Vermoeid en mistroostig gaat hij tegen de leuning van de brug

staan en wacht tot er iemand voorbijkomt, wat ruim tien minuten

duurt. De eerste, die zich opdoet, is blijkbaar geen lid van het

Afschaffingsgenootschap, hij beschrijft allerlei halve cirkels en

bogen op de brug en zwaait hem eindelijk voorbij. De tweede is een

schroomvallige heer, die hem op zijne nadering voor een bedelaar

aanziet en haastig doorstapt, zonder hem te woord te staan: de derde,

die met drift komt aangeloopen, heeft blijkbaar groote haast, doch

luistert niettemin naar de vraag, die tot hem gericht wordt.

--"Zou mijnheer ook kunnen zeggen, waar ik W 424 moet zoeken? Ik heb

geloopen van het begin der Keizersgracht af tot hiertoe, zonder het

te vinden."

--"Ik weet niet, misschien moet je aan de overzij wezen," antwoordt

de voorbijganger, zonder stil te staan en vervolgt met versnelde

schreden zijn weg.

--"Aan de overzij!" herhaalt onze Belg, in wanhoop, "aan de

overzij!" en een licht, ongelukkig een bedrieglijk licht, gaat

voor hem op. "Dwaas, die ik was, niet te beseffen, dat de eene kaai

zoogoed Keizersgracht moet heeten als de andere. Nu ben ik zeker den

verkeerden weg geloopen en moet ik langs de andere zijde terug. In

's hemels naam dan!"

Hij hervat zijne wandeling; doch nu in omgekeerde reden: hij heeft

de binnenste zijde van den dubbelen boog, dien de Keizersgracht

beschrijft, afgeloopen, en, onbewust dat, achter zijn rug, over die

rivier, welke hij als eene uiterste grens beschouwt, nog eene tweede

Keizersgracht ligt, onbewust, dat hij zich met elke schrede al meer

en meer van het voorwerp zijner nasporingen verwijdert zet hij deze

langs den buitensten boog weder voort.

Hij beproeft nogmaals de huisnummers te lezen. Helaas! het is

middernacht geslagen. Aan de huizen branden geen lantarens meer.

Hij wil in de tapperijen inlichting vragen: men ziet hem voor een

stillen verklikker aan: men roept hem toe, dat men na klokke twaalf

niet meer opendoet en men grendelt de deur dicht. Hij wendt zich tot

de klepperlui. Zij verzekeren hem achtereenvolgens, dat de Buurt,

waar hij zich bevindt, de letters AA, BB, of CC draagt; maar zeker

niet Buurt W is:--en dat hij veel verder zal moeten wezen.

Weldra kan onze wandelaar nauwelijks meer den eenen voet voor den

anderen zetten. "Helaas!" denkt hij, "dat zijn hier ook al de Parijsche

of Londensche trottoirs niet!"--en al meer en meer zwaarmoedig en

bedrukt strompelt hij verder.

Het is pijnlijk, toestanden te beschrijven, gelijk aan die,

waar onze vreemdeling in verkeerde; ik wil dan ook al de

gewaarwordingen niet ontleden, welke hij op zijne verdere wandeling

gevoelde: gewaarwordingen van afgematheid, van ongedurigheid, van

twijfelmoedigheid, van verlegenheid, van spijt, van angst. Genoeg

zij het te zeggen, dat, zoo hij onder 't voortgaan nog altijd eenige

hoop had gevoed de gezochte woning te vinden, en daardoor nog eenigen

moed om zijne nasporingen niet op te geven, beide, hoop en moed,

zijn boezem geheel verlieten, toen hij zich eindelijk weder aan de

Brouwersgracht bevond: vlak bij de houten brug, aan wier overzijde

hij zijn ontdekkingsreis begonnen was.

Waar hij per slot onder dak kwam en hoe laat het toen was, weet ik met

geen zekerheid te zeggen: dit weet ik alleen, dat het niet was ten

huize van den heer X. Smit. Niet voor den volgenden morgen kwam hij

daar te land, nadat hij het adres van 't huis uit zijn brieventasch

had gehaald en de woorden, welke hij als overtollig had beschouwd,

den voerman, die er hem heen zou brengen, op den weg hadden geholpen.

Hij had nu althans de ondervinding opgedaan, dat men, om in Amsterdam

iemand te vinden, aan het nummer weinig heeft, zoolang men den naam

der gracht of straat, waar hij woont en die der aangrenzende grachten

of straten niet van buiten heeft geleerd.

Zeker is dit niet altijd even gemakkelijk, en leert het hier gegeven

voorbeeld, hoe fraai het nummeringstelsel te Amsterdam berekend is,

om de vreemdelingen, ja zelfs de Amsterdammers, in de war te brengen.

Tot hun troost kan ik hun in 't voorbijgaan zeggen, dat in Den Haag

een nog dwazer stelsel gevolgd wordt:--daar voert ieder huis drie

nummers in plaats van een.

Zoekt men daar iemand, die b. v. in No. 120 heet te wonen, dan kan

men bijna zeker zijn, dat aan de huisdeur op den eenen deurpost 120,

op den anderen 121 te lezen staat, behalve nog een nummer, dat grooter

is:--doch op de huisdeur van den buurman vindt men 119 en 120. Op

welke van de beide getallen 120 moet men nu afgaan? Ik heb eens het

geheele Voorhout driemalen rondgewandeld, om een mijner toenmalige

ambtgenooten te zoeken, die er woonde en wiens huisnummer ik had

opgeschreven. Ik vond dat nummer driemalen terug, en daar ik niet

gaarne aan een verkeerd huis aanschel--aanbel moet ik hier zeggen,

daar 't Den Haag betreft--liep ik weer naar mijne kamer zonder mijn

bezoek te hebben afgelegd.

--"Maar," zal iemand mij toevoegen, "gij cantator temporis acti! was

het dan, in vroeger tijd, toen er nog geen huisnummers bestonden,

nog niet veel moeilijker iemands woning te vinden?"

--"Volstrekt niet," antwoord ik met vol vertrouwen, "want toen was er

geen huis, dat zich niet door zijn eigen naam onderscheidde, of althans

in de buurt gelegen was van een zoodanig, door geheel de stad bekend

gebouw. Men had den Bonten Mantel, de Reaal, de Vergulde Pers, den

Gouden Ketting, den Pool, den Moor, den Atlas, de Moriaantjes, Parijs,

Zeerust, 't Paradijs, 't Nieuwe Testament, den Liesveldschen Bijbel,

de Lelie onder de doornen, enz. enz. en geen kind, dat u niet terecht

kon wijzen. Ik heb in het derde deel mijner uitgaven van Vondel het

opschrift vermeld van een couvert, dat Tesselschade aan Vondel zond:

"Aan Sr. J. Van den Vondel in de Trouw in de Warmestraat."--Had onze

Belg toen geleefd en Vondel willen bezoeken, hij zou niet verlegen

zijn geweest, om hem uit te vinden. Ieder wist, waar de Warmoesstraat

was en ieder kende "de Trouw."

Het zijn juist de nummers, die de oude namen, waaronder de huizen

bekend waren, op zeer enkele na, hebben doen vergeten.

Maar is er, nu die namen eens vergeten zijn, een middel uit te denken,

waardoor het gemakkelijker worden zal, een opgegeven huis te vinden?

Ik hou het er voor, dat men op onderscheidene wijzen dat doel bereiken

zal: en ik zal de vrijheid nemen er eene aan de hand te doen;--doch

zulks vordert wel een afzonderlijk Hoofdstuk.

Over de middelen, om iemands woning spoedig te doen vinden.

De groote zwarigheid, welke te overwinnen valt, is, dat men iemands

woonplaats, vooral wanneer die op eene lange gracht of in eene lange

straat gelegen is, niet dan met eene zeer omslachtige bijvoeging

kan uitdrukken. Ik heb zelf meermalen ondervonden, hoe vervelend het

is, vooral wanneer ik haast had of het stortregende, genoodzaakt te

wezen aan den koetsier der vigilante op het spoorwegterrein, voor

te dreunen, dat hij wezen moest "op de Keizersgracht, tusschen de

Leidsche-en Spiegelstraten, aan de donkere zijde, bij Van Lennep,

de vijfde platte stoep van de Spiegelstraat af."--Gelukkig nog,

wanneer de chef der vigilantes, die mij kent, zijnen voerman toeriep:

"Over Van Dillen!"--Van Dillen is een stalhouder en woont schuins

tegenover mij.--En dan reed ik weg, peinzende over de kleine wonde,

mijner ijdelheid toegebracht, en over het betrekkelijke van iemands

vermaardheid.

Wat is er nu te doen, om het opzeggen van zulk eene litanie onnoodig

te maken. Op het adres van een brief kan men volstaan met Buurtletter

en nummer op te geven;--doch daar deze alleen bij de post bekend zijn,

dient men in alle gewone gevallen tot een ander middel zijne toevlucht

te nemen.

Ik zou, wat mij betreft, het niet ongepast achten, dat men alle lange

grachten en straten, van dwarsstraat tot dwarsstraat, door een tweeden

naam onderscheidde. Ik wil hier wederom, als in 't vorige Hoofdstuk,

de Keizersgracht tot voorbeeld nemen.

Aan die nieuwe indeeling, welke ik voorstel, zoude ik nog een ander

nut willen verbonden hebben. In Parijs vindt men een aantal straten,

die naar hare bijzondere bestemming, doch ook eene menigte, die tot

herinnering van gebeurtenissen of personen genoemd zijn. Zoo brengen de

namen als "Rue d'Amsterdam, de Helder, de Breda, de Vienne, de Berlin,

de Moskou", nog aan den Franschman den roemvollen tijd voor den geest,

toen zijne zegevierende vanen door geheel Europa wapperden. Zoo houden

opschriften, als Rue Racine, Rue Jean Jacques Rousseau, Quai Voltaire,

Quai Beaumarchais, Rue Favart, Rue Marivaux", enz. de gedachte bij

hem levendig aan mannen, op wie zijn land zich verheft.--Aan iets

dergelijks is hier te lande nimmer gedacht geworden. Men heeft te

Amsterdam, na veel passen en meten, eene plaats gevonden, waarop men

een standbeeld voor Rembrandt kon oprichten;--doch standbeelden zijn

duur en de plaats om ze te stellen niet meer te vinden:--er bestaat

echter een minder kostbaar middel om mede te werken tot het in eere

houden der nagedachtenis van groote mannen:--men schenke hun naam

aan de straat, waar zij geboren zijn, gewoond of gewerkt hebben.

Welnu, welke zwarigheid zou er bestaan, dit beginsel ook in Amsterdam

in toepassing te brengen?--Wij staan wederom aan het houten bruggetje,

waar onze wandelaar zijne reis begon. Op deze gracht, tegenover

de Groenlandsche Pakhuizen, was de woning van den doorluchtigen

Schrijver der Nederlandsche Geschiedenis. Wat zou er tegen zijn,

deze gracht te doopen: "Keizersgracht, Hooftkaai?"

Deze naam moet nu in mijn stelsel gelden zoowel voor de eene als voor

de andere zijde der gracht. Doch opdat nu niemand in de onzekerheid

verkeere, aan welke zijde hij het huis moet zoeken waar hij wezen

wil, zoo bezige men aan de zijde, die het naast aan het IJ gelegen is,

uitsluitend evene getallen, en plaatse de onevene aan de overzijde. Zoo

telle men hier, van de Brouwersgracht af, met 2, 4, 6, 8 enz., en aan

de overzijde, waar de kerk staat, 1, 3, 5, 7 enz., zonder de nummers

te laten doorloopen nadat men de straat voorbij is.

Op de volgende gracht woonde de vermaarde regent en geneesheer

Tulp. Zou het slecht klinken zoo men sprak van: "Keizersgracht,

Tulp-Kaai, No. 2, 4 enz.?"

Over de Westermarkt staat de grootste van al de bijzondere woningen

in Amsterdam, en hij, die deze woning bouwen liet, was een groot

en wakker man. Weet iemand een beteren naam voor die gracht, dan:

"Keizersgracht, Huydecoper-Kaai?"

Tusschen de Harte-en de Wolvestraat heeft een vermaard regent

gewoond, die het Stadhuis hielp bouwen en den vrede van Munster hielp

sluiten. Is er iets tegen: "Keizersgracht, De Graef-Kaai?"

Bestaande namen in eere te houden is plicht. De gracht, die volgt,

wordt reeds genoemd: "de gracht van Felix", en, der "verdienstelijke

maatschappij" indachtig, zou ik haar geen anderen naam willen geven

dan: "Keizersgracht, Felix-Kaai."

Nabij het Molenpad had Hemony zijne werkplaats, de door Vondel

bezongen Hemony, de gieter van bijna al de torenklokken, waardoor

ons vaderland boven elk ander land beroemd is. Huldigen wij Hemony,

wiens klokkenmuziek ons nog bij feestelijke gelegenheden in de ooren

dreunt, door de gracht, waar hij arbeidde, den naam te geven van:

"Keizersgracht, Hemony-Kaai."

