zijn; het voornaamste heet "'t Groote Hemelinstrument", dateert
uit de hooge oudheid en wordt als standaardwerk door de beoefenaars
bestudeerd. Dan volgen de practische oefeningen; daartoe doorkruist
de leermeester met zijn leerling den omtrek, ten einde het terrein
der werkzaamheden nauwkeurig op te nemen. De geomantie bepaalt zich
uitsluitend tot het zoeken van een geschikte begraafplaats.
Heeft hij, de waarzegger, de geschikte plaatsen goed in zich opgenomen
en er nauwkeurige aanteekeningen van gemaakt (met prijsopgave), dan
koopt hij zich een kompas, gradueert en vestigt zich als geomant. Hij
hangt een schild met 't opschrift "Tikuan", d. i. "Dokter der Aarde"
voor zijn woning en wacht de klanten af. Komt men hem een sterfgeval
berichten met 't verzoek een begraafplaats te zoeken, dan begeeft
hij zich onmiddellijk aan 't werk. Hij vergezelt den client naar zijn
woning, waar ook voor hem een gedekte tafel klaar staat.
Terwijl hij zich te goed doet, tracht hij op slinksche wijze door
vragen op de hoogte te komen van den financieelen toestand. Is
hij voldoende ingelicht, dan begeeft hij zich met zijn client in 't
gebergte en toont hem de genoteerde plaatsen, waarbij hij tracht door
lange redeneeringen de kostbaarste aan te prijzen. En zoozeer is de
vereering van de afgestorvenen in zwang, dat de zoon geen oogenblik
zal aarzelen zich groote geldelijke opofferingen te getroosten om
zijn vader een waardige begraafplaats te bezorgen. Want een zoon die
dit verzuimt, kan daardoor voor zijn geheele verdere leven ongelukkig
worden.
Aangenomen dat een geschikte plaats gevonden en men 't over den prijs
is eens geworden, vervolgt de geomant zijn werk door met een kompas
de juiste richting te bepalen.
Dat hangt hoofdzakelijk van de naaste omgeving af. Zijn andere graven
in de buurt, dan mogen die niet in één lijn staan met 't nieuwe
graf. Bij kostbare graven mag geen ander graf in de buurt zijn,
ja zelfs niet uit de verte zichtbaar zijn.
Dan bepaalt de geomant de afmetingen van 't graf, als ook de diepte
daarvan. Verder regelt hij de plaats die de familieleden innemen
bij de teraardebestelling, en waarbij steeds een zijde is waar de
hoofdtreurende onder geen omstandigheden mag staan, wil hij zich niet
de ongenade van den bergdraak op den hals halen.
Maar hoe zorgvuldig de begraafplaats is uitgekozen, en hoe nauwkeurig
alles volgens de voorgeschreven regels bepaald is, toch gebeurt het
dat de achtergeblevenen door allerlei rampen en tegenspoeden getroffen
worden, zonder dat daarvoor een verklaarbare reden gevonden wordt. Dan
wendt men zich wederom tot den geomant, die, zoodra hij bemerkt dat
er een voordeeltje aan verbonden kan zijn, allerlei nieuwe gebreken
aan de begraafplaats ontdekt.
Soms weet hij zelfs te ontdekken dat het lijk het graf verlaten heeft,
omdat de plaats niet geschikt was, en menigmaal wijst de geomant een
verborgen hoekje aan, waar men werkelijk 't vermiste lijk vindt.
Keeren wij nu tot de woning van den overledene terug. Op den door den
geomant bepaalden dag wordt het lijk in een houten kist gelegd. Tegen
't vallen van den avond zet de stoet zich in beweging; (begrafenissen
hebben in Korea nooit over dag plaats). Voorop eenige lantaarndragers,
die de lijkbaar onmiddellijk voorafgaan, daarachter de familieleden
in rouwgewaad, luide jammerend.
Nadat de begrafenis heeft plaats gevonden en de aarde tot een bolvormig
heuveltje is opgeworpen, vangt het ceremonieel van het offeren aan.
