onvermijdelijke, want 't boek der Wijsheid van Confucius legt haar in
de eerste plaats den plicht van gehoorzamen op, en al is de polygamie
niet officieel erkend, geen Koreaan zal zich laten weerhouden er
zooveel vrouwen op na te houden als zijn middelen toestaan. De kinderen
van deze kissangs zijn meestal ontwikkeld en vlug, waardoor al weer
bewezen wordt dat groote mannen verstandige moeders hebben gehad.
Vele legenden en vertellingen verheerlijken de kissangs en talrijk
zijn de verhalen waarvan 't hoofdmotief de wanhoop van een jongen
man schildert die een kissang aanbidt en jammert dat hij haar niet
als wettige vrouw in zijn woning mag voeren.
't Orkest dat de kissangs bij 't dansen begeleidde, bestond uit
ongeveer 25 personen die fluiten, een soort liggende harp, guitaar en
een chineesche viool met twee snaren als ook trommelen bespelen. 't
Geheel klinkt harmonisch, maar op den langen duur wat eentonig.
Een eigenaardigheid merkte ik hierbij nog op. Terwijl men in de
Japansche toonladder een hyaat vindt (ik meen dat de derde en vijfde
toon ontbreken) waardoor de melodie onzamenhangend en de harmonie
telkens onderbroken wordt, treft de Koreaansche muziek door haar
overeenkomst met de Europeesche, 't geen men noch van de Chineesche
noch van de Japansche beweren kan. Daar was een klagende mineur
melodie, die in een compositie van Grieg niet misplaatst zou zijn,
en daar waren oogenblikken waarop men den aanhef van een symphonie
meende te hooren. Ook de dans staat hooger dan de Japansche, maar
niet zoo hoog als de Javaansche.
Elegant zonder burlesk te zijn, dan weer plechtig en toch niet
stijf, soms zelfs hartstochtelijk maar nooit wild, geeft zij een
weerspiegeling van de rijke phantasie van dit volk.
Gedurende de uren die wij er doorbrachten vloog de tijd om, en bij
elken nieuwen dans dachten wij aan den eenen die afgeloopen was en
dien wij nooit weer zouden zien.
De kleeding van de kissangs verschilt een weinig van de nationale. De
rok is van donkerblauw gaas, de plooien zijn zoo ruim dat dit
kleedingstuk als een wolk om de voeten van de danseres schijnt te
zweven. Niettegenstaande de dikke gewatteerde wit katoenen kousen
treffen ons de bijzonder sierlijke voetjes waarmede zij allerlei
kunstige passen uitvoeren.
Zij dragen het haar, van voren gescheiden, van achter in een wrong;
door kunstmiddelen heeft het een rosachtigen weerschijn gekregen die
niet zeer flatteus is. De wenkbrauwen zijn afgeschoren; overigens
onderscheiden zij zich van haar Chineesche en Japansche kunstzusters
doordat 't gelaat niet geblanket, de lippen niet geverfd zijn.
Zoodra ze zich opheffen van de matten waarop ze in een groep
geduldig hebben zitten wachten tot een nieuwe dans begint, zetten
zij hun danskapsel op, evenals men in Europa zijn hoed opzet. Dat
kapsel bestaat uit een hoeveelheid valsche vlechten, doorstoken met
zilveren en bloedkoralen haarspelden en heeft zulk een omvang dat
een presenteerblaadje met een theeservies er op zou kunnen plaats
vinden zonder gevaar van te vallen. Voor de uitvoering van den
zwaarddans wordt er bovendien nog een breedgerande roodfluweelen
hoed met gekleurde struisveeren en gouden kwasten op vastgehecht;
't geheel maakt een zeer zonderling effect.
Haar kleeding is in dezen dans van zwaar brocaat, de lange mouwen
worden opgestroopt, de plooien van den rok opgeslagen en dan beginnen
zij in sierlijke wendingen te dansen rondom de vier zwaarden die,
twee aan twee, kruiselings op den grond liggen.