Het zou mij geen moeite kosten op gelijke wijze voort te gaan en

een onderscheidenden naam te vinden voor elke afdeeling van de

Keizersgracht, ja van alle grachten en straten van Amsterdam. Doch

een van beide zal gebeuren: óf mijn voorstel wordt alleen met een

medelijdend schouder-ophalen beantwoord; en in dat geval wil ik niet

meer moeite aan deze zaak besteden dan noodig is, om te bewijzen dat

het plan uitvoerbaar is,--óf het Bestuur neemt mijn denkbeeld over,

en dan acht ik het min gepast, der commissie, die in dat geval benoemd

zal worden, het genoegen te ontnemen, om zelve de meest geschikte

namen te kiezen en voor te dragen.

Ziet! nog dit eene: Rembrandt heeft een standbeeld, en, zoo iemand,

hij verdiende het te hebben. Maar is het daarom billijk, dat Vondel

en Bilderdijk, dat Blaeu en Quellin, dat Vossius en Van Baerle, dat

Surlingh en Van Bree, dat Le Maire en Trip, dat Van Beuningen en Reael,

dat De Ruyter en Van Galen de vereering, waar zij aanspraak op hebben,

zouden missen?

Een hoofdstuk, dat tot inleiding moet dienen voor eenige volgende.

Het doet mij goed, wanneer ik door Amsterdam wandel, mij te

verplaatsen in vroegere dagen: ik denk dan de leelijke, smakelooze

Stad der negentiende eeuw weg, om de vroolijke, pittoreske Stad van

voorheen voor mijne oogen terug te tooveren: ik zie dan--in plaats van

vierkante steenmassa's, die voor Gemeentehuis, Paleis van justitie,

enz. enz. moeten doorgaan, en wier naakte gevels, van vierkante gaten

voorzien, zelfs door geen symbool de bestemming van het inwendige

verkondigen--schilderachtige gebouwen, met torentjes, kanteelingen,

gewelven, pilaren en bordessen: in plaats van woonhuizen, die op het

getal der vensters en de plaatsing van de deur na, alle precies op

elkaar gelijken, alle even stijf, even leelijk, evenzeer verstoken van

wat eene architectonische gedachte zou bewijzen--eene verscheidenheid

van aardige, nette woningen, bontgeverfde luiken, met uitspringende

bovenverdiepingen en nog verder uitspringende luifels, banken en

stoepen, met grillig gevormd beeld- en lijstwerk, met zinnebeelden

en uithangborden: in plaats van monsterachtige goederenwagens en

omnibussen, die den armen voetganger van de kleine steentjes op

de stoepen, zoo niet in de kelders, drijven--speeljachten, tent-

en roeischuitjes, die in de gracht blijven en niemand hinderen: in

plaats van smakelooze zwarte hoeden, zwarte rokken, zwarte jassen,

zwarte buizen, zwarte paletots en zwarte pantalons--mantels

en bovenkleederen van alle snede en kleur, rijk voorzien van

passementen en borduurwerk [1]: in plaats van luchtige karwatsen en

dunne rietjes--fiksche rijzweepen, stevige stokken en stootdegens: in

plaats van biljartspelers en jeneverneuzen--kolveniers, boogschutters

en bierbuiken; in plaats van fatsoenlijke straatslijpers, die sedert

jaren om een postje bedelen, en inmiddels hun tijd in de sociëteiten

en koffiehuizen verbeuzelen--wakkere, vierkant gebouwde mannen,

die nauwelijks een half uur op den dag aan uitspanning schenken

kunnen, en, voor handel, nijverheid of kunst levende, tevens met hun

eigen roem of welvaart die van de stad helpen bevorderen: in plaats

van.... maar ik wil geene vergelijkingen meer maken: ik vrees reeds

in herhalingen te zijn vervallen, en, liever dan daar verder aan toe

te geven, verwijs ik den lezer naar blz. 3 [2].

Het was dan ook hier mijn doel niet zoozeer, opnieuw eene parellel

te trekken tusschen het Amsterdam van voorheen en dat van thans;

maar wel, sommigen onzer voormalige stadgenooten tot een afzonderlijk

punt van beschouwing te maken. Ik wil te dien einde, waarde lezers

en lezeressen, u uitnoodigen tot eene wandeling langs pleinen,

straten en grachten: en zoo menigwerf wij de plek voorbijgaan,

waar een huis stond of nog staat, welks vroegere bewoner zich een

naam verwierf, dezen uit den nacht der eeuwen opdagen, en u, voor

zooverre dit noodig mocht zijn, nader met hem in kennis brengen. 't

Zal eene tooverlantaarn zijn van bonte en vreemdsoortige figuren, die

ik u vertoon; want uit den aard der zake zal ik mijne beelden moeten

nemen, zooals zij zich achtereenvolgens voordoen, uit verschillenden

tijd, van verschillend slag en karakter;--doch die afwisseling zal,

naar ik mij vlei, hare pikante zijde hebben, en beletten dat mijn

werk--wat bij 't volgen van regel en methode al licht het geval zou

kunnen zijn--op een schoolboek gelijke.

In den Bril.

Wij beginnen onze wandeling van den Dam; maar wij stellen ons dien

voor gelijk hij was voor 450 jaren, toen hij nog den naam droeg van

"de Plaetse". Kleiner dan tegenwoordig en gedeeltelijk binnen andere

grenzen beperkt is de omtrek van het plein. Het Stadhuis, het tweede,

dat Amsterdam bezat, of liever, de tot Stadhuis verbouwde woning van

Katrijn Matthijssen-Heingenszoons-weduwe, staat veelmeer vooruit dan

het tegenwoordige Paleis, als komende met zijn voorgevel nagenoeg op

eene lijn met het midden van de Kalverstraat en den Nieuwendijk: het

paalt voorts ten noorden aan het Sint Elizabeths- of H. Geestgasthuis,

terwijl daarachter en daarnevens--om van een paar stegen en sloppen

niet te gewagen, alles is volgebouwd. Evenzeer is de overzijde,

tot op de hoogte der Krom-elleboog-steeg, met huizen bezet. Het

Waaggebouw, dat ik in mijne jeugd te Amsterdam heb zien afbreken,

bestaat nog niet; ofschoon de stad reeds van Albrecht van Beieren

het recht der waag verkregen had; doch op de plaats, waar het later

kwam te staan, tusschen den Nieuwendijk en 't Water, bevindt zich

een aantal woningen: en daaronder treffen wij een huis aan, met een

bril in den gevel gehouwen. Met den bewoner van dat huis, waarde

lezer! willen wij onze galerij openen. En hij heeft er recht op;

want niet één onder de ingezetenen van Amsterdam, die, vóór hem,

zich een naam en vermaardheid verwierf, die bij de zijne mochten

halen.--Zie! daar treedt hij zijne woning uit. De roode wrong, die om

zijn hoofd is geslagen, de violetkleurige tabberd, de rood fluweelen

tasch, die aan den gordel hangt, duiden aan, dat hij tot een deftigen

stand behoort; maar ook schijnen zijn vijftigjarige ouderdom en de

achtbaarheid van zijn voorkomen hem aanspraak te geven op den eerbied

zijner stadgenooten. En werkelijk, terwijl hij zich over straat en

naar 't Damrak begeeft, is er niemand van hen, die onder de hooge

luifels voor hunne woningen gezeten zijn, die niet oprijst, geen

der voorbijgangers, die niet de hand aan de kaproen brengt om hem

te groeten; want ieder kent hem en draagt hem hoogachting toe; en,

al is Willem Eggert een Gentenaar van geboorte, toch is hij met hart

en ziel aan zijne nieuwe woonplaats verknocht; en, zoo hij er zelf

welvaart en vermogen vergaderd heeft, hij doet er anderen ruimschoots

in deelen. Waar ter bevordering der stadsbelangen, ten nutte der

burgerij, ter ondersteuning van armen of lijdenden iets verricht of

gegeven moet worden, daar is Willem Eggert gereed, met raad en daad

te helpen: en zoo is het gekomen, dat evenzeer de deftigste magistraat

als de geringste dagloonersweduwe hem liefhebben en in eere houden.

Doch heden schijnt het, dat men hem met dubbele opmerkzaamheid,

met verhoogde belangstelling gadeslaat en, terwijl hij verder is

voortgewandeld naar de schuiten, die ginds in 't Water liggen,

volgeladen met koopwaren, voor zijne pakhuizen bestemd, is menigeen

blijven staan en hem naoogen, en vormen zich groepen van twee, drie

en meer personen, die zich blijkbaar over hem onderhouden, terwijl in

hunne blikken eene mengeling van verwondering, goedkeuring en tevens

van leedgevoel te lezen is.

Wat heeft bij hen die tegenstrijdige gewaarwordingen opgewekt? Wat is

de reden, dat, nu Eggert, na 't afdoen zijner zaken, huiswaarts keert,

enkele meer aanzienlijke onder zijne medeburgers hem staande houden,

eenige woorden met hem wisselen, hem geluk schijnen te wenschen, hem

de hand hartelijk schudden en toch verslagen van hem heengaan? Zij

is deze: voor eenige dagen is aan "de Bril" een ruiter afgestapt,

wiens kleed geruit was van zilver en lazuur, 's Graven hoflivrei,

en die zich lang met den bewoner onderhield: deze is daarop uit

de stad vertrokken en eenige dagen afwezig geweest, en na zijne

terugkomst is al ras rondgefluisterd, dat Graaf Willem VI hem, den

Amsterdamschen koopman, had benoemd tot Trezorier van Holland:--en

ofschoon nu iedereen erkent, dat niemand beter dan Willem Eggert

bij machte zijn zal, den verwarden staat der geldmiddelen van de

Graaflijkheid te herstellen, toch treurt ieder bij de gedachte, dat

hij Amsterdam verlaten zal; want het is allen klaar, dat hij daar

niet zal kunnen blijven wonen, en van daar de neerslachtigheid zijner

bekenden, nu hij hun vermoeden daaromtrent bevestigd heeft. 't Was

reeds een kwaad voorteeken, mompelt men, dat hij voor eenigen tijd een

slot aan "'t ende van de Purmer" liet opbouwen, om er--naar men toen

vreesde--zijne verdere levensdagen te gaan doorbrengen:--en toch,

die vrees werd niet bewaarheid en het is, om zijn bedrijvig beroep

met een niet min bedrijvig en geenszins met eene welverdiende rust

te verwisselen, dat Eggert Amsterdam verlaten zal.

Maar wederom hebben twee wandelaars hem aangesproken: en aan dezen

wil hij blijkbaar, behalve het bericht van zijn aanstaand vertrek,

nog iets wichtigs mededeelen. Hij stapt met hen "de Plaetse" weder

op, zijne huisdeur voorbij, over den Nieuwendijk, en.... verwonder u

niet te veel, lezer! wij zijn in 't begin der vijftiende eeuw--een

daarachter gelegen boomgaard in. Die boomgaard is zijn eigendom;

maar hij wil daar eene andere bestemming aan geven en, bij zijn

vertrek uit de Stad, aan deze een duurzaam geschenk achterlaten. Hij

wil haar dien boomgaard afstaan om daarop eene nieuwe kerk te bouwen

ter eere van St.-Katrijne, en de middelen, tot dien bouw benoodigd,

grootendeels uit zijne beurs bekostigen. De twee mannen, die met hem

gaan, zijn de Burgemeesters Symon Sael en Jean Beth. Het geslacht,

waartoe de eerstgenoemde behoort, is een van die, welke in het oude

rijmpje genoemd worden:

De Saelen, de Waelen, de Schaepen, de Ruischen,

Dat sijn er de oudsten van de dry kruysen.

De naam van den laatstgemelde is wellicht de eenige van dien tijd,

die in Amsterdam nog niet is uitgestorven.

Aan die beiden maakt nu Willem Eggert zijn voornemen bekend om op

dat erf eene kerk te stichten, en met aandacht, eerbied en erkentenis

luisteren zij naar 's mans taal.

En nu--voltooien wij wat aan de voorstelling ontbreekt: nog was

Willem Eggert niet naar 's-Gravenhage gereisd om zijn trezoriersambt

te aanvaarden, of de pereboomen in den boomgaard waren omgehouwen,

tal van arbeiders brachten de mastboomen aan, die in den drassigen

bodem geheid zouden worden en waarop de kerk zou komen te rusten.

Willem Eggert voldeed aan de verwachtingen, door den Graaf van hem

opgevat: hij herstelde den toestand der Geldmiddelen en oogstte er

den dank voor in zijns meesters, die hem met gunstbewijzen overlaadde,

hem met het slot en stedeken van Purmerende, het aangelegen Purmerland

en de dorpen Nek en Ilpendam beschonk, en zijn zoons tot ridders

sloeg. Maar tevens verwierf hij zich den haat van 's lands edelen,

naijverig op den eenvoudigen poorter, die, als zij, aan 's vorsten

disch gezeten was, die, als zij, een kasteel dorst bezitten, en

zich "Heer te Purmerende" teekenen, die, als zij, een wapen dorst

voeren--sabel met drie zilveren weerhaken [3] en, als zij, zijne

dochter [4] aan een edelman ter vrouwe geven. Maar wat kwellingen,

wat beleedigingen hij van hen te verduren had, hij troostte zich

met de bewustheid, dat hij jegens zijn God, jegens zijn gebieder,

jegens het Graafschap en jegens het hem dierbare Amsterdam zijn plicht

had vervuld. En wel had de stad aanleiding hem erkentelijk te zijn:

immers de oude kronieken getuigen van hem, hoe hij haar overschoone

privilegiën bezorgde en men van hem destijds zeide: "dat noyt eenich

burger haer profijtelijcker ofte aengenaemer is geweest dan hij."