Kleine tafeltjes met schoteltjes rijst en kopjes met drank worden
op de door den geomant bestemde plaats neergezet. De familieleden
maken met 't aangezicht naar het graf gekeerd vijf diepe buigingen,
terwijl zij een spreuk mompelen en vrede en rust wenschen aan de
tweede ziel, die met 't lichaam in het graf blijft. In den omtrek van
't graf worden hier en daar dergelijke offertafeltjes geplaatst voor
den bergdraak; weer buigt men en prevelt gebeden tot den draak, met 't
verzoek zorgvuldig te waken over den afgestorvene. De derde ziel keert
met de treurenden naar huis en zetelt in 't gedenktabletje. Plechtig
plaatst men het op 't huisaltaar of wel in een afzonderlijk vertrek en
voorziet het van offeranden zooals wijn, gebak, vleesch en rijst. Eerst
nadat de geest van den overledene van spijs en drank voorzien is en
de huisgenooten om beurten buigingen voor hem hebben gemaakt, begeeft
men zich aan den gemeenschappelijken disch. Zulk een gedenktabletje
bestaat uit twee stukjes hout, die tegen elkaar aangelegd worden,
van binnen uitgehold zijn en van boven een kleine opening hebben,
waardoor de geest binnen kan komen.
Gedurende de drie voorgeschreven rouwjaren wordt dit tabletje in de
vrouwenvertrekken geborgen, later brengt men het bij de overige in een
tempel; is de familie niet rijk genoeg om een plaats in een tempel te
bezitten, dan pakt men het in een kistje bij overtollige zaken. De
lagere klassen uit 't volk herdenken aldus hun vader, grootvader en
overgrootvader; aristocraten en beambten gaan tot vier geslachten
terug; de Keizer vereert zijn voorouders tot in 't vijfde geslacht.
Hoe ingewikkeld en omslachtig het ceremonieel van een begrafenis reeds
moge zijn, de rouwtijd is een nog grootere nationale ramp voor 't
Koreaansche volk te noemen. Want zoo een vader sterft, moet de familie
gedurende drie volle jaren rouwen. In het voorgeschreven gewaad (een
soort van monnikspij van grof grauw zakkenlinnen, een koord om 't lijf
en een reusachtige strooien hoed op, die bijna geheel het gelaat en de
schouders bedekt) slijten de achtergebleven mannen hun tijd met niets
doen. Want zij worden als onreine wezens beschouwd. Gedurende dien tijd
is het verboden een tempel te betreden, een ambt te bekleeden, zich
in openbare bijeenkomsten te vertoonen en in 't huwelijk te treden.
Sterft de moeder na den vader, dan blijft de rouwtijd onveranderd. Maar
gaat zij haar man voor, dan rouwt men gedurende een jaar. Sterft echter
de grootvader kort na den vader, dan is de kleinzoon veroordeeld om
zes volle jaren van zijn leven als een uitgestootene der maatschappij
door te brengen.
Wordt de zoon van een onlangs overledene in rang bevorderd, dan
verleent men zijn overleden vader eveneens een hoogeren rang, want den
zoon mag geen grooter onderscheiding te beurt vallen dan zijn vader.
Gedurende de drie rouwjaren behoort er steeds een offertafeltje met
spijs en drank voor 't gedenktabletje te staan. De oudste zoon is
verplicht elken eersten en vijftienden van de maand dit tafeltje met
rijst en wijn onder luid gejammer te vernieuwen en daarbij gebeden
te prevelen. Dit geschiedt één uur na middernacht.
De sterfdag is mede zeer gewichtig. Vrienden en kennissen komen
bezoeken van rouwbeklag brengen. Er wordt geofferd, gejammerd, gegeten
en gedronken; in gezelschap begeeft men zich naar de begraafplaats,
waar deze ceremonie herhaald wordt.
Na 't lezen van deze ingewikkelde vormen, die tijdroovend en
onpractisch genoeg zijn om een groot gedeelte van een nuttig
menschenleven te verspillen, vraagt men zich af: "Hoe is 't mogelijk
dat dergelijke gewoonten gehandhaafd kunnen blijven in de twintigste
eeuw, waarin elke seconde geldswaarde heeft; waarin de Westerlingen
in de koortsachtige haast van den strijd om 't bestaan hun vormen en
ceremoniën tot een minimum beperken. De Koreaan, voortlevend buiten
die opgezweepte menschenmassa, laat met grootsche onverschilligheid
den tijd langs zich heen gaan; hij kent geen koortsachtigen strijd
om het bezit van geld, hij leeft slechts voort in een fatalistische
rust, die hem een zekere waardigheid verleent, gaat op in de kleinste
détails van traditie en gewoonte, zonder ook maar de geringste neiging
te hebben daarmede te breken.
