Natuurlijk bestaan er boeken waarin de regels van 't vak vermeld

zijn; het voornaamste heet "'t Groote Hemelinstrument", dateert

uit de hooge oudheid en wordt als standaardwerk door de beoefenaars

bestudeerd. Dan volgen de practische oefeningen; daartoe doorkruist

de leermeester met zijn leerling den omtrek, ten einde het terrein

der werkzaamheden nauwkeurig op te nemen. De geomantie bepaalt zich

uitsluitend tot het zoeken van een geschikte begraafplaats.

Heeft hij, de waarzegger, de geschikte plaatsen goed in zich opgenomen

en er nauwkeurige aanteekeningen van gemaakt (met prijsopgave), dan

koopt hij zich een kompas, gradueert en vestigt zich als geomant. Hij

hangt een schild met 't opschrift "Tikuan", d. i. "Dokter der Aarde"

voor zijn woning en wacht de klanten af. Komt men hem een sterfgeval

berichten met 't verzoek een begraafplaats te zoeken, dan begeeft

hij zich onmiddellijk aan 't werk. Hij vergezelt den client naar zijn

woning, waar ook voor hem een gedekte tafel klaar staat.

Terwijl hij zich te goed doet, tracht hij op slinksche wijze door

vragen op de hoogte te komen van den financieelen toestand. Is

hij voldoende ingelicht, dan begeeft hij zich met zijn client in 't

gebergte en toont hem de genoteerde plaatsen, waarbij hij tracht door

lange redeneeringen de kostbaarste aan te prijzen. En zoozeer is de

vereering van de afgestorvenen in zwang, dat de zoon geen oogenblik

zal aarzelen zich groote geldelijke opofferingen te getroosten om

zijn vader een waardige begraafplaats te bezorgen. Want een zoon die

dit verzuimt, kan daardoor voor zijn geheele verdere leven ongelukkig

worden.

Aangenomen dat een geschikte plaats gevonden en men 't over den prijs

is eens geworden, vervolgt de geomant zijn werk door met een kompas

de juiste richting te bepalen.

Dat hangt hoofdzakelijk van de naaste omgeving af. Zijn andere graven

in de buurt, dan mogen die niet in één lijn staan met 't nieuwe

graf. Bij kostbare graven mag geen ander graf in de buurt zijn,

ja zelfs niet uit de verte zichtbaar zijn.

Dan bepaalt de geomant de afmetingen van 't graf, als ook de diepte

daarvan. Verder regelt hij de plaats die de familieleden innemen

bij de teraardebestelling, en waarbij steeds een zijde is waar de

hoofdtreurende onder geen omstandigheden mag staan, wil hij zich niet

de ongenade van den bergdraak op den hals halen.

Maar hoe zorgvuldig de begraafplaats is uitgekozen, en hoe nauwkeurig

alles volgens de voorgeschreven regels bepaald is, toch gebeurt het

dat de achtergeblevenen door allerlei rampen en tegenspoeden getroffen

worden, zonder dat daarvoor een verklaarbare reden gevonden wordt. Dan

wendt men zich wederom tot den geomant, die, zoodra hij bemerkt dat

er een voordeeltje aan verbonden kan zijn, allerlei nieuwe gebreken

aan de begraafplaats ontdekt.

Soms weet hij zelfs te ontdekken dat het lijk het graf verlaten heeft,

omdat de plaats niet geschikt was, en menigmaal wijst de geomant een

verborgen hoekje aan, waar men werkelijk 't vermiste lijk vindt.

Keeren wij nu tot de woning van den overledene terug. Op den door den

geomant bepaalden dag wordt het lijk in een houten kist gelegd. Tegen

't vallen van den avond zet de stoet zich in beweging; (begrafenissen

hebben in Korea nooit over dag plaats). Voorop eenige lantaarndragers,

die de lijkbaar onmiddellijk voorafgaan, daarachter de familieleden

in rouwgewaad, luide jammerend.

Nadat de begrafenis heeft plaats gevonden en de aarde tot een bolvormig

heuveltje is opgeworpen, vangt het ceremonieel van het offeren aan.