Eerst langzaam, dan vlugger en vlugger zwieren zij om elkaar heen,
de muziek begeleidt hen met merkwaardige vastheid van tempo, een
van de muzikanten heeft een houten instrument in vorm gelijk aan 't
houten onderstel van een reuzenwaaier, waarmede hij een klapperend
geluid maakt om de maat te accentueeren. Dieper en dieper worden
de buigende, zwaaiende bewegingen en plotseling, zonder dat men 't
bemerkt, hebben zij elk een zwaard van den grond opgenomen en stellen
zich in twee rijen tegenover elkaar, terwijl zij met de zwaarden in
de hand allerlei figuren schijnen af te teekenen in de lucht.
Plotseling verstomt met één slag van het houten instrument 't geheele
orkest en de kissang knielt even neer, dan haast ze zich naar haar
hoekje terug en zet hoed en kapsel af.
Niet minder dan zestien klassieke en antieke dansen zagen wij dien
dag afspelen, doch die alle weer te geven zou te veel tijd en ruimte
in beslag nemen.
Zeer fraai is de "lotos dans".
In 't midden van 't vertrek wordt een reusachtige porceleinen bak
gezet, waarin een lotosbloem schijnbaar op het water drijft. Twee
danseressen, die ooievaars moeten voorstellen en lange witte
gewaden dragen, komen plechtig achter elkaar binnenstappen. Op 't
zelfde oogenblik ontdekken beide de schoone bloem en nu ontstaat er
ijverzucht. Zij draaien langzaam om elkaar heen, slaan met de vlerken
(lange afhangende mouwen), knikken al klapperend met de hoofden en
trachten steeds meer 't voorwerp van haar afgunst te naderen. Het
tempo wordt langzamer en men voelt dat de beide ooievaars iets in
hun schild voeren.
Steeds dichter naderen zij de lotosbloem en op 't oogenblik waarop
beide den kop over den rand steken ten einde haar te plukken, laat
de lotos haar bladeren vallen en verrijst plotseling een miniatuur
danseresje uit den porceleinen bak.
De voorstelling eindigt meestal met den drakendans.
Een houten getimmerte waarop twee draken zijn afgebeeld, die zich
elk om een paal slingeren en de geopende bekken tegen elkaar gericht
houden, zoodat er een ronde opening ontstaat, wordt in 't midden van
het vertrek geplaatst. Alle danseressen nemen aan deze dans deel,
die als 't ware een examen is, want zoo ooit dan bestaat hier de
gelegenheid, zich in lenigheid en sierlijkheid met elkaar te meten. Zij
vatten elkaar om 't middel, dansen in een kring zwevend en heupwiegend
er om heen, terwijl zij een zacht tweestemmig gezang laten hooren en
't orkest hen met zachte gedempte akkoorden begeleidt. Op een teeken
van den man met 't houten instrument stellen zij zich in twee rijen
achter elkaar.
De twee voorsten krijgen een bont gevlekten bal in de hand, waar aan
twee zijden kwasten zijn bevestigd. (De bal stelt een drakenei voor).
Met gracieuse armbuigingen maken zij de beweging van mikken, ten
einde ieder op haar beurt den bal door de opening te werpen (zij
staan tegenover elkaar aan weerszijden van 't houten gevaarte) en
elkaars bal op te vangen. De muziek vergezelt haar bewegingen met
steeds sneller wordend tempo. Geruimen tijd wordt de aandacht van
't publiek in spanning gehouden; telkenmale als men denkt dat zij
den bal zal werpen, bedaren plotseling haar bewegingen en begint
zij opnieuw te mikken. Zeer te bewonderen is hierbij de eenheid van
't orkest en de danseres.
Als 't haar gelukt is verstomt plotseling het orkest en de danseres
knielt neder terwijl zijn Excellentie haar tot belooning een
reusachtige papieren lotosbloem in 't kapsel steekt. Heeft zij echter
misgeworpen, dan maakt men haar, met een penseel met O. I. inkt een
zwarte streep op 't gelaat, hetgeen haar reputatie als kunstenares
niet verhoogt. Nu dansen zij weer hun rei en wordt 't werpen hervat
door de twee die op haar volgen.
