»Hoofden en krijgslieden der Comanchen, en gij, blanke jagers, mijne

broeders,” zeide hij met eene zachte en treurige stem, »de woorden van

den eerwaardigen sachem zijn billijk; ongelukkig vordert de veiligheid

der prairiën den dood der gevangenen. Dit uiterste is vreeselijk, maar

wij zijn verplicht er ons aan te onderwerpen, zoo wij in vrede de

vruchten van onzen ruwen arbeid plukken willen. Maar zoo wij ons al

genoodzaakt zien, om de onveranderlijke wet der woestijn toe te passen,

zoo laten we niet als barbaren te werk gaan, straffen wij omdat het

moet, maar straffen wij als edele menschen, niet als wreedaards. Toonen

wij aan deze bandieten, dat wij gerechtigheid uitoefenen, dat, zoo wij

hen dooden, wij het niet doen om ons zelven, maar om de geheele

maatschappij te wreken. Bovendien, hun hoofdman, de schuldigste onder

hen, is gevallen onder de slagen van den Arendskop; laten wij

edelmoedig zijn, zonder op te houden rechtvaardig te wezen. Laten wij

aan hen de keuze van hunnen dood over. Geen nuttelooze foltering. De

Meester des levens zal ons toelachen, hij zal tevreden zijn over zijne

roode kinderen, en hun een goede jacht geven. Ik heb gezegd: heb ik wel

gesproken, machtige mannen?” [4]

De leden van den raad hadden aandachtig naar de woorden van den

jongeling geluisterd. De opperhoofden hadden welwillend geglimlacht om

de edele gevoelens die hij uitdrukte, want allen, Indianen zoowel als

jagers, beminden en eerbiedigden hem.

De Arendskop stond op.

»Mijn broeder Edelhart heeft goed gesproken,” zeide hij; »zijne jaren

zijn weinig in getal, maar zijne wijsheid is groot. Wij zijn blijde

eene gelegenheid gevonden te hebben, om hem onze vriendschap te

bewijzen; wij zullen die met geestdrift aangrijpen. Wij zullen doen,

wat hij verlangt.”

»Ik dank u,” antwoordde Edelhart aangedaan, »ik dank u, mijne broeders;

de natie der Comanchen is eene groote en edele natie; ik heb haar lief;

ik ben blijde door haar te zijn aangenomen.”

De raad werd opgeheven; de hoofden verlieten de hut.

De gevangenen, in een groep bijeen geplaatst, werden streng bewaakt

door eene afdeeling krijgslieden.

De roeper riep al de leden van den stam en de in het kamp verstrooide

jagers te zamen.

Toen allen vereenigd waren, nam de Arendskop het woord, en zich tot de

roovers wendende, zeide hij:

»Honden van bleekmuilen! de raad der hoofden van de machtige natie der

Comanchen, wier uitgestrekte jachtgronden een groot deel der aarde

bedekken, heeft over uw lot beslist. Doel uw best om, na als wilde

beesten geleefd te hebben, nu niet te sterven als oude en vreesachtige

vrouwen; weest dapper, misschien zal dan de Meester des levens

medelijden met u hebben en u na uwen dood opnemen in de eskennane, die

heerlijke woonplaats, waar in de eeuwigheid de dapperen mogen jagen,

die hier den dood in het aangezicht hebben gezien.”

»Wij zijn gereed,” antwoordde Frank koelbloedig, »bind ons aan den

paal, bedenk de gruwelijkste folteringen, gij zult ons niet zien

verbleeken.”

»Onze broeder Edelhart,” ging de hoofdman voort, »is voor u tusschen

beiden getreden. Gij zult niet aan den paal gebonden worden, de hoofden

laten aan u de keuze van uwen dood.”

Toen openbaarde zich de karaktertrek der blanken, die langen tijd in de

prairie gewoond en eindelijk de gewoonten hunner voorouders verzaakt

hebben, om die der Indianen over te nemen.

Het voorstel, door den Arendskop gedaan, prikkelde den hoogmoed der

roovers.

»Met welk recht,” riep Frank, »treedt Edelhart voor ons tusschen beide?

Denkt hij dan, dat wij geen mannen zijn? dat folteringen in staat

zullen zijn om ons ook maar éen angstkreet of ééne ons onwaardige

klacht te ontrukken? Neen, neen! men brenge ons naar den martelpaal;

welke pijn gij ons ook moogt aandoen, zij zal nooit zoo wreed zijn als

die, welke wij aan de krijgslieden van uwe natie zouden doen ondergaan,

als zij ons in handen vielen!”