Ik heb iemand hooren beweren dat de rouw en de pijp de twee voornaamste
belemmeringen zijn voor de welvaart en ontwikkeling van 't Koreaansche
volk. Eer beide bij keizerlijk decreet afgeschaft worden, ontwaakt
geen Koreaan uit den toestand van apathie, luiheid, zorgeloosheid of
hoe men 't noemen wil.
Een man zonder pijp is niet denkbaar in Korea; dit attribuut, in lengte
afwisselend tusschen twintig centimeter en een meter, steekt altijd
ergens in een kleedingstuk, zoolang zij zich bewegen. Nu eens boven
achter op den rug bij den hals, soms in den gordel als een zwaard,
dan weer van achter onder den gordel als een staart, in de pijp van
een pantalon, achter 't oor, altijd zult ge de pijp ontdekken. Zoodra
is de persoon niet in rust, of de pijp oefent zijn macht uit.
De Koreaan schijnt geen grooter wellust te kennen dan languit (met
zijn spierwit gewaad) op straat te gaan liggen en de eene pijp voor,
de andere na te rooken. In dezen toestand kan niets ter wereld
hem raken. Ik zag twee jonge mannen in die houding op de markt;
zij waren zelfs te indolent om hun beenen terug te trekken, zoodat
voorbijgangers, vrachtossen en paardjes er over heenstapten, terwijl
zij, geheel vervuld van hun pijp, blauwe rookwolkjes omhoog bliezen.
Mr. Pak-ki-ho is werkelijk een gids zooals er maar weinigen zijn;
hij heeft ons de bezienswaardigheden getoond, maar schijnt toch
nog niet voldaan te zijn, want telkens weet hij iets te vinden dat
onze belangstelling opwekt. Na een tocht door de bazars van Seoul,
die meer ondervinding in verscheidenheid van onwelriekende geuren
dan van de kunstnijverheid van 't Koreaansche volk heeft opgeleverd,
houdt hij stil voor een laag huisje, waaruit al weer jammertonen tot
ons doordringen.
Ditmaal is het geluid dat van jeugdige stemmen, wij bevinden ons in
een Koreaansche school.
Op het verzoek die inrichting te mogen zien, volgt een welwillend
knikje van den schoolmeester, die dan kalmpjes blijft doorrooken
en de kinderen aanmaant voort te gaan met lezen. Een achttal kleine
jongens, voor 't meerendeel bruidegoms (kenbaar aan de rose japon en
den strooien hoed) zitten op den verwarmden vloer met een Koreaansche
vertaling van Confuciaansche levensregels voor zich. Dit boek heet
"Tong Mun Suna Sup" of "Eerste leesboek voor jongens". De jongens
schreeuwen allen tegelijk, liefst zoo luid mogelijk hun les op en de
meester maakt onder het aanhooren hier en daar een aanmerking.
Daar dit boekje heel oud is en een denkbeeld zou kunnen geven van
wat een Koreaansche jongen op school leert, laat ik eenige punten
eruit volgen.
De inleiding vermeldt: "De man is 't voornaamste schepsel, voor hem
zijn er vijf voorschriften op te volgen: 1o Verwantschap tusschen
vader en zoon, 2o Etikette tusschen vorst en edelman, 3o Verschil
tusschen man en vrouw, 4o Voorrang tusschen oud en jong, 5o Trouw
onder vrienden. Daarom moet de vader zijn zoon liefhebben, deze echter
hem kinderlijk toegedaan zijn, de vorst moet korrekt, de edelman
onderdanig zijn, de echtgenoot vredelievend, de vrouw volgzaam, de
oudere bedachtzaam, de jongere gehoorzaam zijn, de vriend den vriend
helpen, opdat de man een man genoemd kan worden.
Ziedaar wat Koreaansche jongens van tien tot veertien jaar leeren in
de hoogste klasse van een volksschool.
In de laagste klasse bepaalt het onderwijs zich tot 't leeren van
duizend chineesche letterteekens.
Neemt men verder in aanmerking dat 't schoolgaan niet verplichtend
is, het lokaal gewoonlijk bedompt, slecht verlicht en de ruimte zeer
beperkt is, dan komt men tot de conclusie dat dergelijk onderwijs
weinig practische kennis oplevert, hoogstens nadeelig voor de
gezondheid kan zijn.
