bij ons leven

Uytgeven moet,

Sal goed en soet

En heylsaem wesen.

Vriend'lick paar Weesen,

Dit is 't beduyd

Van mijn besluyt

Uyt uwe gaven:

Daer ick begraven

En ghy tot stoff

Sult wederkeeren,

Sal deze lof

Ons graf vereeren,

Hier light C. H.

En Tesselscha

En Anna, d' eerste.

Die elck om 't seerste

Met schrift en praet,

Met wensch en daed,

Haer vriendschap sloten:

Vriendschap gesproten

Uit grond en reên

Als suycker-peen.

Reeds vroeger, bij den dood van haren vader, had hij aan het

"vriendelijk paar Weesen" een aandoenlijken troostbrief in verzen

geschreven, haar bemoedigende met het denkbeeld, dat Hooft haar

voortaan tot een voogd en tweeden vader verstrekken zou: en nu

een jaar geleden schreef hij uit Londen, waar hij zich bevond als

Gezantschaps-Secretaris, een anderen berijmden brief aan 't waardige

drietal, zijn vurig verlangen uitdrukkende om hen terug te zien.

Hoe weinig het echter gefaald had, of hij zou door het slechte weer

verhinderd zijn geweest de reis naar Amsterdam te ondernemen, blijkt

uit de volgende dichtregelen, die Tesselschade weinige dagen geleden

van hem ontvangen had:

Tesselschade,

Die uw gade

Niet te spade,

Niet te vroegh

Hebt gevonden

En verbonden

Van de wonden,

Die hij droegh,

Wees te vreden

Met de reden,

Die my heden

Seggen doet:

Bruiloftslusten,

Laet my rusten,

Daar ick rust en

Rusten moet.

Stuersche buyen,

Die zich ruyen

Tegen 't Zuyen,

Tegen 't West,

Hoor ik schreeuwen

Door het sneeuwen:

Zomer-spreeuwen

Houdt uw nest.

...........

Had de Son en

Lucht begonnen

Weer te gonnen

't Soet gelach

Van de haegen

En te traegen

't Wintrigh jaeghen

Van den dagh,

'k Waer geschapen

Vreughd te rapen

Van 't begaepen

Van uw feest,

En het proncken

Van uw loncken

Tot ontfoncken

Van mijn geest.

Maar 't benijden

Deser tijden

Moet ik lijden

Met geduld;

't Zijn geen treken

Om te wreken

Woord te breken

Sonder schuld.

Oh! hoe vliegh ik,

Hoe bedriegh ick,

Hoe beliegh ick,

Mijn gemoed!

'k Wil der wesen,

Alle vreesen

Sijn geresen

Uyt mijn bloed.

Swackheit, lijden,

Winter-tijden,

Die ick mijdden,

Staet van kant.

Wech vervaren

Voor het baeren [15]

Van de baeren:

'k Wil van land.

Gae ick? Stae ick, [16]

Neen ick? Ja ick:

Emmers gae ik;

Neen ick, noch. [17]

Ja ick, meen ick.

Weer versteen ick. [18]

Gae ick? neen ick.

Ja ick, toch.

't Bleef dus ja, en het werd nog nader door een tweede brief bevestigd:

Winter-dagen,

Die de slagen

Van de vlagen

En de macht

Van de winden

Schijnt te binden,

Daar men in den

Haeg op wacht.

Sendt het raesen

Van dit blaesen

Over Maes en

Over Schelt:

Laat de Veeren

Van de Meeren [19]

t' Mijner eeren

Ongequelt.

Laat de schueren

Onser Bueren

Wat besueren

Van uw kouw,

Laat se lipp' en

Tanden klippen

Met de slippen

In de schouw. [20]

Onderwijlen

Sal ick ijlen

Als de pijlen

Na den Doel, [21]

Afgezonden

Na de gronden

Van den Ponden-

rijcken poel. [22]

Zijn uw' ooren [23]

Niet te hooren

Tot verhooren

Van mijn bee?

Soud' ick sollen

Tegen 't rollen,

Tegen 't grollen

Van de zee.

'k Sal uw baeren

Eer ontvaeren,

Danck het Sparen

En het pad,

Dat den wagen

En de slagen

Kan verdragen

Van het rad. [24]

Maar, nu wij de gasten, immers de voornaamste onder hen, in oogenschouw

hebben genomen, wordt het tijd een blik te slaan op haar, die eigenlijk

in de eerste plaats onze belangstelling, althans onzen groet verdiend

had, op haar, die den last der bezorging van het feest op zich genomen

heeft, en ons tot harent ontvangt, op Anna Roemers.

Tien jaren ouder dan Tesselschade en dus reeds in haar veertigste

jaar getreden, is Anna nog immer in de volle pracht eener schoonheid,

die van geen verwelken schijnt te weten, nog immer

De roem van haren tijd, waar Roemer op mocht roemen.

