Chemulpo heet in 't Chineesch Jinsen en is een brandnieuwe p

REISHERINNERINGEN UIT KOREA EN CHINA.

MEI-JULI 1902.

Door Jonkvrouw A. von Schmidt auf Altenstadt.

HOOFDSTUK I

Het was op een helderen voorjaarsdag in 't begin van Mei, toen de

heesters op de berghellingen hun nieuw groen kleed hadden aangetrokken,

azalea's in vroolijke tinten hun sierlijke bloesems ontplooiden,

en de zon niettegenstaande de opstijvende voorjaarsbries weldadig

tintelde, dat de Genkai-Maru, een van de nieuwste stoomers van de

Nippon-Yusen-Kaisha, de haven van Nagasaki verliet, om koers te zetten

naar Fusan, een handelsplaatsje op de zuidkust van Korea.

Aan boord bevond zich, behalve een groot aantal Chineesche en Japansche

passagiers, een klein groepje Europeanen waaronder een jong Duitsch

echtpaar uit Kobe, die zich bij ons hadden aangesloten om door Korea

en China te reizen, twee Duitsche officieren uit Tientsin en wij twee

Hollandsche reizigsters. De Genkai-Maru is een van de voortbrengselen

van Japansche industrie uit den tijd, toen Japan meende voldoende

op de hoogte van scheepsbouwkunst te zijn, om hulp van Europeanen te

kunnen missen.

Het scheepje is op een Japansche werf door Japanners gebouwd, en

wordt ook uitsluitend door Japanners bestuurd en bediend.

Hoewel er dikwijls, en zeer terecht, zoowel aan de zeewaardigheid

van dergelijke schepen als aan de zeevaartkennis van hun kapiteins

getwijfeld wordt en de talrijke courantenberichten van strandingen

en aanvaringen dien twijfel rechtvaardigen, is men soms genoodzaakt

gebruik te maken van dit verbindingsmiddel tusschen Korea en Japan.

De russische schepen van de Oost Chineesche Stoomvaartmaatschappij

staan in geen beter reuk wat inrichting en zindelijkheid betreft,

terwijl die van de overige maatschappijen niet rechtstreeks op Korea

varen. Daarenboven is 't maar voor kort, want de overtocht duurt 14

uur. Slechts de Broughton zee-engte scheidt Japan van Korea.

De ruimte en inrichting voor passagiers is op de Genkai-Maru zeer

beperkt, maar hun aantal zoo groot, dat men in twee gedeelten aan de

maaltijden aanzit, terwijl de banken in de eetzaal als slaapplaatsen

dienst doen.

Gelukkig is er een ruim bovendek, en beneden ontbreekt 't ook niet

aan toevoer van frissche lucht, daar dit dek rondom het eetsalon open,

en slechts van een verschansing voorzien is.

Statig stoomt de Genkai-Maru langs de Pappenberg, het kleine eilandje

dat daar onbewegelijk en strak als een wachter aan den ingang van

de haven ligt, maar nauwelijks verwijden zich de kusten of 't wordt

onrustiger; 't windje gaat over in een stijve bries, donkere koppen

pakken zich aan den horizon te zamen.

De meeste passagiers hebben zich teruggetrokken in hun hutten, en

degenen die minder gelukkig zijn geweest en geen hut hebben, vullen

de kleine eetzaal.

Gehuld in mantels en plaids, want 't is vinnig koud, hebben wij met

moeite een beschut plekje op 't bovendek gevonden, achter een koekoek.

Is er een grootscher aanblik denkbaar dan die van de hoog oploopende

golven achter 't schip te zien aanrollen en het als 't ware telkens te

zien voortduwen? En de Genkai-Maru, die er in de haven, zoo imponeerend

en zoo helder uitzag, is te midden van de woedende elementen niet

veel meer dan een notedop, angstig vluchtend voor den storm; 't is

alsof zij harder stoomt om de golven te ontkomen die haar achtervolgen.

Een fijne dichte motregen, grijze waterwolken sluiten den horizon af

en doen de golven ineensmelten met de lucht. In plaats van lichter

wordt het donkerder en dichter daar voor aan den boeg, de wind neemt

in hevigheid toe.

Dat duurde zoowat twee uur. 't Jonge Duitsche vrouwtje heeft juist

ietwat angstig aan haar man gevraagd of dat zoo den geheelen nacht

zal blijven, als de Japansche stewart komt aanloopen en ons verzoekt

naar beneden te gaan.

Hij vertelt lachend (ik geloof dat een Japanner lacht zelfs als men hem

zijn doodvonnis mededeelt) dat de kapitein 't niet langer vertrouwt;

de barometer is zoo snel gedaald dat hij vreest in den buitensten

cirkel van een typhoon te zijn geraakt en besloten heeft terug te

keeren naar Nagasaki.

In alle haast worden de dekhutten verlaten. Ingebakerde

menschengestalten, voor 't meerendeel Japansche dames die onder den

invloed van de beweging van 't schip zijn, worden in allerijl de

trap afgevoerd.

Meteen zwaait 't schip in een wijde bocht, en toen besefte men eerst

recht de kracht van den storm. Eén oogenblik was 't, of de machine

weigerde, zoo stil lag 't schip door den schok van de golven die

't in de flank raakten, toen slingerde 't eenige keeren zwaar en

eindelijk zette 't dapper den kop tegen de hooge zee.

Telkens dook de steven diep omlaag en het water spatte er in schuim

over heen, dan weer werd 't schip opgeheven door een hooge golf en leek

't een gapende afgrond voor aan den boeg.

Met moeite konden wij, op handen en voeten kruipend, en ons aan elkaar

vasthoudend de trap bereiken; de motregen zwiepte horizontaal langs

ons heen en geeselde 't gelaat alsof 't met spelden gestoken werd.

Nu was 't of plotseling een onzichtbaar orkest uit alle macht

een stormphantasie aanhief; oorverdoovend dreunde 't, 't loeide,

't floot in het tuig, 't kraakte in het want en 't bruischte om ons

heen; de adem verging haast in den sterken luchtstroom. Beneden

heerschte een onbeschrijfelijke verwarring; de eetzaal opgepropt

met zeezieke passagiers en opgestapelde bagage; op het dek van het

salon groepjes Chineezen en Japanners omringd door kisten, zakken en

balen. Wij vonden eindelijk een plekje aan den ingang van de deur,

waar men echter niet eens zitten kon, want bij elke golf die over

kwam, stond er een halve voet water op het dek, maar dat was toch

nog verkieselijker dan 't verblijf in het salon.

Daar werd om ons heen gesproken over 't hachelijke van den toestand;

zullen de machines 't uithouden met die dolle vaart tegen de woedende

elementen? Zal de kapitein zijn koers vinden in 't half duister van

de stormlucht?

