Over den naam van "hoofdstad", aan Amsterdam gegeven.
Misschien schrikt u het opschrift van dit hoofdstuk af, lieve
Lezeres! en verkeert gij in den waan, dat ik u hier een dor, althans
een politiek vertoog, ga opdisschen. Is zulks bij u het geval, dan
miskent gij mijne bedoelingen. Neen, Mevrouw, of Mejuffrouw, wie
gij zijn moogt! ik heb te veel eerbied voor uw gezond verstand om
niet te weten, dat gij u met geen politiek bemoeit, en ik heb er u
te liever om.--Maar al hadt gij ook onverhoopt eene geheime neiging
tot de staatswetenschap, dan heb ik tevens te veel krediet voor het
gezond oordeel van den smaakvollen vriend, die u den "Holland" als
een St.-Nicolaasgeschenk aanbiedt, om niet te beseffen, dat hij zich
wel zou wachten, die bestemming aan mijn boekje te geven, zoo hij kon
gissen, dat het strekken kon om die neiging bij u te voeden.--Ik haast
mij dus, om uwent- of om zijnentwille, u de verzekering te geven, dat
zoo het opschrift, zoo ook de inhoud van dit eerste hoofdstuk weinig
vermakelijks beloven voor het vervolg, ik gaandeweg een anderen toon
zal aanslaan, om voor alles mijn best te doen, u zoomin mogelijk te
vervelen. Uwe eigene ondervinding--ik ben er overtuigd van--heeft u
gewis sedert lang geleerd, dat de fraaiste zijden stoffen, de fijnste
kanten en de sierlijkste bijouterieën, gekocht worden in zoodanige
winkels, waar uiterlijk niets aanduidt, dat zich daarbinnen zulk een
rijke voorraad bevindt; terwijl daarentegen, waar veel moois voor
de glazen prijkt, het magazijn zelf meermalen niets bevat, dat uwe
aandacht waardig is.--Na deze--zoo ik hoop geruststellende--inleiding,
vang ik aan.
Ik heb mij meermalen afgevraagd, welken zin de Regeering, wanneer
zij in onderscheidene officiëele stukken, Amsterdam de "hoofdstad"
noemt, wel aan dit laatste woord zoude hechten. Volgens den aard
onzer taal en naar het algemeen gebruik verbindt zich aan dien titel
de gedachte aan ettelijke voorrechten, door de stad, die hem voert,
boven hare medesteden genoten.--Maar hoe meer moeite ik deed, om, van
dat beginsel uitgaande, eenig voorrecht te noemen, 't welk Amsterdam
boven de overige steden des Rijks zou bezitten, hoe verder ik van
de wijs dwaalde. Gaan wij eens na, welke eigenschappen men gewoon
is aan eene hoofdstad toe te schrijven, en zien wij dan, in hoeverre
men die op Amsterdam kan toepassen.
Het is in 't algemeen binnen de hoofdstad van het rijk, dat zich de
zetel bevindt der Hooge Regeering. Dat is zoo in Frankrijk gelijk in
Zweden, in Engeland gelijk in Japan, in Spanje gelijk op Otaheiti. En
wat is nu het geval in het Koninkrijk der Nederlanden? Het kabinet
des Konings zoowel als de ministeriën zijn in Den Haag gevestigd:
de Staten-Generaal komen in Den Haag bijeen: de Hooge Raad heeft
zijn zetel in Den Haag: en Amsterdam, verre van zich te beschouwen
als het middelpunt van het Rijk--is niet eens dat van het Provinciaal
Bestuur, en had, voor de scheiding van Noord- en Zuid-Holland, zelfs
geen gerechtshof binnen zijne muren.
Dit eerste kenmerk eener hoofdstad ontbreekt dus geheel. Maar heeft
wellicht Amsterdam het voorrecht dat het door 's Lands Regeering
meer bijzonder begunstigd, dat het behandeld wordt als de parel,
waarop geheel Nederland trotsch is, als een pronkstuk, tot welks
onderhoud en vorming heel Nederland bijdraagt? De begrootingen van
Frankrijk, van België, van Pruisen, wijzen telken jare aanzienlijke
sommen aan, bestemd om den luister der hoofdstad te bevorderen, en
haar op die wijze meer en meer tot het brandpunt te bestemmen, van
waar de verlichting, de beschaving, de kunsten en wetenschappen hare
stralen spreiden naar de overige deelen des Rijks. Op deze vraag, waar
't Amsterdam geldt, kan alleen worden geantwoord, dat Amsterdam tot
nog toe voor 's Lands rekening niet veel anders naar buiten verspreidt
dan.... brieven.
Is er dan misschien, ten gevolge der inrichting van onzen Staat, aan
Amsterdam eenig politiek voorrecht geschonken?--Zulk eene vraag kan
alleen door een vreemdeling worden gedaan. Wij Nederlanders, en vooral
wij Amsterdammers, weten, dat de hoofdstad door dezelfde gemeentewet
beheerscht en op gelijke wijze bestuurd wordt als Urk en Buiksloot.
Een voorrecht echter is aan Amsterdam, en dat nog wel bij de Grondwet,
toegekend. Deze bepaalt namelijk in Art. 51, dat de Koning binnen
die stad wordt ingehuldigd. Ongelukkig is dat een der voorrechten,
waarvan elk rechtgeaard Amsterdammer moet wenschen, dat de stad zoo
spaarzaam mogelijk gebruik behoeve te maken.--Doch bij het vermelden
van dat voorrecht mag ik niet nalaten, de aandacht te vestigen op de
omstandigheid, dat Amsterdam niet de hoofdstad is, omdat de Koning
er gehuldigd wordt; maar omgekeerd, dat de inhuldiging plaats heeft
te Amsterdam, omdat Amsterdam als de hoofdstad wordt aangemerkt.--Het
moet dien titel dus aan vroegere, aan andere oorzaken te danken hebben,
en deze zijn het juist, welke ik zou wenschen te kennen, en waarover
ik gaarne een prijsvraag zou zien uitschrijven. Wat mij betreft, ik
ben bereid hem, die ze maar eenigszins voldoend weet te beantwoorden,
een stel "Hollanden" present te doen. Ik voor mij ken geen enkel
punt van overeenkomst tusschen Amsterdam en andere hoofdsteden,
dan dat het--gelijk in den regel met deze laatsten het geval is--meer
uitgebreidheid bezit en meer inwoners telt dan de overige steden in het
Rijk. Maar aangezien de omtrek en de bevolking niet anders dan bloote
feiten, en bovendien aan wisseling onderhevig zijn, zoo kunnen zij,
bij het gemis van alle overige vereischten, den toegekenden titel op
zichzelven niet rechtvaardigen.
Al deze beschouwingen hebben mij tot de navolgende gissingen geleid:
De titel van hoofdstad zal aan Amsterdam geschonken zijn, evenals men
dien van Generaal verleent aan een afgedankten en voor den dienst
niet meer bruikbaren kolonel--een en ander buiten bezwaar van 's
Rijks schatkist.
En dan krijgt de nieuwe Generaal er doorgaans het verlof bij, om
de uniform te dragen, aan zijne nieuwe waardigheid verknocht.--Men
behoeft geen vijf minuten in Amsterdam te hebben doorgebracht, om zich
te overtuigen, dat dit verlof aan de hoofdstad niet is geschonken;--of
dat zij er althans geen gebruik van maakt.
Dit ware intusschen wel te wenschen; want de oude uniform, die zij
droeg, toen zij nog geene hoofdstad, maar eenvoudig de vijfde in rang
onder de stemhebbende Steden was, is bitter gescheurd en versleten.
Jammer genoeg; want zij was wel der moeite waardig, gezien te
worden. Gij hebt er misschien zelfs geen flauw denkbeeld van, lieve
Lezeres! hoe mooi die was. Gij verbeeldt u wellicht, dat, vermits wij
toen nog de nieuwe Beurs aan den Dam en de Willemspoort, Artis en de
Variétés, de Volksvlijt en het bruggetje tegenover 't Sint-Antonie's
Kerkhof, het monument van 't metalen kruis en 't magazijn van
Sinkel, het entrepôt en de omnibussen, het beeld van Rembrandt en
de spoorwegstations, Frascati en 't Huis van arrest, niet bezaten,
de stad voor den bezoeker niet veel bijzonders moet hebben opgeleverd.
Ik zal u antwoorden, dat, welken prijs ik ook stelle op de hier
genoemde fraaie zaken en instellingen, op sommige waarvan ik misschien
later met een woord terugkom, ik echter, bij 't geen ik van Amsterdam
zeide, meer 't oog had op het uiterlijke voorkomen der stad in 't
algemeen, dan op eenige bijzondere nuttige of aangename gewrochten
eener nieuwere beschaving. Een paar nieuwe epauletten en nestels--om
terug te keeren tot het gebezigde beeld--mogen de aandacht trekken,
zij hebben de macht niet, den verschoten glans terug te geven aan
een rok, die vol vlekken, lappen en gaten is en waaraan alles van de
bittere armoe des dragers getuigt.
Over het voorkomen van Amsterdam in eene vorige eeuw.
Gemeen verwonderingh betaemt mijn wond'ren niet.
De vreemdelingh behoort te swijmen, die my siet,
zeide Huygens, omstreeks de helft der zeventiende eeuw, Amsterdam
sprekend invoerende: en inderdaad, in zijnen tijd en nog eene eeuw
later was er wellicht geene stad in geheel Europa, meer dan zij
geschikt, om bij den vreemdeling, die haar bezocht, een indruk te
verwekken van verbazing en opgetogenheid. Stellen wij ons hem voor,
uit zee komende en dus de stad van den IJkant naderende. Nauwelijks
kan de jol, die hem aan wal brengt, haren weg vinden tusschen die
oneindige en ontelbare massa van schepen en lichters en schuiten,
hier bij en nevens elkander liggende of elkander in alle richtingen
doorkruisende. De Teems bij isle of dogs kan er thans nog--hoewel
maar in de verte--eenig denkbeeld van geven. Overal woeling, overal
drukte, gegons en getier. Hier worden de geurige specerijen van 't
Oosten gelost, ginds het ruwe ijzer van Zweden, elders het koren uit
Riga: dáár de kostbare zijde uit de Levant, en het fraaist geaderde
marmer, dat tot ballast heeft verstrekt en nu de gangen en portalen
en plinten ook der nederigste woningen versieren zal. Wat verder
ontscheept men Segoviesche wol, terwijl kort daarbij de voortbrengselen
worden ingeladen der lakenfabrieken, waarin zoodanige wol bewerkt
is geworden. Overal ziet men dezelfde voorwerpen, 't zij ruw,
't zij gewerkt, hier lossen, ginds inschepen: overal het bewijs,
dat Amsterdam niet voor zichzelf al het aangevoerde behoeft, maar
het alleen verzamelt met het hoofddoel, om het weder uit te voeren:
in 't kort, dat het de stapelplaats, de markt, de monsterbazaar is
der wereld.
Onzen vreemdeling is het eindelijk gelukt, door alle belemmeringen
heen, behouden aan den Buitenkant te landen, en eene nieuwe
verwondering maakt zich van hem meester, naarmate hij de oude stad
doorkruist en zich, schier bij elke schrede, een nieuw en verrassend
schouwspel ziet bereid. "Hoe?" vraagt hij met verbazing aan zijn
leidsman: "is dit de oude stad? en alles fonkelt mij tegen als blinkend
en nieuw!"--En inderdaad, nergens ontmoet zijn oog eenige van die
zware, breede, vierkante gebouwen, gelijk men ze elders in oude steden
aantreft, van die berookte vervelooze huizen, wier sombere kleur,
wier ramen, met uitspringend traliewerk voorzien, aan het geheel
het voorkomen eener oude gevangenis geven: neen, elke woning is of
schijnt ten minste nieuw, zoo zorgvol zijn de steenen beschilderd, de
voegen opgewit, de plinten, kozijnen en luiken geverfd, de dakpannen
bestreken: en doet zich hier en daar een toren, een muur, een bolwerk
of ander gebouw uit lang verloopen eeuwen voor, ook dit getuigt niet
van verval, ook dit is met netheid onderhouden, ook dit heeft een
lachend, een vroolijk, een verjeugdigd aanzien. En hoe schilderachtig
is de vertooning, welke het geheel oplevert. Nergens de stijve,
rechte lijn, die aan alles eentonigheid bijzet en verveling wekt;
overal bochtige, kronkelende, hoekige grachten en straten; terwijl de
vooruitspringende groene luifels, waaronder de winkelwaren uitgestald
worden, de ijzeren leuningen langs de stoepen, de banken en pothuizen,
die van elke stoep eene kleine vesting maken, de openstaande luiken,
de slingerende uithangborden van glanzend koper, de gebeeldhouwde
of gebeitelde zinnebeelden in den gevel of op de daken, de grillige
versierselen aan de piramidaalvormige puien aangebracht, de vanen en
windwijzers, de schoorsteenen vooral, met hunne houten kappen, in alle
vormen en kleuren, hier als een toren, daar in de gedaante eener Y,
ginds in die van eene theebos, achter en nevens en boven elkander
uitschietende, overal die verscheidenheid van lijnen teweegbrengen,
die zoo aangenaam is voor 't oog. En wat in den zomer het bevallige
van het tooneel verhoogt, zijn die groene boomen, hier langs den wal,
ginds ook voor de woningen, uit net geschilderde kokers oprijzende, en
waar de schaduw van hun loover zich over straat of gevel heenspreidt,
fantastische effecten vormende van licht en bruin.