Vreemd moge het schijnen, dat eene zoo bevallige, zoo rijk begaafde

vrouw tot heden ongehuwd gebleven is; maar, zoo zij nog geen plichten

als echtgenoote te volbrengen heeft, het is alleen daaraan toe te

schrijven, dat tot heden andere plichten op haar rustten: eerst de

verpleging van haren vader en het bestier over diens huis: later, na

zijn dood, de gehechtheid aan hare jongste zuster, bij wie zij eenmaal

de rol eener moeder vervuld had en ook nu nog bleef vervullen, al was

het kind voorlang opgegroeid tot maagd en nu reeds haar derde kruis

nabij. Maar thans staat die zuster op het punt het ouderlijke huis

voorgoed te verlaten en zich met haren gemaal elders neder te zetten:

en thans heeft ook Anna begonnen te gevoelen, dat het niet goed is

voor den mensch, alleen te zijn. Reeds is haar hart, weldra wordt ook

hare hand weggeschonken aan den zoon uit een aanzienlijk Dordtsch

geslacht, doch zelf in 't Noorden van West-Friesland gevestigd;

aan Dominicus Booth Van Wesel, wiens kennis zij te Alkmaar gemaakt

had, toen zij aldaar met hare zuster het gezin van diens verloofde

bezoeken ging, en zij zal hem volgen om hem gelukkig te maken en,

door geheel Nederland bij voortduring vereerd, nog als zestigjarige

vrouw om hare zeldzame gaven en bevallig voorkomen en minzaamheid,

den geleerden Puteanus te Leuven en diens gezin in verrukking te

brengen en door hem als eene tiende Muze te worden afgeschilderd.

Maar hoor!--een gedruisch ontstaat daar buiten: een geluid van

vedels en fluiten klinkt van uit een zijvertrek, waar de muzikanten

vereenigd zijn: al de gasten geraken in beweging, zien naar de deur en

scharen zich rechts en links om den vrijen doortocht te laten aan het

jeugdige paar, dat, vergezeld van zijne getuigen, teruggekeerd is van

't Stadhuis en nu onder oorverdoovend gejuich der op straat verzamelde

menigte,--een gejuich van uit de opperzaal straks beantwoord--de

woning, en weldra ook de zaal is binnengetreden.

"Ruim baan! ruim baan! Plaats voor de Bruid!" klinkt het van

allerwegen: en Tesselschade begeeft zich naar den voor haar bereiden

troon; maar haar oog zoekt en ziet onder die schare hare zuster Anna

alleen, en de beide zusters vallen in elkanders armen, terwijl warme

tranen uit beider oogen elkanders gelaat bevochtigen. Eene eerbiedige

stilte vervangt het gedruisch en met aandoening staren de omstanders op

de zoo innig verknochte--nu welhaast voor lang gescheiden--zusters. Nu

vermant zich echter de Bruid en, na nog een hartelijken kus aan

hare beminde Anna, laat zij zich door haren Bruigom verder leiden en

neemt plaats op den voor haar bestemden zetel. En wel verdient die

thans zijn naam van "troon;" want geen koningin kon dien waardiger

bekleeden dan zij van wie wij 't nauwelijks durven beproeven, eene

beschrijving te geven.

Een hoog opstaand kanten mutsje, boven hetwelk een gouden kroontje, met

paarlen omzet, zich verheft, omvat het hoog gekapte "goutdradich hayr"

van Tesselschade: haar hals is door een drie dubbel geplooiden, breed

uitstaanden kraag van kostbaar kant omvat; een blauw satijnen kleed

met bonten rand omsluit hare rijke gestalte en laat, van voren open,

een borstlap zien, die schittert van gesteenten en een onderkleed

van gele zijde, op 't rijkst met bloemen gestikt, waarop, van den

gordel af, een gouden snoer nederhangt, van afstand tot afstand

met paarlen geschakeld en aan welks einde een reukbal vastzit,

van gouddraad gevlochten en met vonkelende robijnen, turkooizen en

andere puik-juweelen bezet. Maar hoe fraai dit alles zij, het kan de

schoonheid alleen opluisteren, niet verhoogen, van haar, die wij als

Bruid begroeten. Bevallig, rank en toch krachtvol is hare gestalte:

en de gezondheidsblos op het lelieblank gelaat getuigt, dat wij hier

niet te doen hebben met eene dier loome, smachtende, verwende juffers,

die den halven morgen in 't bed verslapen, een groot gedeelte van

den dag aan de kaptafel doorbrengen, en zoowel den zonnegloed als

het minste tochtje vreezen: en evenmin met eene dier savantes, die,

aan studeervertrek of salon gekluisterd, de kamerkleur verkrijgen

als een onmisbaar gevolg van een zittend leven; maar wel met eene

zoodanige, die noch lucht noch zonnestralen schuwt en zelfs voor

geen lichaamsoefeningen terugdeinst. En inderdaad, niet alleen is

Roemers jongste dochter ervaren in muziek en schilderkunst, niet

alleen weet zij op 't glas te snijden, in was te boetseeren en met

de borduurnaald te tooveren, niet alleen weet zij Tasso's "Verlost

Jeruzalem" in Nederduitsche verzen te vertalen, maar ook heeft zij,

toen nog haar vader in "de Kreeft" over den Stads Singel woonde,

waar in den tuin een groote en diepe vijver was, met hare zusters

het zwemmen geleerd. Wakkerheid en levenslust stralen dan ook af

van haar gelaat en schitteren ons tegen uit die groote bruine oogen,

die spiegels der reinste en edelste ziel: parelwitte tanden glinsteren

tusschen het koraal van fijngevormde lippen: het breede voorhoofd duidt

een kloek en veel omvattend verstand--de kleine, recht nedervallende

Grieksche neus vastheid van karakter aan: de fraaie handen, aan de

polsen met een zesdubbel parelsnoer omgeven, zijn blank en zacht als

fluweel: maar zoo 't u gebeuren mag, ze te drukken, zult gij voelen,

dat in die poezele vingers kracht verborgen is en dat de vereelte

toppen gewoon zijn, vedelsnaar en graveerstift te hanteeren.

Ter rechter-en linkerzijde van de Bruid, op lagere zetels, doch

mede op den "troon" wordt de plaats van de Bruid, die anders aan

de wederzijdsche moeders zou toekomen, bij ontstentenis van dezen,

rechts bekleed door 's Bruigoms zuster, links door de tweede van

Roemers dochters, Truitje, sedert eenige jaren de gade van Nikolaas

Van Buyl. Misschien is het aan dat huwelijk te wijten--waardoor zij

vroeg reeds haars vaders huis verliet, en, aan huiszorg gebonden,

minder dan hare zusters den omgang bleef aanhouden met doorluchte en

beroemde vernuften--dat Truitje Roemers, twee eeuwen lang, geheel

vergeten zal blijven bij de geschiedschrijvers, die zoo luid van

Anna en Tesselschade zullen gewagen. Maar wij vergeten haar niet,

de derde in een trits bevalligheden: wij kennen ook haar een billijk

deel toe van den roem, die hare zusters omstraalt.

De gasten zijn achtereenvolgens de Bruid komen begroeten: daar nadert

ook Huyghens, en, hield de etiquette Tesselschade niet aan haren

troon gebonden, zij ware hem te gemoet gesneld, om hem de hand te

drukken. Dit laatste veroorlooft zij zich echter, terwijl zij hem voor

zijn heilwensch dank zegt, hem hare blijdschap te kennen geeft, dat hij

toch de winterstormen getart heeft, en zij hem haren Bruigom voorstelt,

die nevens haar staat. Ja! den Bruigom!--hebben wij dien vergeten,

den held van 't feest, dat wij van hem geen gewag maakten?--Neen gewis

niet; maar juist, omdat hij de held van 't feest is, kan hij het ons

niet ten kwade duiden, zoo wij hem, evenals zulks met de theaterhelden

doorgaans het geval is, na de mindere personages laten optreden.

Wie is hij nu, de man, aan wien Tesselschade de voorkeur heeft

geschonken boven zoovele kloeke vernuften als naar hare hand

dongen? Zeker een geleerde, een toonkunstenaar, een dichter, een

staatsman, of in allen gevalle iemand, die zich op deze of gene wijze

heeft beroemd gemaakt?

De Bruigom is niets van dat alles: hij is eenvoudig een zeeofficier,

die, wanneer hij aan wal is, te Alkmaar woont en antwoord geeft op

den (alles behalve dichterlijk klinkenden) naam van Allart Janszoon

Crombalgh.

Maar--dat mogen wij niet ontkennen--hij is een flinke, kloeke borst,

wiens blauwe oogen helder blinken in dat echt mannelijk gelaat,

door de zon der keerkringen gebronst; en is Tesselschade dichteres,

zangster en geleerde, voor alles is zij vrouw, en 't is als vrouw,

dat zij de liefde van haren Allart of Adelaar, gelijk zij hem soms

bij letterkeer noemt, gewonnen en hem de hare geschonken heeft.

De liefde--Vondel zal het ons leeren in het bruiloftsdicht, dat hij

bij zich heeft--is in de kerk begonnen:

Een wijl hiernae geviel 't, toen deser dochtren geest

Kerckpleghtigh besigh was te vieren 't jaerlyx feest

Met lofsangh en gebeên, gelijckse 't noô versloffen,

Dat d' een van 't kerckgewelf werd in de borst getroffen, enz.

Allart had Tesseltje hooren zingen: eerst hare zuivere tot het hart

dringende stem, vervolgens hare bekoorlijkheden, hadden hem verrukt, en

wederkeerig had zij bij den eersten aanblik in hem den man gezien, die

haar tot gade beschikt was. Weldra was de zaak beklonken en tusschen

hen bepaald, dat het huwelijk zou voortgang hebben, zoodra hij zou

terug zijn gekeerd van een zeetocht, dien hij nog te ondernemen had.