Was het aan de gehechtheid, welke hij voor zijn meester voedde,

aan vrees voor hetgeen hij voortaan van een vijandig Hof te duchten

had, of wel aan hetgeen wij toeval noemen, te wijten, dat toen de

Graaf op den 30sten Mei 1417 overleed, Willem Eggert hem nauwelijks

anderhalve maand overleefde? Zoo tuigt althans het grafschrift,

dat nog heden in de Nieuwe Kerk, ten zuiden van het koor, ter

wederzijden van een balk, tusschen twee pilaren, te lezen is [5]:

"Anno MCCCCXVII den XV dagh in julio, starf den eerbaren Willem Eggert,

Heer tot Purmereynde, fundateur van dese kapelle, gedoyteert met twee

Vicariën, mede-fundateur van dese kerck, die begraven is onder dese

blaeuwe serck."

Aan den ontijdigen dood des vromen mans was het toe te schrijven dat de

kerk "niet en heeft tot al sulcke perfectie gebracht ende opghebouwt

connen worden als van aenbegin begrepen was."--Wellicht deed hier ook

toe, dat Jan Eggert, de eenige onder zijne zonen, die hem overleefde,

uit vrees voor den wrok der edelen, of om de woelingen, aan welke

't land ten prooi was, te ontgaan, Amsterdam verliet, zijn slot te

Purmerende verkocht aan zijn zwager Gerrit Van Zijl, en zich naar

Oostende metterwoon begaf.--Een ander lid van 's mans geslacht, Jan

Eggert Hartgerszoon, schijnt echter tot het voortzetten van den bouw

te hebben medegewerkt.

Nog eene andere stichting had de stad aan Willem en Jan Eggert te

danken, te weten van een college, in de Oude Kerk, ten einde de

getijden te zingen, en dagelijks een gedeelte van het Evangelie te

lezen en er, des Zondags, eene uitlegging van bij te voegen en andere

philosophische en theologische lessen te geven. Jan Eggert Hartgerszoon

voornoemd en Wendelmoet, zijne vrouw, breidden deze dotatie uit. Het

college zelf ging met verloop der tijden te niet; doch de boekerij,

daaraan verknocht, bleef in wezen, en, naar de Nieuwe Kerk verplaatst,

werd zij de kern, waaruit later de Stads-Bibliotheek zou voortkomen.

En moge dan die Bibliotheek thans verplaatst zijn en geheel andere

boeken bevatten dan het college, door Eggert gesticht, had verzameld,

en moge de Katrijne kerk na den brand, die haar in 1645 vernielde,

geheel nieuw zijn herbouwd, nog is het billijk dat wie eene van

beide bezoekt, nu en dan den edelen man herdenke, aan wien beide

instellingen hare eerste wording, aan wien Amsterdam zooveel goeds te

danken had. Het huis met "de Bril" bestaat niet meer;--de nagedachtenis

van Willem Eggert blijve leven.

In de Mol.

De plek verlatende, waar wij ons tot nu toe hebben opgehouden,

doen wij maar weinige schreden naar de zijde der Warmoesstraat;

doch tevens doet onze verbeelding een reuzestap. Wij denken de Beurs

weg--waarin echter voor velen onzer, die haar hebben zien bouwen,

juist het bezwaar niet zal gelegen zijn--en de Groote Vischmarkt

terug;--ook dit gaat nog;--maar wij springen van de vijftiende eeuw

naar de laatste helft der zestiende vooruit:--en dan ontdekken wij

tegenover den steiger van het Damrak, waar de zeevisch aangevoerd

en gelost wordt, een huis, op welks top de gril des stichters of

des bouwmeesters een mol heeft afgebeeld. Zonderling gewis is de

overgang, dien wij maken van het werktuig, dat den slechtziende het

gezicht teruggeeft, op het viervoetig diertje, dat tot zinnebeeld der

blindheid strekt. Maar niet minder groot dan het onderscheid tusschen

een bril en een mol, is dat tusschen den man, die 't voorwerp onzer

beschouwing geweest is en den man, dien wij thans doen optreden.

Het is Maandag, de zes-en-twintigste Mei 1578. Van achter de in

lood gezette vensterruiten van zijn bovenhuis, gluurt meester

Henrik Dirkszoon naar den Dam. Het is daar op Maandag altijd druk

en woelig: de boeren en buitenlieden zijn er als altijd met kaas en

zuivel op de markt, en de waagdragers zijn er bij de hand aan de in

1560 voltrokken nieuwe Waag. Doch het schijnt deze reis of er geen

kooplust bij de burgers, geen werk voor de waagdragers bestaat: en de

bonte menigte, op het plein verzameld, woelt en loopt heden niet heen

en weder als op gewone marktdagen; integendeel heerscht een doodsche

stilte bij den volkshoop, die in dichte groepen afgedeeld, de oogen

doorgaans stijf gevestigd houdt op het Stadhuis daar tegenover,

en met gespannen aandacht schijnt af te wachten wat er gebeuren

zal. Maar die stilte, die onbeweeglijkheid zijn onheilspellend, meer

dan eenig gejoel of straatrumoer. Zij schijnen bij die scharen eene

eenstemmigheid van bedoelingen, een bepaald overleg, eene vastheid

van wil te verkondigen, die niet licht voor overreding, moeilijker

nog voor geweld zullen wijken. En inderdaad, het bericht, hetwelk

die volksmenigte te gemoet ziet, zal van overwegend gewicht zijn;

want daarvan zal afhangen of Amsterdam--om de geijkte uitdrukkingen

van die dagen te bezigen--Paapsch blijven of Geus zal worden.

Sedert dat, in Februari, de Stad, na alleen gedurende jaren lang in

Holland het gezag des eigenmachtigen Konings te hebben gehandhaafd,

eindelijk de "satisfactie" heeft aangenomen en zich gevoegd onder het

bestuur der Staten van Holland en des Prinsen van Oranje, is ook hier,

als in de overige Hollandsche steden, der gewetensvrijheid plaats

gegeven: zij, die om den wille van 't geloof in ballingschap leefden,

zijn meerendeels teruggekeerd: de uitoefening van den Gereformeerden

Godsdienst mag wederom--mits buiten de stadsmuren--plaats hebben en

de bende stadssoldaten, vroeger een gevreesd en krachtig werktuig

in de handen eener overheid, die aan Rome en Filips verknocht

bleef, staat thans onder Oversten en rotmeesters, door Oranje

aangewezen.--Maar de verkregene voorrechten en voordeelen stellen

de partij der Staatsgezinden nog niet tevreden: zij schijnen

hun niet voldoende om 't geleden leed en onrecht te vergoeden,

niet in genoegzame verhouding met de stelling, welke zij zich in

de meeste overige steden van Holland verworven hebben: en vooral

geen waarborgen van duurzaamheid te bezitten. De Stadsregeering,

uitsluitend samengesteld uit Roomsch- of Koningsgezinden, wordt,

te recht of te onrecht, verdacht gehouden, alleen tijdelijk voor den

nood gezwicht te hebben, en enkel naar de gelegenheid uit te zien,

om den voormaligen toestand te doen terugkeeren. De argwaan, tegen

haar ontstaan, wordt gevoed door velerlei geruchten, als: dat Don

Jan van Oostenrijk schepen van Zweden gehuurd en krijgsbenden te

Deventer verzameld zou hebben om daarmede een aanslag op Amsterdam

te ondernemen. Daarbij schijnt ook de houding der Wethouderschap aan

te duiden, dat zij alles behalve gezind is, de voorwaarden van het

verdrag, met de Staten aangegaan, op eene milde en onbekrompene wijze

uit te leggen. Aan de Gereformeerden was daarbij eene begraafplaats

toegezegd binnen de muren, een recht, waar men destijds bijzonder

op stond, en dat, volgens de uitdrukking van den Prins, "zelfs aan

geen hond kon onthouden worden;"--maar de plaats door de Regeering

tot een kerkhof aangewezen, was in een morsigen achterhoek der stad

gelegen, en, in de oogen der belanghebbenden, alleszins afzichtelijk

en het doel onwaardig. Ten andere, bij het verdrag was bepaald,

dat de Drie Schutterijen (de Oude, de Hand- en Voetboogschutterij)

weder zouden worden opgericht; en allen, die daar vroeger deel van

uitmaakten, dus ook de teruggekeerde uitgewekenen, daarin hunne plaats

hernemen; doch er was geschil ontstaan tusschen de Wethouderschap en de

afgevaardigden der Staten, welke laatsten begeerden dat de Schutterijen

in zes Vendels zouden worden afgedeeld, dat de Prins en de Staten de

Hoplieden en Rotmeesters benoemen zouden, en eene lijst van daartoe

geschikte personen aan Burgemeesters ter goedkeuring toegezonden; en

nu was, op Vrijdag te voren, in de Vroedschap bij algemeene stemmen

besloten, niet te bewilligen in het brengen der Schutterijen onder

zes Vendels, en vooral niet onder de opgegeven personen. Maar bij

al die meer of min gegronde redenen van ontevredenheid zou ik er nog

eene durven voegen, waar men niet zoo bepaald mee voor den dag kwam

en die toch inderdaad de ware was: het vrij natuurlijk verlangen

namelijk van de partij, die zoolang de onderliggende geweest was,

om de vruchten der behaalde overwinning te plukken en op hare beurt

aan 't roer te komen. Het straks genoemd besluit en nog eene andere

beraadslaging, op dien zelfden 23sten Mei gehouden, en waarbij een

voorstel, tot vergunning aan de Mennonisten om het Poorterschap te

bekleeden, heftigen tegenstand ondervonden en tot geen gevolg geleid

had, duidden aan, dat de Regeering tot verdere concessiën ongezind

was en vermoedelijk geneigd tot inkrimping der reeds verleende: en

zoo was hiervan het gevolg geweest, dat de aanzienlijksten onder de

Gereformeerden de hoofden bij elkander gestoken en het besluit gevormd

hadden, aan dezen staat van zaken voorgoed een einde te maken. Men

wil echter den weg der onderhandeling beproeven, en daarom had op

Maandagmorgen een bezending van vijf voormalige uitgewekenen, allen

tot de deftigste geslachten behoorende, met Willem Bardes aan 't

hoofd, zich op 't Stadhuis vervoegd, waar op dit tijdstip de geheele

Wethouderschap vergaderd was:--en het is de uitslag van dit bezoek,

welke de steeds aangroeiende menigte op den Dam is afwachtende. Reeds

een paar reizen zijn de leden der Bezending van 't Stadhuis naar de

herberg op den Dam, waar de Gemachtigden der Staten zich onthouden,

en van daar weder terug naar 't Stadhuis gewandeld, en dit over-

en wedergaan schijnt aan te kondigen, dat men nog verre is van eene

voldoende uitkomst verkregen te hebben.

Ook meester Henrik Dirkszoon staat, als wij gezegd hebben, het tooneel

daar voor hem aan te zien. Reeds meer dan tachtig jaren zijn over

't hoofd diens grijsaards gegaan; maar al is zijn gelaat gerimpeld,

al staan zijne oogen dof, al is zijn rug gebogen en zijn lichaam

door ouderdom verzwakt, nog is bij hem de geest even wakker, de

wilskracht even sterk als toen hij, in 't jaar 1525, voor 't eerst

zijne plaats in de Vroedschap aanvaardde; en, is op 't gelaat zijner

bedaagde huisvrouw, in weerwil van hare reeds verzwakte geestvermogens,

de vrees te lezen, dat er iets niet richtig zij, en, al teekent het

gelaat zijner dienstmaagd verbazing over het ongewone verschijnsel, dat

de markt vertoont, meester Henrik heeft nimmer vrees gekend, en hij is

te oud geworden om zich over iets meer te verwonderen.--"Ik verwachtte

dit," mompelt hij bij zichzelven; "zij hebben mijn raad in den wind

geslagen: zij zullen zichzelven de gevolgen te wijten hebben. Zij

hadden òf alles moeten toegeven, òf doortastende maatregelen nemen,

en de Geuzen voorkomen eer zij door hen voorkomen worden. Nu hebben

zij zich groot willen houden--en niet gezorgd, het noodige te doen

om aan hunne woorden klem bij te zetten. Zij zullen nu het gevolg

zien van hunne halve maatregelen."