Maar onze wandelaar is door de woelige straten verder gegaan; daar
komt hij op den Middeldam, en een gevoel van eerbied vervult hem bij
den aanblik van dat reusachtig gevaarte, 't welk met zijn eenvoudigen
koepel voor hem oprijst, van dat stadhuis, in tijden van oorlog en
woeling opgericht als een achtste wereldwonder,--en van die trotsche,
nog onvoltooide kerk, nog maar kort geleden door den brand vernield,
om grootscher weder op te rijzen en tot grafplaats aan Neêrlands
meest beroemden zeeheld, gelijk aan zijn meest beroemden dichter,
te verstrekken. Hij blikt rond over dat onregelmatige plein, dat het
hart van Amsterdam mag genoemd worden en waar al de hoofdaderen van
het groote lichaam mede verbonden zijn: overal drukte, overal gedraaf
en gewoel, overal een zoo talrijke toeloop van menschen, dat hij in
't eerst in den waan verkeert, dat eene buitengewone plechtigheid
die duizenden doet te zamen komen. Maar neen: de Dam heeft zijn
gewoon alledaagsch voorkomen, de zaken gaan haar geregelden gang,
en het schouwspel, dat de Dam u heden aanbiedt, zal hij u morgen
weder vertoonen. Een gedeelte van hen, die het plein doorkruisen,
daagt op uit een der bogen van het stadhuis of begeeft zich binnen
dat gebouw, 't welk, als een groote bijenkorf, den geheelen dag
afwisselend bezocht en verlaten wordt door hen, die hunne zaken of
hunne nieuwsgierigheid er heenvoeren. Onze vreemdeling behoort tot hen,
die de laatste drijfveer naar binnen doet treden. Hij gaat de breede
trappen op en bevindt zich aldra in die honderd voet hooge gaanderij,
schier een plein op zichzelve, en altijd vol bezoekers. Hij zoekt te
raden, wat de beroepen zijn, die zij uitoefenen, of de oorzaken, die
hen hier brengen. Weldra herkent hij de advocaten, die met mantel en
bef op en neder wandelen, de procureurs, door hunne klerken gevolgd,
die zakken met processtukken dragen, de beambten, die zich naar
hunne kantoren begeven: hij ziet hoe het in de nevengalerijen woelt
en grimmelt van menschen: deze moet naar de thesaurie, gene naar de
wisselbank: anderen naar de weeskamer, de desolate boedelkamer, naar
schepensbank, naar de secretarie, naar een dier tallooze stadskantoren,
welke het gebouw bevat; daar in dien hoek spelen en dartelen knapen,
niet anders alsof zij zich op een opene markt bevonden, of zoeken het
kleinste sterretje aan de hemelglobe, die op het marmeren plaveisel
is afgebeeld.--Doch daar opent zich rechts en links de volksmenigte;
een roedragende bode gaat vooruit; gewis, de man, die daar volgt
en voor wien zich alle hoofden als door een tooverslag ontdekken,
is een der Burgervaderen. Ook onze vreemdeling neemt den hoed af en
staart met diep ontzag, ja, niet zonder eenige vrees, den man aan,
die wellicht hier of daar in Europa, een vrede tusschen twistende
Mogendheden heeft helpen bewerken, of een krijg ontstoken, of een
zeetocht heeft bijgewoond, en die in allen gevalle binnen zijne stad
een gezag uitoefent, waarbij dat van een Autocraat der Russen of een
Koning der Franschen nauwelijks despotiek te noemen is.
En toch, die honderden, die uithoofde van hunne bezigheden of uit
tijdverdrijf het stadhuis bezoeken, en daarom den Dam oversteken,
wat zijn zij, in vergelijking van die duizenden, die om andere
redenen zich op het marktplein bevinden? Hier ziet men den stroom,
die onafgebroken door de beide ingangen der Waag op- en afvloeit:
boeren en boerinnen uit Waterland, uit Sloten, uit Amstelveen, uit
Weesperkarspel, uit Diemen, uit het Gooi en het Sticht, met hunne bonte
en rijke kleederdracht, met de keur van gouden en zilveren oorijzers en
bloedkoralen snoeren, die voortbrengselen van hun landbouw ter markt
komen brengen:--koopers, die hun gading komen zoeken. Wat verder ligt
de vischmarkt: hier vindt men visschers uit Huizen, uit Marken, uit de
zeedorpen langs het IJ, met hunne breede schouders en wijde broeken:
op eenigen afstand van daar ontmoet men tuiniers en fruitverkoopers,
warmoeziers uit de vette kleigronden en uitgemalen polders om de
stad, en het gastvrij hier opgenomen kroost van Israël, hunne waren
achter kruiwagens en stalletjes ventende. Daar dringt zich eene schaar
bijeen om te hooren, wat tijding of bericht of keur er van de pui van
't Raadhuis wordt afgelezen; of om met vroolijk gejuich dat bruidspaar
te begroeten, hetwelk onder 't loover strooien de kerk verlaten heeft
en met een stoet van magen en feestgenooten huiswaarts trekt:--doch
wat vooral drukte en vertier geeft, is die wemelende drom, die zijn
bestaan in den handel vindt: geen hoek der wereld, die hier niet
vertegenwoordigd wordt. Gij vindt er den blonden Engelschman naast
den taankleurigen Italiaan: den blauwoogigen zoon van 't Noorden naast
den zwartgebaarden Armeniër: den Spanjaard, in zijn mantel gewikkeld,
naast den Persiaan in zijn kaftan: den winderigen Franschman nevens
den listigen Moskoviet:--en daartusschen, sjouwers, waagdragers,
kruiers, boodschaploopers, kantoorbedienden, makelaars, aansprekers,
ambachtslieden, schippers, zielverkoopers, wervers, steenslijpers en
straatjongens, alles evenzeer vol drukte en beweging, en woelig door
elkander dringende.
Doch wat behoef ik eene beschrijving van den Dam, zooals die vroeger
was, in proza te geven, als ieder die lezen kan in Vondels heerlijke
verzen, gelijk zij voorkomt in zijne inwijding van 't Stadhuis. Ik
schrijf die hier niet over, eensdeels uit luiheid: ten andere, omdat
ik de critiek niet tergen wil, die mij dat aanhalen van verzen uit
Vondel reeds verweten heeft: ten derde, en wel voornamelijk, om uwe
nieuwsgierigheid te prikkelen, opdat gij die zelve bij den dichter
opzoekt en naleest.
Wij volgen onzen vreemdeling, nu hij, na zijne oogen verzadigd te
hebben met het schouwspel, dat de Dam hem aanbood, de Kalverstraat
inslaat, om, deze volgende, den nieuwen uitleg der stad te gaan
bezoeken. Hij loopt, 't is waar, gevaar, in de volte een duw of trap
van dezen of genen driftigen voorbijganger te krijgen; doch hij is
ten minste vrij zeker, niet overreden te zullen worden; want behalve
eene enkele dokterskoets, of een handwagen, of eene kar, ontmoet hij
geen rijtuig: veilig en onverlet geraakt hij in de Nieuwe Stad, op
die trotsch gebouwde Heeren- en Keizersgrachten, waar de vermogende
Patriciërs een deel hunner overwinsten besteed hadden aan 't stichten
van prachtige paleizen. Ook hier heeft wederom de individueele smaak
van iederen eigenaar of bouwheer gezorgd, dat de eentonigheid werd
vermeden. Geene gelijkvormige huizen, zooals andere moderne steden
ons aanbieden, waarbij elke woning zoozeer op de overige gelijkt, dat
men ze alleen door de huisnummers onderscheiden kan, en gedwongen is,
met den naam van den vriend, bekende of leverancier, wien men bezoeken
wil, tevens diens huisnummer in het geheugen te bewaren. De huizen
zijn nog ongenummerd; maar zij zijn kenbaar aan de zinnebeelden, die
in gehouwen of gebeitelden steen den gevel versieren, aan de spreuk
of het jaartal, in gulden letteren op het frontispies uitgedrukt,
aan het kunstig loofwerk of anderen pronk, aan dak en kroonlijst
aangebracht; aan de verscheidenheid van vorm en bouwtrant. Hier
ziet men hardsteenen gevels: daar is aan Benthemer of Bremer, meest
aan gebakken steen, de voorkeur gegeven: hier zijn het Tritons of
Nereïden, daar Dolfijnen en zeepaarden, leeuwen, beren, adelaars en
griffioenen, elders hoornen des overvloeds, overal snij- of krulwerk,
dat dien gevel bekroont. Langs statige dubbele stoepen, voorzien met
pracht van leunen,
Die hun adel ondersteunen,
stijgen de trotsche bewoners naar hunne huizingen op. De dubbele
voordeur opent zich en doet een portaal aanschouwen, met marmeren vloer
en marmeren plinten aan de zijwanden: marmeren platen dekken de trap,
die naar boven voert, en 't hooge trapportaal: van eikenhout, kostbaar
gebruineerd, zijn de plinten en kruiskozijnen der voorvertrekken:
tapijten uit Smyrna of Perzië dekken de vloeren, in gouden lijsten
omvat damast de wanden: keurig schilderwerk van de beroemdste meesters,
beeldwerk van Quellijn, versieren den schoorsteen en de vakken van de
deuren; en uit onschatbare ebbenhouten pronkkasten blinken allerwegen
het fijnste Chineesche porselein, het keurigste lakwerk van Japan,
het kostbaarste Venetiaansche kristal, het kunstigst bewerkte fil de
grain, bekers en beelden van hoorn, van ivoor, van parelmoer, gouden
trouw-, lijk- of geboortepenningen, en een niet te noemen schat van
zeldzaamheden u tegen.
Maar ik vergeet, dat wij onzen vreemdeling ter zijde blijven en
niet het binnenste der woningen, maar het uiterlijk voorkomen der
stad beschouwen, en nog geen woord gesproken hebben van hetgeen het
sieraad uitmaakt van Amsterdam, en de stad een tweede--neen, een ander
Venetië doet zijn, t. w. van de omstandigheid, dat al het heerlijke,
't welk zich aan uwe oogen vertoont, zich spiegelt in 't helder kristal
der tallooze wateren, die de stad in elke richting doorsnijden. En
nog levendiger, zoo mogelijk, dan op de straten en de kaaien, is
het op den Amstel en op de breede zijarmen, waarin zijn stroom zich
verdeelt. Overal schuiten en schepen, die elkander ontmoeten, met
balen, met kisten, met vaten, met koopwaren van allerlei aard, met
turf, met groenten, met levensmiddelen of benoodigdheden:--daartusschen
groen geverfde speeljachten, boeiers, tentschuiten, wier gouden lijsten
en gouden krulwerk flikkert in het licht der zon--en eindelijk hier
en ginds blanke zwanen, die zich in het bont gewoel vermaken.
Zoodanig was het schouwspel, dat Amsterdam aanbood, nog eene eeuw
nadat Huygens de regels dichtte, hierboven aangehaald. Wat dunkt u,
was er stof voor onzen vreemdeling, om verbaasd en opgetogen te zijn?
En wat heeft men sedert van Amsterdam gemaakt?
Het Amsterdam van thans vluchtig bekeken.
Wij beginnen deze reis onze wandeling van den Dam.--Wat is er geworden
van het wonderstuk van Stalpaert en van Van Kampen? van dat Raadhuis,
versierd door de kunst van Flink, van Bol, van Koning, van Stokkade,
van Fidias-Quellijn, waar binnen elk schilderstuk, elk festoen,
elk beeld, elk basrelief tot een zinnebeeld strekte in harmonie
met de bestemming van de zaal, de galerij, het vertrek, waartoe
het behoorde?--dat Raadhuis, van waar de achtbare burgervaderen van
Gijsbrechts stad,
Gezeten op zijn schilt met kruyssen overladen,
hun bevelen gaven Urbi et Orbi? nog altijd staat het op zijne oude
plaats, maar.... ledig 357 dagen van 't jaar.
De acht overige dagen wordt het bevolkt en speelt het de rol van een
koud, tochtig en onbewoonbaar paleis.