Kleine tafeltjes met schoteltjes rijst en kopjes met drank worden

op de door den geomant bestemde plaats neergezet. De familieleden

maken met 't aangezicht naar het graf gekeerd vijf diepe buigingen,

terwijl zij een spreuk mompelen en vrede en rust wenschen aan de

tweede ziel, die met 't lichaam in het graf blijft. In den omtrek van

't graf worden hier en daar dergelijke offertafeltjes geplaatst voor

den bergdraak; weer buigt men en prevelt gebeden tot den draak, met 't

verzoek zorgvuldig te waken over den afgestorvene. De derde ziel keert

met de treurenden naar huis en zetelt in 't gedenktabletje. Plechtig

plaatst men het op 't huisaltaar of wel in een afzonderlijk vertrek en

voorziet het van offeranden zooals wijn, gebak, vleesch en rijst. Eerst

nadat de geest van den overledene van spijs en drank voorzien is en

de huisgenooten om beurten buigingen voor hem hebben gemaakt, begeeft

men zich aan den gemeenschappelijken disch. Zulk een gedenktabletje

bestaat uit twee stukjes hout, die tegen elkaar aangelegd worden,

van binnen uitgehold zijn en van boven een kleine opening hebben,

waardoor de geest binnen kan komen.

Gedurende de drie voorgeschreven rouwjaren wordt dit tabletje in de

vrouwenvertrekken geborgen, later brengt men het bij de overige in een

tempel; is de familie niet rijk genoeg om een plaats in een tempel te

bezitten, dan pakt men het in een kistje bij overtollige zaken. De

lagere klassen uit 't volk herdenken aldus hun vader, grootvader en

overgrootvader; aristocraten en beambten gaan tot vier geslachten

terug; de Keizer vereert zijn voorouders tot in 't vijfde geslacht.

Hoe ingewikkeld en omslachtig het ceremonieel van een begrafenis reeds

moge zijn, de rouwtijd is een nog grootere nationale ramp voor 't

Koreaansche volk te noemen. Want zoo een vader sterft, moet de familie

gedurende drie volle jaren rouwen. In het voorgeschreven gewaad (een

soort van monnikspij van grof grauw zakkenlinnen, een koord om 't lijf

en een reusachtige strooien hoed op, die bijna geheel het gelaat en de

schouders bedekt) slijten de achtergebleven mannen hun tijd met niets

doen. Want zij worden als onreine wezens beschouwd. Gedurende dien tijd

is het verboden een tempel te betreden, een ambt te bekleeden, zich

in openbare bijeenkomsten te vertoonen en in 't huwelijk te treden.

Sterft de moeder na den vader, dan blijft de rouwtijd onveranderd. Maar

gaat zij haar man voor, dan rouwt men gedurende een jaar. Sterft echter

de grootvader kort na den vader, dan is de kleinzoon veroordeeld om

zes volle jaren van zijn leven als een uitgestootene der maatschappij

door te brengen.

Wordt de zoon van een onlangs overledene in rang bevorderd, dan

verleent men zijn overleden vader eveneens een hoogeren rang, want den

zoon mag geen grooter onderscheiding te beurt vallen dan zijn vader.

Gedurende de drie rouwjaren behoort er steeds een offertafeltje met

spijs en drank voor 't gedenktabletje te staan. De oudste zoon is

verplicht elken eersten en vijftienden van de maand dit tafeltje met

rijst en wijn onder luid gejammer te vernieuwen en daarbij gebeden

te prevelen. Dit geschiedt één uur na middernacht.

De sterfdag is mede zeer gewichtig. Vrienden en kennissen komen

bezoeken van rouwbeklag brengen. Er wordt geofferd, gejammerd, gegeten

en gedronken; in gezelschap begeeft men zich naar de begraafplaats,

waar deze ceremonie herhaald wordt.

Na 't lezen van deze ingewikkelde vormen, die tijdroovend en

onpractisch genoeg zijn om een groot gedeelte van een nuttig

menschenleven te verspillen, vraagt men zich af: "Hoe is 't mogelijk

dat dergelijke gewoonten gehandhaafd kunnen blijven in de twintigste

eeuw, waarin elke seconde geldswaarde heeft; waarin de Westerlingen

in de koortsachtige haast van den strijd om 't bestaan hun vormen en

ceremoniën tot een minimum beperken. De Koreaan, voortlevend buiten

die opgezweepte menschenmassa, laat met grootsche onverschilligheid

den tijd langs zich heen gaan; hij kent geen koortsachtigen strijd

om het bezit van geld, hij leeft slechts voort in een fatalistische

rust, die hem een zekere waardigheid verleent, gaat op in de kleinste

détails van traditie en gewoonte, zonder ook maar de geringste neiging

te hebben daarmede te breken.