Vóór zijn vertrek was hij op 't Muiderslot genoodigd, waar zich de

gezusters, aan welke Hooft, gelijk gezegd is, tot vader, of, beter,

tot broeder verstrekte, zich veelal onthielden. Ook Vondel was er

te gast, en het aanstaande vertrek van den verliefden zeeman gaf hem

de navolgende regels in de pen, waarbij hij Hooft onder den naam van

den zanglustigen veldgod Pan, den vrijer onder dien van Dafnis, diens

liefste onder dien van eene Sirene, wier verleidend gezang allen tot

zich lokt, en zichzelven als Tityr voorstelde. Het luidde aldus:

De vleiende Sireen,

Wiens zang en vedelsnaer

Verlockten naar beneên

Den fieren Adelaer, [25]

Die met zijn wiecken hingh,

Daer zangh zijn hart bekneep

En hy verslingert vingh

Het keeltjen, dat hem greep.

Dees op den oever stondt,

Daer Glaukus, [26] heet van Min,

Kust en herkust den mont

Der blancke stroomgodin,

Die in zijn armen glijdt

En zijght van liever leê

En voegt haer bruytschat by 't

Rijck hylixgoet der zee.

Pan zanghziek, op dat pas,

Had Dafnis laten noôn,

En, om te luystren, was

Hier Tityr mede ontboôn.

Zij huckte neêr in 't groen

Daer van een hoogen wal

Het oogh moght ronde doen

En weien overal.

Toen sloegh haer keel geluyt;

Help Godt, wat zoeter zangh!

Zwijgh Tityrs boerefluit.

Wat was hier een gedrangh

Van ooren, om dit liedt

Te vangen in de lucht.

Toen tot haar neighde riet,

Geboomte en vogelvlught.

Ach Dafnis, zong zy, ach!

Wat gaet u, Ridder, aen?

Zoo dit uw moeder zagh,

Het hair te bergh zou staen.

Is 't groen, daer ghy op staet,

Dan 't engh en veel te naeuw,

Dat ghy 't verwislen gaet

Voor 't wilde en woeste blaeuw?

Versin eer ghy begint,

En hou uw oude buurt,

Denckt wat de zee verslindt,

Als zij den afgrond schuurt,

En gaept den Hemel toe,

En grimt dat alle Goôn

Optrecken, zorgens moê,

Hun aangevochten troon.

Wat is hy overstout,

Die leven, lijf en ziel

Den lichten wint betrout

Op 't drijven van een kiel.

En stuyft ter weerelt uyt,

Daer loot geen gronden peilt,

Daer 't schip aen starren stuyt

En door de klippen zeilt.

Noch hiel ick u te goe,

Indien uw trotse moedt

Niet reede een oorloogh toe,

O gruwel! op den vloedt,

Op grondeloosen plas

Te vechten, lijf aen lijf:

Die bodem is van glas,

O Reuzen, treet niet stijf.

Te lande is vlughtens troost,

De wanhoop drijft in 't schuym,

Och! of ghy 't land verkoost.

Ghy schudt helmet en pluym,

En slaet mijn beden af,

Wel aen ick neem geduldt,

Ghy kiest dan 't levent graf

En ick blijf zonder schuldt.

Ten minste denck aen my,

Wanneer ghy, als Jupijn,

Zult op uw vyants zy

Met blixems woênde zijn

En Hollants zeebanier

Met hoop van zege voên

En braken vlam en vier

In 's Konings galioen.

Dan denck eens, hoe 't mij kruyst,

Als ghy den Spanjaart tart,

Met 't slaghswaert in de vuyst,

En duy 't zorgvuldigh hart

Van uw Sireen dien raedt

Altijt ten beste na:

Mits ick uw schipbreuk haet,

Niet naar uw leven sta [27].

In de afwachting van den dag, waarop de vertrokken zeeman zou

terugkomen, waren de zusters haars vaders huis blijven bewonen. Wij

leeren dit o. a. uit het slot van een gedicht tot lof der zeevaart,

't welk Vondel omtrent dien tijd zijn vriend Reael had toegezongen.

Wy naecken Schreyers hoek, daar lieffelijck en bly

Een waterlandsche Rey, de juffertjens van 't Y,

Met ongehuyfde pruyck en kletten [28] geestigh singen,

En nae den toon van sangh en spel hun treden dwingen.

Twee Diertjens [29] in dien hoop aenminnigh groeten ons,

D' een volght met soet musyck des anders violons.

En hebben toegewijt haer kuysheyd Phoebus suster.

Laet vallen 't ancker, stryck, hier is de vloed geruster.

Hier gaet noch eb noch ty, hier hoort men geen geruys.

Hier open ick mijn reis in 't saligh Roemers huys.... enz.