De groote hal, de verzamelplaats voorheen der menigte, nu door vier
looze wanden van beschilderd behangselpapier afgescheiden van de
zijgalerijen, is in eene zaal herschapen, waar verschoten gordijnen
hangen, en de marmeren vloer, met zijne aard- en hemelsferen, is met
een kleed bedekt en sedert vijftig jaar onzichtbaar voor de bezoekers.
En, nu men eens dit gebouw aan zijne oorspronkelijke bestemming had
onttrokken, begreep men, op dien fraaien weg te moeten voortgaan,
en had er eene reeks van herscheppingen plaats, aanzienlijk genoeg om
een dubbeltal aan die, welke Ovidius bezongen heeft, toe te voegen. De
zetel van de stadsregeering en der vierschaar was vroeger een, omdat
beide lichamen tot eene en dezelfde macht behoorden: daarom werden zij
dan ook, toen zij den Dam verlieten, in een zelfde lokaal overgebracht,
en wel op 't Prinsenhof, waar voorheen de Admiraliteit bijeenkwam. De
rechterlijke macht trok later elders heen; en zoo werd het Prinsenhof
van een half Raad- tot een geheel Stad-, later tot een Gemeentehuis
ingericht,--een Gemeentehuis, zoo gelukkig gelegen, dat men het,
men kome van wat zijde men wil, niet genaken kan dan door stegen,
of door eene straat, die nauwelijks dien naam verdient.
Het Oude-mannenhuis werd half aan 't Gasthuis getrokken, half in eene
Academie voor beeldende kunsten omgeschapen.
De Vleeschhal is gehalveerd en eene stadsdrukkerij, eene vergaderplaats
voor het Geneeskundig Toevoorzicht, een Commissariaat van Politie;
de hemel weet wat al meer, geweest.
Het Staalhof is insgelijks gehalveerd, tot collegekamer en tot
Commissariaat van Politie ingericht.
De St.-Antonies Waag werd een uitdragerswinkel.
De Regulierswaag een cachot.
De Waag op den Dam werd eenvoudig weggebroken, evenals de
Jan-Rooden-Poorts- en Haringpakkers-toren.
Het Nieuwe-Zijds-Heeren-Logement werd een weeshuis.
Het Oost-Indisch Huis werd voor de helft aan het Bestuur der
Rijks-Belastingen afgestaan, en voor de andere dient het tot een
Werfhuis.
De Beurs werd weggebroken: om het gemis te vergoeden, bouwde men op de
vischmarkt een Ionisch voorportaal en daarachter een Dorisch tempeltje.
Op de plaats, waar Costers Academie gestaan had, werd, nadat deze
verbrand was, een huis gezet, dat tot Armenkantoor dient;--en in
afwachting, dat men een nieuwen schouwburg zou stichten, plaatste men
aan een uithoek der stad een houten loods, die daar weldra honderd
vijftig jaar zal gestaan hebben.... altijd provisioneel.
Het Sint-Jorishof gaf logies aan 't Syndicaat; het Spinhuis aan
de Politie.
Het geestig beeldwerk boven de poort van 't Tuchthuis werd onder een
houten kast verstopt, en deze met een lauwerkrans versierd.
Maar het zonderlingst werd er gehaspeld met het Aalmoezeniers-Weeshuis:
2/3 er van werden ingericht tot Paleis van Justitie, en zulks met
zooveel overleg, dat men altijd, om van 't eene gedeelte naar 't
andere te komen, twee pleinen over moet--wat bij sneeuw of regen
zeer vermakelijk is. Van 1/6 maakte men eene Stads-Bibliotheek;
en van het laatste 1/6.... een Cholera-Hospitaal.
Voor de Beambten ter Griffie van het Hof, of voor hen, die aldaar
iets te verrichten hebben, is het zeker eene ongemeene verstrooiing,
de lijders in de ziekenzaal te hooren kermen en te zien zieltogen.
In 't kort, wie Amsterdam thans doorwandelt, zal moeite hebben om--op
zeer enkele uitzonderingen na--de bestemming te raden van eene der
publieke gebouwen, welke hij voorbijwandelt.
En dit is nog het minst; want over 't geheel is de uiterlijke gedaante
dier gebouwen eenigszins bewaard gebleven; maar erger is het gesteld
met die van de bijzondere woningen, wier eigenaardig karakter òf
reeds verdwenen is, òf van lieverlede geheel te niet gaat.
De schilderachtige luifels, waaronder het huisgezin in de zomeravonden
vergaderde, om een luchtje te scheppen en de kinderen speelden, bestaan
niet meer dan in de herinnering: en evenzoo de uithangborden. Ook de
stoepen zien wij langzamerhand wegbreken: de stoepen, op wier bank de
huisvader zijne pijp placht te rooken, terwijl zijn gezin voor 't open
raam zat. En, ware dit het ergste nog;--maar, wat ten hemel schreit,
bij elke vertimmering wordt met den meesten ijver gezorgd, dat al
wat aan het huis eenige originaliteit schonk, voor altijd daaraan
ontnomen worde. Onze woningen waren, als ik reeds heb herinnerd,
met snij-, beeld- en loofwerk op kwistige wijze overladen. De gevel
liep piramidaalvormig met trappen op of in grillige festoenen,
die, met een plat of driekant dekstuk bekroond, zich slingerden ter
wederzijden van de zolderraampjes en van den hijschbalk, zoodat het
bovendeel der woning ons niet zelden het borstbeeld van een onzer
grootvaders met zijne deftige gekrulde pruik of van zijne gade met
haar huiskapje herinnerde.
Aan deze wel phantastische, maar toch oorspronkelijke en
pikante bouworde hebben onze nieuwerwetsche.... timmerlieden een
verdelgingsoorlog verklaard. Simplex sigillum veri--"het eenvoudige
is het zegel van het ware", is de spreuk, welke zij gekozen hebben,
en die hen inderdaad ontslaat van de moeite om eenigen kunstzin ten
toon te spreiden of om iets te vervaardigen, waaraan een bouwkunstig
denkbeeld te herkennen is. En daarom vertoont de voorgevel van het
gemoderniseerd (?) gebouw eenvoudig een naakten muur, met eene
vierkante deur, en voorts, naar gelang der breedte, twee, drie,
vier of meer ramen nevens elkander op de eerste verdieping: even
zooveel op de tweede, op de derde enz. tot op de bovenste toe:--en
boven dat alles een geel geschilderde kroonlijst, aan beide zijden
rechthoekig afgezaagd, opdat men toch niet de illusie zou hebben,
dat zij om 't huis heenliep, maar wel goed bemerken, dat zij alleen
dient, om het daarachter loopend dak te bemantelen.
Ik voeg er bij, om de schildering te voltooien, dat, terwijl onze
voorouders naar hunne woningen opgingen, wij thans soms naar de onze
afgaan, daar de drempel niet meer boven, maar dikwijls onder den
beganen grond wordt aangebracht. Zou dit dalen tegenover het vroegere
rijzen, eene zinnebeeldige beteekenis hebben, en in verband staan
met de historie van de welvaart der stad?
Dat alles is zeker heel vernuftig; doch het zal Amsterdam al zeer
spoedig zijn ouden roem als eene der schilderachtigste steden van
Europa doen verliezen niet alleen, maar al wie het voortaan bezoekt,
doen vragen of de huisjes uit de kinderspeeldoozen het model tot den
herbouw geleverd hebben.
Tot zooverre de huizen: nu wat de straten betreft:
Terwijl men vroeger, als gezegd is, daarover heen en weer spanseerde
zonder gevaar van armen of beenen, misschien zijn leven, onder een
rijtuig te verliezen, weet men thans, vooral op de hoeken van nauwe
stegen, nauwelijks hoe zich te keeren of te wenden. De oude keuren,
die niet dan met bijzondere vergunning het gebruik van eenig gewield
voertuig gedoogden, zijn vervallen, als niet in verband met den geest
der eeuw, die vooruitgang, liefst hollenden vooruitgang, eischt--wat
echter voor den voetganger minder aangenaam is. Ongelukkig heeft men
niet willen begrijpen, dat onze stad, evenmin als Venetië, gebouwd
is voor hen, die per fors rijden willen. De waterwegen, waarvan
men zich oudtijds bij voorkeur bediende, zijn in onbruik geraakt,
zooverre het den vervoer van personen geldt, en in de plaats der
jachten en tentschuiten, die vroeger zonder gerucht over het water
gleden, snorren thans koetsen, glazenkasten en omnibussen over de
straten. De draagkoets bestaat sedert lang niet meer; doch ook de
toeslede, zoo veilig en zeker, wordt meer en meer vervangen door
hossende vigilantes, bij welker afrijden van eene sluis het onzeker
is, wie in den grootsten angst verkeeren moet, hij, die er in zit,
of de voorbijganger. Ja zelfs de kruiwagens verminderen in getal,
sedert de schuiteveeren vervallen, en maken plaats voor die vierkante
bakbeesten, die men goederenwagens noemt, en wier bloot gezicht reeds
een mensch den schrik op 't lijf jaagt.
In de meeste steden van het buitenland heeft men afzonderlijke
trottoirs voor den voetganger: trottoirs, hooger dan de straat en waar
men dus veilig is voor de rijtuigen: hier is geen keur machtig, deze
laatsten te beletten, den voetganger van de kleine steenen te dringen
en hem in nauwe straten te klemmen tegen het hekwerk voor een winkel
of tegen de stijlen van een hoekhuis.--Van kleinere onaangenaamheden,
als het slijk en zand, dat u om de ooren of over de kleeren spat,
wil ik niet eens gewagen.
Wat elders ook voor den voetganger een toevluchtsoord aanbiedt, zijn
de talrijke zoogenaamde passages, waar men veilig kan wandelen, koopen
en flaneeren.--In alle groote steden bouwt men er nieuwe,--in Amsterdam
is de eenige, die er bestond, de doortocht door 't Oude-mannenhuis,--in
verval en de winkels sedert lang gesloten.
En toch ware er van de Kalverstraat eene passage te maken, die voor
niet eene in de wereld zou behoeven onder te doen.
Ik sprak zooeven van het verval der waterwegen ten gevolge van het
in onbruik raken der keuren tegen de rijtuigen; doch er is nog eene
andere reden, waarom die wegen sedert lang verlaten zijn.--Ook nu nog
is het gezegde van Huyghens, dat de vreemdelingh behoort te swijmen,
volkomen van toepassing, ja in sterkere mate zelfs dan voorheen. Maar
er is een onderscheid: indien hij nu swijmt, 't is niet ten gevolge
van 't geen hij ziet, maar van 't geen hij ruikt. De zwanen zijn dan
ook voor altijd weggereisd of gestorven, en dat wel zonder zwanenzang
op Amsterdams vervallen liefelijkheid.
Aan het bezigen van den waterweg eigenden zich met recht de sierlijke
kaaien, van steen of wel van net getimmerd hout vervaardigd, en door
den bewoner van het daar tegenoverliggend erf bestendig in goede orde
onderhouden. Zeker zou in vroegere dagen niemand gedroomd hebben,
dat onderhoud te willen schuiven op de Gemeente: en de Overheid zou
het hem, die zoo iets beweerd had, wel anders geleerd hebben. Ook
zouden de bewoners van zijstraten en stegen met reden gevraagd hebben,
hoe men hen in billijkheid kon noodzaken op te brengen voor kaaien,
waarvan zij geen gebruik hadden.--Dan, gelijk ik zeide, die gedachte
om zich van het onderhoud te ontslaan, was bij niemand opgekomen:
immers tegenover het bezwaar stond het genot. Aan de kaai over zijne
deur had ieder bewoner zijne ijzeren ringen, waar zijn jacht, zijne
tent- of pakschuit, zijn turf- of houtschip aan vastgemeerd werd,
en waar geen vreemd vaartuig het waagde, zonder zijne toestemming,
aan te leggen. Dat alles is thans over. Eene uitspraak van den
Hoogen Raad--van welke uitspraak men zeker niet kan zeggen, dat
zij kant noch wal raakt--heeft de eigenaars der woningen, langs de
grachten gelegen, ontheven van een servituut, vroeger door hen als een
privilege aangemerkt. De arme gemeentekas is bezwaard geworden met het
onderhoud der wallen: en de ingezetenen, uit wier beurzen de kosten
toch per slot moeten komen, hebben er nu, behalve het equivalent,
alleen dit bij gewonnen, dat de nieuwe schoeiingen--want geen anderen
naam verdienen zij--in volkomen harmonie zijn met de stinkslooten,
die daartusschen hare pestwalmen doen opstijgen.
Ik zou wel eens willen weten, wat de beroemde mannen onder onze
voormalige stadgenooten, die Amsterdam in zijn vollen luister gekend
hebben, wel zouden zeggen, als zij weder eens in levenden lijve over
onze straten konden wandelen, mannen b. v. als Cornelis De Graef,
Nikolaas Tulp, Bartholomeus Van der Helst, Joost Van den Vondel,
Michiel Adriaensz. De Ruyter en Jan Claeszen.