En terwijl hij dus in half hoorbare klanken lucht geeft aan zijne

gedachten en voor zich uit blijft staren over dien steeds aangroeienden

klomp menschen op het plein, voert herinnering hem onwillekeurig menig

tijdperk uit zijn lang en bedrijvig leven voor den geest. Hij ziet

zich terug, als knaap met den hoepel spelende op dat plein, in een

tijd, toen men nog aan geen "Luiteranye" dacht, en nog maar alleen

zorg voedde voor de wapenen van den Gelderschman; hij herdenkt zijne

reizen, zijn studietijd, zijne terugkomst, zijne eerste handelingen

als Lid van de Vroedschap: de woelingen der Wederdoopers en zijn ijver

tegen al wie van ketterij verdacht werd; hij doorleeft de dagen van

zijn Burgemeesterschap, en nog kan hij zich niet onthouden van een

glimlach, bij de gedachte, hoe hij, in 1545, toen de uitvoer van

het koren overal verboden werd, de afkondiging van het plakkaat te

Amsterdam weerhouden heeft, door te bestellen, dat bij de opneming, de

voorraad, in de stad aanwezig, dubbel werd opgegeven dan die werkelijk

was, en hoe hij, in 1553, ettelijke duizenden der opgebrachte bede in

zijne, in plaats van in de Landskas, had weten te doen overgaan. Hij

ziet weer voor zijne oogen het schavot opgericht, hij is opnieuw,

als van 1549 tot 1552, getuige van het verbranden en versmoren der

Wederdoopers, en hij haalt de schouders op, bij de overweging, dat,

indien de Wethouderschap maar even kloekmoedig was als in die dagen,

en een vijftigtal uit dien hoop, die thans op den Dam vergaderd is,

vatten, en, "anderen tot exempel", op liet hangen, de overigen wel

stil naar huis zouden gaan.

Maar ook zijne twisten met Schout Bardes komen hem voor den geest,

hij weeft nogmaals in zijne gedachte met den Pastoor der Oude Kerk

het net, dat hij dien geheimen vijand spannen zal: hij onderhoudt

zich nogmaals met zijne medeplichtigen; Geele Fij, Volkje Willems,

den Notaris Kees Maartszoon, den Slijper Arie Janszoon, die, door

zijn goud of zijne beloften bekoord, den Schout en zijne huisvrouw

valschelijk beticht hebben van Wederdooperij:--en al is de valschheid

dier beschuldiging toen bewezen geworden, en al heeft hij, als verdacht

van omkooping, jaar en dag gevangen gezeten., en al heeft hem die zaak

schatten gekost, men heeft hem toch eindelijk weder moeten ontslaan;

en terwijl Volkje in de gevangenis is overleden, Fij op jammerlijke

wijze ter dood gebracht, de Pastoor en de Notaris gebannen, de

Slijper bovendien gegeeseld is, is hij de eenige geweest, schrander

genoeg om te zorgen, dat er geen bewijs tegen hem te vinden ware: en

wederom glimlacht hij bij de herinnering, dat hij toch nogmaals, na

dien tijd, tot de Burgemeesterlijke waardigheid verheven is geworden;

en dat, al was de Schout te dier gelegenheid den hem gespannen strik

ontgaan, hij, Henrik, zich later toch op Bardes heeft zien wreken,

toen die ongelukkige, op zijn ouden dag voor den Bloedraad geroepen,

de felste pijniging en geeselingen heeft moeten doorstaan en zijn leven

in armoede en waanzin geëindigd heeft.--"Maar wat booze geest," zoo

peinst hij, "heeft nu den zoon van dien zelfden Bardes naar Amsterdam

gevoerd? dien zoon, zijn vader zoo gelijk in houding, in wakkerheid, in

beleid: daarbij, Luitenant van Sonoy, vraagbaak der oproerige Geuzen,

en thans--aan 't hoofd der bezending, die daarbinnen op 't Stadhuis

is.--Zou die zoon op zijne beurt wraak komen nemen over 't onrecht,

zijn vader aangedaan?"

Bij die vraag glimlacht Mr. Henrik Dirkszoon niet: hij ziet ernstig

voor zich heen: hij is door den schakel zijner overpeinzingen tot den

tegenwoordigen tijd teruggevoerd en berekent de kansen: hij laat zijn

oog nogmaals over de volksmassa weiden, en, al hebben de meesten den

rug naar hem toegewend, en al kan hij nauwelijks iets dan hoeden,

mutsen en kapers onderscheiden, toch is zijn oog geoefend genoeg

om vriend en vijand uit elkander te kennen. "Veel zwarte mantels

en stijve halskragen! niet een enkele monnikskap!" Ziedaar wat

een vlug rondgeworpen blik hem bespeuren doet. "Waar zitten zij,

die geestelijken, die minderbroeders vooral, die zich nog maar drie

dagen geleden op alle hoeken van straten en pleinen zoo dapper lieten

gelden?--Eer dat het huis instort, vlieden al de muizen. Slechte

voorteekenen van wat volgen moet."--En nogmaals mompelt hij wrevelig

bij zichzelven: "die dwazen, met hunne halve maatregelen! O, dat ik

eene week maar Schout ware geweest!--Ha! daar slaat de trom! zouden

zij werkelijk de markt schoon doen vegen?"

En, inderdaad, uit de Kalverstraat komt, met klokslag van elven,

de Bezetting met slaande trom en wapperende vendels aangerukt, doch

de verwachting, die de Oud-Burgemeester een oogenblik gekoesterd had,

wordt teleurgesteld. De volksmenigte opent, waar de krijgsknechten zich

vertoonen, hare dichte rijen: de bezettelingen, tot voor 't Stadhuis

genaderd, deelen zich in vier Vendels: elk van deze begeeft zich naar

zijne standplaats, op een der hoeken van den Dam, en zet de musketten

en hellebaarden bij den voet; terwijl hunne Hoplieden--Rodenburg,

Jonkheim, Visscher en Duin--zich binnen 't Stadhuis begeven.

"Zij zijn het met de muiters eens." zegt Mr. Henrik bij

zichzelven:--"indien Burgemeesteren voortgaan de rol van Brutussen

te spelen, is het uit met hun gezag."

"Zal ik het eten opdoen, meester?" vraagt Stijntje, die, ofschoon de

gewone tijd van te middagmalen reeds verstreken is, nog getalmd heeft

met die vraag; maar toch zou vreezen, van plichtverzuim beschuldigd

te worden, indien zij die nu niet deed.

"Eten!" herhaalt Mr. Henrik: "nu ja," zegt hij bij zichzelven:

"misschien voor 't laatst.--Wel zeker!" vervolgt hij overluid; want

de vastberaden man wil voor vrouw en dienstmaagd den indruk bedekken,

die 't geen daar ginds plaats heeft bij hem verwekt; "het is meer dan

tijd."--En bedaard vergezelt hij zijne vrouw naar de binnenkamer,

beneden, waar weldra de brij op tafel staat te dampen. Eerst

wanneer zij gezeten zijn, en hij eenige lepels van de heete brij

heeft binnengeslagen, zegt hij op den meest natuurlijken toon tot de

dienstmaagd, die aan 't lager einde der tafel is gezeten: "ga eens

naar boven, en zie, of alles nog op de markt is als zooeven. Gij komt

mij waarschuwen als er iets gebeurt. Zoodra ik gedaan heb met eten,

kom ik zelf en dan kunt gij op uwe beurt uw deel krijgen."

Stijntje, bij wie op dit oogenblik de trek tot eten minder groot is

dan die om te weten wat er voorviel, legt haar lepel neer en voldoet

zonder aarzelen aan den last, die haar gegeven is. Bedaard eindigt

de Oud-Burgemeester zijn maal, onderhoudt zelfs zijne vrouw, bij wie

hij alle ongerustheid wil doen verdwijnen, over onverschillige zaken,

waarschuwt haar, dat hij "misschien wel op 't Stadhuis zal worden

geroepen," en begeeft zich weder naar boven. Weinig verandering

brengt hem het tooneel aan, dat hij voor zich heeft.--Alleen ziet

men, hoe de huislieden, daar de klok van twaalven op handen is,

zich bezighouden met hunne kaas en zuivel van de markt te nemen en

zich langzamerhand verwijderen. De ruimte, die een oogenblik, ten

gevolge van hun vertrek, ontstaat, doet hem iets ontdekken, dat hij

tot dien tijd niet bespeurd had, een aantal wolzakken, die tegen

de Waag liggen.--"Indien Schout Hollesloot half zooveel verstand

had als goeden wil," denkt hij, "dan had hij die zakken niet daar,

of althans niet dan onder goede bewaking laten liggen. Wolzakken

kunnen van dienst zijn, en ik heb ze in 't jaar 35 met goed gevolg

tegen de Wederdoopers helpen bezigen;--maar de Regeering moet zorgen,

dat zij er zelve gebruik van make en men ze niet tegen haar aanwende."

Weder verloopt er eenige tijd: de middag is lang voorbij, de markt

van boeren en zuivel ontledigd, en nog staat de volksmenigte op

't Stadhuis te staren; doch een dof en ontevreden gemurmel begint

hier en daar te ontstaan, eerst flauw, maar allengs meer hoorbaar

en luider en luider; en het ruischt eerlang over de markt als koren,

dat door den wind bewogen wordt.--Maar ziet! wat gebeurt er, dat op

eens dat gerucht zwijgt en wederom door diepe stilte vervangen wordt.

"Meester! meester!" roept Stijntje, die reeds lang hare brij

ingezwolgen, den disch geruimd en zich weder naar boven gerept heeft;

"daar komt iemand op de pui om af te lezen. Maar 't is de Sikkretaris

niet. Wie 't wezen mag?"

"'t Is Guillaume du Jardin," zegt de grijsaard, wiens oogen, gelijk

meer bij oude lieden het geval is, naarmate zij zwakker worden om

van nabij te zien, voorwerpen op verren afstand des te scherper

onderscheiden: "het treurspel zal een aanvang nemen."

En inderdaad, het is Du Jardin, een der leden van de Bezending, die,

op de pui naar voren tredende, zijn hoed aflicht en dien terstond weder

opzet. Dit teeken moest strekken, om zijne medestanders te waarschuwen

dat Burgemeesteren blijven weigeren aan den wensch der Bezending te

voldoen en er met redenen niets te winnen is. Henrik Dirkszoon kan

natuurlijk de beteekenis van het afgesproken sein niet weten, doch

hij raadt die uit den kreet van verontwaardiging, die van den Dam

uit duizend monden oprijst, uit het dreigend opheffen van gebalde

vuisten, uit het zwaaien van hoeden en mutsen. En zie, daar treedt

Hopman Jonkheim ten Stadhuize af; hij slaat de handen uit elkander,

hij spreekt tot de omstanders--(Henrik mag zijne woorden gissen,

verstaan kan hij ze niet);--hij haast zich naar zijn Vendel. Wat zal

er nu gebeuren? De bende stelt zich in beweging en trekt op naar de

Sint-Katrijne kerk.

"Bewaar ons!" roept Stijntje, "daar gaan de soldaten de kerk

plunderen."

"Neen," zegt Henrik bedaard, "zij gaan die tegen plundering

beveiligen,--Te sterker bewijs, dat hier een wel overlegd en geordend

plan bestaat," voegt hij er halfluid bij.

Paf!--van waar kwam dat musketschot? Uit een der vensteren van de Waag,

binnen welke eenige soldaten der bezetting post houden, stijgt de rook

van 't kruit omhoog.--Een luid en hoorbaar sein, dat het zichtbaar sein

van Du Jardin schijnt te beantwoorden. En werkelijk; daar begint op

eens de storm, waarvan die langdurige stilte de voorbode geweest was,

in volle woede los te breken. "Oranje boven! Vive de Geus!" klinkt het

van alle zijden: tal van matrozen bersten de stegen en kroegen uit,

wapperende vlaggen rond zwaaiende: daar toonen er zich al meer en meer,

alsof zij uit den grond komen gerezen.--Volk van alle slag, arbeiders,

ambachtslieden, winkeliers, kooplieden, vereenigen zich als door een

tooverslag onder bepaalde hoofden; een deel holt den Vijgendam op,

de Halsteeg in, naar 't Bushuis aan het einde der Hoogstraat, om het

geschut te halen: terwijl rapen anderen steenen en smijten die naar

de ijzeren traliën der vierschaar, om de nachtwakers te verdrijven,

die men onderstelt dat van daar, uit de haakbussen, die er bewaard

worden, op 't volk zouden kunnen schieten.--Maar er wordt van daar

geen vuur gegeven: en nu, verzekerd geen weerstand te zullen ontmoeten,

stormt de menigte als een stroomende vloed ten Stadhuize in.

"J..... Maria!" roept Stijntje, de handen wringende van angst:

"zij gaan de Heeren vermoorden!"

"Wel denkelijk!" zegt Henrik, met een bitteren lach: "en dan wordt

het onze beurt," voegt hij er in zichzelven bij. "Stijntje!" vervolgt

hij overluid: "geef mij mijn mantel, mijn hoed en mijn stok."

"Bewaar ons! Meester wil toch niet uitgaan en zich in die confusie

begeven?" vraagt Stijntje.

"'t Zal er toe kunnen komen," antwoordt Henrik: "doe wat ik zeg:

men moet op alles bereid zijn."

Zij gehoorzaamt schreiende: hij kleedt zich en plaatst zich weder

aan het venster; reeds zijnde wilde gasten, die naar 't Bushuis

gegaan waren, met het geschut terug: de wolzakken--als Henrik

voorzien had--worden opgenomen en de toegangen daarmede versperd;

terwijl de krijgsknechten der Bezetting dit alles aanzien zonder

het te verhinderen, en zich vergenoegen met het bewaken der hun

toevertrouwde posten.