Hebben zij allen haar beurt gehad, dan defileeren zij voor Zijne
Majesteit, die elk het traditioneele geschenk, een rol blauwe zijde,
overhandigd.
Nog waren wij in volle bewondering voor de sierlijke bewegingen van
de kissangs, toen hard en wreed een telephoonbel rinkelde.
Een telephoon in de sprookjeswereld van een Oostersch feest! 't Was
alsof men opeens met een schok terugviel in 't prozaïsche leven van
de twintigste eeuw!
't Was wreed, maar waar.
En die rinkelende telephoonbel bracht heel wat opschudding
te weeg. Want 't was een keizerlijke boodschap, waardoor de
tegenwoordigheid van Zijne Excellentie op 't paleis werd vereischt.
Plechtig rees hij dadelijk overeind en maakte zich gereed om te
vertrekken. Van alle kanten waren dienaren aangeschoten om hem te
helpen. Gesteund door twee van hen stond hij op. Terwijl deze hem onder
de armen vasthielden tilde een derde beurtelings zijn voeten op; een
politiedienaar stak er een paar hooge vilten laarzen aan, vervolgens
werd hem het gazen overkleed aangetrokken, een zijden koord om het
middel geknoopt en de plooien van het kleed afgetrokken, zooals men
dat bij kleine kinderen doet, wil 't jurkje netjes zitten. De hooge
baret van zwart gaas met de beide uitstekende vlerken werd hem op
't hoofd gezet.
Gedurende deze bezigheden had Zijne Excellentie zich laten begaan
alsof hij een levenlooze pop was, voortdurend speelde een welwillende
glimlach op zijn eerwaardig gelaat, dat zulk een vreemde tegenstelling
vertoonde met zijn hulpeloosheid.
Met een kort aanspraakje en een apathische beweging van een toegestoken
hand die hij willoos liet drukken, nam hij afscheid. Ondersteund
door de beide mannen strompelde hij naar de deur als een kind dat
pas leert loopen.
Buiten stond een kleine draagstoel met een puntig dakje en een
miniatuurraampje. Men geleidde hem tusschen de draaglatten, 't dakje
werd opgeslagen, twee politiedienaren namen eerbiedig buigend een slip
van 't gazen overkleed in de hand en een derde persoon, waarschijnlijk
iets hooger in rang, gaf hem een zetje, waardoor hij achterover in
den draagstoel tuimelde. Daar hij niet bij machte scheen zijn beenen
binnen boord te halen, deden de politiedienaren dit, 't deksel werd
dichtgeklapt, en onder 't uiten van een lang aangehouden kreet van
de dragers als teeken van vertrek, werd Zijne Excellentie plechtig
weggedragen als een kanarievogel in een kooi. Ziedaar een staaltje
van Koreaansche etiquette nauwkeurig beschreven en vervat in een
lijvig boekdeel, waarin de aristocraat trouw studeert.
De aristocraten, Nyang-pan geheeten, onderscheidt men van de ha-in
('t volk) door de vele voorrechten die hun zijn gegeven. Men verdeelt
de aristocraten in twee klassen, n.l. de militairen en de civiele
beambten. Zonder uitdrukkelijken last van den Keizer of van den
gouverneur der provincie waarin zij verblijf houden, kan tegen hen
geen bevel van inhechtenisneming worden uitgesproken, tenzij zij
verraad plegen. Zij hebben het recht niet alleen, maar den plicht de
geringste beleediging of tekortkoming in vormen te straffen en wraak
te nemen over hun vijanden. Maar tevens rust er een zware plicht van
ridderlijkheid op hen; in geen land heerscht 't "noblesse oblige"
sterker dan in Korea. En hoewel deze plicht door geen wet wordt
voorgeschreven, maar zuiver een sociale etiquette is geworden, toch
wordt die door den Koreaanschen aristocraat hoog gehouden.