Een hoofdstuk, dat tot een aangenamen overgang verstrekken moet,
om het volgende hoofdstuk voor te bereiden.
De schrandere lezer, die ongetwijfeld door en door bekend is met de
geschiedenis des vaderlands, zal hier gewis reeds hebben opgemerkt,
dat ik mij ten opzichte van de volgorde, waarin ik bovenvermelde
groote mannen geschetst heb, van een figuur heb bediend, welke men
in de Rhetorica gewoon is een climax te noemen, en daarbij den graad
hunner betrekkelijke vermaardheid heb in acht genomen. Ik ben toch
niet volkomen zeker of gij u wel precies herinnert, dat Cornelis De
Graef leefde in den tijd, toen de Raad zich met het bouwen van het
Stadhuis bezighield en niet met het zoeken naar een equivalent, dat
een zijner zonen den eersten steen van dat gebouw leide en hij zelf
bij de inwijding als Burgemeester voorzat, dat hij talrijke diensten
aan zijn Vaderland bewees, tweemalen een burgeroorlog voorkwam en den
jongen Prins Willem III tot mede-voogd verstrekte.--Ik heb evenmin
de overtuiging, dat gij Tulp anders kent, dan uit de schilderij van
Rembrandt, en dat gij weet, hoe hij niet alleen door zijne verdiensten
als geneesheer, maar ook door zijne wakkerheid als Regent, de hulde
van tijdgenoot en nageslacht verdiende. Maar wat Van der Helst
betreft, gij hebt ongetwijfeld zijn Schuttersmaaltijd gezien--naar
welken onze Kaiser onlangs zulk eene voortreffelijke plaat heeft
geleverd--hoewel gij misschien niet gelezen hebt, dat hij veel geld
voor zijne portretten maakte en in zijn tijd meer in trek was dan
Rembrandt.--Joost Van den Vondel kent gij evenzeer als den schrijver
van Gijsbrecht, welk stuk alle jaren vertoond wordt. In 't voorbijgaan
gezegd, hij was niet de schrijver van Kloris en Roosje,--uit welk
kluchtspel men sedert eenige jaren al de oorspronkelijke liedjes,
die geestig en naïef waren, heeft gebannen, om ze in watermelkdeuntjes
te veranderen:--en dat zonder iemand te waarschuwen.
Wat De Ruyter betreft, gij hebt zijn graf in de Nieuwe Kerk en zijne
levensbeschrijving in het boekje van 't Nut zeker wel onder de oogen
gehad en hij zweeft u alzoo voor den geest als een zeeheld, die thuis
gelijk een burgerman leefde en zich met geen politiek ophield.
Maar beter dan al de overigen kent gij Jan Claeszen, 't zij dat gij hem
op uwe kinderpartijtjes in de vermaarde ronzebons van La Haye zijne
kunsten hebt zien vertoonen, 't zij dat hij voor 't huis uwer ouders
voor een zesthalf--neen, in uwen tijd, lieve lezeres! die nog jong
en schoon zijt, voor een kwartje--eene representatie gaf, waarbij gij
met uwe broertjes en zusjes of neefjes en nichtjes op de vensterbank
geknield laagt, met de neuzen plat gedrukt tegen de ruiten, terwijl
een troep groote of kleine kinderen van de straat het spektakel gratis
aanschouwde, 't zij eindelijk, dat gij zelf--dit geldt u lezer!--op
een der stadspleinen de vertooning stond aan te gapen en daarbij een
eerbiedigen afstand bewaardet, niet zoozeer uit vrees dat "de vrouw"
ook bij u met haar bakje komen zou, om uw duit op te halen, als wel
uit zorg voor "uw fatsoen".--Gij allen kent dus Jan Claeszen, en hebt
u er nooit over bekommerd, hoe die dubbel gebochelde, roodgeneusde,
phantastische held, die oorspronkelijk Pucinello heette, doch wien
de Italianen, Franschen, Engelschen en Duitschers, elk naar hun
lievelingsgerecht, Macaroni, Jean Potage, Jack Pudding (later Punch)
en Hansworst doopten--aan dien naam gekomen is, dien hij bij ons
verkregen heeft. Zijt gij verlangend, hieromtrent iets te vernemen,
dan wil ik gaarne uw weetgierigheid voldoen. Gij hebt wel gehoord--en
kunt het anders bij Wagenaar lezen--hoe, na den dood van Prins Willem
III, de aristocraten hier te lande in hunne wijsheid begrepen, dat
zij 't evengoed zonder stadhouder konden doen. Zij vonden 't niet
onaardig alle macht in den Staat tot zich te trekken, en zich ook
die privilegiën en prerogatieven toe te eigenen, welke de Prins tot
dien tijd bezeten had. Zoo werd, onder meer, door hen besloten, de
voormalige Garde van den Prins te herscheppen in eene lijfwacht der
Staten van Holland. Dit had echter geen plaats zonder dat men te dier
gelegenheid verwijderde al wie onder dat korps van Prinsgezindheid werd
verdacht gehouden; en onder hen, die men uit dezen hoofde afdankte,
bevond zich ook een trompetter, Jan Claeszen geheeten. Deze, nu buiten
dienst gesteld en verplicht eene andere broodwinning te aanvaarden,
wijdde zich der kunsten toe, zette zich te Amsterdam neder en vertoonde
aldaar eene ronzebons op straten en pleinen. Niet tevreden echter
van zijne drama's op te voeren, zooals zij oorspronkelijk geschreven
waren, doormengde hij die met grappige zetten en kwinkslagen, en
lei zijne sujetten, vooral zijne hoofdpersonen, menigen zet in den
mond tegen de toenmalige landsregeering. Ik durf niet verzekeren, dat
zijne aardigheden even kiesch en vernuftig waren, als van een modern
oppositieblad, doch zij waren wellicht te meer geëigend, om aan zijn
publiek te behagen, en hemzelven tot de lieveling der Prinsgezinde
burgerij te maken. En zoo werd langzamerhand hij zelf vereenzelvigd
met zijn hoofdpersoon; de naam van Hansworst, dien de echtgenoot van
Katrijn tot dien tijd gedragen had, werd door den zijnen verdrongen
en in voortdurenden roem leeft bij ons de onsterfelijke Jan Claeszen.
Doch wat zeg ik?--Helaas! groot is mijne vrees, dat het met die
onsterfelijkheid ook al mis is, en dat, evenals andere groote
mannen, ook zelfs Jan Claeszen bij ons in 't vergeetboek dreigt te
geraken. Hij, het echte type van den wijsgeer, de man, die geene
zorgen kent en met den dag voortleeft, die zich over niets bekommert,
mits hij den tijd doorbrenge met eten, drinken en deuntjes zingen;
die met ieder in vrede is, maar ook niet uit zijne gelijkmoedige
rust gestoord wil worden, noch door eene kijvende vrouw, noch door
kinderen, die om brood janken, noch door een huisheer, die hem manen
komt, noch door een werf-officier, die voor het verstrekte handgeld
zijne diensten opvordert, noch door den barren Droes, die hem met
zich mee wil pakken, en die tegen al die lastige kwelgeesten maar twee
argumenten heeft, zijn holsblok en zijn stok--hij, dat echte toonbeeld
van ware levenswijsheid, begint bij de directeurs van wandelende
theaters reeds een deel van zijne originaliteit te verliezen, ja
reeds houdt hij hier en daar op de hoofdpersoon te zijn. De oude
ronzebons zelve, verbreed en vergroot, wordt verbasterd tot eene
marionettenkast, met beweegbare figuren, tot een zouteloos théatre
de métamorphoses. Nog onlangs stond ik bij avond op het Koningsplein
te Amsterdam gedurende tien minuten naar eene zoodanige vertooning
te kijken: in die tien minuten zag ik letterlijk niets anders dan
een bordpapieren ruiter, wiens paard nu eens op de voor- dan weder
op de achterpooten ettelijke kapriolen en evoluties maakte.--"Ik
packte my van daer", zooals Gijsbrecht zegt, innig bedroefd over den
verloop der tijden en tevens het geduld bewonderende der toekijkers,
die van zulke flauwheden niet wegliepen. Ik bewonderde ook een klein
weinig mijn eigen geduld, dat ik het nog tien minuten had uitgehouden.
Ik heb straks gezegd, dat Jan Claeszen (de trompetter namelijk)
vreemd zou opkijken, als hij Amsterdam nu terugzag. Ik vrees, dat
de tijd zal aanbreken en niet verre meer af is, waarin hij er niet
alleen de jachten, de luifels, de zwanen, den Jan-Rodenpoortstoren, de
toesleden, de haringpakkerij, de houten schoorsteenen, het Doolhof, de
aansprekers, maar waarin hij er zichzelven niet meer zal terugvinden.
Maar dan zal ook Amsterdam wel voorgoed ten val zijn geraakt.
Over drie groote en miskende stadgenooten.
Ik heb in het vorige hoofdstuk, hoezeer dan maar in 't voorbijgaan,
den naam van La Haye genoemd, en bij het herdenken aan al wat Amsterdam
verloren heeft, zonder het weder vergoed te zien, is het mij eene
behoefte, ook bij dezen beroemden man eene wijle stil te staan en
zijne gedachtenis te verbinden aan die van twee andere illustratiën,
wier taak en wier lust het evenzeer was, werkzaam te zijn tot nut en
vermaak hunner jeugdige stadgenooten, en wier namen ik mij niet voor
den geest kan brengen, zonder dat bij mij een zoet en aandoenlijk
gevoel van dankbaarheid oprijst voor de genoegelijke uren, die
zij mij verschaft hebben, uren, hoedanige geen latere leeftijd mij
heeft teruggegeven:--Beekman en Laurens. Met La Haye vormen zij het
schoonst en liefelijkst klaverblad, dat wellicht eens gebloeid heeft:
een driemanschap, meer waardig bezongen te worden, dan dat andere
driemanschap, eens te Rome door heerschzuchtige tirannen gevormd. Het
was door moord, door plundering, door brandstichting, door al de
gruwelen van den burgerkrijg, dat zich dit laatste berucht maakte:
het waren dans en feestvreugde en gejubel, waar onze Amsterdamsche
Driemannen hunnen naam door vestigden. Het Romeinsche Driemanschap
omschanste zich met krijgsvolk en bundelbijlen: het onze voerde
de Muzen, de Lachjes en Gratiën in zijn stoet. Klaroengeschal en
wapenklank kondigden Octavius, M. Antonius en Lepidus aan: viool en
lier vermeldden de verschijning van La Haye, Beekman en Laurens.--Toen
ik hen kende, ging ik ter Fransche schole en wanneer ik 's avonds
werd gehaald en naar den sterrenhemel zag, vestigde ik doorgaans mijne
bijzondere aandacht op den Orion, vooral op de drie hoofdsterren van
zijn gordel: en dan kwam het mij meermalen in den zin, dat, evenals
de beroemde helden der oudheid, na hun dood een bepaald gesternte
ter woon en onder hunne bescherming verkregen, de doorluchte Drie,
die mijnen kameraden en mij zooveel genoegen verschaften, in dien
gordel een hunner waardige plaats zouden kunnen bekleeden.
Of zij naar dien gordel verhuisd zijn, weet ik niet: wel, dat zij eene
plaats verdienen in de galerij van beroemde Nederlanders, door den
Boekhandelaar Coster geopend, en thans overgenomen en vervolgd door
mijn geachten vriend, den Boekhandelaar Van Kampen. En, ten gerieve van
hun toekomstigen levensbeschrijver, laat ik hier eenige bijzonderheden,
hen aangaande, volgen, waaruit overvloedig zal kunnen blijken, dat
de lof, hun door mij gegeven, in geenendeele overdreven is.
Wat, in de eerste plaats, La Haye betreft, ik ken zijne geboorteplaats
niet en ik geloof evenmin, dat, gelijk dit plaats had ten opzichte van
Homerus, zeven steden om dien eeretitel zullen kampen. Niet, dat hij
dien wedstrijd onwaardig zou zijn; maar ik twijfel er aan of hij het
eerste licht in eene stad aanschouwd heeft. Ik durf de gissing wagen,
dat hij een regimentskind was, en dat hem zijne moeder in 't veld,
achter eene haag ter wereld bracht, op welke bijzonderheid hij bij
het kiezen van een naam zal gezinspeeld hebben. Wat zijn uiterlijk
betrof, hij was kort en mager, had gekruld zwart haar, eene kale plek
op de kruin en levendige grijze oogen. Zijn gezicht was kleurig--wat
lasteraars aan het gebruik van brandewijn toeschreven; ofschoon
mij uit geloofwaardige berichten gebleken is, dat hij de voorkeur
gaf aan Schiedammer vocht,--en een weinig pokdalig. Zijne kleeding
was thuis een belapt buis, en op partijen eene grijs blauwe frak
met hoogen kraag en tinnen knoopen, eene hooge witte das, breed als
een tafellaken, en voorzien met een monsterstrik, een rood vest met
blauwe bloemen en gele strepen, eene nankingsche korte broek, grijs-
en witgestreepte kousen en schoenen met linten--als overeenkomstig
met de mode uit den tijd van het Directoire.--Natuurlijk trok hij
zijn rok uit, als hij zich binnen zijn theater bevond.