Daar komt een nieuwe troep met luid gejuich en gejoel op den Dam:

zij hebben Priesters, Monniken en Leden der Vroedschap in hun midden,

wier doodsbleek gelaat doet lezen, dat zij zich op het ergste lot

verwachten.--Maar op eens treedt Bardes het Stadhuis uit, door de

leden der Bezending gevolgd, en door een drom volks omstuwd: hij

wenkt, hij deelt bevelen uit: en nu, door hunne Hoplieden voorgegaan,

stellen zich de krijgsknechten in beweging, bezetten den toegang van

't Stadhuis, en vormen vandaar af eene dubbele rij, welke men niet

zonder moeite de bevende Regenten en Geestelijken doet binnentreden:

nogmaals wenkt Bardes en men geleidt den Schout, de Regeerende en

de Oud-Burgemeesteren het Stadhuis af en tusschen de soldaten in,

bij de vorige gevangenen. Telkens treden nieuwe benden gewapende

burgers met meer Leden der Vroedschap en Monniken, op den Dam, die

bij de overigen gesteld worden, en wier verschijning telkens met een

luid gejubel wordt begroet.

--"Zij zullen mij toch niet vergeten?" vraagt Henrik Dirkszoon,

halfluid en eenigszins verwonderd zichzelven af, terwijl de vrouwen

nevens hem zich uitputten in bittere jammerklachten over hetgeen

zij aanschouwen.

En, als had men, van het plein af, de gedane vraag verstaan, een

twintigtal burgers stelt zich in beweging en komt op het Huis de

Mol aangetreden.

--"Daar zijn zij," zegt de Oud-Burgemeester. "Stijntje! open de

voordeur; 't is beter, dat ik hun te gemoet ga, dan dat zij mij komen

halen. Vaarwel moeder!" vervolgt hij, zijne vrouw, die niet recht

begrijpt wat er aan de hand is, een kus op de dorre wang drukkende:

"ik ga naar de Vergadering."

Intusschen zijn de burgers de voordeur genaderd en staan gereed die met

geweld binnen te dringen, wanneer die opengaat, en de Oud-Burgemeester

voor hen staat. Zij doen verbaasd een stap achterwaarts; doch hij

treedt in hun midden, en, als bij stilzwijgende overeenkomst, wenden

zij gezamenlijk hunne schreden naar het midden van den Dam. Dreigend

klinken hem die kreten en verwenschingen in de ooren, die, van achter

de rijen soldaten, door een woedend gepeupel worden aangeheven; doch

met een onbewogen gelaat vervolgt hij zijn weg, totdat hij zich bij

zijne lot- en rampgenooten bevindt.

"Ik dacht waarlijk, dat men mij vergat," zegt hij, met een glimlach,

terwijl hij zich in 't gelid stelt naast den Oud-Burgemeester

Joost Buick: "'t schijnt, dat wij het spel kodielje kwijt zijn,

mijne heeren!"

"Dat kost gij onmogelijk denken, dat de zoon van Schout Bardes u

vergeten zou, meester Henrik Dirkszoon!" duwt hem eene zware basstem

toe. Hij ziet op naar den man, die met bleek gelaat en strenge blikken

voor hem staat; een oogenblik is hij verrast; maar ook niet meer dan

een oogenblik, en, zich terstond herstellende: "Voorwaar, Mr. Willem

Bardes," zegt hij: "ik had u zoo ras niet herkend.--Nu! elk zijne

beurt; maar wat zegt het volksspreekwoord: "huimetuit! hoed u voor

den weerstuit."--Intusschen, maak het kort: want de Heer Buick en ik

zijn oude lieden, wien 't lange staan al ras zou vervelen."

Bardes antwoordt niet, maar nogmaals met de hand wenkende, geeft

hij bevel, dat men de gevangenen wegvoere, en de trein stelt zich in

beweging. Zoowel Regenten als Geestelijken worden, man voor man, ieder

door twee gewapende burgers aan weerszijden vastgehouden, tusschen de

rijen soldaten doorgeleid, en moeite genoeg kost het dezen laatsten,

hen tegen de woede van een verbitterd grauw te beveiligen:--"Naar

de galg met hen! naar de galg, waar zij zoo menig vromen burger aan

geholpen hebben! In 't water met de papen! Naar de galg met Teeuwis

en Meeuwis [6], met Joost Buick! en Henrik Dirkszoon!--Neen! de galg

is nog tegoed voor hen."--Deze en dergelijke zijn de onheilspellende

kreten, die zij in 't voortgaan hooren uitboezemen. Maar zij zijn

aan 't Damrak gekomen; hier liggen een aantal schuiten gereed, waar

men hen doet ingaan, wederom daarbij dezelfde orde en regelmaat in

acht nemende, die deze zonderlinge omwenteling van het begin tot aan

het einde kenmerkt. De Wethouderschap, de Leden der Vroedschap, de

Pastoors, de Monniken, allen worden soort bij soort in afzonderlijke

vaartuigen ingescheept, en men is op 't punt van wal te stelen, wanneer

het trouwe Stijntje, door den hoop komt dringen en haren meester een

pak, in een luier gewonden, ter hand stelt. Het bevat een paar hemden

en ander lijnwaad, die de zorgende huisvrouw, zoodra zij van hare

dienstmaagd gehoord had, dat haar man "uit de stad" ging, hem nazond.

"Wat moet dat?" vraagt Henrik, verwonderd.

"Schoon linnen;" antwoordt Stijntje: "dat vrouw Barta u zendt."

"Neem 't maar weer mee," herneemt Henrik, terwijl hij lachend het

hoofd schudt; "ik zal 't wel niet meer noodig hebben. Mijn groete aan

de oude vrouw, Stijntje! en zoo gij nu nog op een post voor uw vrijer

hoopt, wordt dan Geus, en wend u tot meester Willem Bardes."--Met

deze woorden keert hij zich van de schreiende en snikkende dienstmaagd

af--en de schuit steekt van wal.

"Wat meent gij, door dat linnengoed af te wijzen?" vraagt hem Buick,

die nevens hem gezeten is.

"Wel," fluistert Henrik, "denkt gij dan, dat men ons tot een bloot

spelevaren hier op deze schuit gebracht heeft? Als wij buiten zijn,

laat men ons zinken, maak daar rekening op.--En die schelmen hebben

de Geestelijke heeren apart gezet, en ons niet eens een Priester

gelaten om ons vooraf de absolutie te geven."

"Zult gij dan spotten tot in 't uiterste toe?" vraagt Buick, wrevelig:

"waarachtig, men zou nog eindigen met te gelooven, dat hetgeen men

u nageeft, waarheid is, en dat gij een anderen meester dient, dan

wel behoorde."

Henrik Dirkszoon haalt de schouders op en zwijgt:--de uitkomst bewijst

echter, dat hij zich in zijne berekening bedrogen heeft. De omzetting

der regeering moest niemands leven kosten, en zoo was er ook last

gegeven, de uitgezette personen aan den Sint Antoniesdijk aan wal en

op vrije voeten te stellen.

Wij, die onze wandeling tot Amsterdam beperken, volgen Meester Henrik

Dirkszoon niet verder. Alleen zij er nog dit tot naricht voor den lezer

bijgevoegd, dat hij, zich naar Haarlem metterwoon begeven hebbende,

aldaar een paar jaren later overleed. Bij zijne uitvaart werd het

praatje, waar Joost Buick op gedoeld had, levendiger dan ooit, en

verspreidde zich het gerucht, dat de Duivel zijn lijk weggevoerd en een

molik in de kist had achtergelaten. Wij willen hopen, dat het vertelsel

logenachtig is, en dat berouw de laatste oogenblikken verzoette,

van den kracht- en geestvollen, maar misdadigen Oud-Burgemeester.

In den Put.

Wij gaan maar weinige stappen verder, op den Middeldam, en, wederom een

sprong doende--deze reis van ruim eene halve eeuw--bevinden wij ons

voor eene andere burgerwoning, die een put in den gevel voert. Vrees

echter niet, lieve lezeres! dat deze put eenige gelijkenis hebbe

met dien op "'t Nieu en Vermakelijk Gansebort", en dat ik er u in

zal laten verblijven tot een ander kome en u verlosse; deze put--of

liever het huis, dat er zijn naam naar draagt--wordt wel druk bezocht,

maar niemand verwijlt er lang, althans zelden langer dan hij er noodig

heeft. Die put is een welbeklante boekwinkel, met eene eigen drukkerij

daarnevens, en de werken, die uit die boekerij voortkomen, prijken dan

ook, evenals het huis, met een put op hun voorgevel of titelblad. Die

werken--althans vele van hen--hebben het huis overleefd en ook heden

ten dage is er niemand, die eene boekerij van eenigen omvang bezit

en daarin ééne kast, bijzonder aan Hollandsche letterkunde gewijd,

en die daarin geen "putjes-edities" heeft staan.... doch ik zou bijna

vergeten, dat wij op onze wandeling niets van den hedendaagschen

tijd willen weten, dat wij ons niet in de negentiende eeuw bevinden,

maar in de zeventiende, en dat wij de boeken, waar ik van sprak,

niet behoeven te gaan zoeken in uwe of mijne bibliotheek, daar wij er

ruimen voorraad van kunnen vinden achter de toonbank van den eerzamen

poorter Abraham De Wees, met wien wij u thans willen doen kennis maken.

Ziet, daar staat hij zelf in zijn winkel, een kloek en wakker man,

wiens gesloten lippen en gerimpeld voorhoofd vastberadenheid, wiens

levendige oogen scherpzinnigheid teekenen. Wel is De Wees geen

man van diepe geleerdheid en veel omvattende kennis, gelijk zijne

gildebroeders De Blaeuwen: evenmin zelf dichter of historieschrijver,

gelijk zijn gildebroeder Dirk Pietersz. Pers; maar hij bezit dien

smaak, of althans dat doorzicht, dat in zijn vak onmisbaar is, en

waardoor men, bij den eersten vluchtigen blik, in een handschrift

geworpen, weet te onderscheiden of het der moeite van 't drukken

loonen zal of niet: en daarom komt er dan ook zelden of nooit iets

uit de persen van De Wees te voorschijn, dat geen koopers vinden zou:

of liever--want men heeft allerlei slag van koopers--niets, dat lieden

van smaak geheel onbevredigd laat. En dan, in de tweede plaats, zonder

juist smaak te hebben in veel omvattende, gewaagde ondernemingen,

is De Wees niet de man, die zich om eenige kleingeestige overweging

zou laten afschrikken datgeen te drukken en uit te geven, wat hij

inderdaad verdienstelijk acht. Twee eigenschappen kenmerken hem

alzoo, die hem de achting van het lezend publiek moeten verwerven

niet alleen, maar ook aan den talrijken hoop schrijvers, dien

Amsterdam bevat, niet weinig ontzag inboezemen. "Niet iedereen mag

het te beurt vallen, Korinthe te bezoeken," zegt het oude Latijnsche

spreekwoord; evenzoo geniet niet zoo maar iedereen het voorrecht,

dat de voortbrengselen van zijnen geest--of liever van zijne pen--op

de persen van De Wees worden toegelaten: de samenflanser van duistere

onverteerbare vertoogen, de galachtige vervaardiger van pamfletten,

die zich alleen door hatelijkheid onderscheiden, de schrijver van

berijmd bombast of van watermelkverzen moge elders zijne papieren

kinderen ter markt brengen;--bij De Wees zal hij vruchtelooze moeite

doen. Maar daarentegen zal de man van bekwaamheid en vlijt, die de

vruchten van nauwgezetten arbeid tot een welgeordend geheel verzameld

heeft, de welsprekende redenaar, die tegen de dwaasheden der eeuw of de

verkeerdheden in het bestuur te velde trekt, de waarachtige dichter,

wiens geheele ziel zich in zijne zangen uitstort, zeker zijn, niet

alleen een goed onthaal bij De Wees te ontvangen, maar ook in hem een

wakkeren, een trouwen, een dankbaren vriend te vinden, die het ook

dan zal blijven, als het eens gebeuren mocht, dat, ten gevolge van

omstandigheden, die nimmer te voorzien zijn, de uitgave, die alleen

voordeel scheen te beloven, den uitgever op schade en onaangenaamheden

kwame te staan. Uit dit een en ander volgt, gelijk men denken kan,

dat ieder er prijs op stelt, De Wees tot uitgever te hebben, en dat

het bloote feit eener uitgave bij De Wees reeds eenigszins als een

patent van bekwaamheid geldt, wat hem, die 't bekomt, al dadelijk--op

goed geloof af--bewonderaars, en vooral benijders, verwekt.

Heden--ik mag hier in 't voorbijgaan den lezer wel waarschuwen, dat

wij 't jaar 1646 schrijven--heeft De Wees juist uitgeleide gedaan

aan een dier schrijvers, wier voortbrengselen hem welkom zijn, aan

een dichter, en wel aan den zoodanige, die bij hem boven al de rest

staat aangeschreven. 't Spijt mij, dat de man, dien ik bedoel, juist

al vertrokken en uit het gezicht is: hij is altijd der beschouwing

waard: maar troost u, lezer! geef ik u hier zijn portret niet, 't

is, omdat ik het reeds meer dan eens voor u heb gemaakt, en niet in

noodelooze herhalingen wil vallen: gij kunt het, indien gij 't naslaan

der moeite waardig acht, in "Johanna Vossius" vinden, waar ik den man

een tiental jaren jonger--of in "Een bedrukte vader," waarin ik hem

een tiental jaren ouder--dan hij thans is, heb afgebeeld. Abraham De

Wees neemt, met een oog, dat van genoegen tintelt, het handschrift,

dat hem de dichter gelaten heeft, naar de binnenkamer mede, zet zich,

tegenover zijne huisvrouw, aan de gladgewreven eikenhouten tafel neer

en zegt met een blijmoedig gelaat:

"Weer een treurspel, moeder! dat mij Van den Vondel gegeven heeft om

te drukken."