Bij deze hooghartige woorden voelden de Indianen hun toorn opwekken,

terwijl de roovers vreugde- en zegekreten deden hooren.

»Honden! Konijnen!” riepen zij, »de Comanchen zijn oude vrouwen, wij

zullen hun rokken aandoen.”

Edelhart trad naar voren. De stilte werd hersteld.

»Gij hebt de woorden van den hoofdman verkeerd begrepen,” zeide hij;

»als wij u de keuze van uwen dood laten, dan doen wij dat niet om u te

beleedigen; het is een eerbewijs, dat men u geeft; hier is mijn dolk,

men zal u losmaken, hij ga van hand tot hand, en hij doorbore

achtereenvolgens uw aller borst! De man, die vrij, zonder aarzelen,

zich met één slag doodt, is dapperder dan hij, die, aan den martelpaal

gebonden en de pijn niet kunnende verdragen, zijn beul uitscheldt, ten

einde des te eerder den genadeslag te ontvangen.”

Met ontzaggelijke toejuiching werden deze woorden van den jager

beantwoord.

De roovers zagen elkander een oogenblik besluiteloos aan, maar toen,

als op een gegeven kommando, maakten zij het teeken des kruises, en

riepen als één man:

»Wij nemen uw aanbod aan!”

Die gansche menigte, een oogenblik te voren zoo bewegelijk en druk,

werd stil en kalm, onder den indruk van het vreeselijk treurspel, dat

voor haar zou worden gespeeld.

»Maakt de gevangenen los,” beval Edelhart.

Dit bevel werd onmiddellijk ten uitvoer gebracht.

»Uw dolk!” zeide Frank.

De jager gaf hem dien.

»Ik dank u en vaarwel,” zeide de roover met een vaste stem, en zijne

kleederen openende, stak hij zich den dolk langzaam en glimlachend, als

wilde hij den dood proeven, tot aan het heft in de borst.

Een bleeke loodkleur overdekte zijn gelaat, zijne oogen rolden in hunne

kassen, hij zag verward om zich heen, waggelde als een dronken mensch

en tuimelde op den grond. Hij was dood.

»Nu ik!” zeide de roover, die naast hem stond, en hem den dolk nog

rookend uit de wonde rukkend, doorboorde hij er zich het hart mede.

Hij viel op het lijk van den eerste.

Na hem kwam een ander, toen weêr een ander, en zoo vervolgens; geen

hunner aarzelde, geen hunner toonde eenige zwakheid; allen vielen

glimlachend en dankten Edelhart voor den dood, dien zij aan hem

verplicht waren.

De omstanders waren als versteend over dit vreeselijk schouwspel;

dronken als het ware door den reuk van het bloed, stonden zij daar met

gloeiende blikken, en met hijgende borst, zonder hunne oogen van het

afschuwelijk tooneel te kunnen afwenden.

Weldra bleef er nog slechts één roover overig, deze staarde een

oogenblik naar den lijkenstapel die voor hem lag, trok toen den dolk

uit de borst van zijn voorganger, en zeide met een glimlach:

»Men is wel gelukkig, als men in zulk een goed gezelschap mag sterven;

maar, waar duivel gaat men heen na den dood? Foei! wat ben ik dom,

weldra zal ik het immers weten?”

En snel als eene gedachte had hij zich doorboord.

Hij viel dood neder.

Deze vreeselijke slachting had geen kwartier uurs geduurd! [5]

Geen der roovers had tweemaal gestooten; allen hadden zich met één slag

gedood.

»Aan mij dien dolk!” zeide de Arendskop, terwijl hij hem rookend uit

het lillende lijk van den laatsten bandiet te voorschijn haalde, »het

is een goed wapen voor een krijgsman,” en hij hechtte hem koelbloedig

aan zijn gordel, na hem in het gras te hebben afgewischt.

De lijken der roovers werden gescalpeerd en buiten het kamp gebracht.

Men liet ze liggen voor de gieren en valken, wien zij een overvloedig

voedsel verschaften, en die, door den reuk van het bloed aangetrokken,

reeds boven hen ronddwarrelden, onder het uitstooten van akelige

vreugdekreten.

De geduchte bende van kapitein Ouaktehno was vernietigd.

Ongelukkig waren er nog anderen in de prairiën.