Wat zijne sujetten betrof, hoezeer hunne voornaamste bezigheid
bestond in elkander af te ranselen, zoo moet ik hun ter eere zeggen,
dat zij, buiten het tooneel zijnde, hun Directeur nimmer eenigen last
veroorzaakten: zij keven niet onderling, noch toonden eenigen nijd of
jaloezie, maar slingerden naast elkander in de beste harmonie; gingen
zich verder niet te buiten aan sterken drank en dreigden nimmer zich,
indien men hun appointement niet verhoogde, aan een ander theater te
engageeren. In één woord, zij vormden een volkomen tegenbeeld van alle
mogelijke andere verledene en toekomstige tooneelgezelschappen. Van
de tegenwoordige wil ik, om goede redenen, niet spreken.
Het répertoire van La Haye bood weinig verscheidenheid aan. Behalve
de gewone huislijke oneenigheden tusschen Jan Claeszen en zijne
wederhelft, daaruit voornamelijk ontstaande, dat hij, volgens haar
beweren, naar anisette, en zij naar klare jenever met suiker rook, en
de minnarijen van den schoonen Lujander met de bekoorlijke wederhelft
van den Ouden Heer, een lief schepseltje van "zeuventien d'half jaren
en zeuven maanden", hadden wij altijd de vermakelijke vertooning van
Jan Claeszen, die in zijn slaap gestoord wordt door de kapelletjes,
die zich op zijn neus zetten, en welke hij, wakker geworden zijnde,
onder 't geroep van "witje, witje! hoog, hoog! witje, witje! laag,
laag!" vervolgde, zonder ze ooit te kunnen krijgen. Doch de scène,
die ons de meeste pret verschafte, was die, waarin Jan Claeszen,
in de bakkerij geslopen, den oven bestal, en zijn roof--onder zijne
handen in ulevelletjes en chocolaadjes herschapen--met volle armen
over ons uitstrooide. Dan kwam de bakker, met zijne gebloemde japon
en de slaapmuts op 't hoofd, vond zijn oven ledig, en zocht den
dief, die altijd achter het linksche gordijntje wegschool, wanneer
de bakker achter het rechtsche keek en omgekeerd. Dan riepen wij
den bakker toe, waar hij zoeken moest; doch de man kwam gedurig te
laat; totdat Jan Claeszen, meer en meer vermetel, zich verstoutte
hem op allerlei wijze te foppen, door hem achterna te volgen, bij de
muts, bij het staartje in zijn nek te trekken, dit laatste in brand
te steken, enz. en zich dan spoedig weer weg te maken. Eindelijk
kreeg de bakker hem: zij raakten handgemeen en het slot was, dat,
tot ons groot vermaak, de bestolene in zijn oven verbrand word. Ik
weet niet, hoe 't mijnen speelmakkers gegaan is, noch of zij later,
bij het zien van een honderdtal melodrama's, waarin altijd de deugd
triomfeerde en de misdaad gestraft werd, bij de ontknooping even koel
zijn gebleven als ik doorgaans was; maar dit weet ik, dat, bij die
van het drama in de ronzebons, wij allen de zegepraal der misdaad,
die dansende en zingende wegtrok, met schaterend gejuich en handgeklap
aanschouwden.--'t Is waar; de ulevellen en chocolaadjes hadden ons
tot medeplichtigen gemaakt.
De eenige afwisseling, welke ik mij herinner, dat de voorstellingen
van La Haye opleverden, was deze, dat hij als tusschenspel--intermède
choregraphique zou men het thans noemen--twee mooren, nu eens
met bekkens, en eene andere reis met waskaarsen, liet dansen. Tot
schande voor mijn goeden smaak moet ik zeggen, dat mij die dans altijd
verveelde. Reeds toen--en het is mij later bijgebleven--moest ik de
menschelijke stem hooren of eene dramatische actie zien; maar al wat
bloot vertooning was en wat lang duurde, heeft mij nimmer kunnen
behagen: en ik herinner mij, bij den dans van Taglioni gegaapt te
hebben en in den dut te zijn gevallen bij het fraaiste carrouselrijden
in 't paardenspel; terwijl ik, wat balletten betreft, nog altijd het
meeste vermaak schep in eene Harlekinade.
Verder geloove men niet, dat een uit het publiek, 't welk de
vertooningen van La Haye bijwoonde, naar de opvoering van iets nieuws
verlangde. Neen, met hetzelfde genot, waarmede thans een dilettant voor
de honderdste maal de Norma, de Barbier of de Freischutz ziet opvoeren,
naarmate hij een voorstander is van Bellini, Rossini of Weber, zagen
wij telkenreize het tooneel, waarin Jan Claeszen zich doof houdt
tegenover den huisheer, en Katrijn dezen met stokslagen betaalt; en
dat andere, waarin de acteurs een voor een in de kist worden gestopt,
met hernieuwd vermaak terug: ja wij waren geheel niet tevreden,
indien er in het gewoon programma eenige verandering plaats had.
Over de verdiensten van La Haye als directeur van den dans, zal ik
kort zijn: zij waren ongetwijfeld vele; doch ik was toen nog te weinig
ingewijd in de geheimenissen der Choregraphie om ze naar waarde te
schatten: dit alleen geloof ik te kunnen aannemen, dat zij niet gelijk
stonden met zijne verdiensten als theater-directeur. Nu--het is niet
iedereen gegeven in alle vakken uit te blinken, en hoezeer le devin
de village eene lieve operette zij, was Rousseau ongetwijfeld grooter
als prozaschrijver dan als componist.
Nu een woord over Beekman. Deze was een Amsterdammer pur sang en
sprak, dacht, liep en zag er ook uit als een Amsterdammer. Zijne
donkerbruine kleeding, eenvoudig en net, en zijn hoofd, met eene
bruine, rechthoekige naturel versierd, alles duidde in hem den
man aan zonder pretentie. Als violist en dansdirecteur stond hij
wellicht op dezelfde hoogte als La Haye; doch gelijk deze door zijn
ronzebons, was gene groot door zijne Chineesche schimmen, welke hij,
met behulp van zijn zoon, een bleeken jongeling, met een grijs en
blauw gestreept vest, vertoonde. De tooneelstukken, welke hij te
voorschijn bracht, waren talrijk en classiek: althans vertrouw ik
dat gij, mijn waarde lezer! voor zooverre gij in de literatuur van
het théâtre des Séraphins geen vreemdeling zijt, ze alle kent. Hij
gaf ons de voorstelling van het woud met de wilde dieren, den jager,
die ze vervolgt, den struikroover, die den armen reiziger om hals
brengt en berooft, maar later zelf door den levenden Nikker wordt
weggevoerd: die van den buitensingel, met den visscher, die in zijn
totebel talrijke stroombewoners vangt: die van de straat, in welke de
wandelaars met parapluies uitgaan, waar de wind in vat, zoodat zij met
hunne eigenaars de lucht ingaan: die van het hol, waar de toovenaar
allerlei veelsoortige verschijningen oproept: die van het huis met
de duiventil, waar twee stoute kinderen, ondanks alle verbod, zich
op wagen, en die onder hunne zwaarte wegbreekt en met hen instort:
die van de gebroken brug met de eendjes, enz. enz. Maar de drama's,
die ons 't meest plachten te behagen, waren de twee volgende: het
eene, dat, waarin twee huisbrekers bij nacht een huis leeg stelen en
het vervolgens in brand steken; terwijl de oude podagrist met zijne
huishoudster, die het bewonen, niet dan met moeite ontkomen;--het
andere, dat van de kat, die den schapebout steelt; terwijl Mietje,
die er op passen moest, met haar buurknaap is loopen spelen; hetgeen
haar dan ook eene welverdiende kastijding van hare moeder bezorgt.
Habent sua fata libelli, zegt de Latijnsche dichter; wat zooveel zeggen
wil: "'t loopt al raar met de reputatie van een werk":--de waarheid
dezer spreuk vinden wij opnieuw bevestigd door de merkwaardige
omstandigheid, dat treffelijke tooneelstukken als de hierboven
genoemde, reeds sedert een paar eeuwen in alle hoofdsteden niet
alleen, maar zelfs in kleine dorpen, waar het slechts kermis was,
eene welverdiende vermaardheid hebben bekomen, zonder dat iemand in
staat zij den naam des genialen schrijvers te noemen, aan wien wij
ze te danken hebben.--'t Is waar, dat, van een anderen kant er vele
beroemde schrijvers gevonden worden, wier namen overal bekend zijn,
doch wier voortbrengselen niemand leest.
De Chineesche schimmen werden bestendig achtervolgd door een Chineesch
vuurwerk, dat zeer fraai was; doch dat mij, om eene hierboven reeds
aangehaalde reden, veel minder vermaakte dan de vertooningen.
Groot waren La Haye en Beekman!--doch ze stonden in evenredigheid tot
Laurens gelijk Le Brun en Cambaceres tot hun medeconsul Buonaparte. Zoo
ik van de beide eerstgenoemde theaterdirecteurs de voornamen niet heb
kunnen opsporen, ten opzichte van Laurens is het mij niet gelukt met
zijn geslachtsnaam bekend te worden. Naar alle waarschijnlijkheid
heeft hij er ook geen bezeten en zal hij alleen bij dien zijns
vaders zijn bekend geweest, gelijk Mozes, Cyrus, Socrates. Alexander
de Groote, en--met wien ik hem in de eerste plaats had moeten
vergelijken--Orpheus.--Met dezen toch had hij nog andere punten van
overeenkomst. Orpheus bespeelde een antieke, Laurens eene moderne
lier: Orpheus trok alle menschen en dieren, Laurens alle kinderen tot
zich. Orpheus was het grootst, toen hij in het rijk der schimmen zulk
een beweging maakte; Laurens behaalde ook daarmede zijn voornaamsten
roem: ja zelfs overtrof hij Orpheus in dit opzicht; want de schimmen,
welke hij in beweging bracht, had hij zelf doen ontstaan.
Evenmin als Vondel had Laurens te Amsterdam het eerste levenslicht
aanschouwd; evenals gene was hij in een Bisdom geboren, Vondel in dat
van Keulen, Laurens in dat van Luik. Evenals Vondel bracht Laurens
zijne mannelijke levensjaren door te Amsterdam en verwierf er zijn
roem. Eindelijk besteedde Laurens, evenals Vondel, den tijd, dien hij
niet aan de schoone kunsten wijdde, met de uitoefening van een beroep:
en had Vondel een kousenwinkel in de Warmoesstraat, Laurens had een
parapluiewinkel in de Wijde Heisteeg--die, in 't voorbijgaan gezegd,
zoo nauw is, dat men haar maar van ééne zijde mag inrijden.
Nimmer is de verschijning van een Romeinschen veldheer, als hij
zijne zegepraal te Rome vieren zou, nimmer die van een geliefd
vorst in eene zijner goede steden, nimmer die van een lang verwachten
keizerlijken erfgenaam in dit tranendal, nimmer die van een gemaskerde
studentenstoet op een academiefeest met meer ongeduld te gemoet
gezien en met hartelijker gejuich verwelkomd, dan die van Laurens
op eene kinderpartij. "Daar is Laurens! daar is Laurens! goeden
avond, Laurens!" riep dan uit éénen mond de jubelende schaar, die al
huppelende om hem heendrong, tegen hem opsprong, en hem in de overmaat
der vreugd schier belette verder voort te treden en zich te ontdoen
van zijne dubbele vracht.
Ik zeg, zijne dubbele vracht; want, zonden La Haye en Beekman hun
theater vooruit, Laurens--en hier blijkt wederom hoe ware grootheid
steeds met nederigheid gepaard gaat--droeg het zijne op den rug;
terwijl hij nog bovendien van voren met zijn lierekast was bezwaard.