"Ei zoo, vader!" zegt zijne wederhelft, de oogen even van haar breiwerk

opslaande: "en wat is de titel?"

"Maria Stuart," antwoordt haar man, terwijl hij het handschrift voor

zich op tafel legt, en er hier en daar reeds eene bladzijde van

doorloopt met dien vluggen en vasten blik, welken eene aangeboren

gave des onderscheids, door langdurige oefening versterkt, hem heeft

doen verkrijgen.

"Maria Stuart!" herhaalt zijne echtgenoote op een toon, die niet

zonder bezorgdheid is.

"Ja,--en voorwaar, de man heeft in lang niets geschreven, dat hier

bij haalt:--luister maar eens"--en den vinger brengende aan eene der

plaatsen uit het dichtstuk, welke juist zijne aandacht getrokken had,

leest hij overluid:

"Ontfangt dees bron der marteladeren

Ghy Engelen, nu treet

Haar tegen: zij vergeet

Haar volck en vaders huis,

Gesproten uit Ferguis,

Dien ouden stam, en hondert vaderen;

Al koningen, van Godt geschapen

Ten scepter, ingewijt

In 't aenzicht van den Nijt,

Gezalft van eeuw tot eeuw.

O roode koningsleeuw

In 't gouden velt van 't Schotsche wapen,

Hoe durven ze uw Leeuwin benaeuwen,

Hoe ziet men haar zoo tam

Veranderen in een lam,

Sneeuwit van vacht en vloek,

Verscheuren door den wrock

Der Luipaerdinne, scherp van klaeuwen.

"Welk een zeggingskracht! welk eene keus van woorden!" vervolgt

De Wees, in verrukking: "en hoe weet de man voor elke rei telkens

eene nieuwe maat te vinden, altijd aan het onderwerp zoo eigenaardig

gepast. Zie, Maaike! nog wordt de man niet op prijs gesteld, gelijk

hij verdiende."

"Heel mooi, heel mooi," zegt Maaike, wier gelaat intusschen

zoozeer geen bewondering als toenemende onrust teekent: "maar die

"Luipaerdinne," daar zal waarschijnlijk Koningin Elizabeth mee

bedoeld worden?"

"Ja, gewis, en zie eens--hier noemt hij haar voluit, zonder eenige

toespeling:"--en wederom leest hij:

"Marie, uit Jesses stam geboren,

En tot een rijcker kroon gekoren,

Dan David droegh in 't Jootsche Rijck,

Marie in ootmoet hoogh verheven,

Van vreught en blyschap aengedreven,

Bezoeckt haar nicht in Arons wijck.

Elizabeth, tot Godt genegen,

Schiet op en vlieght Marie tegen,

Omhelst en kust die groote Nicht,

Aenschouw dit hartelijck verlangen,

Hoe ze in elkanders armen hangen,

Hoe liefde bloet aan bloet verplicht.

Marie, uit Stuarts stam geboren,

En tot een rijcker kroon gekoren

Dan Henrik droegh in 't Engelsch Rijck,

Marie, in rampspoet hoogh verheven,

In druck en ballingschap gedreven,

Neemt tot haar Nicht in noot de wijck.

Elizabeth, tot wraeck genegen,

Blijft pratten, zent heur wachters tegen,

En vangt en spant die groote Nicht;

Zy laetse twintigh jaer verlangen

En tusschen hoop en doodschrick hangen:

Want staetzucht past op bloet noch plicht."

Hier kan Maaike zich niet langer inhouden, en, hare breikous voor zich

op de tafel leggende: "En zul je dat waarlijk drukken en uitgeven,

vader?" vraagt zij, haar man ernstig in de oogen ziende.

"Wel zeker zal ik," antwoordt deze: "en waarom zou ik niet?"

"Wel!" herneemt zij: "mij dunkt, dat je dit van mij niet behoeft te

vernemen. Zal de Regeering het toelaten, dat men aldus de deugden

van de Katholieke Maria ophemelt en uitvaart tegen de Protestantsche

Elizabeth, die nog wel in haren tijd een bondgenoot van de Heeren

Staten is geweest?"

"Nu, nu!" merkt De Wees aan, met een glimlach: "Maria was de

grootmoeder van Karel Stuart, hun tegenwoordigen bondgenoot."

"Ik kan er niet mee schertsen," herneemt Maaike: "je weet beter dan ik,

dat de Heeren Staten zich aan dien bondgenoot niet het minst gelegen

laten liggen en alles doen wat zij maar kunnen om dien Cromwell en

zijne Puriteinen te vriend te houden:--wat schande genoeg is."

"Welnu," zegt De Wees: "is het dan niet hoog tijd, dat zich een stem

verheffe tegen die schandelijke politiek der Staten, en de partij

neme van het verdrukte Koningschap en van 't ware geloof, en is het

mijn plicht niet, als goed Katholiek, zulks te bevorderen?"

Ik heb vergeten te zeggen, dat De Wees tot hetzelfde geloof behoort,

waartoe Vondel zes jaren te voren was overgegaan, en dat het dan ook

sedert dien tijd is, dat de dichter bij hem zijne werken drukken laat,

terwijl hij vroeger doorgaans andere uitgevers gebezigd had.

"Van den Vondel heeft al genoeg geijverd voor beiden," hervat Maaike:

"en al zet hij geen pen meer op 't papier, niemand zal hem ten laste

leggen, dat hij traag geweest is in 't vervullen van zijne taak;--maar

ik wenschte, dat hij zijn verstand meer gebruikte en niet zoo tegen

de andersdenkenden uitvoer: dat verbittert maar en doet per slot

meer kwaad dan goed aan de zaak:--hij loopt waarlijk al genoeg in

den kijker: en 't zal met hem wezen: de kruik gaat zoolang te water,

totdat ze breekt. Hij sleept er u ook op een mooien dag nog bij in."

"Nu!" zegt De Wees: "ik ben immers altijd voorzichtig en ik heb

zelfs zijn "Grotius Testament" niet willen drukken. 't Boek ziet

er dan ook nu netjes uit!" voegt hij er bij, met een glimlach van

verachtend medelijden.

"Och kom!" zegt Maaike: "vertel mij daar niets van: zoo je 't niet

gedrukt hebt, vadertje! 't is heel eenvoudig, omdat het geen spijs voor

uw mond was, en volstrekt niet uit vrees voor de gevolgen.--Ik kan maar

niet begrijpen, hoe je liefhebberij hebt je de Heeren Staten tegen te

maken, die je toch telkenreize noodig hebt. Ze hebben je nog privilege

gegeven voor 't drukken van den vertaalden Virgilius: en mij dunkt,

dan moest je hunlui van uw kant nu geen reden tot misnoegdheid geven."

"Zeker, privilege zullen de Staten mij voor dit werk van onzen vriend

Joost wel niet verleenen;--maar we zullen er ook niet om vragen. De

Altaergeheimenissen zijn in der tijd gedrukt "te Keulen, in de nieuwe

Druckerye," en wij zullen de Maria Stuart ook te Keulen laten drukken;

maar, voor de verandering "in d' oude Druckerye." Ik heb dat al met

hem beklonken."

"Alsof het er iets toe deed," hervat zijne vrouw, "of je naam al dan

niet op den titel te lezen komt; niemand laat zich daardoor bedotten:

en iedereen weet zeer goed, dat die vermelding van Keulen maar voor

de leus is, en dat het een zoowel als het ander, hier te Amsterdam

bij u gedrukt wordt. Doch 't helpt niet of ik er verder over spreek:

ik ben maar eene domme vrouw, die geen verstand van zaken heeft,

en ik zal dus best doen maar te zwijgen. Intusschen, 't zou me hard

verwonderen, als je geen verdriet hadt van dat stuk."

"Van den Vondel heeft mijn woord," zegt De Wees, die wel beseft,

dat verdere redetwist tot niets goeds zou leiden en dat hij daaraan

alleen een eind kan maken, door het aanbrengen van een zoogenaamden

dooddoener, die voor 't overige het punt van geschil in 't midden,

en de over en weer gebezigde argumenten in hunne waarde laat.

Wij zullen hier evenmin beslissen, in hoeverre De Wees, indien

hij door geene belofte verbonden ware geweest, wel of kwalijk zou

gehandeld hebben, met in deze zaak zijn eigen hoofd te volgen en

den raad zijner vrouw in den wind te slaan. Maar zeker is het,

dat in soortgelijke--ja ik durf zeggen in alle--omstandigheden van

gewicht, de vrouw een inzicht in de toekomst heeft, waarvan zij zelden

volkomen rekenschap kan geven, doch dat nimmer faalt: een door alles

heen dringenden blik, die den man ontbreekt.--En ook deze reis bleek

het, dat Maaike zich in haar voorgevoel niet bedrogen had. De Maria

Stuart kwam in 't licht, en zoo de vorm van dit heerlijk dichtstuk

algemeen voldeed, de inhoud gaf geen kleinen aanstoot: de dichter

werd voor 't gerecht betrokken en in eene boete van honderd tachtig

gulden verwezen.--Wel is waar, men moeide De Wees niet; doch deze,

niet willende, dat de dichter schade lijden zou bij een werk, waar de

boekverkooper voordeel uit trok, zond het geld aan den Schout. Zijne

vrouw was edelmoedig genoeg om deze handelwijze van haren man goed

te keuren, en zelfs--wat sterker is--hem niet te herinneren, "dat zij

toch gelijk had gehad." Ja, wat meer is, zij bleef er geen wrok tegen

Vondel over koesteren, en toen zij in 1654, na den dood haars mans,

diens zaken op haren naam voortzette, toonde zij zich even gretig

als hij 't geweest was, om des dichters werken te drukken en uit te

geven. Nog bijna eene eeuw bleven de boekhandel en de drukkerij in

hetzelfde erf en door leden van hetzelfde geslacht uitgeoefend en,

door het voortdurend herdrukken van Vondels werken, 's dichters naam

en die van De Wees aan elkander verknocht.

In den Zonnewijzer.--In de vierighe Colom.--In de witte Persse.

Wij verlaten den Dam met zijne drukte en gewoel: wij gevoelen behoefte

aan frissche zeelucht en wij kuieren het Damrak op, dat ons naar den

IJkant geleiden zal. Maar zijn wij daardoor uit het gedrang? Eilieve;

vraag het Joannes Aurelius eens, die voor mij dezelfde wandeling

gemaakt en beschreven heeft [7]. Hij heeft alles goed gezien en niet

minder goed verteld, en, ware ik niet reeds met den lezer op weg,

ik zou stellig, nadat hij zijne wandeling volbracht heeft, de mijne

niet begonnen zijn. 't Heeft zelfs bij mij een punt van ernstige

overweging uitgemaakt, of ik die wel zou voortzetten, en, zoo ik

daartoe besloten heb, het is, uithoofde mijne wijze van door het oude

Amsterdam te slenteren, mij voorrechten aanbiedt, waarvan Aurelius

had afgezien. Niet, als bij, aan een bepaald tijdvak gebonden, en,

ten anderen, niet zoozeer de merkwaardigheden der stad in 't algemeen,

als wel de herinneringen, aan sommige huizen verknocht, tot onderwerp

mijner opmerkingen hebbende gekozen, ben ik, aan den eenen kant,

vrijer in mijne bewegingen dan hij, en is het mij, aan den anderen

kant, vergund, langer dan hij op eene plaats te vertoeven.