Al maar door slaan de stortzeeën over het dek; iedereen is druipnat,

koffers rollen heen en weer in 't zeewater en bij een zwaardere

stortzee is met hevig gekraak een stuk van de verschansing weggeslagen.

't Begint er leelijk uit te zien en....eigenaardig verschijnsel.... in

deze oogenblikken van gevaar beginnen de passagiers elkaar over en

weer verhalen te doen van schipbreuken en andere zeerampen.

Het Duitsche vrouwtje is geheel van streek, zij wordt pathetisch,

zij heeft zich aan haar man vastgeklampt en doet hem herhaaldelijk

beloven haar niet alleen te laten verdrinken maar tezamen te blijven.

Ik vraag of 't noodig is mijn reisgenoote, die zich in de hut ter

ruste heeft begeven te wekken, en 't antwoord luidt: "Waarom? degenen

die slapen zullen een minder zwaren doodstrijd hebben; als de

machine ons begeeft zijn wij toch allen verloren." Toen kwam er een

ernstiger stemming over 't groepje menschen dat daar bij elkaar stond,

overgeleverd aan de woedende elementen, veroordeeld om rustig af te

wachten wat de volgende minuten zouden brengen.

De Duitsche Hauptmann beet op zijn knevel, die kort te voren nog zoo

"schneidig" overeind stond, zijn collega trachtte een deuntje te

fluiten, maar dat ging hem niet van harte af.

En ik zat mij juist te verdiepen in overpeinzingen over 't onoplosbaar

mysterie van alles wat voor ons ligt, van de toekomst die als een

ondoordringbaar gordijn vóór ons hangt en eerst zichtbaar wordt als

't geen toekomst meer is.

Gelukkige fatalisten! dacht ik, zij hebben hun Kismet en verlangen

niet te weten wat geluk of ongeluk hun boven 't hoofd hangt. Mijn

gedachten gingen verder naar 't Oosten, waar men 't Kismet voelt, waar

't zweeft, overal, in de grootsche natuur, in de machtige elementen,

en nu wist ik opeens waar ik 't Kismet vond, nu voelde ik hoe dankbaar

ik was het te bezitten.

Op dat oogenblik viel mijn oog op een jong Europeaan, die blijkbaar

hevig ten prooi was aan de zeeziekte.

Zijn gelaat was grauw, bijna groen, de haren hingen hem druipnat in

't gelaat, hij had omgeslagen broekspijpen en stond tot over de enkels

in 't zeewater.

Hij klemde zich aan den post van een deur vast en plotseling

hoorde ik hem in zuiver Hollandsch zuchten: "O God! ik ben zoo

beroerd!..." Afgezien van 't onverwachte om in 't verre Oosten, in

streken waar Europeanen schaarsch zijn, een landgenoot aan te treffen,

wekte 't geval mijn hilariteit op en ik lachte zoo hartelijk, dat de

medereizigers mij verbaasd aankeken, alsof ze 't profaan vonden om

in zulke oogenblikken niet ernstig te zijn.

Tusschen twee stortzeeën ging ik naar den jongen man toe en vroeg of

ik hem wat cognac zou brengen. Hij was te ziek om verbaasd te zijn

bij 't hooren van zijn landstaal en scheen 't gezelschap van een

landgenoote niet te wenschen, want zijn antwoord luidde vrij somber:

"Laat me maar staan."--"Gaat u toch naar uw hut,"--raadde ik, maar

nu werd hij knorrig. "Ik heb geen hut!"

En toen begreep ik dat er situaties zijn, waarin een mensch minder

geschikt is voor conversatie en ik liet hem nat en zeeziek als hij

was aan zijn lot over.

Sneller en sneller ging het; de Genkai-Maru spande al haar krachten

in, om nog voor 't vallen van den avond de haven van Nagasaki te

bereiken. Reeds is 't uur van den avondmaaltijd lang verstreken,

maar niemand denkt aan eten, de passagiers houden zich slechts met één

gedachte bezig: "Zullen wij veilig de haven bereiken?" Gelukkig hebben

èn 't schip èn de kapitein ditmaal hun reputatie gelogenstraft. Om

8 uur 's avonds liggen wij veilig achter den Pappenberg voor anker,

vlak naast een grooten Russischen stoomer die tegelijkertijd was

uitgestoomd en ook voor den storm terugkeerde.

Het eigenlijke seizoen van de taï-fu of typhoon duurt van Juli tot

September, maar deze stormen worden in minder hevige mate gedurende

't geheele jaar waargenomen op de kusten van Japan en Korea.

De naam taï-fu beteekent groote wind en wordt toegepast niet alleen

op de beruchte wervelstormen in de Chineesche zee.

Zulk een taï-fu duurt gewoonlijk zes-en-dertig uur. Deze hield zich

aan den bepaalden tijd; den volgenden middag was de lucht weer strak

en helder, en ten tweeden male wendde de Genkai-Maru den steven naar

Korea. Ditmaal was de zee spiegelglad alsof de golven moe waren van

't wilde spel en zich ter ruste hadden begeven.

Bij 't krieken van den dag lag 't schip stil in 't gezicht van de

kust van Korea.

De oorspronkelijke naam Korea of, zooals men in 't Chineesch zegt,

Chosen, was die van een der drie staatjes waarin 't schiereiland

vroeger verdeeld was, en beteekent "Kalmte van den morgen."

Korea is een eigenaardig land; een land met een historische oudheid

gelijktijdig aan die van Thebe en Babylon, maar waarvan geen sporen

zijn overgebleven; een land dat zijn nationaliteit, zij 't dan ook

niet zijn onafhankelijkheid, gedurende eeuwen heeft weten te bewaren

en thans alle teekenen van zwakheid en machteloosheid vertoont; een

land dat aan zijn naburen, de Japanners, de bron van schoone kunsten,

godsdienst en wetenschappen schonk en thans zelf daarvan ontdaan is;

een land bewoond door een volk dat, niettegenstaande zijn zwakte,

niets heeft overgenomen van de gewoonten van zijn naburen, die het in

beschaving en ontwikkeling met reuzenschreden zijn voorbijgegaan; een

land waar tradities nog zulk een macht uitoefenen, dat zij gehandhaafd

blijven, ook al zijn zij de grootste belemmering voor de ontwikkeling

van dat volk.

Dat land noemde men de brug tusschen China en Japan.

Alles wat Japan van China kreeg in den vorm van godsdienst, kunst en

wetenschappen kwam door Korea, dat er zijn eigen stempel op drukte;

maar niettegenstaande 't verkeer met beide landen is Korea toch geheel

verschillend van beide gebleven.

Ook de bevolking heeft een sterksprekende karakteristiek en een

bijzonder type. Men zal een Koreaan dadelijk herkennen tusschen

Chineezen en Japanners.