De twee betrekkingen die voor hem openstaan, zijn de militaire en
de civiele; daarenboven mogen zij die van onderwijzer uitoefenen,
maar handenarbeid wordt onteerend geacht en doet hen terugzinken tot
de lagere klassen der maatschappij.
De hulpelooze wijze van zich te bewegen, waarvan de minister ons zulk
een duidelijke voorstelling gaf, noemt men den Nyang-pan-gang en geldt
als iets zeer voornaams, want de persoon in kwestie wil daarmede als
't ware te kennen geven dat zijn beenen niet in staat zijn 't gewicht
van zijn waardigheid te dragen; hij is steeds door zoovele dienaren
omringd, dat deze voor hem moeten loopen.
Wordt in plaats van den draagstoel 't rijpaard als vervoermiddel
gekozen, dan kan men genieten van 't verkwikkelijk schouwspel een
hooggeplaatst persoon in het zadel te zien tillen. Twee dienaren die
rechts en links van 't kleine paardje gaan, ondersteunen hem onder
de armen, twee andere houden de teugels van het paard vast.
Hoe dwaas zulk een vertooning in onze oogen lijkt, met den grootsten
ernst op 't gelaat beweegt zich de verwijfde edelman, en de dienaren
leggen een eerbiedige dienstvaardigheid aan den dag, een betere
zaak waardig.
Wenden wij thans onze schreden naar de keizerlijke paleizen. Er zijn
er zes, waaronder drie, die de moeite waard zijn om gezien te worden.
1. 't Oost-Paleis, dat ongeveer vier honderd jaar geleden gebouwd
en veertig jaar geleden verlaten werd. Het beslaat een kolossale
oppervlakte en heeft dertien poorten. 't Paleis zelf bestaat uit een
groot aantal gebouwen en paviljoens, omringd door een fraai park,
waar sierlijke bloemperken afwisselen met vijvers, heuvels met
bloeiende heesters bedekt een uitzicht geven over denneboschjes en
waterpartijen. Elk paviljoen, elke poort draagt een phantastischen
naam. Zoo komt men door de Koudwaterpoort naar 't Hemelsche Huis,
terwijl een eindje verder een Bloemenpoort naar den Vijver der Zoete
Droomen voert.
Door een kleine sierlijke poort komt men in het hoofdgebouw, dat de
door den Keizer bewoonde vertrekken bevat. Er is een afzonderlijk
gebouw dat voor den lijkdienst bestemd is. Het lijk van den overleden
vorst ligt daarin op een katafalk onder een zijden troonheuvel, totdat
het in een staat van volkomen ontbinding verkeert; onder de katafalk
is een opening aangebracht waardoor de vochten in den grond vloeien.
2. Het Noord-Paleis, dat grooter hoewel ouder is. 't Werd vijfhonderd
jaar geleden gebouwd en bevat onder meer de bekende troonzaal,
een imposant, op zich zelf staand gebouw, bestaande uit een enorme
zaal, hoog van dak en geheel ontdaan van meubels, behalve een
fraai uitgesneden troonzetel onder een zijden baldakijn, waarin het
Chineesche wapen in borduurwerk is aangebracht. Rondom dit gebouw
ligt een ruime hof met marmeren steenen bevloerd. Van af zijn zetel
kan de vorst bij officieele recepties zijn onderdanen overzien, die
in den hof volgens rang en stand gegroepeerd zijn; marmeren pilaren
duiden de plaats aan, welke zij volgens hun rang innemen.
Daarnaast ligt de lotoszaal, een gebouw op pilaren in een vijver met
lotosbloemen gebouwd.
Van de galerij heeft men een heerlijk uitzicht op 't gebergte rondom
Seoul. In deze zaal hield de Koningin namiddag-bijeenkomsten met de
dames der Europeesche gezanten, waarom zij het gebouw in zooverre
liet moderniseeren dat er electrisch licht en europeesche meubels
werden aangebracht.