Ik heb iemand hooren beweren dat de rouw en de pijp de twee voornaamste

belemmeringen zijn voor de welvaart en ontwikkeling van 't Koreaansche

volk. Eer beide bij keizerlijk decreet afgeschaft worden, ontwaakt

geen Koreaan uit den toestand van apathie, luiheid, zorgeloosheid of

hoe men 't noemen wil.

Een man zonder pijp is niet denkbaar in Korea; dit attribuut, in lengte

afwisselend tusschen twintig centimeter en een meter, steekt altijd

ergens in een kleedingstuk, zoolang zij zich bewegen. Nu eens boven

achter op den rug bij den hals, soms in den gordel als een zwaard,

dan weer van achter onder den gordel als een staart, in de pijp van

een pantalon, achter 't oor, altijd zult ge de pijp ontdekken. Zoodra

is de persoon niet in rust, of de pijp oefent zijn macht uit.

De Koreaan schijnt geen grooter wellust te kennen dan languit (met

zijn spierwit gewaad) op straat te gaan liggen en de eene pijp voor,

de andere na te rooken. In dezen toestand kan niets ter wereld

hem raken. Ik zag twee jonge mannen in die houding op de markt;

zij waren zelfs te indolent om hun beenen terug te trekken, zoodat

voorbijgangers, vrachtossen en paardjes er over heenstapten, terwijl

zij, geheel vervuld van hun pijp, blauwe rookwolkjes omhoog bliezen.

Mr. Pak-ki-ho is werkelijk een gids zooals er maar weinigen zijn;

hij heeft ons de bezienswaardigheden getoond, maar schijnt toch

nog niet voldaan te zijn, want telkens weet hij iets te vinden dat

onze belangstelling opwekt. Na een tocht door de bazars van Seoul,

die meer ondervinding in verscheidenheid van onwelriekende geuren

dan van de kunstnijverheid van 't Koreaansche volk heeft opgeleverd,

houdt hij stil voor een laag huisje, waaruit al weer jammertonen tot

ons doordringen.

Ditmaal is het geluid dat van jeugdige stemmen, wij bevinden ons in

een Koreaansche school.

Op het verzoek die inrichting te mogen zien, volgt een welwillend

knikje van den schoolmeester, die dan kalmpjes blijft doorrooken

en de kinderen aanmaant voort te gaan met lezen. Een achttal kleine

jongens, voor 't meerendeel bruidegoms (kenbaar aan de rose japon en

den strooien hoed) zitten op den verwarmden vloer met een Koreaansche

vertaling van Confuciaansche levensregels voor zich. Dit boek heet

"Tong Mun Suna Sup" of "Eerste leesboek voor jongens". De jongens

schreeuwen allen tegelijk, liefst zoo luid mogelijk hun les op en de

meester maakt onder het aanhooren hier en daar een aanmerking.

Daar dit boekje heel oud is en een denkbeeld zou kunnen geven van

wat een Koreaansche jongen op school leert, laat ik eenige punten

eruit volgen.

De inleiding vermeldt: "De man is 't voornaamste schepsel, voor hem

zijn er vijf voorschriften op te volgen: 1o Verwantschap tusschen

vader en zoon, 2o Etikette tusschen vorst en edelman, 3o Verschil

tusschen man en vrouw, 4o Voorrang tusschen oud en jong, 5o Trouw

onder vrienden. Daarom moet de vader zijn zoon liefhebben, deze echter

hem kinderlijk toegedaan zijn, de vorst moet korrekt, de edelman

onderdanig zijn, de echtgenoot vredelievend, de vrouw volgzaam, de

oudere bedachtzaam, de jongere gehoorzaam zijn, de vriend den vriend

helpen, opdat de man een man genoemd kan worden.

Ziedaar wat Koreaansche jongens van tien tot veertien jaar leeren in

de hoogste klasse van een volksschool.

In de laagste klasse bepaalt het onderwijs zich tot 't leeren van

duizend chineesche letterteekens.

Neemt men verder in aanmerking dat 't schoolgaan niet verplichtend

is, het lokaal gewoonlijk bedompt, slecht verlicht en de ruimte zeer

beperkt is, dan komt men tot de conclusie dat dergelijk onderwijs

weinig practische kennis oplevert, hoogstens nadeelig voor de

gezondheid kan zijn.