Wij zijn in 1664. Talrijk, gelijk altijd, is de menigte, die zich

hier beweegt. En hoe kan het anders? Rechts, de oude Haven, gevuld

met schepen en schuiten, uit alle hoeken der bekende wereld aangekomen

om de markt- en stapelplaats van Europa te bezoeken: achter ons, den

Dam; voor ons, het IJ; links de winkels en kelders, waar schippers en

varensgezellen, waar kooplieden en passagiers hunne benoodigdheden

komen zoeken. Wat bonte mengeling van spraak, van gelaatskleur, van

kleederdracht! Wat steeds afwisselende verscheidenheid! Hoor! daar

ruischen ons de welluidende tonen in 't oor der

taal van lust en weelde,

Die 't stug latijn in dartele ontucht teelde,

Die als de kus op malsche lippen smelt

En harten boeit met liefdes algeweld:

ginds hooren wij de spraak vol majesteit, die ons honderd jaar

vroeger zoo onwelkom tegenklonk, toen zij uit den mond van Neerlands

dwingelanden werd vernomen. Wat verder rammelt men Fransch;--daar, aan

den wal, onderhoudt zich een viertal matrozen: elk bezigt zijne eigen

taal, en toch verstaan zij elkander: immers, nog heeft de uitspraak

van het Engelsch, het Deensch, het Zweedsch en het Neerduitsch

die wijzigingen niet bekomen, welke het tijdsverloop er bij elk

verschillend volk in brengen zou, en waardoor zelfs zulke woorden,

die bij elk der vier volken 't zelfde gespeld worden, bij elk van hen

op geheel onderscheiden wijze klinken: nog schijnt het, of men louter

dialectvormen van eene en dezelfde taal hoort, en indien, reeds nu,

de hoftaal in eene der vier Rijken, door den invloed van eigenaardige

zeden, gewoonten, behoeften en denkbeelden, en vooral door den invloed

eener eigen letterkunde, niet gemakkelijk meer in een der andere Rijken

zou begrepen worden, op zee, waar Brit en Deen en Zweed en Hollander

dezelfde zeden, gewoonten, behoeften en denkbeelden behouden hebben,

en de onderwerpen van het gesprek binnen denzelfden kring besloten

blijven, heerscht tusschen de Noordsche volkeren nog een soort van

algemeene of Vrij-metselaarstaal, die elken tolk overbodig maakt. Maar

wat noch wij, noch zij, zoo licht verstaan zouden, zijn de uitheemsche

klanken, die daar in 't voorbijgaan onze ooren treffen. Is 't Arabisch,

Turksch, Maleisch, of eenvoudig Joodsch bargoensch, dat wij hoorden? 't

Een is even mogelijk als het andere, en wij zullen er ons hoofd maar

niet mee breken; want wij vangen nu weer een luidruchtig gesprek

op, tusschen een Rus en een Portugees gevoerd, deze reis met behulp

van een taalman, die somtijds niet weinig met zijne taak verlegen

schijnt. En duizelt het hoofd ons op het hooren van dat Babel van

geluiden, niet minder schemert het ons voor de oogen bij dat verschil

van kleuren. Daar loopt de halfnaakte Calabrees--met zijne groote,

koolzwarte oogen, met zijn antiek profiel en gebronsde huid--den in

't bont gedosten Muscoviet--met zijn stompen neus en wegschuilende

oogjes--tegen 't lijf: ginds wandelt de deftige Armeniër, met zijn

breeden tulband en gestreepte samaar, nevens den Noor in 't habijt

van grof wadmer: daar zien wij den Genuees, in zwarte zijde en fluweel

gedost, en achter hem den Bergschot, met zijn kakelbonten mantel: wat

verder dringt een grofgebouwde Oostfries in eenvoudige schippersdracht

een Franschman voorbij, wiens hoed, wiens armen, wiens broek, wiens

schoenen, onder veelkleurige linten begraven zijn. Helaas! noch de

haven van Amsterdam, noch eenige haven ter wereld zal in later tijd

het bont en schilderachtig tooneel kunnen aanbieden, dat ons hier

verwacht. De Mode, die in de zeventiende eeuw nog beide geslachten even

welwillend gadeslaat, ja zelfs de kleederdracht des mans voordeeliger

doet uitkomen dan die der zwakkere kunne, zal, wanneer zij eenmaal haar

hoofdzetel voorgoed te Parijs gevestigd heeft, zich uitsluitend over

deze laatste bekreunen, de mans niet alleen stiefmoederlijk behandelen,

maar zelfs alle verscheidenheid van kostuum--voor zooverre het geen

militairen betreft--te niet doen; en den afschuwelijkst denkbaren

tooi voor allen gemeen maken. Wees dan voortaan Pair van Engeland

of sta met een schoenebak op eene brug, wees Venetiaan of IJslander,

woon te Archangel of te Sevilië, rijd door het Bois de Boulogne naast

de elegante lorette of zwierigste coupé of voer op een kruiwagen een

kreng weg, gij zult evenzeer eene kachelpijp op 't hoofd, een effen

lakensch pak met lapellen en slippen aan 't lijf, een strop om den

hals en een paar kanonnen aan de beenen dragen:--op straffe van,

zoo gij u de minste afwijking veroorlooft, door de spotternij en

schimpscheuten der straatjongens achtervolgd te worden.--En dan zal

men nog klagen, dat er zich geen Rembranden meer opdoen.

Dan 't wordt tijd, dat wij de huizen eens in oogenschouw nemen. Zie--'t

moge vreemd schijnen op eene kade, die zoo geheel in 't belang

van handel en zeevaart is aangelegd; maar 't krielt hier van

boekwinkels:--wel een sprekend bewijs, dat hier,--bij stoffelijke

welvaart--ook verlichting en beschaving toenemen. Wij willen, uit

die menigte, slechts drie winkels onze aandacht waardig keuren en wij

staan dus in de eerste plaats stil voor dien fraaien deftigen gevel,

boven welks top een zonnewijzer prijkt. In 't benedenhuis kunt gij

u alle werken van smaak, ook geleerde en theologische, aanschaffen;

maar toch zijn 't werken uit een bepaald vak van wetenschap, die men

hier bij voorkeur zoeken komt: en bij hen, die dat vak beoefenen,

al wonen zij aan de Antipoden, is deze winkel dan ook bekend en

beroemd, en de waar, die men er verkoopt--al is zij meestal vrij

duur--onschatbaar en onmisbaar; want zij kan hem, die haar bezit

en goed gebruikt, voor groote schade en rampen bewaren. Immers, wat

schipper zou niet vreezen, een verkeerden koers te houden, de haven,

waar hij 't op aanlegt, te missen, eene verkeerde binnen te loopen,

wellicht op bank of rif te stranden, door 't gemis van een zee-atlas

van Blaeu?

Deze winkel toch is de winkel der Blaeuen, en de afbeelding van den

zonnewijzer boven 't huis vindt gij op de titelbladen der werken,

die zij drukken, terug. Wij willen binnengaan: het zal ons de moeite

loonen. Joan, de oudste der twee gebroeders, door wie de firma

gedreven wordt, is afwezig: hij moet heden "aen Schepensbank zitten;"

want de Blaeuen, al zijn zij boekdrukkers en boekverkoopers, worden

onder de Amsterdamsche Patriciërs gerekend: zij zijn vermaagschapt

met de Hoofden, de Graeven en wat de stad aanzienlijkst rekent; Joan

Blaeu was in 1653 een der vijf Gecommitteerden, aan wie de Regeering

de zorg had opgedragen de stad te beschermen tegen een aanval van

Graaf Willem Frederik, waarvoor men, hoezeer dan zonder grond beducht

was. Bij het vertrouwen, dat hij alzoo bleek te genieten, zou hij

gewis tot hooger waardigheid kunnen stijgen, indien de zorg voor

zijne uitgebreide zaak hem niet belette zich naar eisch aan politieke

belangen te wijden. Zijne afwezigheid moet ons echter niet verhinderen,

ons voorgenomen bezoek te volbrengen. Zijn broeder Cornelis staat in

den winkel, en zal ons terechthelpen. Is Joan meer de man van studie

en geleerdheid, Cornelis is vooral de man van bedrijf. Joan leest,

vergelijkt, cijfert, teekent, vindt uit, en brengt de resultaten

van zijn onderzoek ten papiere; Cornelis houdt de briefwisseling

en de boeken, ontvangt de bestellingen, doet de verzendingen, en

heeft, in één woord, de zorg over 't dagelijksch beheer. Joan is het

hoofd, dat denkt; Cornelis de arm, die uitvoert. Niet, dat Joan een

bloote kamergeleerde zou zijn, tot praktische bedrijven onbekwaam,

of dat Cornelis zou verstoken zijn van wetenschappelijken aanleg en

theoretische kennis; integendeel gebeurt het meer dan eens, dat bij

ziekte of afwezigheid van den eenen broeder, de ander diens taak nevens

de zijne opneemt en naar eisch weet te vervullen: wij spreken hier

alleen van wat in den regel plaats heeft, en waarbij de gebroeders

de rollen onderling verdeeld hebben, met het oog op elks bijzonderen

aanleg en liefhebberij.

Niet van gisteren dagteekent de roem, dien zich de naam van Blaeu

verworven heeft. Willem Janszoon, de vader der gebroeders, in 't

jaar 1571 te Amsterdam geboren, had de wis- en sterrekunde bij den

vermaarden Tycho-Brahè geleerd en het alras in die vakken tot meer dan

gewone hoogte gebracht. Te Amsterdam eene drukkerij hebbende opgezet,

deed hij die inzonderheid strekken, om de vruchten zijner nasporing in

't licht te geven: zijne voornaamste werken, het "Graadboek" en het

"Licht der Zeevaart," beide aan de toenmalige eischen der wetenschap

beantwoordende, moesten wel met erkentelijkheid ontvangen worden in

een land, dat zijne plotselinge opkomst vooral aan de zeevaart te

danken had. Die werken werden populair en hun maker niet minder. Geen

schipper, die Willem Janszoon Blaeu niet kende en zich zijne boeken

niet aanschafte: geene reederij, die op touw werd gezet, zonder dat

Blaeu geraadpleegd was: geen belangrijk besluit, met betrekking tot

waterstaat, inpoldering of scheepvaart, dat door 's Lands Staten

genomen werd, zonder dat Blaeu was gehoord. Zoo breidde zich 's mans

naam, al verder en verder, ook buiten de grenzen van zijn vaderland

uit, en mannen als Galileï, Des Cartes en dergelijken achtten het eene

eer, briefwisseling met hem te houden, gelijk Falck het een voorrecht

rekende, zijn afbeeldsel te maken, en Barlaeus, Hooft en Vondel, hem te

bezingen. Wat den laatstgenoemde betreft, hij had aan Blaeu bovendien

persoonlijke verplichting. Zijne "Begroetenis aan Frederik Hendrik,"

zijne "Geboorteklock voor Willem van Nassau," zijn "Zegesang op den

Bosch," zijn "Gysbreght van Aemstel" zijn op de keurige pers van Blaeu

gedrukt en met zeldzame netheid uitgegeven. Maar ook weten wij, dat

Vondel bij hem als vriend des huizes behandeld werd en op zijn gemak

was: dit getuigen niet zoozeer de deftige bijschriften en lofdichten

van Vondel op Blaeu, als wel zijne geestige, schalksche, bevallige,

soms aandoenlijke gelegenheidsdichtjes, het gezin betreffende. Cornelis

Blaeu loopt een blauwe scheen: de dichter is straks in de weer,

om hem, met boertend rijm en met de belofte van een blauwe kous uit

zijn kousenwinkel, op te beuren. Sijtje Blaeu wordt aangezocht door

Filips van Ghysen, zeepzieder te Delft, Vondel weet op vernuftigen

trant met hunne minnarij te schertsen, en te zinspelen zoo op het

beroep van den vrijer, als op dat van 's vrijsters vader. Joan Blaeu

trouwt met Geertrui Vermeul uit Ter Gou, Vondel bezingt hun echt op

eigenaardige wijze: hij voorziet den schoorsteen van Katharina Blaeu

met een leerzaam rijm en de zerk van Maria Blaeu met dit liefelijk

en zinrijk grafschrift:

Hier leght Maria, snel verdort.

De tijt der schoonste bloem is kort.

Thans--men herinnere zich, dat wij 't jaar 1664 schrijven--zijn er

achttien jaar verloopen, sedert Willem Janszoon Blaeu overleden

is; maar zijne beide zoons hebben de zaak in stand gehouden, ja

nog aanzienlijk uitgebreid. Wilt gij er bewijs van? Onze vriend

Cornelis, die ons met zijne gewone minzaamheid ontvangen heeft,

is bereid, het u te leveren. Hij verzoekt ons, hem te volgen, en,

eene achterdeur openende, die op straat voert, gaat hij ons voor, den

Nieuwendijk over, de Gravestraat in, naar een steegje, dat reeds naar

zijne firma 't Blauwe steegje genoemd is. Hier bevindt zich de ruime

en aanzienlijke drukkerij, welke de vorige, die op de Bloemgracht

stond, vervangen heeft. Wij treden binnen: wat al persen zijn hier

aan 't werk! Wij tellen er negen, die ieder den naam eener Muze

voeren: de eerste, Calliopee, levert bijbels en godgeleerde boeken:

de tweede, Clio, is aan de Latijnsche, Melpomene aan de Grieksche

letterkunde gewijd. Thalia schaft Oostersche boeken, Polyhymnia de

lectuur van den dag. Erato, (de muze der minnezangen!) werkt voor

de wiskunde, en (vreemder nog!) Terpsichore levert niets af dan

stedebeschrijvingen. Beter aan hare taak geëigend, is de taak, die

Urania vervult: zij drukt de land- en zeekaarten en zij is dan ook

de lieveling der Blauen; want zij heeft den grondslag van hun roem,

grootendeels ook van hun fortuin gelegd. Euterpe eindelijk--en het

ergert niet weinigen, zelfs onder hunne beste vrienden--wordt gebezigd

tot het drukken van Roomsche Kerk- en Misboeken.