Eindelijk was het niet, zonder moeite den grooten man gelukt de kist,
waarin zijn tooverlantaren en de daarbij behoorende glazen besloten
waren, neder te zetten en zich een weg te banen tot aan de vrouw des
huizes. Bevallig en deftig tevens was daarbij zijne houding, en in
overeenstemming met zijn kostuum. Had La Haye in zijn voorkomen iets,
dat aan den voormaligen Carmagnool herinnerde, was Beekman de type van
den Amsterdamschen burgerman, zij, die Laurens zagen, en niet wisten,
dat hij een Luikerwaal was, wilden er op zweren, dat hij tot de émigrés
behoorde. Zijne kleeding toch was, tot in de kleinste bijzonderheden,
ancien régime. Het haar, met een weinig poeder bestrooid, was en
aîles de pigeon gekapt en van achteren tot een staartje of zoogenaamd
"schorseneeltje" vereenigd, dat, vastgebonden met een blauw zijden
lint, in eeuwigdurende beweging was. Hij droeg het habit français,
lichtbruin, met breede opslagen en knoopen als drieguldens: tusschen
een donkerkleurig vest met breede panden vertoonde zich het hagelwitte
linnen, van een geplooiden jabot en manchetten voorzien: op de korte
zwarte broek hing een breede stalen horlogeketting: en de bruine
floretten kousen staken in lage schoenen met breede spinsbekken
gespen. Dat hij bij dit alles, wanneer hij over straat ging, een
grooten punthoed droeg en een stok met een zwaren knop, behoef ik
nauwelijks te vermelden.
Maar dan zijn gelaat! Zeker had de uitdrukking daarvan iets, dat aan
allen vertrouwen, en aan de kinderen bovendien hartelijke genegenheid
inboezemde, met eerbied gepaard: tot bewijs van dit laatste behoef
ik slechts aan te voeren, dat ik ook den ondeugendste onder hen
zich nimmer heb zien verstouten in zijne tegenwoordigheid eenige
onbetamelijkheid te bedrijven. 't Is waar--mij is verteld dat eens
een kleine bengel de ongehoorde vermetelheid zou hebben gehad, hem
aan zijn staartje te trekken. Ik kan het feit niet gelooven;--doch zoo
't werkelijk heeft plaats gehad, dan moet ik het er voor houden, dat
de knaap, die 't bedreef, zich vooraf was te buiten gegaan aan eenig
glas wijn of punch, dat voor de groote menschen bestemd was:--of,
indien zoodanige jeugdige booswicht zich werkelijk aan het feit heeft
schuldig gemaakt, zonder iets anders gebruikt te hebben dan slappe thee
of orgeade, dan verkondigt zulks bij den schuldige op zijnen leeftijd
òf eene vroege verdorvenheid, òf een vroegen overmoed, en is hij op
mannelijken leeftijd òf aan de galg òf aan een ministerie geraakt.
Dan ik wil mij in geene gissingen omtrent zulke droevige uitkomsten
verdiepen, waardoor ik het genoegen zou bederven, 't welk gij,
lieve lezeres! ongetwijfeld smaken zult in het lezen, gelijk ik in
het opstellen der beschrijving van een dier aangename avonden, zooals
Laurens ze ons wist te schenken. Zie! de pret gaat beginnen. Laurens
draait aan zijne lier: rijing, rijing, rijingerijingerijing, vat
aan iedere hand een klein ventje of meisje, en een groote rondedans
vangt aan. Na den eersten toer volbracht te hebben, staat hij stil,
en allen met hem.
"Een been," roept hij, steekt het zijne vooruit, en allen volgen
zijn voorbeeld.
Na de tweede roept hij: "Een been, ander been!" en beide worden
achtereenvolgens door hem en door de dansers uitgestoken. Na de derde
ronde luidt het: "Een been, ander been, één knie!" en de geheele
troep ligt als hij geknield. De "andere knie" komt er na den vierden
toer bij: vervolgens op gelijke wijze "een hand--andere hand," en
eindelijk, bij de laatste ronde: "allemaal om," bij welken uitroep
allen, nu op vier voeten voorover liggende, het hoofd buigen en met
den neus op het tapijt liggen, niet anders dan of zij ter audientie
waren bij den Keizer van Japan.
Na die ronde, een "patertje", de liefste dans, die ooit is
uitgevonden--zeker de oudste en meest nationale bij ons: een dans,
die de zoetste herinneringen achterlaat.--Ik ken jongelieden,
die in polka en mazurka schitteren, en die toch verre van afkeerig
zijn van een patertje, wanneer het eens--zoo geheel onder ons--wordt
voorgesteld. Ik ken evenzeer jonge dames, die een afschuw hebben van
den Baal-Peors-dienst en daarom ook van geen bal willen weten--welk
laatste woord in hare meening van het eerstgenoemde afstamt;--maar
die toch zich altijd met genoegen laten vinden om--altijd zoo geheel
onder ons--een patertje mee te doen.
Na het patertje, een marsch:--een plechtige, statige marsch, Laurens
voorop, al de kinderen achter hem, elkander bij de slippen der jurk
of bij de punt van het buisje vasthoudende: de grooten voorop, de
kleinsten achteraan. O! die zoo gelukkig was, den grooten Laurens
zelven bij de rokspanden te mogen vasthouden. Haal u voor den geest
den persoon, die u 't meest benijdenswaardig voorkomt: den gast,
die eene eereplaats bekomt aan 's Konings disch, den danser, die
uitgenoodigd wordt om met eene Prinses van den bloede den cotillon te
dansen: de min, die een Keizerlijk kind mag zogen, den adjudant, die
de geboorte van het gezegde kind gaat boodschappen, de prima donna,
die hare mededingster hoort uitfluiten--o! het gevoel van eigenwaarde
en zelfvoldoening, dat die allen bezielt, kan niet opwegen tegen dat,
't welk de borst doorstroomde van den gelukkige, wien 't onschatbaar
voorrecht ten deel viel de rokspanden van Laurens te mogen vasthouden
bij 't "hansje sjokken" spelen.
En als dan de deftige marsch lang genoeg geduurd had, gaf
doorgaans Laurens het sein tot het eindigen met deze woorden, op
Mefistofelistischen toon uitgesproken:
"Nou motte ikke al de meisie soene."
Dan was het een gegil en een gelach en een gegiegauw en geginnegap
van al die vijf- tot zevenjarige Dafnees en Atalantes, die de vlucht
namen--en de rij was verbroken.
Natuurlijk was deze bedreiging van den eerzamen Laurens niets dan
scherts, en dit wisten de nufjes ook zeer goed; want bijna allen hadden
die bij vorige gelegenheden meer gehoord: doch zij wisten tevens,
dat het tot hare rol behoorde, bij die gelegenheid op de vlucht te
gaan, alsof zij wonderwat te vreezen hadden.
Dan stil: het tafellaken wordt tegen den wand gespeld:
de tooverlantaarn daar recht tegenover op een tafel gezet en het
publiek zet zich neder:--de grooteren op stoelen aan weerszijden in
een halven kring: de kleintjes daartusschen in, op stoven: hier en
daar eene gouvernante of kindermeisje nevens het voorwerp harer zorg.
Laurens steekt het licht aan in zijne tooverlantaarn: geen gas, geen
lamp, geen waskaars zelfs, waarde lezer!--eene loutere vetkaars;--maar
ook de vetkaars heeft hare rol in de vertooning.
En nu worden de overige kaarsen uitgesnoten of weggezet (lampen waren
toen nog niet in gebruik) en wij zitten in 't stikdonker, de enkele
stralen niet medegerekend, die uit de reten en gaatjes der lantaarn
ontsnappen.
En nu vangt, op de wijze der antieken, Laurens met een prologus of
voorafspraak aan:
"Eeren en Daam! wat wit is is niet swart;--en wat swart is is niet
wit. Sie je nix, ik ook nix, hé, hé, hé, Juffrouw! Nou sel je kommen te
sien die mooi tooferlantaar, fraai kurieus o so mooi! en as ik spreek
mot jylui swyk en as ik sink mot jylui mee sink..." En werkelijk,
zoolang hij sprak, was er--op twee of drie uitzonderingen na, waarvan
nader--eene stilte, dat men eene speld kon hooren vallen.--Sommigen
hebben dit verschijnsel psychologisch willen verklaren en die stilte
toegeschreven aan de duisternis, welke in 't vertrek heerschte. De
zoodanigen meenen zich tot staving van hunne meening te kunnen
beroepen op 't geen plaats heeft, wanneer men met den spoortrein
plotseling in eene tunnel komt, en het levendigste gesprek terstond
gestaakt wordt. Ik heb zelf dit laatste meermalen ondervonden; doch
altijd iets geschoven op de omstandigheid, dat het gedruisch van
den trein in eene tunnel vertienvoudigd wordt en alzoo belet, dat de
een den ander versta. Wat daarvan zij, zeker is het, dat wij bij de
vertooning van Laurens zwegen, niet omdat het duister was, maar uit
eerbied voor den man: en ik behoef hier geen ander bewijs voor, dan
het feit, dat wij allen trouw meezongen, zoodra hij zijne stem verhief.
De inleidende aanspraak is geëindigd. Laurens draait het dekstuk van
den lichtkoker af en daar tegenover verschijnt op het witte linnen de
ronde, verlichte schijf, die het tooneel is, waarop zijne gekleurde
schimmen zich zullen bewegen.
En nu volgen de vertooningen, door hem telkenreize beschreven in de
hierna volgende bewoordingen, waar ik jota noch tittel af of bijdoe:
"Ter ebje nou Mijneer de Son, met zijn kleine neus, zijn kleine mond,
sa beauté, sa magnificence. Sieje niet oe 'y zijn ook beweek.--En ier
ebje Mefrou de Maan, met aar kleine neus, aar kleine mond.--Ier ebje
Adam en Efa in 't Paradijs, naakt en bloot, met zijn b.... bloot.--Ier
ebje de slank, die keef de appel aan Efa. Daar neem Efa die appel
van de slank: daar keef zij die appel aan Adam. Adam, Adam! pas op,
datje strak niet op je bloote b.... krijk--Daar hebje den engel, die
jaak Adam en Efa et Paradijs uit. Heruit, je motter uit, je selt er
uit, je motter uit. Rtt! se sijn er uit, en Louwtje is er ook uit."
Men bemerkt uit deze laatste woorden, dat Laurens zuiver in de
leer was.
"Ier selje nau kom te sien die alkemeene sontvloet. Daar ebje die arke
Noë: Daar ebje die beeste, die kaan in de ark twee an twee. Daar
ebje twee kanse, twee an twee, daar ebje twee eend: daar ebje
ram en skaap: daar ebje twee farke, twee an twee: daar ebje os en
koei: mijn kroote kameraten, twee olikante--ik verspreke mij--twee
olifante."--N.B. deze verspreking, waarop wij altijd voorbereid
waren, veroorzaakte telkenreize dezelfde vroolijkheid.--"Daar ebje
Noë en sijn famielje, die drijven die beeste na die ark. Daar ebje
die alkemeen sontvloet! daar ebje moeder met kindj'--en kindj' met
moeder!--Kijk die kwaai jonk, die leit niet sijn bloote b.... in 't
water.--Herr-Rtt! weer op een andere kane bier! Hê, hê, hê, Juffrouw!"
"Ier ebje nou die kroote Turk, die sal een klas wijn drink op
die kesontheid van die eer en die daam. Messieurs et Mesdames,
j'ai l'honneur de boire à votre santé. Nok eens!--nok eens!--nok
eens!--ier ebje die oude frou, die die appele verkoop.--Ok froutje
lief! een appeltje assebies."
Hier had regelmatig eene interruptie plaats en riepen wij: "Asje blieft
moet je zeggen." Doch Laurens stoorde zich aan onze terechtwijzing
zoo weinig als een Minister van 1855 aan een discours van de "kleine
partij" in de Kamer, en bleef' al doorpraten:
"Ok froutje lief' een appeltje assebies!--Ier ebje die dans van die
erder en erderin:
El e lou maîre
E que me marida!
Quand sera grande
Quand te fera dansa
Tiri la.
El e lou maîre
Quand te fera dansa, etc."
Dit lied nu zongen wij niet mede, omdat wij geen Luikerwaalsch
verstonden.
"Ier ebje de geskiedenis van die ferlore soon. Ier ebje die ferlore
soon. Ier ebje de ferlore soon, die sijn keld fraak en op reis
kaat. Adjés liefe Papa!--adjés liefe soon! pas tok' op datje niet bij
de mooie meisie kom.--Ik ben er een kroot liefhebber van, papa!--Tjk,
tjk, tjk! daar rijdt ie wek.--Rt! daar issie bij de mooie meisie.--Daar
ebje de een, die skenk um een glas wijn in; terwijl karesseer die
ander sijn beurs met kelt wek--daar jaak zij um de deur uit, naak
en bloot: herruit, je selt er uit, je mot er uit!--daar sit 'y bij
de fark, soo bedroef, ja nok slimmer dan Pietje Bedroef, en denk:
ak! was ik maar bij mijn koeie ouwe fader kebleef; daar ad ik alle
daak vol op.--Daar komt 'y bij sijn fader en fal op sijn knie. Ak
liefe papaatj' ik sel 't nooit weêr doen.--Ja soo sek die kwaai jonk,
als sy kwaad kedaan eb.--Daar kom die koeie ouwe fader en fal om sijn
'als: Pw, pw, pw! (dit drukt het geluid van kussen uit).--Daar ebje die
snijer die bestel is om een nieuw rok te maken: daar ebje die slakter,
die 't vette kalf slak om eene koeie maaltijd te maak.... Hrtt! weêr
op een andere kanebier."