3. Een eindje verder toont men ons de gebouwen en paviljoentjes
van 't Zomerpaleis, benevens 't verblijf der bedienden, waarheen
de ongelukkige vorstin vluchtte, maar ten slotte toch door de
samenzweerders (waaronder verscheidene Japanners) doodelijk gewond
werd.
De Keizer bewoont geen van deze verblijven. Hij voelt er zich niet
thuis, want 't woelt en gist in zijn land. Zijn besluiteloosheid
en gebrek aan moed doet hem een treurige rol spelen in zijn rijk;
hij is bang voor de Japanners, bang ook voor de intriges van zijn
familieleden en niet zonder reden, want gedurende zijn regeering
speelden aanslagen, doozen met vergiftigde bonbons en onverklaarbare
verdwijningen een groote rol.
Nu heeft hij zich, in een tijdelijke woning, onder bescherming gesteld
van de Russische vlag.
Li Hsi, Keizer van Korea (zijn Koreaansche naam was Mong Pok-i),
de acht-en-twintigste vorst van deze dynastie, volgde in 1864 als
twaalfjarige knaap een kinderloozen bloedverwant op. Hij wordt ons
geschilderd als een man met een beminnelijk karakter, aangename
manieren en een open oog voor alles wat Westersche beschaving en
ontwikkeling op elk gebied brengt. Maar 't meest kenmerkende aan
hem is zijn besluiteloosheid, apathie, gebrek aan zedelijken moed,
in één woord alles wat hem stempelt tot een zwak man.
Daar de Koreaansche monarchie absoluut en goddelijk is, 't leven
van de twintig millioen onderdanen zoowel als hun bezittingen zijn
eigendom zijn, kan men zich voorstellen welk een gemakkelijk werktuig
zulk een vorst is geworden in de handen van een bende gewetenlooze
hovelingen en bloedverwanten.
Toen de Keizer als Koning op den troon kwam, aanvaardde zijn vader
het regentschap onder den titel van Tai-Wen-Kun. Deze was een zeer
ontwikkeld en scherpzinnig man, maar tevens een wreed despoot, men
noemde hem "de man met het steenen hart en de ijzeren ingewanden."
Zelfs nadat zijn zoon in 1873 meerderjarig was verklaard en de teugels
van 't bewind in handen had genomen, bleef hij een grooten invloed
uitoefenen. Hij was een fel vreemdelingenhater, liet de Christenen
vervolgen, en weerde alle onderhandelingen met buitenlanders af.
Zijn ambitie overheerschte alle menschelijke gevoelens; zelfs smeedde
hij een complot, ten einde zijn zoon en diens echtgenoote te laten
vermoorden en zelf het bewind te voeren. Gelukkig mislukte dit,
maar daar hij steeds voortging de vijandige gezindheid tegen de
vreemdelingen aan te wakkeren, zoodat hierdoor onlusten ontstonden,
werd hij in 1884 door toedoen van Li-Hung-Chang, den Chineeschen
vice-koning die zijn invloed begon te vreezen, gevangen genomen en
naar Pao Ting Fu verbannen.
De zwakke besluitelooze Koreaansche vorst liet eenige jaren later den
zeven-en-zeventigjarigen grijsaard uit zijn ballingschap terugkeeren,
welke gunst deze vergold door een nieuwe samenzwering tegen zijn zoon
op touw te zetten in 1895. Deze wist te ontkomen, maar de ongelukkige
vorstin werd, na doodelijk gewond te zijn, met petroleum overgoten
en levend verbrand.
Zij was een energieke vrouw, en moest daarom uit den weg geruimd
worden; ook waren haar gevoelens in strijd met de politiek van den
ouden Tai-Wen-Kun, want vooruitstrevend als zij was, moedigde zij
den invloed der vreemdelingen aan.