Veel is er niet van Korea's geschiedenis bekend. Sinds onheugelijke

tijden was het in een waas van mysterie gehuld door de strenge

afzondering waarin het volk leefde. Men zou Korea kunnen vergelijken

met de prinses uit 't sprookje, die eeuwen lang geslapen heeft en

plotseling met schrik ontwaakt zijnde bemerkt dat zij niet meer alleen

is in haar paleis, maar dat allerlei vreemde machten aan de poorten

van haar paleis staan, gereed om binnen te treden.

Maar eer het zoover was, hadden toch reeds enkele onversaagde

Westerlingen gelegenheid dit geheimzinnige land te betreden.

De eerste aan wien dit gelukte was een portugeesch Jezuït, die door

Hideyoshi (de Japansche Napoleon) in 1594 als kapelaan in den veldtocht

werd medegevoerd.

In 1653 strandde er een hollandsch schip op 't eiland Quelpart. Dit

schip, De Sperwer, was op weg naar de Nederlandsche kolonie te

Decima, toen het door een hevigen storm uit den koers dreef en op de

koreaansche kust terecht kwam. De opvarenden, 36 in getal, werden

naar Seoul gebracht en gevangen gehouden. Ruim een jaar bleven zij

daar, werden toen naar verschillende plaatsen in het land vervoerd,

mochten zich vrij bewegen, maar bleven onder toezicht staan. Toen deze

gevangenen te Seoul aankwamen, troffen zij daar drie landgenooten aan,

die sedert 1627 door de Koreanen gevangen gehouden werden. Deze mannen,

Jan Janszoon Weltevree en twee kameraden, behoorden tot de bemanning

van het nederlandsche jacht Ouderkerke en werden gevangen genomen

toen zij aan wal waren gegaan om water en levensmiddelen te halen.

De gevangenen van de Sperwer bleven ruim 13 jaar in Korea; eindelijk

gelukte het aan eenigen van hen, onder wien Hendrik Hamel uit Gorkum,

te ontkomen naar het eilandje Goto, van waar zij hun weg naar Decima

vonden.

Hendrik Hamel keerde naar Holland terug. Hoewel hij een man was van

weinig ontwikkeling, had hij zooveel gezien en opgemerkt gedurende zijn

verblijf in Korea dat zijn geschriften in Rotterdam werden uitgegeven

en spoedig daarna in 't Fransch en Engelsch werden vertaald. In

't begin hechtte men weinig vertrouwen aan zijn beschrijving van

Korea, zijn bewoners, hare zeden en gewoonten; eerst later, toen meer

geletterde mannen zijn indrukken bevestigden, bleek het hoe scherp

en juist deze eenvoudige zeeman Korea had leeren kennen.

In 1886 werden te Seoul twee hollandsche schepen opgegraven, de eenige

zichtbare bewijzen van het verblijf der Hollandsche gevangenen. Of

neen, misschien niet geheel de eenige.

De Koreanen behooren tot het Mongoolsche ras waarvan de kenmerken zijn:

donker haar en dito oogen. Nu treft men onder hen verscheidene typen

aan, waarvan 't haar bruin, ja zelfs blond is, terwijl de kleur der

oogen van donkerbruin tot lichtblauw afwisselt. Eenigen zoeken de

verklaring hiervan in de vermenging van Caucasisch bloed, maar velen

zijn er die dit verschijnsel in verband brengen met het dertienjarig

verblijf der Hollandsche schipbreukelingen.

Fusan of, zooals de Koreanen 't noemen, Pusan behoort met Gensan of

Wensan aan de noord-oostkust en Chemulpo of Jinsen aan de westkust tot

de voornaamste plaatsen, die blijkens een verdrag met de mogendheden

voor den buitenlandschen handel zijn opengesteld.

Gelegen aan een kleine baai door heuvels omringd, en welke door 't

reeëneiland, in 't Koreaansch Tetsuije-eiland geheeten, beschut wordt

tegen zwaren golfslag, geeft Fusan bij den eersten aanblik den indruk

van een veld met paddestoelen, en die indruk blijft bestaan wanneer

men een wandeling maakt door de straten van het plaatsje. Alles is

er grijs, grijs en laag, vochtig en triestig. Een uitzondering maakt

de japansche wijk, waar alles helder en zindelijk is.

Fusan is om zoo te zeggen de toegangspoort van Korea voor Japan. In de

tijden toen Korea schatplichtig aan Japan was, zeilden de afgezanten

van Fusan naar Kamakura (toenmaals de zetel van 't Japansche

hof). Hideyoshi's leger zette te Fusan voet aan wal, toen het in 1592

uitgezonden werd om Korea te veroveren.

Reeds in 1443 was er een Japansche nederzetting te Fusan; sedert dien

tijd deden de Japanners de rechten gelden hun toegestaan krachtens

't verdrag, dat tusschen den daymio van Tsushima en den koning van

Korea gesloten werd.

Wel was de opening van Fusan als handelshaven, in 1876, tevens

de erkenning van Korea's rechten op het grondbezit van die plaats,

maar de Japanners storen zich daar niet aan, zij blijven er een groot

garnizoen handhaven en beschouwen Fusan als Japansch grondgebied.

't Eerste wat iemand opvalt bij 't betreden van Korea's bodem is

't gemis aan zindelijkheid. Hoe is 't mogelijk, vragen wij ons af,

dat er tusschen twee landen, door slechts zulk een geringen afstand

van elkander gescheiden, zulke uiteenloopende toestanden en gewoonten

kunnen voortduren. Aan gene zijde van de zee een leelijk, klein

maar nijver volkje met een sterk ontwikkeld zindelijkheidsgevoel;

hier een menschenras, groot, flink gebouwd, knap van uiterlijk,

verstandig aangelegd, met iets aangeboren deftigs in de wijze waarop

zij voortschrijden gehuld in de lange spierwitte gewaden, de nationale

dracht van oud en jong, rijk en arm, terwijl alles wat hen omringt in

een toestand van vervuiling verkeert, die aan 't ongeloofelijke grenst.

De straten, of liever stegen, zijn niet veel meer dan nauwe doorgangen

zonder eenigen afvoer van vuil en afval.

De woningen, of liever hutten, zijn van klei en rolsteenen opgetrokken;

een dikke gevlochten band van rijststroo doet dienst in plaats van

cement, om de massa bij elkaar te houden, het dak is van stroo,

meestal spreidt een kalebasplant zijn takken over 't dak uit,

om het stroo tegen stormen te beschutten. Vensters zijn er niet;

een kleine opening, hoogstens van eenige decimeters, doet daarvoor

dienst, meestal is die nog met papier dichtgeplakt; de deur is zoo

laag dat men zich bukken moet bij 't betreden van de woning.