Na behouden reis en terugkeer der Bruid,

toen de faem op Schreyers toren sat

En bruyloft bruyloft blies, en noodighde al de stad

Op 't schaterend bancket, beluyt wet soete rijmen,

Van 't Noorden Krombalck quam, verzelschapt met God Hymen.

Wij keeren, na deze uitweiding, tot onze beschouwing

terug. Tesselschade stelt--als wij gezien hebben--haren Bruigom voor

aan Huyghens, die hem nog niet heeft aangetroffen, en hem in heusche

bewoordingen gelukwenscht. De zeeman beantwoordt met beleefdheid den

handdruk en den groet des hovelings; maar toch vertoont zich in zijn

wedergroet niet die ongedwongenheid, die hem anders zoo eigen is:

't is of hij zich tegenover Huyghens minder dan tegenover elk ander

op zijn gemak gevoelt. En geen wonder: hij weet, hoe hoogen prijs

zijn liefste op het verkeer met Huyghens stelt: hij weet, welke

innige gemeenzaamheid tusschen hen beiden bestaat, en, al heeft

hij de overtuiging, dat het gevoel van Tesselschade voor den jongen

hoveling niet dan zuivere, zusterlijke vriendschap is, en niets te

kort doet aan hare liefde voor hem, Crombalgh, geen Bruigom bestaat

er, die zich bijzonder voelt aangetrokken tot den man, die reeds vóór

hem met zijne Bruid op een gemeenzamen voet verkeerde, die beweren

kan ouder brieven te hebben dan hij, en die haar zijn "kameraadje"

noemt--al is 't dan maar om 't rijm.

Maar Huyghens let niet op die koelheid van Allart. Hij heeft het oog

gewend naar de blonde, met lauweren gekapte speelnoot der Bruid, de

bevallige Machteld Van Kampen, die op dit oogenblik tot hem genaderd is

en hem op een zilveren schenkblad de bruidstranen aanbiedt--en zie! een

hooge blos kleurt zijn gelaat, terwijl hij een der ingeschonken

roemers tot zich neemt. Maar zijne tegenwoordigheid van geest verlaat

hem niet. "Schoone juffer," zegt hij, met eene hoffelijke buiging,

"geboden mij plicht en genegenheid niet, dezen roemer aan Bruid en

Bruigom te brengen, ik had hem reeds ter eere eener zoo bevallige Hébé

geledigd."--En nu is het de beurt der juffer te blozen en zich met

eenige verlegenheid terug te trekken: verlegenheid, ja; want er bevindt

zich onder de aanwezigen een jongeling, die haar met de oogen volgt,

en wiens hart reeds in bitterheid ontstoken is tegen den Hagenaar,

in wien hij een medeminnaar ziet.

En nu, nu zou ik gaarne met u, waarde lezer! aan het Roemershuis

verblijven om er de feestvermakelijkheden bij te wonen en mede

aan te zitten aan het overvloedige banket en te luisteren naar

de gesprekken der opgewekte dischgenooten, naar de muziek, achter

tafel uitgevoerd, naar de liedjes, door de speelnoots gezongen, naar

de bruiloftsdichten, door dichters en rijmers voorgedragen. Maar ik

vrees, dat die gesprekken, hoezeer dan ook tusschen de uitstekendste

vernuften gevoerd, veel van hun zout en aardigheid zouden missen

voor u, die niet zijt ingewijd in de nieuwtjes van den dag, in al

de bijzondere betrekkingen en omstandigheden van de sprekers, of

zelfs in de taal van die eeuw. Ook om de geestige scherts kan alleen

hij lachen, die haar verstaat, en ik vrees, dat het snarenspel, al

streelt het de ooren der gasten als hemelval, in de uwe, die aan

meer ingewikkelde muziek gewend zijt, te schraal zou klinken, ja

dat zelfs de beurtzang van Francisca Duarte en Machteld Van Kampen

u te eenvoudig zou voorkomen: maar vooral vrees ik, dat gij in

slaap zoudt vallen bij de verzen, die men voor zal dragen; 't moge

der moeite waard zijn, Vondel te hooren: zijn feestdicht, hoe vol

fraaie brokken en vernuftigen zwier, zou u te lang en te mythologisch

voorkomen. Bovendien, wij zijn wandelaars en moeten weer verder voort:

wij zullen dus het gezelschap vaarwel zeggen, terwijl ik u alleen,

bij wijze van toegift, nog vertellen wil, wat het gevolg was van den

indruk door de verschijning van de gelauwerde Machteld op Huyghens

gemaakt. Hoezeer hij door hare bevalligheid, haar geestig onderhoud,

haar zang en snarenspel getroffen werd, getuigt de brief, dien hij,

kort na zijne terugkomst te 's-Gravenhage, aan Tesselschade schreef:

Aen joffrouw

Tesselschade Visschers.

Nieuw-getrouwde.