Haar eenige zoon, Li Hsia de Kroonprins van Korea, is geboren in
1873. Zijn kundigheden zijn beneden 't middelmatige, het haremleven
en de hof-etiquette hebben een verwijfde ledepop van hem gemaakt;
daarenboven is hij kinderloos en zijn bestaan wordt van hoegenaamd
geen belang geacht.
Er zijn drie ministers van Staat, verder zijn er acht departementen,
nl. het ministerie der ambten en bedieningen, dat van financiën,
oorlog, justitie, openbare werken, eeredienst en ceremoniën,
buitenlandsche en binnenlandsche zaken.
Aan 't hoofd van elke provincie staat een gouverneur; verder zijn
er districtschefs, dan volgen de mandarijnen aan 't hoofd der
belangrijkste plaatsen en daarna burgemeesters van de kleinere
dorpen. Rondom elk van die dienaren is een gansche schare
ondergeschikte beambten gegroepeerd, edelen, paleisbewakers,
tempeldienaren, bewaarders van openbare gebouwen, spionnen enz.
Al die beambten, te zamen het administratief gezag vormend, zijn een
ware plaag voor 't volk. Zij oefenen een afpersingssysteem uit, waar
't volk niet alleen onder lijdt, maar dat om zoo te zeggen zijn gebrek
aan ijver en werklust verklaart.
Door de groote willekeur waarmede belastingen geheven, betrekkingen
gegeven en privileges gegund worden is bij den Koreaan alle energie
gedood. Vrijheid van gedachten, het uiten van persoonlijke meeningen
voeren den vermetele naar de gevangenis, waar hem meestal op afdoende
wijze 't zwijgen wordt opgelegd. Hij ziet het nuttelooze in van
goederen of geld verzamelen, want dat zou slechts dienen tot prooi
voor den belastinggaarder.
Terwijl de winkels die aan den Keizer behooren en door dezen verpacht
worden, opgepropt zijn met handelsproducten, wordt er weinig of geen
handel gedreven.
Groote uitgestrektheden land liggen braak, omdat er geen handen zijn
om ze te bewerken.
De koelie, die door zijn gezonde physiek in staat is zwaren arbeid
te verrichten, werkt juist zoolang totdat hij genoeg verdiend heeft
om eenige dagen te kunnen luieren en pijpjes rooken. Wien 't gelukt
is goederen of geld te verzamelen verbergt het; vandaar dat men in
Korea weinig onderscheid bemerkt tusschen woningen of kleeding van
rijk en arm.
Een eigen muntstelsel bezit Korea nog niet; zoowel de Japansche
Yen als de Mexicaansche en Chineesche dollar zijn er gangbaar. De
lijdensgeschiedenis van 't geknoei met pasmunt en de pogingen tot
't stichten van een eigen Munt is nog niet ten einde; in afwachting
daarvan levert de Munt te Osaka (Japan) zilver en kopergeld.
In- en uitvoerrechten zijn in handen van China. Sir Robert Hart en zijn
staf van Engelsche beambten die alle in Chineeschen dienst zijn, hebben
in de laatste jaren hun beste krachten aan de regeling daarvan gewijd.
Sinds onheuglijke tijden is China's macht groot geweest in Korea. Elk
jaar moest de vorst tot onder de poort buiten Seoul de chineesche
beambten te gemoet gaan, om de schatting aan te bieden, en het
voorschrift eischte dat hij zich voor hen in 't stof wierp en den
chineeschen groet, de kow-tow, maakte.
Li-Hung-Chang (zaliger) en Yuan-tschi-kai, de tegenwoordige gouverneur
van Tientsin, beide mannen die van zich lieten spreken door hun grooten
invloed op politiek en staatkundig gebied, hebben hun leerschool in
Korea doorgemaakt. In den Japansch-Chineeschen oorlog was de houding
van Korea ten gunste van China dan ook een steen des aanstoots
voor Japan.