Onder den vloer is een gemetseld gewelf waar gestookt en tevens

gekookt wordt. Schoorsteenen ontbreken ten eenenmale, maar de rook

ontsnapt door een gat in den muur en veroorzaakt de grijze kleur

van de woningen. Zulk een woning bestaat uit twee deelen, elk deel

uit eenige vertrekken, maar de oppervlakte van een vertrek beslaat

hoogstens twee meter en 't huis wordt door zooveel personen bewoond

dat 't voor mij een onopgelost vraagstuk blijft hoeveel ruimte men

in Korea voor zijn nachtrust noodig heeft.

Gelegenheid tot baden ontbreekt, en gewoonlijk is de bodem rondom

het huis bedekt met vuil, één mestvaalt waaruit onwelriekende dampen

opstijgen.

Ziedaar de hygienische condities van de bewoners. Te verwonderen is

't dan ook niet, dat de sterfte vooral onder de kinderen zeer groot

is en dat epidemieën zooals pokken (waarvan menigeen de sporen op 't

gelaat draagt) en pest jaarlijks een groot aantal slachtoffers maken.

Ook het gebrek aan zindelijkheid op hun lichaam draagt hier veel toe

bij; de Koreaan is in tegenstelling van zijn buurman den Japanner,

van nature afkeerig van water en heeft daarbij een bijzonder sterk

ontwikkeld preutschheidsgevoel.

Wanneer hij zich eens een enkele maal aan een bad waagt (meer dan

driemaal per jaar baden is ongekende luxe in Korea), dan geschiedt

dit in 't donker, opdat niemand 't zien zal. Het gezicht van een

onbedekt lichaam wekt zijn ergernis en 't is menigmaal gebeurd dat

een onschuldige Japanner, die volgens de gewoonte van zijn land zijn

dagelijksch bad aan den kant van den weg nam, met steenen geworpen

werd.

De bevolking van Fusan bestaat hoofdzakelijk uit visschers en

handelaren; de eerste wonen in 't lage gedeelte aan 't strand in

hutten van stroo; hooger op gelegen bevinden zich de winkels en

steenen huizen van de handelaren.

Er wordt een levendige handel gedreven in visch, die in groote

verscheidenheid het hoofdbestanddeel uitmaakt van een Koreaanschen

maaltijd. Hoewel de Koreanen Boeddhisten zijn, en 't gebruik van

vleesch voor hen dus niet geoorloofd is, volgen zij dit voorschrift

slechts in zoover dat zij geen runderen slachten.

Visch, hoenders en honden worden evenwel met smaak genuttigd. Van

de vischsoorten wordt de haai en de walvisch door 't visschervolk

en de minder gegoeden verbruikt. Daar beneden aan 't strand liggen

de visschersjonken, die hun vangst (een bruine massa in matten

gewikkeld die onwelriekende geuren opzendt van niet al te versche

visch) lossen. Met ijzeren haken trekt men de visch op 't strand,

dan wordt in reusachtige pannen de traan er uitgekookt en de rest

opgekocht door de restauratiehouders. Aan weerszijden van den hoofdweg

bevinden zich die gelegenheden waar men een overzicht krijgt van wat

een Koreaansche spijslijst al zoo bevat.

In rijen hangen de gerookte en gebraden hondenboutjes aan den ingang,

om de liefhebbers te lokken.

Stilstaande voor zulk een gaarkeuken, kunnen wij juist zien hoe een

Koreaansche juffer bezig is, van hondenvet, geklopte eieren en fijn

gehakt knoflook een "ommelette aux fines herbes" te bereiden, die

't gehemelte van een Koreaanschen fijnproever mag streelen, maar een

Europeaan kippenvel bezorgt.

Ook haaienvleesch behoort tot de lekkernijen, getuige de talrijke

verkoopsters, die heel geduldig achter haar uitstalling zitten te

wachten op hongerige klanten. 't Vleesch is bijzonder grof, taai en

grillig van vorm. Af en toe houdt een voorbijganger stil, snijdt

of trekt een stuk van de bruine vleeschmassa en verorbert het met

zichtbaar genoegen. Kleine peuzels schijnen 't ook al te waardeeren;

zij leggen hun snoepcent (hier een kleine koperen munt met een vierkant

gat in 't midden) op 't uitstaltafeltje en krijgen daarvoor eenige

vierkante blokjes haaienvleesch dat zij behandelen als een trekbrok.

Al die onwelriekende geuren doen ons verlangen naar een plekje waar

men ze ontvlieden kan, en dat hebben wij gevonden toen wij onze

schreden wendden naar 't japansche theehuis boven op den heuvel,

omringd door eerwaardige knoestige pijnboomen. Daar lachten de heldere

vloermatten ons tegen en brachten de vlugge lachende theehuismeisjes

ons een eenvoudigen maaltijd, en zoo vergaten wij voor een oogenblik

de patriarchale gestalten die zich daar beneden te goed deden aan

haaienvleesch.

Tegen den middag verliet de Genkai-Maru de baai van Fusan, zette

eerst in zuid-westelijke richting koers en wendde den steven naar 't

Noorden toen wij het eiland Quelpart gepasseerd waren. 't Was heerlijk

helder voorjaarsweer, de zee was spiegelglad; in de verte hadden wij

nu en dan aardige kijkjes op de grillige kustlijn van Korea met de

duizenden miniatuur-eilandjes die, als groene stippen, met losse hand

over 't oppervlak van de zee schenen uitgestrooid te zijn.

Er is weinig verkeer op zee: slechts enkele visschersjonken en hier

en daar een rookkolom van een kuststoomer; dat is alles.

Twee volle dagen duurt de overtocht van Fusan naar Chemulpo, de

havenplaats van Seoul, de hoofdstad van 't rijk.

Hoe meer wij Chemulpo naderen des te dichter wordt de lucht. Spoedig

zijn wij in zulk een zwaren mist gehuld dat 't een poos slechts met

halve kracht gaat, terwijl de sirene hartverscheurende klaagtonen doet

hooren; dan weer gaat de kapitein voor anker, wachtend tot de mist

zal optrekken. Eindelijk liggen wij stil in 't gezicht van Chemulpo,

of liever niet in 't gezicht, want nog onttrekt de mist alles aan

ons oog. Slechts de bruine kleur van 't water verraadt de nabijheid

van land. Door de zware deining, alsook door 't tij, dat hier een

verval van ± 30 voet heeft, moet het schip eenige mijlen van de

kust blijven. Eerst tegen den middag wordt 't hoog water; de mist

is opgetrokken en de landing wordt mogelijk. Op breede platboomde

vrachtschuiten wordt de bagage opgestapeld; de eigenaars nemen er

bovenop plaats en staande roeien eenige stevige Koreanen ons tegen

de hooge golven naar wal.