"En nou sel je sien, 'oe Loutje sijn kaars snuit."
Bij deze woorden nam Laurens den lichtblaker uit de lantaarn, snoot
zijne kaars en draaide zijne lichtbuis, die verschoven was, weder
goed; bij welke gelegenheid hij, om zijn handen vrij te hebben, den
blaker op zijn hoofd zette:--een tusschenspel, 't welk ons altijd
ongemeen vermaakte.
En nu volgden, als de kaars weder op hare plaats was, de vertooningen
van Jan Claeszen met zijne kindertjes, van de militaire evolutiën der
soldaten, van den herder "met sijn soete liefe fogel, en de herderin
met aar allerliefste liefe kouw," van de gebroken brug met de eendjes,
die in 't water zwemmen, van Mijnheer Augustijn met zijn luchtballon,
van Laurens zelf, die zijn tooverlantaarn vertoont, en misschien nog
een paar, welke ik alle hier niet vermelden kan, doch die, wanneer
eenmaal de biographie, waar de beroemde man recht op heeft, in 't
licht zal komen, niet zullen mogen ontbreken. Voor alsnu stelle men
zich tevreden met de beschrijving der laatste voorstellingen:
"Ier ebje die istori van Malbroek,--ier ebje Malbroek, die afscheid
neem van sijn frou.--Adjés liefe frou! adjés liefe Malbroek, tjk,
tjk, tjk! daar rije Malbroek wek."
Algemeen Koor.
Malbrouck s'n va-t-en guerre,
Mironton ton ton mirontaine,
Malbrouck s'en va-t-en guerre.
En guerre il est allé (ter).
Il reviendra s-à Pàgues,
Miron ton ton mirontaine.
Il reviendra-s-à Pàques
Ou à la Trinité (ter).
La Trinité se passe,
Miron ton ton mirontaine.
La Trinité se passe,
Malbrouck ne revient pas (ter).
Madame à sa tour monte,
Miron ton ton mirontaine.
Madame à sa tour monte,
Si haut qu'el' peut monter (ter).
"Ier ebje Mefrouw Malbroek op 'aar toor."
Elle aperçoit son page,
Miron ton ton mirontaine.
Elle aperçoit son page
Tout de noir-s-habillé.
O page, mon beau page.
Miron ton ton mirontaine.
O page, mon beau page,,
Quel nouvels's-apportez? (ter).
"Mefrou! Malbroek is dood--met zijn kleine schorseneeltje."
Dit "kleine schorseneeltje" had betrekking op den Page, die een
staartje in den nek droeg, niet ongelijk aan dat van Laurens zelf.
Je l'ai vu porter-s-en terre,
Mironton ton ton mirontaine.
Je l'ai vu porter-s-en terre
Par quatre-s-officiers (ter).
"De eerste draak sijn rok, de tweede sijn broek, de derde sijn waap',
de vierde draak niemendal, 'y was te lui om wat te draak.--En ier
ebje nou Malbroek sijn kraf. Zie nou of jij lees kan, wat daarop
keskreef staat."
En hier begonnen wij allen, zelfs zij, die lezen konden, hardop het
grafschrift te spellen:
H. i. e. r. hier l. i. g. t. ligt M. a. l. mal b. r. o. e. k. broek,
Malbroek. Hier ligt Malbroek.
"Ier ebje nou Loutjes moeder. Loutjes moeder 'ad soo een eele
mooie neus; maar Eeren en Daam, sij was bank als sij uitga, dat aar
neus nat word. Daar eb sij bij haar selve bedak, dat Laurens ook
paraplui verkoop; want Eeren en Daam, Laurens vertoon niet alleen
tooverlantaar, Laurens verkoop ook parapluie, maak nieuwe paraplui,
raccomodeer paraplui, verruil ouwe paraplui, verzoek wel vriendelijk
om de kunst en recommandatie.... daarom eef zij Laurens verzok van
als sij uitga te gaan zitten op haar neus met sijn paraplui, dat aar
neus niet nat wor.--Ier ebje nou Loutje op moeders neus."
Op deze aanbeveling, met zooveel kieschheid en dus ongezocht te pas
gebracht, volgde de voorstelling van een oom van Laurens, die een
schoorsteen in zijn neus had en van een anderen heer, uit wiens neus
kleine neusjes voortkwamen.
"Mijn grootvader ad een eele mooie buik. Maar nou 'ad ie sooveel
aardappele met spek kekeet, dattie sijn buik niet kon draak over
Straat.--Soo 'et ie in drie nakte geprakkiseerd, ie sou late maak een
kruiwaak en daarop sijn buik foortkrui. Ier ebje nou mijn krootfader,
die sijn buik foortkruit over straat.
"Ier ebje de bakker, die de bolle blaas, toe, toe, toe, daar 'aal de
bakker de warme bol uit de oof,--daar kom de broodweker en 't brood
week onkelukkik een beetje te likt: daar kom de diender en pak de
bakker mee--daar kom de dufel en wil 'm ook meê pak.--Mijn mottie
wees, neen mijn mottie wees.--Jij sel 'm niet eb.--Ik sal 'm eb.--Daar
'eet de dufel 'm in sijn mand kepak en loop met 'm wek: en 'eef een
zak kulde ook meê kenoom--daar loop 'm de pakkerin achterna en pak de
dufel bij de staart.--Ier leelijke moriaan, ik moet mijn man weêrom
'eb.--Ok pakkerin laat los:--neen ik laat je niet los foor ik mijn
man weêrom eb.--Ok liefe papekaaisneus laat los, je sel je man weerom
eb.--Neen, leelijke swartsmoel, ik mot mijn kelt weêrom eb ook.--Ok
pakkerin laat los, je selt je kelt weêrom eb.--Daar ruk hij zich los
en laat de pakkerin staan met sijn staart in 'aar 'and.--En as nou
die Eeren en Daam te freede sijn, versoeke wel friendelijk de kunst
en recommandatie."
Met dit aandoenlijke en leerzame drama werd altijd de vertooning
besloten.
Ruim vijftig jaren zijn verloopen, sedert ik die 't laatst bijwoonde,
en nog staat zij mij niet alleen even levendig voor den geest als toen;
maar gaarne zou ik er eene representatie van Rachel of een concert
van Jenny Lindt voor verzuimen, om die nogmaals te zien--mits door
Laurens zelven gegeven.
En vrij wat meer gaf ik, indien ik die zien kon in dezelfde kinderlijke
gemoedsstemming van die dagen.
Ik heb sedert meermalen kinderpartijen bijgewoond. Ik heb de opvolgers
van La Haye, Beekman en Laurens hunne pogingen zien aanwenden, om de
kinderen te vermaken en tevens "zoet te houden." Geen hunner slaagde;
geen hunner had er trant van. Een staaltje ten bewijze. Ik hoorde een
vertooner van marionetten, na zich met aangenomen deftigheid midden
in de kamer gesteld te hebben, tegen eenige baldadige knapen zeggen:
"Jonge Heeren! bedenkt, wie gij zijt, en waar gij zijt!"
"Niet op school," riepen de jongens, en werden woeliger tegen de
vermaning in.
In zekeren opzichte hadden zij gelijk. Zij waren niet op school, zij
waren uit voor hun plezier, en in dat geval zijn kinderen van oordeel,
dat bestraffingen niet tot het programma behooren.--Maar de kunst is,
te zorgen, dat zij niet in de gelegenheid komen eene bestraffing te
verdienen; de kunst bestaat alleen daarin, dat men met hen spele en
hen voortdurend bezig houde: en die kunst verstond Laurens vooral in
hooge mate.
't Is echter mogelijk, dat de "lieve jeugd" ook veranderd is sedert
mijn tijd, en dat zij, wat ons een kinderlijk vermaak schonk, thans
kinderachtig vinden zou.
't Is mogelijk, herhaal ik,--ofschoon ik het niet geloof. De "lieve
jeugd" is, wat men van haar maakt: en indien onze ouders, toen wij
klein waren, de ronzebons, de Chineesche schimmen en de tooverlantaarn
laf hadden genoemd, dan hadden wij er waarschijnlijk ook onze neusjes
voor opgetrokken.
Gelukkig waren onze ouders daar nog niet verlicht genoeg toe en konden
zij nog met den goeden La Fontaine zeggen:
Si peau d'âne m'étoit conté,
J'y prendrois un plaisir extrême.
Een hoofdstuk dat tot overgang dienen moet.
Ik heb in de vorige hoofdstukken gesproken over Amsterdam, zooals
het vroeger was en zooals het heden ten dage is; ik acht het niet
ongepast, ja eenigszins plicht, nu ook iets te zeggen over Amsterdam,
zooals het zou kunnen worden.
Een rijke stof, zal men zeggen, en daar een dik boekdeel over te
schrijven viel.
Wanneer men maar eens nagaat, wat aantal ellenlange verhandelingen er
gehouden zijn geworden in onzen Gemeenteraad, ter aanprijzing of ter
afkeuring van de meest onbeduidende verandering of wijziging van het
bestaande, en waar het de meest onbeduidende zaak betrof, dan kan men
al licht tot de slotsom komen, dat iemand, die op gelijke wijze de
vraag wilde behandelen, hoe de Stad zelve uit haar vervallen toestand
ware op te heffen, een werk zoude voortbrengen, dat meer rijen in
een boekenkast vullen zou, dan Wagenaar met al zijne vervolgen.
Wie zulk eene onderneming tot stand bracht, zou ongetwijfeld een
zeer loffelijken arbeid verricht hebben;--of de lezing daarvan zeer
vermakelijk wezen zou, daaraan zij het mij vergund te twijfelen;
immers voor negen tienden zou het boek over geldvragen loopen, en
cijfers zijn, gelijk al wat positief is--positieve menschen niet
uitgezonderd--op den duur droog en vervelend.
Alzoo ik nu niets meer vrees, dan mijnen Lezers en mijzelven te
vervelen, ben ik volstrekt niet voornemens, mij in cijfers te
verdiepen; en zoo ik, als vrucht mijner overpeinzingen, wellicht
punten zal aanroeren, die de stoffelijke belangen der Stad betreffen,
ik beloof vooruit, dat ik mij daarbij nooit aan eenige becijfering
zal schuldig maken: ik laat zulks over aan hen, die t'avond of morgen
opgewektheid mochten gevoelen, om te onderzoeken in hoeverre mijne
beschouwingen in toepassing konden gebracht worden.
Eene tweede belofte, die ik afleg, is, dat ik getrouw zal blijven
aan den titel, dien ik aan dit mijn geschrijf heb gegeven, en alzoo
wel deugdelijk zal oppassen, naar geen vast plan te werk te gaan,
al wat naar orde en regelmaat zweemt te vermijden, en mij stil te
laten medesleepen met den stroom, dien mijne gedachten volgen:--mij
echter voorbehoudende, van die gedachte alleen datgene op 't papier
te brengen, wat ik geschikt acht om eenige belangstelling bij mijne
lezers op te wekken, of voor 't minst een glimlach om hunne lippen
te doen spelen. Wie op zijn eigen boot eene rivier afvaart, gaat nu
eens vroolijke landschappen, bevallige steden, schilderachtig gelegen
kasteelen of oude gedenkstukken--dan weder treurige, eentonige heiden
of dijken voorbij; doch hij roept de genoodigden, die hem op dien tocht
vergezelschappen, alleen dan op het dek, wanneer er wat bijzonders
te kijken valt.
't Is waar, dat gemeenlijk zijne reisgenooten van de tien keeren,
dat hij hen roept, negen keeren aan hetgeen hij hun toont, niets
bijzonders vinden.
Het onderwerp echter, dat ik nu ga behandelen, zal zeker aan vele, zoo
binnen als buiten Amsterdam wonende Lezers, belangrijk toeschijnen:
het wenschelijke namelijk, dat er verbetering kwam in de aanwijzing
van de woonplaats der ingezetenen, en daardoor eene groote aanleiding
tot ongemak en beklag werd weggenomen.
Dat mij dit onderwerp het eerste voor den geest komt, behoeft niemand
te verwonderen. Wie over Amsterdam wil spreken of hooren spreken,
moet beginnen met er zich, gelijk men 't noemt, te oriënteeren;
om de lieden hiertoe in staat te stellen, heeft men de Stad eene
bepaalde indeeling gegeven en de huizen van nummers voorzien; heeft
men daarbij den besten weg ingeslagen?
Ik veroorloof mij, dit bepaald tegen te spreken.