Teere leerlingh van de Trouw,

Onlancks Maeghd, onlancks vrouw, [30]

Tesselschade, die uw gade

Hebt gevonden, niet te spade,

Hebt verbonden, niet te vroegh,

Van de wonden die hy droegh;

Heeft u noch in 't nieuwe leven

d' Oude vriendschap niet begeven,

Huyst gy noch in uw gedacht

Die die huysingh, als gepacht,

In uw vriend'lickheit besaten,

Doe ghy, eenigh by de straten,

Eenigh t' huys, en om uw bedd

Met de eenigheit besett,

Spotte met des jongens toortsen [31]

Die u doch met sijner koortsen

Onafbiddelijcken brand

t' Uwer beurten heeft vermant?

Zijt ghy noch bedenckens machtigh,

Hoe de Herten, heet en jachtig,

Na de beeck te koelen gaen,

Die de min ten doele staan?

Leent my dry der toover-woorden,

Die soo menigh oor bekoorden,

Dry aen 't schoone Lauren-Hooft [32]

Dat het mijne van my rooft...

Seght haar, Wie? Oh! vraeght niet verder,

Seght haer hoe een Haeghse Herder....

Onbewogen voor de vonk

Van soo menig' minne-lonck....

Endelick de fiere schichten

Van haer' ongemeene lichten

Heeft onmogelick gesien

d' Overwonnen borst te bien....

Na vervolgens aan Tesselschade al de dwaasheden te hebben geschetst,

tot welke de liefde hem vervoerd had, roept hij hare hulp in; zij toch

heeft hem met Machteld in kennis gebracht; zij is er de schuld van, dat

hij verliefd is geworden en moet hem dus tot "soete voorspraak" zijn,

en zoo de juffer weten wil, wie het is, die naar hare hand vraagt,

tot haar zeggen: dat het iemand is, den meer bezadigden leeftijd

genaderd;--terwijl hij haar verder dit afbeeldsel van zichzelven in

den mond geeft:

't Welgevall van schoone leden

Schreef hem niemand toe met reden:

Aen het bruynen van sijn huyt

Kijkt de Haeghse Herder uyt;

Maer hy dunckt sich selfs te blosen

Als de morgenstondsche roosen,

Zedert hy den wederslagh

Van haer oogh in 't sijne sagh.

Soo verlicht der Sonnen-luyster

Aller wegen alle duyster,

Soo is heel den Hemel schoon

Om het bij-zijn van de Goôn.

Overwicht van gulde schijven

Die 't ter wereld al bedrijven,

Meer als noodelycke Munt

Heeft sijn ster hem niet vergunt;

Weinigh maeyen, weinigh ploegen,

Klein besitt in groot genoegen,

En dat middelmaetigh veel,

Zijn gevallen tot sijn deel.

Maar sijn nieuwe Min-gedachten,

Heele dagen, halve nachten,

Zijn sijn schatten in 't gemoed,

Daer hy ryck af heeten moet.

Voorraet van gegeten letteren

Om geleerde t' overschett'ren,

Schuylt er weinigh in sijn hoofd,

Waer het evenwel geklooft.

't Waer vol letteren te vinden,

Letteren, die harten binden,

Maer met hope van gena,

Soete lettren M. V. K.

Sterre-stocken aen te stellen

Om de fackelen te tellen,

Om de keerssen ga te slaen,

Die het Hemel-holl begaen

Zijn gesifte wetenschappen

Die sijn herssenen ontsnappen,

En de geesten van sijn oogh

Weygeren haer vier soo hoogh;

Maer twee helderer Planeten

Zijn de doelen van sijn weten

En de sterren die hij schiet

Hooger hemel kent hij niet.

Stemme-streelingh, snaren-krabb'ling,

Is een konstelicke brabb'lingh,

Die sijn handen en sijn keel

Niet en kennen als ten deel,

Maer, al stinckt het eigen roemen,

Laura [33] kan sijn keel niet noemen.

Of sy staet er af en trilt

Als een Eicken rijs in 't wild;

Snaeren kan sijn hand niet raecken,

Die wat Laura's-achtig kraecken,

Of sijn vingers gaender af,

Als een viervoet naer een draf.

Daer dan hand en keel vergaeren,

Laura zeggen al de snaeren,

Laura kort en Laura langh

Zijn de Noten van sijn sangh.

Verr en versch geraepte Rijmen,

Regeldicht aen een te lijmen,

Hooger sweven als 't geberght

Is sijn pen te veel geverght;

Kruypen kan hy, gaan en springen

En gelijcks der aerde singen;

't Water dat de Rijmers maeckt,

Heeft sijn lippen noyt genaeckt.

Maer de wel gevoeghde giften,

Die den Hemel door de siften

En het keurlijck onderscheid

Van een' milde gierigheid

Over haer beminde kuyven

Nederwaarts heeft laten stuyven,

Kittelen sijn aandacht nauw;

't Vliegen wordt hem wel soo gaeuw

Als de best-gewieckte vliegers

(Dat 's Poëtelickste liegers)

En sijn afgevlogen dicht

Rijst hem selven uyt 't gesicht.