In 't middaguur, als de schaduwen langer worden en de toppen van de
heuvels rondom Seoul nog in een laatsten gouden zonneschijn schitteren,
terwijl het dal en de lage grijze dakenvlakte reeds in een grauwen
sluier gehuld zijn, is het oogenblik gunstig om de onwelriekende dampen
van Seoul te ontvlieden en een tocht te maken langs den stadsmuur
over de kale heuvels. Dan eerst krijgt men een duidelijk overzicht
van de stad en van den steenen muur, die als een slang zich over de
heuveltoppen slingerend de stad in een wijden cirkel omvat. Ni Tayo,
de stichter van de regeerende dynastie, liet vijf eeuwen geleden
dezen muur bouwen en stichtte Seoul. Acht poorten, elk voorzien van
een paviljoen met twee verdiepingen, geven toegang tot de stad; zij
dragen elk een afzonderlijken symbolischen naam, zooals "De Poort van
de Verheven Menschheid", die van "Eerwaardige Ceremonie" en die van
"Schitterende Beminnelijkheid". Zoowel binnen als buiten dezen muur
strekken de woningen zich uit; tevens zijn er in de ommuurde ruimte
groote uitgestrektheden grond die onbebouwd blijven, waardoor Seoul
zelfs in haar muren nog genoeg ruimte heeft voor uitbreiding.
Langs een van de nederige woningen in een buitenwijk gaande, worden
wij getroffen door luid gejammer en geweeklaag. Een onderzoek brengt
aan 't licht, dat er iemand is overleden en de familieleden aan hun
droefheid lucht geven. Een zestal vrouwen zit in het halfduister van
het lage vertrek rondom het lijk bijeen en wedijvert in 't voortbrengen
van jammertonen.
In 't stervensuur heerscht er groote stilte in huis, want niemand mag
den geest hinderen wanneer hij 't lichaam verlaat; de Koreaan gelooft
n.l. dat een mensch drie zielen bezit, de eene is bij 't sterven
voor de onderwereld bestemd, waarheen zij door beambten van de tien
rechters der onderwereld gevoerd wordt, de tweede gaat mee in 't graf
en de derde zetelt in 't houten tabletje, dat ter gedachtenis van den
overledene gedurende geruimen tijd in huis wordt bewaard. Zoodra de
dood is ingetreden, wordt het lijk in nieuwe witte gewaden gehuld. Voor
de deur van 't sterfhuis plaatst men een tafeltje, waarop drie bordjes
met gekookte rijst en drie flesschen drank, alsook drie paar rieten
sandalen klaar staan voor de drie beambten. Een tweede tafeltje met
spijs en drank is voor den geest van den overledene bestemd. Als bewijs
dat de drie beambten er geweest zijn, werpt men spijs en drank weg
en verbrandt de sandalen. Dan eerst vangt het gejammer aan, dat bij
voorname lieden soms den geheelen nacht aanhoudt.
De dienaren dragen de kleederen van den overledene naar buiten,
schudden die eenige malen flink uit en roepen daarbij luid zijn
naam. De hoofdtreurende, meestal de oudste zoon, begeeft zich zoo snel
mogelijk naar een geomant of zandwaarzegger, ten einde een geschikte
begraafplaats te zoeken. De geomantie speelt een groote rol in 't
Koreaansche leven. 't Mysterieuse en phantastische vervuld zoozeer den
gedachtengang van dit volk, dat wij hen ternauwernood volgen kunnen,
zelden hen volkomen zullen begrijpen wanneer hun gedachten zich begeven
in 't rijk van sprookjes en legenden, waar 't wemelt van goede en kwade
geesten en de werkelijkheid zoodanig op den achtergrond is getreden dat
men de grens niet meer kan vaststellen. De geomantie is een kunst, die
in China en in Korea beoefend wordt en alleen in Oostersche landen kan
bestaan. Zij is gebaseerd op fictie en phantasie en wordt goed betaald.
De suggestie speelt er een groote rol in en de handige geomant,
die zijn klanten kent, leidt een gemakkelijk leventje.