Chemulpo heet in 't Chineesch Jinsen en is een brandnieuwe plaats. Toen

Korea nog in een dichten sluier van mysterieuse afzondering van de

buitenwereld was afgescheiden, bestond de plaats uit een twintigtal

visschershutten. De eenige voeling met het naburig Japan en China

had plaats door Fusan in 't Zuiden, en in 't Noorden over land over

de Yalu-rivier. Zeer geschikt is Chemulpo voor havenplaats niet, de

kust is modderig en ondiep; het verschil van 't tij zeer groot; door

zijn onbeschutte ligging is er veel deining. Toch is er veel drukte

en verkeer, een zeer gemengde menschenmassa bewoont het Europeesche

gedeelte. Handelskantoren, vlaggen van diverse nationaliteit, wapperend

van de consulaatsgebouwen, groote pakhuizen afgewisseld met villa's,

geven een levendig maar banaal aanzien aan 't plaatsje.

Nadat een groot aantal Koreaansche vrachtdragers, die zich

onderscheiden door hun forschen lichaamsbouw, onze bagage op houten

dragers hebben geladen en met hun vracht op den rug wegloopen alsof

die niets weegt, hebben wij ons vereenigd aan 't station van den trein

die ons naar Seoul, de hoofdstad van 't rijk, zal voeren. Tot onze

groote verwondering bemerken wij dat deze onlangs eerst voltooide

lijn wagons laat loopen, die aan alle eischen van comfort eigen aan

Amerikaansche treinen voldoen. Conducteur, stoker en controleur zijn

Japanners. De Japanners wisten zich meester te maken van de eerste

spoorweg-concessie in Korea. In anderhalf uur heeft deze trein ons

naar Seoul gebracht, door een heuvelachtige streek zonder geboomte

en waarvan de bodem uit roode klei bestaat.

Er is maar één hotel te Seoul. 't Heet Station Hotel, wordt door

Engelschen gehouden, is zeer primitief van bouw en inrichting, maar

men behoeft er de nationale onzindelijkheid niet te vreezen.

We hebben door toedoen van den Duitschen consul een Koreaanschen

gids gevonden, die al spoedig in zijn krakend wit graslinnen gewaad

glimlachend maar plechtig komt opdagen. Hij stelt zich voor als

Mr. Pak-ki-ho en spreekt vrij goed Engelsch.

Voorts vonden wij hier een Chineeschen bediende, dien de Hollandsche

consul te Tientsin op ons verzoek hierheen had gestuurd, ten einde ons

op de reis door Korea en China te vergezellen. Chang, zoo heette hij,

maakte een even gunstigen indruk als de gids; reeds bij den eersten

oogopslag bespeurt men dat hij in zoover geen nationaal karakter

draagt dat zijn oogen geen spleetjes zijn, dat zijn staart geen grauw

vettig spoor op zijn blauw katoenen japon achterlaat, en dat hij vlug

in zijn bewegingen is.

Chang is ons op deze reis steeds van veel nut geweest. Wel verstond

hij geen Koreaansch, maar hij kon zich toch altijd verstaanbaar maken

door de Chineesche letterteekens neer te schrijven, die eveneens door

de Koreanen gebruikt worden, al is de klank geheel verschillend.

Begeleid door den gids hebben we ons op weg begeven om de

merkwaardigheden van Seoul te gaan zien. 't Vervoermiddel is de

Japansche riksha, die over de zee zijn weg naar Seoul heeft gevonden,

maar waarvan het gebruik beperkt blijft tot de vreemdelingen.

Onze eerste gang was naar den Duitschen consul, ten einde de geschreven

toegangsbewijzen tot de Keizerlijke paleizen te verkrijgen. Toen deed

zich een kleine moeilijkheid voor. Onze nationaliteit scheen geheel

onbekend te zijn in Seoul. Er is noch consulaat noch vertegenwoordiger,

en vergeefs zoekt men de Nederlandsche driekleur. Nederland bestaat

niet voor de Koreanen. Vervlogen zijn de tijden waarop de dappere

zeevaarders den aardbol doorkruisten naar alle richtingen; de namen

van Hendrik Hamel en zijn kameraden zijn klanken die verstierven

in den loop der tijden. Geen Nederlandsch onderdaan toeft in Korea,

't is alles in 't verre verleden.

De Duitsche consul heeft ons toen maar tijdelijk van nationaliteit

laten veranderen en ons den steun van de Duitsche vlag aangeboden;

op die voorwaarde kregen wij de toegangsbewijzen.

Een wandeling door de straten van Seoul behoort wel tot de

voornaamste der bezienswaardigheden want hier ziet men het volk in

zijn eigenaardige kleeding en in zijn levenswijze.

Liefhebbers en onderzoekers van ethnografische eigenaardigheden zouden

zich kunnen verdiepen in de oplossing der vraag: "Waarom dragen de

Koreanen wit katoenen kleeren?"

Wit katoen in den zomer, wit katoen met watten gevoerd in de

buitengewoon strenge winterkou, wit katoen te midden van een bij

uitstek onzindelijke omgeving, wit katoen, een kostbare dracht voor

een volk, waar welgesteldheid even zeldzaam is als energie.

Een Engelsch schrijver zegt te meenen dat de Koreanen vasthouden aan

't dragen van witte kleeren ten einde bezigheid te verschaffen aan

de vrouwen en meisjes, wier plicht 't is, de garderobe van hun heer

en meester in de gewenschte tint te houden.

Onophoudelijk klinkt uit de woningen 't geklop van de houten hamers

waarmede zij 't wit katoen bewerken, ten einde het te reinigen en er

een zekeren glans aan te geven, die een kenmerk van chique voor den

drager is.

De kleeding bestaat uit een tot op de enkels afhangende wijde pofbroek,

daarover een lang gewaad met mouwen die van onder zoo wijd uitloopen,

dat men aan weerszijden een diepe split heeft; dikke gewatteerde

wit katoenen kousen en chineesche schoenen op bijzonder dikke zachte

zolen voltooien deze mannenkleedij.

Merkwaardig is 't dat de kleederen niet genaaid worden, maar

telkenmale, na gewasschen te zijn, met stijfsel op de naden in elkaar

worden gezet.

De aristocraat of Nyang-pan, alsook de beambte, draagt hierover een

overkleed van donkerblauw gaas (zonder mouwen); op de borst draagt hij

het teeken van zijn waardigheid, een vierkant lapje waarop een vogel

of een tijger geborduurd is, al naar zijn rang; een koord wordt om 't

lijf onder de armen bevestigd. Jongens, voor zoover zij den leeftijd

van 14 jaar niet bereikt hebben, ziet men gewoonlijk voor meisjes

aan. Over hun witte kleedij dragen zij een lange japon van lichtrose

katoen, het haar wordt van voren in een scheiding, van achter in een

op den rug hangende vlecht gedragen.