Maar in de laatste jaren is er een merkbare verbetering in dit

opzicht waar te nemen door den invloed van westersche naties. Er

is een Duitsche school, waar een veertigtal jonge mannen onderricht

ontvangen in 't Duitsch, benevens een meer algemeene kennis van de

verschillende leervakken. De Engelsche school telt zeventig leerlingen,

die uniform dragen en zelfs in sport onderwezen worden; de meesten

dezer leerlingen vinden als tolk, gids of tolbeambte een betrekking.

Ook de Franschen hebben er een school; daaruit rekruteert men de

beambten van de posterijen. Verder zijn er Chineesche en Japansche

scholen, een normaalschool met een Amerikaanschen leermeester aan

't hoofd, een dokterschool, en eindelijk missiescholen van elke

godsdienstige richting. In deze laatste beijvert men zich vooral voor

de ontwikkeling der meisjes.

De Koreaansche taal bezit twee alphabets: 't Nido, bestaande uit 250

chineesche letterteekens (dat gesproken wordt in hoogere en geletterde

kringen) en 't Koreaansche volksalphabet, dat ruim 1100 jaar geleden

door Syel Chong, een beroemd priester en geleerde, uitgevonden werd

en waarvan 't volk zich bedient.

Hoewel de uitspraak geheel verschillend is van de Chineesche,

kunnen Koreanen en Chineezen elkaar verstaan door dat zij dezelfde

letterteekens gebruiken.

Sir Ernest Satow heeft de bewering geuit, dat de Koreanen reeds de

kunst van drukken verstonden, twee eeuwen voordat men die in Europa

uitvond. Te oordeelen naar de phonetische overeenstemming heeft de

Fransche taal (evenals in Japan) de meeste kans populair te worden.

Toch wordt deze weinig gesproken. Engeland's uitgebreide

handelsverbindingen in 't Oosten hebben overal 't Piggin-engelsch

ingevoerd. Hoewel er van volksonderwijs in den waren zin van 't woord

in Korea nog geen sprake kan zijn, heeft de traditie in dit opzicht

veel van haar macht verloren. Ziehier een voorbeeld van de wijze

waarop vroeger met examens werd omgesprongen!

In vroeger jaren werden de examens afgenomen in 't paleis. Dat examen

heette Kwagga, iedereen, behalve zij die tot de onreine klassen der

slachters en leerlooiers behoorden, kon daaraan deelnemen.

In feestkleedij stroomden de candidaten uit alle oorden van het land

te zamen naar het terrein achter 't paleis.

Het thema of de vraagstukken werden door den vorst bepaald, dikwijls

verscheen hij zelf om het te verkondigen. Het werd geschreven op een

reusachtig blad papier, dat boven aan een langen paal bevestigd werd,

zoodat al de candidaten die in tenten rondom den paal gehuisvest waren,

het lezen konden.

Elke tent was voorzien van een lantaarn, op welker glasruit de naam van

den candidaat was aangebracht, zoodat deze als 't ware als naamplaat

dienst deed. Zoolang 't examen duurde ging 't er lustig toe; men

ontving bezoeken, en muziek en dans luisterden deze bijeenkomsten

op. Voor den vorm waren er wel enkele inspecteurs aanwezig, maar

deze sloten een oogje voor de onregelmatigheden die bij den arbeid

der candidaten plaats vonden.

De candidaat plaatste, nadat hij zijn werk voltooid had, zijn naam,

rang en stand, alsook die van zijn vader er onder, rolde het papier

op, bond er een zijden draad omheen en schoof het door een gleuf in

den muur van 't Paleis, waar een menigte bedienden gereed stond om

het op te vangen en naar den vorst te brengen.

De uitreiking der diploma's geschiedde door den vorst. Men heeft twee

graden: "Kupja" de hoogste en "Jinssa" de tweede.

Door dit examen af te leggen staat den candidaat de weg open tot

alle waardigheden, en daar men die bij voorkeur voor aristocraten

reserveert, is 't niet te verwonderen dat bij 't verleenen van de

diploma's rekening gehouden wordt met stand en afkomst meer dan met

capaciteiten.

Gezeten op een sierlijk uitgedost paard, en vergezeld van een talrijk

gevolg van dienaren, begeeft de gelukkige candidaat (voor wien de

uitslag gewoonlijk geen verrassing meer is) zich naar 't paleis. Voor

aan den stoet gaat de voordanser, die met wilde passen zich bewegend,

in langgerekte tonen de wijsheid van zijn heer prijst en tegelijkertijd

den weg vrij houdt.