Maar in de laatste jaren is er een merkbare verbetering in dit
opzicht waar te nemen door den invloed van westersche naties. Er
is een Duitsche school, waar een veertigtal jonge mannen onderricht
ontvangen in 't Duitsch, benevens een meer algemeene kennis van de
verschillende leervakken. De Engelsche school telt zeventig leerlingen,
die uniform dragen en zelfs in sport onderwezen worden; de meesten
dezer leerlingen vinden als tolk, gids of tolbeambte een betrekking.
Ook de Franschen hebben er een school; daaruit rekruteert men de
beambten van de posterijen. Verder zijn er Chineesche en Japansche
scholen, een normaalschool met een Amerikaanschen leermeester aan
't hoofd, een dokterschool, en eindelijk missiescholen van elke
godsdienstige richting. In deze laatste beijvert men zich vooral voor
de ontwikkeling der meisjes.
De Koreaansche taal bezit twee alphabets: 't Nido, bestaande uit 250
chineesche letterteekens (dat gesproken wordt in hoogere en geletterde
kringen) en 't Koreaansche volksalphabet, dat ruim 1100 jaar geleden
door Syel Chong, een beroemd priester en geleerde, uitgevonden werd
en waarvan 't volk zich bedient.
Hoewel de uitspraak geheel verschillend is van de Chineesche,
kunnen Koreanen en Chineezen elkaar verstaan door dat zij dezelfde
letterteekens gebruiken.
Sir Ernest Satow heeft de bewering geuit, dat de Koreanen reeds de
kunst van drukken verstonden, twee eeuwen voordat men die in Europa
uitvond. Te oordeelen naar de phonetische overeenstemming heeft de
Fransche taal (evenals in Japan) de meeste kans populair te worden.
Toch wordt deze weinig gesproken. Engeland's uitgebreide
handelsverbindingen in 't Oosten hebben overal 't Piggin-engelsch
ingevoerd. Hoewel er van volksonderwijs in den waren zin van 't woord
in Korea nog geen sprake kan zijn, heeft de traditie in dit opzicht
veel van haar macht verloren. Ziehier een voorbeeld van de wijze
waarop vroeger met examens werd omgesprongen!
In vroeger jaren werden de examens afgenomen in 't paleis. Dat examen
heette Kwagga, iedereen, behalve zij die tot de onreine klassen der
slachters en leerlooiers behoorden, kon daaraan deelnemen.
In feestkleedij stroomden de candidaten uit alle oorden van het land
te zamen naar het terrein achter 't paleis.
Het thema of de vraagstukken werden door den vorst bepaald, dikwijls
verscheen hij zelf om het te verkondigen. Het werd geschreven op een
reusachtig blad papier, dat boven aan een langen paal bevestigd werd,
zoodat al de candidaten die in tenten rondom den paal gehuisvest waren,
het lezen konden.
Elke tent was voorzien van een lantaarn, op welker glasruit de naam van
den candidaat was aangebracht, zoodat deze als 't ware als naamplaat
dienst deed. Zoolang 't examen duurde ging 't er lustig toe; men
ontving bezoeken, en muziek en dans luisterden deze bijeenkomsten
op. Voor den vorm waren er wel enkele inspecteurs aanwezig, maar
deze sloten een oogje voor de onregelmatigheden die bij den arbeid
der candidaten plaats vonden.
De candidaat plaatste, nadat hij zijn werk voltooid had, zijn naam,
rang en stand, alsook die van zijn vader er onder, rolde het papier
op, bond er een zijden draad omheen en schoof het door een gleuf in
den muur van 't Paleis, waar een menigte bedienden gereed stond om
het op te vangen en naar den vorst te brengen.
De uitreiking der diploma's geschiedde door den vorst. Men heeft twee
graden: "Kupja" de hoogste en "Jinssa" de tweede.
Door dit examen af te leggen staat den candidaat de weg open tot
alle waardigheden, en daar men die bij voorkeur voor aristocraten
reserveert, is 't niet te verwonderen dat bij 't verleenen van de
diploma's rekening gehouden wordt met stand en afkomst meer dan met
capaciteiten.
Gezeten op een sierlijk uitgedost paard, en vergezeld van een talrijk
gevolg van dienaren, begeeft de gelukkige candidaat (voor wien de
uitslag gewoonlijk geen verrassing meer is) zich naar 't paleis. Voor
aan den stoet gaat de voordanser, die met wilde passen zich bewegend,
in langgerekte tonen de wijsheid van zijn heer prijst en tegelijkertijd
den weg vrij houdt.