Op hun tiende of twaalfde jaar verloven zij zich, d. i. zij volgen

gehoorzaam den wil hunner ouders, die een meisje voor hen uitkiezen

zonder rekening te houden met genegenheid. Deze verlovingen duren

meestal eenige jaren, gedurende welke de jongeling met zijn rose

japon moet blijven rondloopen: 't haar wordt dan echter in een

wrong op het achterhoofd bevestigd; een breede hoed van wit stroo,

met hoogen smallen bol en breeden slappen rand wordt, achterover op

't hoofd gedragen, onder de kin met linten en een strik bevestigd. En

werkelijk, aldus uitgedost zou men met een gerust geweten kunnen

verklaren een lief meisjesfiguurtje voor zich te hebben.

Op hun 14de jaar treden zij in 't huwelijk. De witte hoed wordt

vervangen door een zwarte dito vorm van gevlochten paardenhaar:

een breede band van dezelfde grondstof omsluit voor- en achterhoofd,

de hoed rust op dien band.

De kleeding der vrouwen is minder sierlijk. Zij dragen dezelfde

wijde broek en gewatteerde kousen, verder een heel kort jakje, dat ik

't best vergelijken kan bij een bolero-jakje. Aan een breeden band

hangt een wijde rok in zware plooien; tusschen dien band en 't jakje

blijft de borst zichtbaar. Het haar wordt in een gladde scheiding en

in een wrong gedragen.

Vrouwen uit den gegoeden stand slaan een langen groenen mantel met

valsche mouwen over 't hoofd, zoodat het gelaat gedeeltelijk bedekt is.

Hoewel in Korea het aantal der mannen dat der vrouwen overtreft,

worden de vrouwen weinig in eere gehouden. Men ziet ze zelden,

want zij missen de vrijheid van zich te bewegen die de Japansche

vrouw geniet. Alleen 's avonds komen zij uit 't vrouwenverblijf,

dat een afzonderlijk deel der woning uitmaakt, en dan nog hebben zij

't gelaat bedekt. Natuurlijk geldt deze regel sterker voor de meer

gegoede burgervrouwen en de aristocratische dames.

Meisjes worden in strenge afzondering opgevoed, zoodra zij den leeftijd

zijn ontgroeid waarop zij met de kleine jongens in de modderpoelen

en op de straten spelen en heel weinig of geen kleeren dragen.

Van hun achtste jaar tot den dag van hun huwelijk slijten zij hun

leven meest binnenshuis. Zelden bezoeken zij scholen, maar zij krijgen

onderwijs in naaldwerk en in huishoudelijken arbeid.

Men kan de Koreaansche vrouw niet schoon, zelfs niet knap van

uiterlijk noemen.

De mannen daarentegen zijn in dat opzicht gunstiger bedeeld,

zij hebben fraaie ovale gezichten, geregelde trekken, sprekende,

verstandige oogen; het geheel maakt een beschaafden indruk.

Eigenaardig verschijnsel; bij hun naburen is het juist andersom,

daar is geen grooter verschil denkbaar dan tusschen een Japanner en

een bekoorlijke Japansche.

Meer nog dan de kleeding trekt het hoofddeksel onze aandacht. Daar

is geen land ter wereld waar de hoed zulk een belangrijke rol speelt

dan in Korea. Hoe rijk aan phantasie moeten de Koreanen reeds van

oudsher geweest zijn om zulk een verscheidenheid van hoofddeksels

uit te denken!

Al de grillige vormen die vrouw Mode Europeesche vrouwen voorschreef,

men vindt ze in Korea, en al is 't een voorrecht van de mannen om

die hoeden te dragen (de Koreaansche vrouw heeft geen hoofddeksel),

vrouw Mode heerscht er niet minder streng, al is ze uiterst

conservatief. Voor elken rang, voor iedere betrekking, voor elke

periode van 't leven is een afzonderlijke vorm voorgeschreven.

De mapu's of marskramers, die een afzonderlijk gild vormen en veel

macht uitoefenen, dragen een breeden hoed van lichtgeel stroo, aan

weerszijden versierd met een reusachtige pompon van witte wol.

Oude mannen ziet men met een muts van wit katoen, die in vorm overeen

komt met de kwartiermuts onzer soldaten.

Den rouwdragende kan men terstond herkennen aan zijn hoed. Deze heeft

den vorm van een reusachtige champignon, is van geel stroo en bedekt

bijna geheel en al 't gelaat.

De man draagt een soort pij van grof grijs linnen, met een koord om

't middel bevestigd. In de hand houdt hij een schermpje van linnen op

twee latjes gespannen, hetwelk hij voor den mond moet houden telkens

wanneer hij iemand ontmoet. Monniken dragen een rieten hoed met

achthoekigen rand en puntige bol, nonnen een lang peperhuisvormig

voorwerp van riet. De postbode, die thans de europeesche uniform

draagt, heeft nog zijn nationaal hoofddeksel behouden en maakt daardoor

een allergrappigsten indruk. Hij geeft wat zijn hoed aangaat een

getrouwe copie weer van August den Domme; zijn rond vilten hoedje

met smallen rand hangt heel losjes achterover op één oor, alsof hij

er juist kunsten mee gaat uithalen.

Hoe hooger de rang en betrekking zijn, des te sierlijker en bonter

worden de hoeden. Z. Majesteits lakeien dragen den hoed eveneens

heel losjes op één oor, en als men nagaat dat die van wit stroo is,

versierd met een enorme bos kunstbloemen in schelle, onnatuurlijke

kleuren, dan kan men zich voorstellen welk een vreemde vertooning

zulk een dienaar maakt.

Hoogere beambten dragen denzelfden vorm, maar de versiering bestaat

uit gekleurde struisveeren, en in plaats van linten bevestigt een

snoer van reusachtige, amberkleurige steenen dezen hoed onder de kin.

De Gouverneur van een provincie torst een mijter van verguld

bordpapier, ministers doen denken aan een Doge wat betreft hun

hoofdbedekking. Z. M. de Keizer en degenen die hem verwant zijn dragen

een constructie van gaas in den vorm van een kalotje, aan weerszijden

waarvan een langwerpige vlerk van gaas is aangebracht.

De candidaat voor een staatsexamen eindelijk kiest een combinatie

van ijzerdraad in cirkelvorm, waaraan rosetten van gekleurde zijde

zijn bevestigd, welke cirkels als de voelhorens van een sprinkhaan

uitsteken.

En als men dan ziet hoe al die patriarchale gestalten met een

voorname ernst op 't gelaat voorbijtrekken, in 't volle bewustzijn

van hun waardigheid, dan wordt men des te meer getroffen door

't tragisch-comische van de vertooning; maar tegelijkertijd bevangt

iemand toch een gevoel van ontzag tegenover de macht der traditie,

tegenover die menschen, die met zooveel naïve overtuiging hun

potsierlijke hoofddeksels in eere houden, omdat hun voorouders die

droegen en omdat het de dracht van hun land is.