Eerbiedig knielt de candidaat neder voor den vorst en ontvangt

het diploma uit zijn hand. Op den terugweg gaat de voordanser nog

luider te keer. Hoog zwaait hij het diploma voor zich uit terwijl

hij lofliederen op zijn heer zingt, die voor den tijd van drie dagen

't recht heeft op straat voor niemand uit te wijken. De eerste gang

is naar 't huisaltaar, ten einde hulde te brengen aan de geesten

der ouders, daarna wordt er nog gedurende drie dagen feest gevierd,

waarbij 't gebruikelijk is degenen die minder gelukkig zijn geweest

en geen diploma hebben bemachtigd, allerlei grappen en dwaasheden te

laten uithalen.

Maar dat alles behoort tot het verleden; de oorlog tusschen China

en Japan maakte er een einde aan, want sinds dien tijd hebben deze

staatsexamens niet meer plaats.

Hoewel Korea verre van oorlogzuchtig is aangelegd en strijdlust niet

tot de eigenschappen van de deftige, wit gekleede patriarchen behoort,

zoo bezit het land toch een zij 't dan ook onbeduidende verdediging.

Van de Koreaansche vloot hoort men niet spreken, om reden dat zij niet

bestaat, en wat het leger aangaat, daarvoor is Lord Curzon's benaming

de ware, wanneer hij dat "a standing joke" noemt. Zelfs de hulp van

Amerikaansche en Engelsche instructeurs heeft van de Koreaansche

landverdedigers niet veel meer kunnen maken dan een parodie op

militairen. 's Keizers verdediging bestaat hoofdzakelijk uit de

Mapu's of marskramers. Deze rondtrekkende kooplieden onderhouden de

gemeenschap en oefenen spionnendiensten uit. In ruil daarvoor genieten

zij voorrechten, een van welke bestaat in het deelnemen aan officieele

optochten in de onmiddellijke omgeving van den Keizer.

Voorts zijn de keizerlijke kloosters in den omtrek van Seoul vermomde

versterkingen. Omringd door zware muren, haast ontoegankelijk door

terreinmoeilijkheden, bewoond door gewapende monniken en goed voorzien

van levensmiddelen, dienen zij tot schuilplaats van den vorst in

tijden van beroering.

Mr. Pak-ki-ho heeft ons op een zonnigen morgen naar het voornaamste

van die kloosters geleid. Dit klooster, Pok-Han geheeten, is zeer

schilderachtig gelegen, vier duizend voet hoog, in 't gebergte

achter Seoul.

Een draagstoel met acht stevige Koreanen voor mijn reisgenoote,

miniatuur-rijpaardjes voor de rest van 't gezelschap, staan reeds vroeg

te wachten voor het nederige poortje van 't Station Hotel. 't Duurt

nog wat eer de karavaan zich in beweging zet, want bij gebrek aan een

dameszadel moesten wij ons vergenoegen met een Koreaansch zadel, dat,

wat den puntigen vorm aangaat, eerder onder de folterwerktuigen van

de Gevangenpoort thuis hoort, maar een dikke matras die er bovenop

gelegd wordt, maakt 't ten minste als zitplaats houdbaar. Dapper

stappen de kleine paardjes achter elkaar voort langs 't smalle pad,

dat zich kronkelt tusschen heuvels en beekjes; spoedig wordt het te

steil en moet de rest van den weg te voet, soms op handen en voeten

tegelijk, worden afgelegd, maar 't einddoel beloont al die moeite,

want de uitzichten zijn prachtig, de lucht is droog en opwekkend,

en 't jonge groen wedijvert met de bloesems van peren en perziken

in kleurenrijkdom.

Gastvrij hebben de monniken van Pok Han de poorten voor ons geopend en

de pic-nic tafel in de voorhal van den tempel neergezet. De gebouwen

zijn noch imposant noch goed onderhouden; evenmin krijgt men den indruk

alsof 't godsdienstige de overhand heeft in deze ommuurde tempels.

De geestelijkheid is in Korea niet bijzonder gezien; over 't algemeen

munt zij dan ook niet uit door onberispelijken levenswandel.