Eerbiedig knielt de candidaat neder voor den vorst en ontvangt
het diploma uit zijn hand. Op den terugweg gaat de voordanser nog
luider te keer. Hoog zwaait hij het diploma voor zich uit terwijl
hij lofliederen op zijn heer zingt, die voor den tijd van drie dagen
't recht heeft op straat voor niemand uit te wijken. De eerste gang
is naar 't huisaltaar, ten einde hulde te brengen aan de geesten
der ouders, daarna wordt er nog gedurende drie dagen feest gevierd,
waarbij 't gebruikelijk is degenen die minder gelukkig zijn geweest
en geen diploma hebben bemachtigd, allerlei grappen en dwaasheden te
laten uithalen.
Maar dat alles behoort tot het verleden; de oorlog tusschen China
en Japan maakte er een einde aan, want sinds dien tijd hebben deze
staatsexamens niet meer plaats.
Hoewel Korea verre van oorlogzuchtig is aangelegd en strijdlust niet
tot de eigenschappen van de deftige, wit gekleede patriarchen behoort,
zoo bezit het land toch een zij 't dan ook onbeduidende verdediging.
Van de Koreaansche vloot hoort men niet spreken, om reden dat zij niet
bestaat, en wat het leger aangaat, daarvoor is Lord Curzon's benaming
de ware, wanneer hij dat "a standing joke" noemt. Zelfs de hulp van
Amerikaansche en Engelsche instructeurs heeft van de Koreaansche
landverdedigers niet veel meer kunnen maken dan een parodie op
militairen. 's Keizers verdediging bestaat hoofdzakelijk uit de
Mapu's of marskramers. Deze rondtrekkende kooplieden onderhouden de
gemeenschap en oefenen spionnendiensten uit. In ruil daarvoor genieten
zij voorrechten, een van welke bestaat in het deelnemen aan officieele
optochten in de onmiddellijke omgeving van den Keizer.
Voorts zijn de keizerlijke kloosters in den omtrek van Seoul vermomde
versterkingen. Omringd door zware muren, haast ontoegankelijk door
terreinmoeilijkheden, bewoond door gewapende monniken en goed voorzien
van levensmiddelen, dienen zij tot schuilplaats van den vorst in
tijden van beroering.
Mr. Pak-ki-ho heeft ons op een zonnigen morgen naar het voornaamste
van die kloosters geleid. Dit klooster, Pok-Han geheeten, is zeer
schilderachtig gelegen, vier duizend voet hoog, in 't gebergte
achter Seoul.
Een draagstoel met acht stevige Koreanen voor mijn reisgenoote,
miniatuur-rijpaardjes voor de rest van 't gezelschap, staan reeds vroeg
te wachten voor het nederige poortje van 't Station Hotel. 't Duurt
nog wat eer de karavaan zich in beweging zet, want bij gebrek aan een
dameszadel moesten wij ons vergenoegen met een Koreaansch zadel, dat,
wat den puntigen vorm aangaat, eerder onder de folterwerktuigen van
de Gevangenpoort thuis hoort, maar een dikke matras die er bovenop
gelegd wordt, maakt 't ten minste als zitplaats houdbaar. Dapper
stappen de kleine paardjes achter elkaar voort langs 't smalle pad,
dat zich kronkelt tusschen heuvels en beekjes; spoedig wordt het te
steil en moet de rest van den weg te voet, soms op handen en voeten
tegelijk, worden afgelegd, maar 't einddoel beloont al die moeite,
want de uitzichten zijn prachtig, de lucht is droog en opwekkend,
en 't jonge groen wedijvert met de bloesems van peren en perziken
in kleurenrijkdom.
Gastvrij hebben de monniken van Pok Han de poorten voor ons geopend en
de pic-nic tafel in de voorhal van den tempel neergezet. De gebouwen
zijn noch imposant noch goed onderhouden; evenmin krijgt men den indruk
alsof 't godsdienstige de overhand heeft in deze ommuurde tempels.
De geestelijkheid is in Korea niet bijzonder gezien; over 't algemeen
munt zij dan ook niet uit door onberispelijken levenswandel.