Er zijn in Seoul drie hoofdstraten waaraan de paleizen zijn

gelegen. Deze straten, die ongeveer 60 meter breed zijn, vertoonen

een poging tot rioleering in den vorm van goten waarin varkens,

honden en kleine kinderen elkaar 't verblijf betwisten.

Deze hoofdstraten loopen uit op de paleizen en op den tempel van

Confucius aan de noordzijde der stad; een andere belangrijke straat

begint bij de zuidoostelijke poort, vormt een boog en sluit zich bij

den hoofdweg aan.

Het overige is een doolhof van straten en steegjes van allerlei

soort, rechtstreeks of door bruggetjes zonder leuning verbonden,

die over beekjes, kanaaltjes en slooten zijn gelegd. Naar gelang van

't jaargetijde zijn deze droog of treden buiten de oevers.

Door Seoul loopt ook, van 't Westen naar 't Oosten, een groot

hoofdkanaal dat naar de rivier de Hankiang al 't water geleidt van

de kleine riviertjes die van de bergen komen.

De hoofdstraten en groote wegen zijn hier evenals te Peking ingericht

tot permanente markt. Ze staan zoo vol stalletjes (meest van hout

met strooien dak), gaarkeukens en uitstallingen, dat er juist genoeg

ruimte overblijft voor twee personen naast elkaar.

Slechts als de Keizer in gala de stad doortrekt, ten einde op bepaalde

dagen van 't jaar een graf of tempel te bezoeken, worden zij opgeruimd,

maar onmiddellijk daarna weer opgezet.

De hoofdstad is in vele wijken verdeeld, waarbij de oude en de

nieuwe keizerlijke paleizen, die geheel met muren zijn omringd en

een groote uitgestrektheid beslaan, een afzonderlijke stad in de stad

vormen. Verder is er een wijk voor de aristocratie, een Japansche en

een Chineesche wijk; de buitenlandsche gezantschappen hebben zich voor

't meerendeel in een wijk dicht bij 't paleis vereenigd.

De fabrikanten en handelaren sluiten zich meestal vaksgewijze aaneen;

men heeft een straat der wevers, der timmerlieden, meubelmakers,

aardewerkfabrikanten, alsook de winkelstraten waar zijde, katoen,

papier, bontwerken en ginseng [1] onder de voornaamste handelsartikelen

gerekend kunnen worden.

Voertuigen zijn er in Seoul niet, behalve enkele karren, die evenals

de riksha's in gebruik zijn gekomen toen de Europeanen zich in Seoul

vestigden. Enorme ossen doen daarvoor dienst. Die prachtige dieren,

die goed onderhouden, bijzonder forsch van gestalte en zeer mak

zijn, torsen omvangrijke vrachten en stappen deftig achter elkaar

voort tusschen de dicht opeengepakte menigte op de markt. Meestal

vervoeren zij takkebossen, en dan is hun vracht zoo groot dat men

't dier zelf ternauwernood ontdekt. Verder doen paardjes en ezeltjes

dienst als lastdragers.

De paardjes maken een treurig figuur. Ze lijken wel dwergpaardjes zoo

klein en tenger zijn ze; men kan zien dat er voor hen geen spoor van

verzorging bestaat, hun vel is ruw en haveloos, de manen zijn ruig

en vuil; bijna zonder uitzondering zijn zij kreupel of gewond.

Toch schijnen zij nog den noodigen levenslust te bezitten, want 't

meerendeel draagt een muilkorf van riet, en zoo er kans toe bestaat

bijten en schoppen zij elkaar dat 't een lust is om te zien.

Daar de Koreanen bij uitstek slechte ruiters zijn en 't paard steeds

door eenige voetgangers vergezeld is, draaft of galoppeert het hoogst

zelden. In stap kan het echter met een zware vracht verre afstanden

afleggen zonder een spoor van vermoeidheid te vertoonen.

Op de wijze waarop een Koreaan zijn paard verzorgt, zouden wij

Europeanen zeker heel wat aan te merken hebben, want ik geloof niet

dat een Europeesch paard het zich rustig zou laten welgevallen dat

men hem op zijn rug legde en de vier beenen vastbond, als hij beslagen

moet worden.

Evenmin geloof ik dat een westersch rosinant een bak met dampende

gekookte boonen en gehakt stroo als dagelijksch voedsel zou

waardeeren. Een en ander is gewoonte.

Eerst onlangs is de electrische tram het aantal vervoermiddelen

in Seoul komen vermeerderen en tegelijkertijd wordt de stad met

electrische lampen verlicht. 't Is een hoogst eigenaardig gezicht

die electriciteit als licht en beweegkracht in die eeuwenoude stad

met zijn lage hutten en modderpoelen, en nog eigenaardiger is 't, de

patriarchale gestalten recht op te zien zitten in de heldere nieuwe

wagons. Door 't aanleggen van de tram is gebroken met het oude gebruik

van 't sluiten der stadspoorten bij zonsondergang, terwijl de sleutels

op 't Paleis werden bewaard. Thans rijdt er de tram tot laat in den

avond doorheen, en verder blijven ze open.

Mr. Pak-ki-ho heeft ons gebracht naar 't eenig product op 't gebied van

beeldhouwkunst. 't Is een wit marmeren pagode, die door den invloed

van den tijd een grauwgrijze tint heeft aangenomen en wier ouderdom

op 800 jaar wordt geschat.

Die pagode bestaat uit acht verdiepingen, die den boeddhistischen

hemel voorstellen en de opeenvolgende verhuizingen die de ziel

moet doorloopen, voor zij haar geheele zuiverheid heeft bereikt. Dit

kunstwerk van indo-koreaanschen bouwstijl werd 300 jaar geleden tijdens

een van de invallen van 't Japansche leger door de Japanners vernield,

de top is afgebroken en ligt er naast.

Rondom deze pagode bevinden zich eenige gedenksteenen in den vorm

van een reuzenschildpad van steen, die op zijn rug een langwerpigen

rechtopstaanden steen draagt. Op dezen steen zijn namen en titels

van den overledene gebeiteld (zonder dat die op deze plek begraven

ligt). Dikwijls ook wordt een heldenfeit, een belangrijke overwinning

of een gewichtige gebeurtenis aldus aan de vergetelheid ontrukt.

Even buiten de stadspoort vindt men een dergelijke schildpad opgericht

als gedenkteeken aan de erkenning van de suzereiniteit van den

Manschoe-vorst, toen deze, na den laatsten telg der Ming-dynastie

van den Chineeschen troon te hebben gestooten, zich evenals zijn

voorganger van Korea's schatplichtigheid overtuigde door gezanten

naar Seoul te zenden.

In 't noordoosten van Seoul heeft men voor Confucius een tempel

opgericht. Hoewel deze de vergelijking met een Japanschen

tempel moeilijk zou kunnen doorstaan, behoort hij mede tot de

bezienswaardigheden der hoofdstad.