Parijs is vrij wat grooter dan Amsterdam, en toch heeft het geene
de minste moeite in, den persoon, dien men zoekt, te vinden; mits
men het nummer wete van het huis, door hem bewoond, en de straat,
waar het in gelegen is--alles natuurlijk voor zooverre die straat nog
bestaat, wat bij de verfraaiingen op reusachtige schaal, welke Parijs
tegenwoordig ondergaat, niet altijd het geval is.--De nummers zijn
groot, en, dank hebbe de goede verlichting, ook bij nacht zelfs op
een afstand leesbaar. De eene zijde van de straat heeft alleen evene,
de overzijde onevene getallen; men weet dus terstond, aan welke zijde
men zoeken moet; en ook zonder gids loopt men voor zich uit totdat
men het nummer vindt van het huis, waar men wezen moet.
Amsterdam biedt ons geen der hier genoemde voordeelen aan. Toen er voor
eenige jaren sprake was, om het toen bestaande stelsel van indeeling
der stad in wijken te veranderen, vleide ik mij, dat een nieuw en meer
rationeel stelsel de bezwaren van het vorige zou wegnemen. IJdele
hoop! dwaze verwachting! In plaats van Wijken kwamen er Buurten, en
in de plaats van de bestaande nummers, die zwart geschilderd waren,
kregen wij andere nummers, die rood geschilderd waren. Dát een en
ander geschiedde ongetwijfeld, om eene heel wijze reden, die ik niet
onderzoeken, laat staan beoordeelen wil; doch het ongerief, waarover
men zich tot dien tijd beklaagd had, was niet weggenomen.--Ten einde
zulks zonneklaar te bewijzen, zal ik den beklagenswaardigen toestand
schilderen van een heer, die, nooit te Amsterdam geweest zijnde,
er een vriend bezoeken kwam. Ik dien echter aan mijne Lezers den
noodigen tijd te geven, om in die stemming te geraken, welke hen kan
voorbereiden tot het schenken van eene onverdeelde aandacht aan een
zoo treurige vertelling, en ik sluit daarom dit Hoofdstuk.
Vertelling van den Heer, die bij een vriend te Amsterdam zou gaan
logeeren.
Gemelde heer was en is nog een Belg, die te Brussel woont, veel
gereisd, Parijs, Londen, Berlijn en andere hoofdsteden herhaaldelijk
bezocht heeft, en er zich dan ook op placht te beroemen, dat hij
op reis niet verlegen was en overal spoedig en gemakkelijk zijn
weg wist te vinden. Ondanks al zijn reizen en trekken, was hij,
tot in den afgeloopen zomer, nimmer in de zoogenaamde Hoofdstad van
Nederland geweest. Toch was hem door een Amsterdammer, met wien hij
elders kennis gemaakt en vriendschapsbetrekkingen had aangeknoopt,
het voorstel gedaan, eenige dagen bij hem te komen doorbrengen. Dat
voorstel was later bij een brief herhaald en door hem aangenomen, en
de tijd gekomen, waarop aan de uitnoodiging gevolg zou worden gegeven.
Onze Brusselaar zet zich op den spoortrein, met het adres van zijn
vriend in zijne portefeuille: X Smit, op de Keizersgracht, tusschen
de Weesperstraat en Muidergracht W 424, en, vindt hij het huis niet,
dan moet hij al zeer dom zijn, denkt hij; en hij denkt tevens, dat
hij niet dom is, maar daarentegen begaafd met den bult der localiteit,
welke hem overal het uitvinden van den naasten weg gemakkelijk maakt.
Hij spoort tot aan den Moerdijk, stoomt tot Rotterdam, begeeft zich
van daar met den Hollandschen trein naar Den Haag, waar hij nog in 't
voorbijgaan 't een en ander wil gaan kijken, terwijl hij zijn koffer,
met een behoorlijk adres voorzien, naar Amsterdam vooruit zendt. Hij
houdt zich in de Hofstad eenige uren op en rijdt met den laatsten
trein naar Amsterdam.
"Mijnheer!"' vraagt hij, op de hoogte van Sloterdijk gekomen, aan den
eenigen zijner medepassagiers, die niet slaapt, "is de Keizersgracht
moeilijk te vinden?"
Ongelukkig richt hij deze vraag tot een dier positieve lieden, waarvan
ik in het vorige Hoofdstuk gewag maakte, tot een dier lieden, die
eene vraag beantwoorden, zooals zij gedaan wordt, zonder daarbij te
onderzoeken, of de vrager nu op de hoogte zal zijn van hetgeen hij
wenscht te weten. Het antwoord luidt dan ook droogweg:
"Neen, mijnheer! gij loopt de poort in, al rechtuit en als gij de
eerste brug over zijt, slaat gij de eerste straat rechts in en gij
komt vanzelf op de Keizersgracht."
"O!" denkt onze reiziger: "dan zal ik wandelen: ik heb toch geene
bagage: ik ben stijf als eene hark van 't rijden: het weer is fraai
en een wandelingetje zal mij goeddoen."
Had hij deze gedachte overluid doen hooren, misschien had de
positieve man, van wien wij 't ergste niet willen denken, het
noodig geacht, hem te waarschuwen, dat de Keizersgracht lang is,
en dat het wandelingetje wel eens eene wandeling zou kunnen worden;
doch ongelukkig werd het gesprek niet doorgezet en onze Brusselaar
alzoo overgelaten aan zijne illusiën.
De trein houdt te elf uren stil: misschien was het er wel een paar
minuten over;--doch ik wil goede vrienden met de Directie van den
spoorweg blijven en neem dus maar liever aan, dat de trein aankwam op
de minuut, die op het briefje vermeld staat.--Onze Brusselaar stapt den
wagen uit, volgt eerst den stroom zijner reisgenooten binnen de poort,
en vervolgens de route, hem aangewezen, en bevindt zich alzoo, na
tien minuten gaans, op de Keizersgracht, tegenover de kerk de Zaaier.
Nu spreekt het vanzelf, dat hij het huisnummer 424 zeer goed onthouden
heeft; maar niet zoo precies de letter W, en nog veel minder de
bijvoeging: "tusschen de Weesperstraat en de Muidergracht," eene
bijvoeging, die hem--als Belg en als bezoeker van Parijs en Londen
gewoon alleen aan den naam der hoofdstraat en aan het huisnummer te
hechten--al vrij overtollig was voorgekomen, en waarop hij alzoo weinig
acht geslagen had. Hij begeeft zich nu aan den huizenkant en beproeft
de nummers te lezen. Bittere teleurstelling! Niet alleen, dat hij ze
niet lezen kan; maar hij kan ze zelfs niet vinden, als zijnde daar ter
plaatse op de binnenzijde der deurposten of op de lijst geschilderd,
maar zóó, dat zij altijd in de schaduw blijven. Eindelijk komt hij
aan een huis, waar eene lantaarn tegenover staat, bij wier licht hij
het nummer zien kan. Dat nummer is 334.
"Mal genoeg!" denkt hij bij zich zelven, "dan heb ik nog vijf-en
veertig huizen te loopen: dat is verder dan ik dacht."--Men bedenke
hierbij, dat hij deze berekening grondt op de meening, waarin hij
verkeert, dat hij aan de zijde, waar hij loopt, alleen evene nummers
zal aantreffen.
Hij is nu eenmaal op weg en moet wel voortgaan: intusschen slaat hij
nu en dan een oog op de roode merken, welke hij onderstelt nummers
te zijn, en op de gaslantaarns, en hij mompelt bij zich zelven:
"De nummers zijn te Parijs tienmaal zoo groot en de straatverlichting
is er tienmaal zoo goed: ergo zijn de nummers hier honderdmaal kleiner
dan wel behoorde:"--een volkomen logische gevolgtrekking.
En nog treft onze vreemdeling het in zeker opzicht niet zoo heel
ongelukkig; want het is geen lichte maan.--Ieder, die in Amsterdam
bekend is, weet, dat wie zijn leven liefheeft nooit met lichte maan
te voet uitgaat; want dat het dan in den regel stikdonker is
Er bestaat eene overeenkomst tusschen de Stad en de gascompagnie, dat
deze de lantaarns niet behoeft te laten branden, wanneer het lichte
maan is. Ongelukkig hebben de belanghebbende partijen vergeten, zich
bij deze overeenkomst van de goedkeuring en medeteekening der Maan
te verzekeren: zeker is de nachtgodes daarover verstoord geworden:
althans zij houdt zich schuil zoo dikwijls men aan hare medewerking,
waarop bij het vaststellen der bedoelde bepaling gerekend was,
behoefte zou gevoelen.
Onze wandelaar is al verder en verder doorgeloopen: hij komt aan
eene brug--die, welke over de Leliegracht ligt--en staat eenige
oogenblikken in twijfel, of hij verder gaan zal. Hij wacht, tot er
iemand voorbijkomt, en vraagt: "is dat nog altijd de Keizersgracht,
daar over die brug?"--Door het bevestigend antwoord een weinig
gerustgesteld, stapt hij moedig verder: wederom aan een huis gekomen,
waar licht aan de deur brandt, gaat hij er voor staan en leest nu:
"ZZ 254."
Nu is hij geheel uit de lijken geslagen; want hij begrijpt niets van
het nummeringstelsel, dat hier gevolgd wordt, noch hoe zich 254 kan
bevinden tusschen 334 en 424. Op eens schiet hem in de gedachte,
dat er op het adres, 't welk hij in zijn zak heeft, nog voor het
huisnummer een letter staat, en wel de letter W.
"Mijnheer!" vraagt hij aan een jongmensch met een flambard op 't
hoofd en eene sigaar in den mond, die hem tegenkomt: "ben ik nog ver
van W 424?"
"Ik weet er u niets van te zeggen," is 't antwoord.
"Zeker ook een vreemdeling evenals ik," denkt hij.--Maar ach! hetzelfde
antwoord bekomt hij van al, wie hij ontmoet. 't Is beschamend voor de
Amsterdammers; maar van de tweemaal honderdvijftig duizend inwoners,
die de stad nagenoeg bevat, zijn er misschien vier vijfden, die de
letter niet weten van de buurt, waar zijzelven in wonen:--en misschien
niet een, die terstond weet te zeggen welke grachten of straten eene
buurt bevat.
"De naam van de buurten staat op de hoeken der straten," zegt een
medelijdend voorbijganger.--Ja, hij staat er; maar 's nachts is
't zoogoed als stond hij er niet.
Intusschen heeft onze wandelaar de klok van de Westerkerk halftwaalf
hooren slaan: hij begint te vinden dat de Keizersgracht lang is:
en hij is nog maar aan de Leidsche gracht.
Wederom vraagt hij, na de brug te zijn overgegaan, aan een dikken
heer, die op eene stoep staat, of hij nog op de Keizersgracht is;
wederom ontvangt hij een bevestigend antwoord.
"Waar moet mijnheer wezen?" vraagt op zijne beurt de dikke heer,
die merkt, dat de man verlegen is en die gedienstig van aard zijnde,
hem zoo mogelijk terecht wil helpen.
--"W 424."--
--"Ja, dat weet ik niet."
--"Bij mijnheer Smit."
--"Ja! het adresboek heeft derd'halve kolom met dien naam:-- dan zal
de rechte moeilijk te vinden zijn."
Onze Brusselaar denkt er niet aan, het adres, dat hij bij zich heeft,
uit zijne brieventasch te halen. En wat zou het hem ook gebaat
hebben? hij had toch geen licht, waar hij het bij zou hebben kunnen
lezen. Weinig opgebeurd door de gedane mededeeling, zet hij alzoo zijne
ontdekkingsreis voort. "Wat doet mijn vriend ook een naam te dragen,
die zoo algemeen is?" bromt hij bij zichzelven en peinst op allerlei
dwaze en niet uit te spreken namen, welke hij aan zijn vriend, zoodra
hij hem ziet, zal voorstellen, bij den zijnen te voegen.
Ja, zoodra hij hem ziet. Maar wanneer zal dat heuglijk tijdstip
komen? De Keizersgracht schijnt zonder eind; de straat wordt al
meer en meer eenzaam; de nummers hoe langer hoe minder leesbaar;
en gelukt het onzen vreemdeling, er nu en dan een uit te vorschen,
het dient alleen om hem de onaangename overtuiging te geven, dat hij
volstrekt niet is, waar hij wezen moet.
"Vooruit! vooruit!" roept hem zijn gesternte toe; als aan den
Joodschen zwerver van Sue, met wien hij begint te vinden, dat hij
vrij wat overeenkomst heeft, t. w. met den zwerver.
--"Vooruit! vooruit!"--daar staat hij aan de Reguliersgracht. "Had
ik maar eene vigilante genomen," denkt hij, "dan ware ik al waar ik
wezen moet."
Misschien--misschien ook niet; want de koetsiers der vigilantes weten
wel een huis te vinden, wanneer men de straten noemt, waarnevens het
gelegen is, maar zijn in de letters der buurten evenmin ervaren als
hunne overige stadgenooten.
--"Vooruit! vooruit!" en zie--bons! daar stuit hij op den Amstel. Hij
kan niet verder; tenzij hij in 't water loope.