Hendrik Hamel vermeldt reeds in zijn geschriften dat de kloosters
plaatsen zijn waar men zich bedrinkt en vermaakt. Veel is die toestand
sinds niet verbeterd. Niet uit vroomheid alleen trekt de Koreaan
zich in het klooster terug. Velen vinden er gelegenheid hun leven met
nietsdoen te slijten, maar ook zij die door den rouw uitgesloten zijn
van het maatschappelijk leven zoeken er een toevlucht.
't Boeddhisme, dat van uit Indië door China zijn weg hierheen
vond, heeft zich met moeite staande kunnen houden, zooals duidelijk
zichtbaar is aan den treurigen staat waarin de schamele tempels zich
bevinden; meer en meer vindt de leer van Confucius ingang. Voor de
zending is Korea een vruchtbaar veld; de treurige overblijfselen
van het Boeddhisme kan men ternauwernood godsdienst noemen en de
treurige condities, waarin het volk verkeert, maken het gemoed des
te ontvankelijker voor nieuwe indrukken.
De terugtocht van Pok-Han wordt langs een anderen weg
genomen. Gedurende een half uur klauteren wij op handen en voeten
tusschen rotsachtige steenblokken naar boven, totdat een steenen poort
ons belet verder te gaan. Als de half vergane houten deur knarsend in
de hengsels kraakt, terwijl de gids haar opent, slaken wij een kreet
van bewondering over het grootsche panorama dat zich aan onze voeten
ontrolt. 't Is alsof de bodem met een tooverslag in peillooze diepten
is verdwenen. Wij staan op den rand van de bergketen, waarover zich
de muur van Seoul slingert. Daar in de diepte, tusschen de plooien
van de kale geelzanderige heuvelrij liggen de grijze daken van Seoul,
verderop glinstert de Hanrivier in 't zonlicht. Wij kunnen haar bochten
volgen tot Chemulpo, dat wazig aan den horizon als een lichtende plek
opdaagt, met de zee als achtergrond.
Langzaam en voorzichtig gaat het nu naar beneden langs de loodrechte
ravijnwanden, waarin de geringste mispas ons zou storten; verblindend
fel schittert de zon op de naakte geelroode rotswanden, die later
overgaan in geelwitte tufsteen.
Te midden van deze ongure omgeving treffen wij plotseling een klein
houten paviljoen aan, waarin een menigte menschen zich bevinden,
terwijl muziek ons tegenklinkt.
Een allerzonderlingst toegetakeld vrouwelijk wezen met een ruige
pruik van paardenhaar op 't hoofd voert allerlei wilde danspassen uit,
terwijl zij met verwrongen gelaatstrekken en uitpuilende oogen rond
zwiert en onzamenhangende klanken uitstoot. De toeschouwers schijnen
onder den indruk van de vertooning te zijn; met ernstig geloovig gelaat
staren zij de opgewonden verschijning aan; 't is geen bijeenkomst
waar men zich vermaakt.
De "Mutang" of toovenares oefent hier haar bedrijf uit in de stilte
van deze onbewoonde streken, want men vergunt haar niet in de stad
te wonen, daar de macht van deze wezens geducht wordt. (Zij heeten
in betrekking te staan tot den duivel).
Aan een ziekbed, als de genezing onmogelijk schijnt, neemt de
bijgeloovige Koreaan vaak zijn toevlucht tot de zwarte kunst dezer
vrouwen. Verbeeldt men zich dat een booze geest den zieke bezoekt,
dan is geen opoffering te groot om de Mutang te laten komen en hem
te verjagen.
Vooral bij choleragevallen meent men baat te vinden bij de
Mutang. Volgens den Koreaan wordt cholera veroorzaakt door ratten,
die in de ingewanden van het menschelijk lichaam huizen en 't middel
om deze te verdrijven bestaat in 't nabootsen van kattengemiauw,
want daarvoor zijn de ratten angstig. Door bekkenslag, tromgeroffel,
bellengerinkel en gonggedreun windt de Mutang (die gerecruteerd
wordt uit hysterische meisjes en slimme vrouwen, die er een bestaan
van weten te maken) zichzelf zoodanig op dat ze in een toestand van
extase geraakt. In dien toestand doet zij voorspellingen, bezweert
de booze geesten, geeft raad in moeilijke gevallen en weet verloren
voorwerpen terug te vinden.
't Volk is zoo doordrongen van hun macht, dat zelfs de meer
ontwikkelden in oogenblikken van gevaar of bij epidemieën de hulp
van de Mutang inroepen.