Wat ons betreft, die gaarne op elke plaats, wat zij merkwaardigst

heeft, bij voorkeur aanschouwen, wij vragen meer bijzonder naar

de platen van den Atlas en naar de prachtige exemplaren van dit

reuzenwerk. Cornelis voldoet aan ons verlangen: hij toont ons die

treffelijke landkaarten, waarvan er niet eene is, aan welke geen

schatten zijn ten koste gelegd, en wier voltooiing geen jaren arbeids

gekost heeft. Maar ook geen gehucht, geen beekje, geen heuvel, geen

moeras, geen bosschage, geen dijk, geen landweg, geen grensscheiding,

geen kreek, geen klip is vergeten, en, hoe ook de politieke indeeling

van Europa veranderen moge, voor al, wie er belang in stelt, om het

terrein, waarop deze of gene belangrijke gebeurtenis voorvalt, te

leeren kennen, zal immer de Atlas Blaviana een welkome wegwijzer zijn

[8]. En dan! hoe heerlijk is alles uitgevoerd! Prachtige afbeeldingen,

wapens, vignetten, zinnebeelden, versieren elke kaart: de Rijken,

de Gewesten, de Afdeelingen zijn door verschillende gekleurde lijnen

van elkander onderscheiden: de steden, vestingen, havens aan hare

eigenaardige gedaante te kennen: met duurzaam goud zijn zij overdekt:

geen dorpje, hoe klein ook, of het is door een gouden stip aangewezen,

en, wanneer men eene kaart opslaat, verbeeldt men zich in 't eerst

een rijken sterrenhemel te zien, zoo kwistig is er het goud overheen

gestrooid. Zeker, alleen uit de wereldstad, de kroondraagster van

Europa, kon zulk een pronkstuk te voorschijn worden gebracht; een werk,

dat aan zooveel nauwgezetheid van bewerking, zooveel weelderigheid

van uitvoering paart: dat van zulk een rijkdom van kennis en tevens

van zulk een verfijnden smaak getuigt; dat met zooveel zorg in

betrekkelijk zoo korten tijd is samengesteld: dat, en door het nut,

't welk het stichten moet, en door typographischen luister, al wat

tot nog toe in welk vak van wetenschap hier te lande verschenen is,

verre achter zich laat, en elders niet licht iets ontmoeten zal, dat

het overtreft. Stellig maakte dan ook Vondel geen misbruik van het

voorrecht, den dichters wel verleend, of--wil men--van het gebrek,

dat hun wordt toegeschreven, om nu en dan een weinig te overdrijven,

toen hij aldus tot lof van den nieuwen Atlas zong:

De waereld is wel schoon, en waerdigh om t' aenschouwen:

Maer reysen heeft wat in: de kosten vallen swaer:

Men magh den Oceaen niet al te veel betrouwen:

De bergen steygren steyl, de bosschen sien te naer:

De stroomen gapen wijd om overheen te stappen:

De mylen recken staegh: de landen strecken veer.

Die Rijcken tegens een, gedeelt door vyandschappen,

Die staen in 't harrenas en trecken hun geweer;

De bittre kou verkleumt; de hitte brandt de leden:

De lucht die hangt vol damps, of moord met felle pest:

Men vindt ongastvry volck en onbewoonde steden,

Woestijnen, daer gediert des nachts verlaet sijn nest

En brult en huylt, om roof en aes van vee en menschen:

Het sand beswaert den gang, de ganger hijght en roockt,

Op 't ongebaende padt: dan is 't vergeefs te wenschen

Naar den verlaten haerd, daer moeder eten koockt.

O reysgesinde geest, ghy kunt die moeyte sparen,

En sien op dit Tooneel de waereld, groot en reyne,

Beschreven en gemaelt in klein begrijp van blaêren

Soo draegt de schrandre kunst den aerdtkloot op haer deyen

[9].

Wij danken Cornelis Blaeu voor al het schoone, dat hij ons heeft

laten zien en wij keeren van ons bezoek terug, trotsch op den roem,

dien Amsterdam zich heeft verworven, door ook wederom op dit veld van

wetenschap het volkomenste geleverd te hebben, dat de wereld tot op

dien dag kon aanwijzen.

Wel treurig is hetgeen wij nog hebben te vermelden. Slechts weinige

jaren na dat, waarin wij ons bezoek hebben ondersteld, en wel op den

22 Februari 1672, werd de heerlijke en alom vermaarde drukkerij door

een noodlottigen brand vernield, waarbij het vuur al de letters en

platen verteerde, en de schade op niet minder dan f 382,000 begroot

werd. Waren er velen, die de Blaeuen in hun ongeluk beklaagden,

niet gering was het aantal derzulken, die--tot het slag van lieden

behoorende, dat altijd in den raad des Almachtigen treedt--in dat

ongeval eene rechtvaardige straf des Hemels zagen voor het snoode

misbruik, 't welk van de Drukkerij gemaakt was, door er Kerk- en

Misboeken voor de Roomschen te drukken!

Joan Blaeu overleefde de ramp, die hem getroffen had, niet lang: hij

stierf op den 28sten December 1673.--De zes-en-tachtigjarige Vondel

herdacht hem met dit zinrijk grafschrift:

Hier sluimert Blaeu, gedrukt van dezen kleinen steen,

Al 't aertrijk door bekent,

Hoe quam hy aan zijn ent?

De gantsche waerelt viel den grooten man te kleen.

Is de zonnewijzer verdwenen, die vroeger den vermaarden boekwinkel

der Blaeuen aan den voorbijganger in 't geheugen terugriep, nog

altijd kondigt, iets verder op, schuins tegenover de Korenbeurs,

een steen in den gevel met het opschrift: "de vierighe colom,"

het huis aan, waar in het eerste vierendeel der zeventiende eeuw,

Jacob Aertsz. Calom en Pieter Aertsz. Calom hetzelfde bedrijf

van boekdrukkers en boekverkoopers uitoefenden. Wel was hunne

vermaardheid verre van die hunner straks vermelde medebroeders in 't

vak te evenaren; maar talrijk waren echter de werken van smaak, die

van hunne persen verschenen; en waaronder wij b. v. drie van Vondels

treurspelen tellen: "Hierusalem verwoest," "de Amsterdamsche Hecuba"

en "Palamedes" benevens een aardig bundeltje met kleinere gedichtjes,

door hem ter eere der bevallige dochter van Laurens Baeck vervaardigd.

Niet alleen boekverkooper, maar ook dichter en geschiedschrijver,

was de man, die, vlak tegenover de Korenbeurs, zijne grootste

vermaardheid verwierf, toen die der Caloms begon te verkwijnen en

die der Blaeuen nog in hare beginselen was. Hier was de winkel van

Dirck Pietersz., of, gelijk hij zich naar den smaak dier tijden ook

wel noemde, Theodorus Petrejus. Te Embden in 't laatst der zestiende

eeuw geboren, had hij zich in 't begin der volgende als boekdrukker

te Amsterdam gevestigd, vóór 1610 in de Oude Brugsteeg, aan het Water,

daarna op het Water, beide reizen in een huis, waar eene witte pers in

den gevel prijkte. Van dit werktuig, 't welk niet alleen van buiten

tot versiersel zijner woning strekte, maar ook daarbinnen ijverig

werkzaam was en hem aanzienlijke voordeelen verschafte, ontleende

hij zijn bijnaam, dien hij echter niet dan op lateren leeftijd

bezigde en dan nog wel als eene soort van pseudoniem. Waar het zijn

beroep gold, bleef hij den naam van Dirck Pietersz(oon) voeren, en,

als zinspreuk, den letterkeer van dien naam, ick strii op sno eerde,

welke woorden het randschrift vormden van een schild, binnen 't welk

de Christen Ridder was afgebeeld, ten strijde toegerust en staande

op een wereldbol. Al de werken, bij hem uitgegeven, voeren op het

titelblad dit zinnebeeld, 't welk in de vroegere in een eenvoudig

ovaal staat, doch in de latere met fraaie allegorieën is omslingerd,

en twee genieën tot tenants heeft, met het onderschrift: Durate.

Talrijk zijn de werken, door Dirck Pietersz., onder dezen naam en onder

dien van Pers, in 't licht gegeven, zoo in proza als in poëzie, even

verschillend van strekking als van vorm: geschiedenissen, stichtelijke

rijmen, leerdichten, sonnetten, gezangen, bijschriften enz. [10]

Onder zijne gedichten, waarin hij, vaak op bedriegelijke wijze, den

trant en stijl van Cats nabootst, stellen wij bovenaan een leerdicht

in drie zangen, waarin hij tegen de onmatigheid te velde trekt,

door haren aard en gevolgen op kluchtige wijze voor te stellen. Hij

is echter niet partijdig, gelijk de afschaffers van latere dagen,

die er niet tegen hebben, dat men zich een roes drinke, mits men 't

niet aan jenever doe. In navolging van Mohammed en ten voorbeelde aan

de temperance-societies, strijdt hij tegen elken drank, die dronken

maakt. In zijn eersten zang stelt hij de volgelingen van Bacchus ten

toon, in zijn tweeden die van de Godin Bierana (de bierdrinkers), en

in den derden die van den God Brandemoris (hen, die zich aan jenever,

of--juister uitgedrukt--korenbrandewijn, te buiten gaan). Men ziet,

dat er niets nieuws onder de zon is; maar tevens, dat men toen hier

te lande krachtiger bier dronk dan in onze dagen.

Wij tellen 't jaar 1627 en stellen ons den Schrijver en drukker voor,

op een zomerschen achtermiddag onder zijn luifel zittende, met vrouw

en kinderen om hem heen: hij ziet er kloek en welgedaan uit: en al

is noch hij noch zijn gezin in 't Zondagspak gedost, hunne plunje is

toch van deugdelijke stoffage en kondigt welvaart aan. En geen wonder:

zijne zaken gaan voor den wind: werken, als de "Gulde Winckel" en de

"Warande der Dieren," met fraaie kunstplaten van Marcus Gheraerts,

waarvoor hij den teekenaar, en bijschriften van Vondel, waarvoor hij

den dichter niet heeft behoeven te betalen, hebben vrij wat uitgaven

beleefd en zijn in aller handen. Pers is rijk geworden en heeft nu ook

het voorbeeld gevolgd van alle rake lieden: hij heeft zijne afbeelding

laten maken. Hij wil die in 't koper doen brengen; maar nu moet er

een bijschrift onder staan; en tot wien zou hij zich beter te dien

einde kunnen wenden, dan tot Vondel? Ongelukkig heeft hij, die vrij

streng Gereformeerd is, den dichter, wiens Arminiaanschgezindheid

zich in menig bijtend gedicht geopenbaard heeft, sedert een jaar of

wat links laten liggen, en aan andere drukkers de eere overgelaten,

's mans pennevruchten te vereeuwigen. Dit maakt hem huiverig, zijn

verzoek tot hem te richten. Maar tot wien zal hij zich wenden? Hooft

is een te groot heer, Coster is nog erger anti-Dordtsch dan Vondel,

Cats maakt geen bijschriften, Huyghens kent hij niet en,

Al 't oov'rige is een hoop, onwaard dat men dien noeme.

Hij heeft dus zijne stoute schoenen aangetrokken en zich, onder

inroeping der herinneringen van vroegere vriendschap, schriftelijk

tot Vondel gewend. Zal deze aan zijn verzoek willen voldoen? Of zal

de bode een weigerend antwoord brengen?--Neen, de poëet was altijd

in den grond een goedhartig man, zwak genoeg, om zelfs een vijand

te verplichten, laat staan het aan een ouden bekende te vergeven,

dat deze hem wat verwaarloosd heeft. Ha! daar komt de uitgezonden

knaap van de Oudebrug aansnellen: hij heeft een brief in de hand:--het

antwoord is ongetwijfeld gunstig.

--"De gebiedenis van Sinjeur Vondel," zegt de jongen, terwijl hij,

voor de luifel stilstaande, den brief aan zijn meester overhandigt:

"en UEd. had maar te kiezen."

--"Hij zendt mij keuze, Brecht!" roept Pers verheugd uit, terwijl

de knaap zijn weg vervolgt en in de steeg verdwijnt, om zoo in het

achterhuis te geraken.

Met driftige nieuwsgierigheid breekt Pers den brief open: "Twee

bijschriften in plaats van een!"--En terwijl vrouw en kinderen de

hoofden samensteken, om toe te luisteren en hij het zijne naar hen

overbuigt, ten einde het gewoel op straat den klank zijner stem niet

te machtig zij, begint hij te lezen:

Vernuftigh volck, die steeds bepropt uw ruyme winckels....

--"Ik ben nieuwsgierig wat hij op winckels zal doen rijmen," zegt Anna,

de oudste dochter.

--"Wel: kinckels," zegt haar broeder Pieter.

--"Stil kinderen! valt vader niet in de rede," zegt hunne moeder,

en Pers hervat:

Vernuftigh volck, die steeds bepropt uw ruyme winckels

En kleed in 't parkament de beenen noch de schinckels

Maer 't breyn der geenen die met letters sijn gedoopt....

--"Hij alleen kan toch zoo iets vinden!" roept Pers uit, met lezen

ophoudende.

--"Ik versta 't niet recht," zegt zijne vrouw, eenigszins verlegen.

--"Wel Moeder! 't is dunkt mij vrij duidelijk," hervat Pieter:

"met het vernuftigh volck bedoelt de dichter de drukkers, die hunne

winkels volproppen met boeken, en die niet de beenen en schinckels,

dat is het lichaam--maar wel het brein, d. i. de denkbeelden, van

hen, die den letterdoop ontvingen (die tot auteurs geboren zijn)

kleeden met parkament, of, als wij zouden zeggen, in druk uitgeven."

--"Ei! ei!" zegt Moeder.

Pers vervolgt:

Komt en siet Perssius uw glori, hoogh geseten,

Vertellingen van vroeger en later tijd · 第 4 / 51 题