Hendrik Hamel vermeldt reeds in zijn geschriften dat de kloosters

plaatsen zijn waar men zich bedrinkt en vermaakt. Veel is die toestand

sinds niet verbeterd. Niet uit vroomheid alleen trekt de Koreaan

zich in het klooster terug. Velen vinden er gelegenheid hun leven met

nietsdoen te slijten, maar ook zij die door den rouw uitgesloten zijn

van het maatschappelijk leven zoeken er een toevlucht.

't Boeddhisme, dat van uit Indië door China zijn weg hierheen

vond, heeft zich met moeite staande kunnen houden, zooals duidelijk

zichtbaar is aan den treurigen staat waarin de schamele tempels zich

bevinden; meer en meer vindt de leer van Confucius ingang. Voor de

zending is Korea een vruchtbaar veld; de treurige overblijfselen

van het Boeddhisme kan men ternauwernood godsdienst noemen en de

treurige condities, waarin het volk verkeert, maken het gemoed des

te ontvankelijker voor nieuwe indrukken.

De terugtocht van Pok-Han wordt langs een anderen weg

genomen. Gedurende een half uur klauteren wij op handen en voeten

tusschen rotsachtige steenblokken naar boven, totdat een steenen poort

ons belet verder te gaan. Als de half vergane houten deur knarsend in

de hengsels kraakt, terwijl de gids haar opent, slaken wij een kreet

van bewondering over het grootsche panorama dat zich aan onze voeten

ontrolt. 't Is alsof de bodem met een tooverslag in peillooze diepten

is verdwenen. Wij staan op den rand van de bergketen, waarover zich

de muur van Seoul slingert. Daar in de diepte, tusschen de plooien

van de kale geelzanderige heuvelrij liggen de grijze daken van Seoul,

verderop glinstert de Hanrivier in 't zonlicht. Wij kunnen haar bochten

volgen tot Chemulpo, dat wazig aan den horizon als een lichtende plek

opdaagt, met de zee als achtergrond.

Langzaam en voorzichtig gaat het nu naar beneden langs de loodrechte

ravijnwanden, waarin de geringste mispas ons zou storten; verblindend

fel schittert de zon op de naakte geelroode rotswanden, die later

overgaan in geelwitte tufsteen.

Te midden van deze ongure omgeving treffen wij plotseling een klein

houten paviljoen aan, waarin een menigte menschen zich bevinden,

terwijl muziek ons tegenklinkt.

Een allerzonderlingst toegetakeld vrouwelijk wezen met een ruige

pruik van paardenhaar op 't hoofd voert allerlei wilde danspassen uit,

terwijl zij met verwrongen gelaatstrekken en uitpuilende oogen rond

zwiert en onzamenhangende klanken uitstoot. De toeschouwers schijnen

onder den indruk van de vertooning te zijn; met ernstig geloovig gelaat

staren zij de opgewonden verschijning aan; 't is geen bijeenkomst

waar men zich vermaakt.

De "Mutang" of toovenares oefent hier haar bedrijf uit in de stilte

van deze onbewoonde streken, want men vergunt haar niet in de stad

te wonen, daar de macht van deze wezens geducht wordt. (Zij heeten

in betrekking te staan tot den duivel).

Aan een ziekbed, als de genezing onmogelijk schijnt, neemt de

bijgeloovige Koreaan vaak zijn toevlucht tot de zwarte kunst dezer

vrouwen. Verbeeldt men zich dat een booze geest den zieke bezoekt,

dan is geen opoffering te groot om de Mutang te laten komen en hem

te verjagen.

Vooral bij choleragevallen meent men baat te vinden bij de

Mutang. Volgens den Koreaan wordt cholera veroorzaakt door ratten,

die in de ingewanden van het menschelijk lichaam huizen en 't middel

om deze te verdrijven bestaat in 't nabootsen van kattengemiauw,

want daarvoor zijn de ratten angstig. Door bekkenslag, tromgeroffel,

bellengerinkel en gonggedreun windt de Mutang (die gerecruteerd

wordt uit hysterische meisjes en slimme vrouwen, die er een bestaan

van weten te maken) zichzelf zoodanig op dat ze in een toestand van

extase geraakt. In dien toestand doet zij voorspellingen, bezweert

de booze geesten, geeft raad in moeilijke gevallen en weet verloren

voorwerpen terug te vinden.

't Volk is zoo doordrongen van hun macht, dat zelfs de meer

ontwikkelden in oogenblikken van gevaar of bij epidemieën de hulp

van de Mutang inroepen.

Reisherinneringen uit Korea en China De Aarde en haar Volken, 1904 · 第 3 / 4 段