Seght haer dan, hy heeft den segen

Van de schoonheit niet gekregen,

Noch de geestelicke gonst

Van gesogen Letter-konst.

Sterren kan hij niet beroemen

Van de seven een te noemen

Op de Noten is hy schorr,

Op de Snaren vinger-dorr;

Rijmens is hy onervaeren

Als de Ploeger in de baeren,

Als de Zeeman in de Terw,

Als de blinden in de verw.

Evenwel 't bevalligh wesen

't Rijck, het ruym-gelettert wesen,

't Spelen dat by geen en lijckt,

't Singen dat maer 't uwe wijckt,

't Rijmen dat hy self kan achten

Houdt hij all' van uwe krachten,

Kont ghy 't schepsel van uw' sin

Min vereeren als uw Min?--

Schijnt sy na de min te hooren

Vatse vaster bij die ooren,

Seght haer dan als Alard sei',

Doe sijn krachtiger gevlei

Perste door de koele korsten

Van uw overvrosen borsten

En uw Ys-lijck' ongena

Dede doijen in een Ja.

Dese sijn de scherpste pijlen

Die wy samen konnen vijlen;

Soo haer dan de tegenstand

Van een herder Hert vermant:

Tesselscha, hoe sal ick 't herden?

Ghy, vergeefsche Tolck te werden,

En, oh armen, ick! en ick,

Proye van mijn eigen strick.

Sullen niet mijn eigen schachten

Met de woeckerloon van krachten

Keeren op het brosse bloot

Van de schutter diese schoot?

Oh! ick spel het langh te voren,

Lieve Tolck! ick sal 't besmooren,

'k Heb geen' Lauwer op de muts

Tegen sulcken blixem-bluts.

Wil 's haer dan in bloed vermaecken?

Ja sy;--'k sie de dood genaecken.

Neen sy; 't is geen Maeghden-deughd;

Ja sy; 't is onnoosel' vreughd;

Neen sy; 't Mocht haer namaels rouwen;

Ja sy; Droefheit kan verkouwen:

Neen sy; 'k heb het niet verdient;

Ja sy; om een liever' vriend.

Oey! daer waggelt mijn vermoeyen;

Tesselscha, om tijd te spoeyen;

Korte moeyt voor langh bediet,

Vraeght haer of sy wil of niet.

Tesselschade mag zich met dezen brief vermaakt hebben, zij vond

waarschijnlijk zich in de wittebroodsweken minder opgewekt, dien

te beantwoorden, en wellicht begreep zij, dat haar Allart die

briefwisseling met een jongen vrijer, al vrijdde die ook naar eene

andere, minder noodig achten zou. Had zij geen geheimen voor haren

man, zij had die evenmin voor Hooft: zij liet hem den brief lezen

en droeg hem de taak op, dien uit haren naam te beantwoorden. Dat

antwoord begon aldus:

Koelte van Antwoordt

Op Vuur en Vlam

van den Heer

Constantyn Huigens, [34]

vorderende van Joffrouw Tesselscha Visschers, nieuwgehouwde met den

Heer Alaard van Krombalgh2, voorspraek bij Joffrouw Machtelt van Kapnem

[35].

Nuchtre montje, minnevastert [36]

Hoe komt u vrouw Venus bastert [37]

Dus geloopen in het hooft

Dat u teffens zijn ontrooft

Loddertong en troeteltaalen,

En ghy willigs in moet haalen

Om voor u te houden 't woordt.

Woorden krachtig om bezweeren,

Quaadt van buitene te leeren,

Zijn noit opgezocht door my

Uit Armidaas boekery

Noit en heb ik neus gesteken

In de snoo bibliotheken

Van Médé of Circe. Trek

Om van vlees te maken spek [38]

Had ik noit. En zoo mijn gorgel,

Dien ghy prijst als waer 't een orgel,

Iet kolachtigs heeft geseit,

't Moest mij wesen aangeweidt [39]

Vastaartje, beleefde baasje,

Wil je nu juist op een aasje

Weegen, wat ik my mishad,

Toen ik u te bruiloft had

Aan des Ys en Aamstels zoomen?

Zeg me, wie zoud' darren [40] droomen,

Wie zoud' darren denken, dat

Oogenvlam zoud' konnen vat

Op uw schootvrij borstjen vinden?

Hebben niet als duistre kleuren

Mogen uwen huit gebeuren,

Neemt daer inne geen verdriet

Koop en zal dat breeken niet.

Vaaken zagh ik 't meisjen tasten

Naa de karssen bruinst van basten.

't Heeft zoo wel verstandt daar of

Als de grootsten van het hof.

Heb je niet te veel van duiten,

Dat doet meenigh huwlijk stuiten.