Bijzonder van vorm is de poort voor het tempelgebouw, waarop van boven

tal van roode pijlen zijn aangebracht, waaraan de poort dan ook zijn

naam ontleent.

Het bovengenoemde, benevens een monsterachtig, meer dan levensgroot

beeld van Boeddha, in witte verf aangebracht op een reusachtig rotsblok

buiten Seoul, behoort tot de merkwaardigheden die in 't bereik van

een gewoon toerist vallen.

Maar 't toeval is ons gunstig geweest in dit opzicht. Op een morgen

door nauwe steegjes rijdend, waar onze riksha's door een oploop

van menschen tot staan werden gebracht, bemerkten wij dat er iets

bijzonders gaande was.

Al die nieuwsgierigen verdrongen zich voor een poort, waar een

schildwacht in Europeesch kostuum, 't geweer in den arm, op post

stond. Mr. Pak-ki-ho, geïnterpelleerd, vertelt dat heden oefening

wordt gehouden in de keizerlijke dansacademie door alle danseressen

uit 't land, want dat er over twee maanden een luisterrijk feest ten

paleize zal plaats hebben. Hij zegt dat die gelegenheid niet voor geld

te zien is, dat er ook geen sprake kan zijn van doordringen om toegang

te krijgen, want dat Zijn Excellentie de Minister van Binnenlandsche

Zaken in persoon aanwezig is.

De schildwacht heeft zich bij 't zien van 't Europeesche gezelschap

schrap gezet. Gedurende de beraadslaging gaat hij midden in de poort

staan met een beslisten trek op zijn gelaat; hij houdt zijn geweer

horizontaal voor zich uit, alsof hij daarmede te kennen wil geven

dat een onoverkomelijke slagboom den toegang verspert.

Na lang praten schijnt Mr. Pak-ki-ho op een verstandigen inval te zijn

gekomen. Hij vraagt naar de positie van de heeren van ons gezelschap;

die van den jongen Duitschen handelsman maakt weinig indruk op hem,

maar bij 't vernemen van den rang der beide officieren klaart zijn

gezicht op. Hij beweert dat Zijne Majesteit de Keizer en 't geheele

hof veel eerbied hebben voor alles wat militair is, vraagt hun

visitekaartjes, voert een levendig gesprek met den schildwacht en

ziet!... de man glimlacht, zet zijn geweer in een hoekje en verdwijnt

met de kaartjes.

't Duurt weer een heelen tijd eer hij terugkeert, maar al spoedig

bemerken wij dat de beraadslaging goede resultaten meebrengt. Na

een plechtige buiging voor den gids en eenige woorden, maakt hij met

zijn hand een uitnoodigend gebaar om binnen te treden. Dan vat hij

zijn geweer op, trekt zijn gelaat in een ernstige plooi, presenteert

't geweer en blijft zoo staan totdat wij hem allen voorbij zijn gegaan.

Terwijl wij een ruime binnenplaats over wandelen vertelt Mr. Pak-ki-ho

dat het Zijne Excellentie behaagd heeft de Duitsche officieren met hun

gevolg (dat zijn wij) uit te noodigen tot het bijwonen der oefening.

Aan den ingang van een langwerpig gebouw zonder verdieping staan

een menigte hofbeambten in krakende, licht gekleurde zijden gewaden;

plechtig buigend geleiden zij ons naar binnen en daar bevinden wij

ons in tegenwoordigheid van den minister in persoon. Hij lijkt ons

een man van 50 jaren, met een deftig, eerwaardig uiterlijk en kalme

gedistingeerde manieren.

't Voorafgaand ceremonieel bestaat uit een paar buigingen, waarna wij

beurtelings door den gids worden voorgesteld. Opmerkelijk was 't dat

men hier, evenals elders in 't Oosten, den heeren den voorrang gaf.

Toen hield de Hauptmann een duitsche speech, die in 't Engelsch aan

den gids werd overgebracht en door dezen in 't Koreaansch den minister

bereikte. Hij had dien glimlachend plechtig met 't hoofd knikkend

aangehoord en antwoordde toen met plechtig uitgesproken zinnen en

breed handgebaar.

Langs denzelfden weg bereikte ons dit antwoord; nog een paar buigingen,

een levendig gebarenspel als uitnoodiging om te gaan zitten, en

eindelijk konden wij onze omgeving opnemen terwijl de gestoorde dans

hervat wordt.

De danseressen of kissangs zijn onafscheidelijk verbonden aan een

Koreaansch feest. Zij vormen een afzonderlijke, zij 't dan ook niet

bijzonder geziene klasse in Korea, behooren aan den Keizer, staan

onder toezicht van de muziek-afdeeling van 't keizerlijk huis en

worden uit de staatskas onderhouden.

Evenals het meermalen gebeurt dat een vader die met meer kinderen

gezegend is dan zijn middelen kunnen onderhouden, een zijner zoons

tot eunuch bestemt, in welke betrekking hem allerlei onderscheidingen

wachten, want de invloed der eunuchen is zeer groot aan 't hof,

evenzoo komt het voor dat hij een zijner dochters voor 't vak van

kissang bestemt.

Die meisjes worden reeds van kindsbeen af opgeleid voor hun

beroep. Zij ontvangen onderwijs in muziek, lezen, schrijven en

vrouwelijke handwerken.

Daar zulke meisjes goed onderricht zijn, aangenaam kunnen converseeren,

veelal zelfs geestig en onderhoudend zijn, daarenboven in hun omgang

met mannen vrij en ongedwongen, wordt hun gezelschap zeer gezocht en

bewegen zij zich in de hoogste kringen.

In 't geheel zijn er ongeveer vijftig kissangs die door den staat

onderhouden worden; die van Pyen-Yang, de noordelijke hoofdstad der

provincie, heeten de schoonste te zijn; wel bestaan er op kleinere

plaatsen gezelschappen van particuliere kissangs, maar hun aantal is

niet groot en zij zijn minder gezien.

De staatsdanseressen onderhouden bij alle hoffeesten en officieele

feestmaaltijden de gasten door gezang en dans.

Deze meisjes zijn meestal knap van uiterlijk, sommige zelfs zeer

schoon, 't geen men in 't algemeen niet zeggen kan van de vrouwen

in Korea.

't Gebeurt dan ook dikwijls dat de een of andere beambte zijn hart

aan een kissang verliest. De wet verbiedt evenwel 't huwelijk met een

danseres, zoodat zij slechts als bijvrouw naast de wettige vrouw een

plaats kan innemen. Natuurlijk is de rechtmatige echtgenoote daarover

niet zeer gesticht en komt het wel eens tot minder harmonische

botsingen tusschen beide vrouwen.

Reisherinneringen uit Korea en China De Aarde en haar Volken, 1904 · 第 1 / 4 段