Maat in geldtkas luidt zoo wel

Niet, als maat in zangkappel.

Wil je jaagen zulk een wiltje,

Laat haar, door uw gulden briltje,

Niet kleen zandt of ander gruis

Of de schoonheit van een muis,

Maar tot onder in den rijken

Welgespekten geldkist kijken:

'k Wed u, dat dukaat en kroon

Straalen als mijn bruiloftstroon.

Laat van geene zeedigheiden

U altoos zoo ver verleiden,

Dat ghy minder zegt als 't is

Dat waar 't heele doelhuis mis.

Maar wie plagh dus voor te stuiven

Als ik doe: die zoek te schuiven

Van my huwlijkmaakers last

En ik hylikmaak al vast....

Venus kint, de looze stooker

Betren pijl in uwen kooker

Vinden kan, dan ik u zen

Al en waar het maar uw pen,

Vleidt ghy my om Alaards vleyen [41]

't Meeste zeid' hy als hy zweegh.

't Vuur en moet hem zeer niet bijten,

Die zoo luide brand kan krijten? [42]

Door een keel, daar hette in haart [43]

Wil geen stemme bovenwaart,

Dacht ik, in 't gelaat van dezen

Kunnen enkele oogen leezen

Wat in 't hart geschreven staet.

Alaards woordeloose praatje

Meest heeft uitgekipt het jaatje....

Dat wat lager dan mijn krop

Lagh als in een yrendop.

Evenwel ik kan niet zeggen,

Dat gy 't ook zoo aan moet leggen.

Hachelijk waar zulk een raadt.

Wat weet ik hoe zij 't verstaat,

Ieder eene moet men zoeken

Naar haar aangezicht te doeken,

Mislijk oft zy waar gestelt

Op wat woorden voor haar geldt.

Vastaartjen, hoe 't zal gelukken

Zoudt my konst zijn uit te drukken.

Altijd is het vraagen vry

En het weigren staat er by.

Zou ze zulk een storrem afslaan:

Neen ze: ziet gh' haar voor zoo straf aan

Jaa ze: zy gelooft te laauw

Neen ze: Vastaart is te gaauw.

Jaa ze: z' heeft geen zin in zoenen

Neen ze: Minnezon doet groenen.

Jaa ze: z' hangt haar moeder aan.

Neen ze: dat kan overgaan.

Jaa ze: z' is te jong van jaaren.

Jaa z': hy heeft der daegen veel.

Neen ze: 't is het passe scheel.

Zoetjes; toef wat, nog een woordtjen

Ik u bijten moet in 't oortjen,

Dat myn hoofjes rammelrad

Schoontjes schier vergeten had.

Spreekje 't meisjen blond van haaren

Past vooral haar te verklaaren,

Klaarder dan ghy 't my bediedt,

Vastaart, oft ghy 't meent oft niet.

De scherts, welke Hooft zich onder Tesselschades naam jegens Huyghens

veroorloofd had, smaakte dezen laatste maar half; althans aan het

slot van een ander gedichtje, 't welk hij haar iets later zond,

verzocht hij haar vriendelijk, er Hooft buiten te houden:

Tesselschaedje

Kameraedje,

Die dit praetje

Uyt mijn hert

En van binnen

Uyt het spinnen

Van mijn sinnen

Hebt ontwert,

Hebt het, hout het,

Sluyt, ontvouwt het,

Siet, aenschouwt het

Als belooft,

Maar, bewogen

Uyt medoogen,

Sonder d' oogen

Van uw Hooft.

Of hij nu bij de schoone Machtelt een blauwtje liep, dan of hij zich

voorzichtig in tijds terugtrok, toen hij bemerkte, dat een ander in

haar hart reeds de plaats had ingenomen, weet ik niet; zeker is het,

dat hij, om van de zaak met eere af te komen, die later als eene

grap behandelde, en boven zijn brief aan Tesselschade, eer die in

't licht kwam, het woord Jock plaatste.

Wat de blonde Machtelt betreft, wel had ik gewenscht dit hoofdstuk te

kunnen sluiten met de vermelding, hoe zij den man harer keuze huwde

en eene gelukkige gade en moeder werd.--Maar helaas! het was anders

beschikt: zij stierf toen de Mei in het land kwam, als verloofde:

gelijk wij uit de navolgende aandoenlijke regels van Vondel leeren:

De May, veraert en slinx, die trof ons maeghdepuyk,

O Maghtelt, toen zy u benyde 't jeughdig blosen.

Een andre bloem verwelckt, gesneden van haer struyck,

Maar blancke lelie, och! in 't midden van de roosen,

Men u op uwen steel sagh flaeuwen en beswymen,

Die waert des vreyers wensch, der oudren soete hoop.

Uw geest gebluscht is en de fackel van uw Hymen,

't Is kostlyck, dat om gout noch tranen is te koop.

Vertellingen van vroeger en later tijd · 第 5 / 51 题