Na de terdoodbrenging traden de Indianen zorgeloos hunne hutten wederom

binnen; voor hen was het slechts een van die tooneelen geweest, waaraan

zij sedert langen tijd gewoon waren, en die het vermogen niet meer

bezaten om hun zenuwgestel te vermurwen.

De jagers integendeel, ondanks het ruwe leven, dat zij leidden, en

niettegenstaande ook zij zeer gewoon zijn om het bloed van anderen te

zien storten of zelven het te vergieten, verstrooiden zich, bedrukt en

met beklemde harten over deze afschuwelijke slachting.

Edelhart en de generaal begaven zich naar de grot.

De dames, die zich steeds in het onderaardsch gewelf bevonden, wisten

niets van het vreeselijk tooneel, dat er had plaats gehad, noch van het

bloedig zoenoffer, dat zooeven aan de gerechtigheid der prairiën was

gebracht.

XV.

DE VERGIFFENIS.

Het wederzien van den generaal en zijne nicht was zeer treffend.

De oude, zwaar beproefde soldaat was blijde het onschuldige kind in

zijne armen te kunnen drukken, dat zijn eenige bloedverwant was, en als

door een wonder aan de rampen, waaraan het had bloot gestaan, was

ontsnapt.

Langen tijd zaten zij in zoet gekeuvel verdiept, alles om zich heen

vergetende, de generaal deed onderzoek naar hare levenswijze gedurende

den tijd zijner gevangenschap, en het meisje ondervroeg hem over de

gevaren, die hij was doorgeworsteld, en de slechte behandeling, die hij

had ondergaan.

»En nu, oom,” vroeg zij eindelijk, »wat is nu uw plan?”

»Helaas, mijn kind,” antwoordde hij, een zucht onderdrukkende, »wij

moeten onverwijld deze vreeselijke gewesten verlaten en naar Mexico

terugkeeren.”

Het meisje voelde zich treurig aangedaan, ofschoon zij zelve de

noodzakelijkheid van een spoedigen terugkeer inzag. Maar vertrekken,

was hem te verlaten, dien zij liefhad! van hem te scheiden, zonder dat

er eenige mogelijkheid overbleef om hem weder te zien;—scheiden! van

dien man, wiens bewonderenswaardig karakter zij hoe langer hoe meer had

leeren waardeeren, en die nu onmisbaar geworden was voor haar leven en

voor haar geluk.

»Wat schort u, mijn kind? gij zijt treurig, uwe oogen zijn vol tranen,”

vroeg haar oom, haar met warmte de hand drukkend.

»Helaas! oom,” antwoordde zij klagend, »hoe zou ik niet treurig zijn,

na alles wat er in de laatste dagen gebeurd is? mijn hart is gebroken.”

»Dat is zoo; de gebeurtenissen waarvan wij de getuigen en de

slachtoffers geweest zijn, zijn meer dan voldoende, om u treurig te

maken; maar gij zijt nog jong, mijn kind, binnen eenigen tijd zullen

deze gebeurtenissen in uw hart geen ander spoor meer achterlaten als de

herinnering aan feiten, die gij, Gode zij dank! voor het vervolg niet

meer zult te vreezen hebben.”

»Wij vertrekken dus weldra?”

»Morgen, als het kan; wat zou ik hier langer doen? de hemel zelf

verklaart zich tegen mij, daar hij mij verplicht af te zien van die

onderneming, wier goede uitslag het geluk van mijn ouden dag zou

geweest zijn: maar God wil niet, dat ik vertroost worde; Zijn wil

geschiede,” zeide hij met onderwerping.

»Wat bedoelt gij, oom?” vroeg het meisje met geestdrift.

»Niets, dat u heden belang kan inboezemen, mijn kind; het is beter, dat

gij het niet weet, en dat ik alleen lijde; ik ben oud, ik ben er aan

gewoon,” zeide hij droefgeestig.

»Arme oom!”

»Ik dank u voor de vriendschap, die gij voor mij koestert, mijn kind,

maar laten wij van dat treurig onderwerp afstappen; spreken wij, zoo

gij wilt, liever een weinig van die brave lieden, waaraan wij zooveel

verplichting hebben.”

»Van Edelhart?” prevelde doña Luz blozend.

»Ja,” antwoordde de generaal, »van Edelhart en van zijne moeder, die

waardige vrouw, die ik nog niet heb kunnen bedanken, ten gevolge van de

wond van dien armen Goedsmoeds, en aan wie gij het verschuldigd zijt,

dat u hier niets ontbroken heeft.”

»Zij heeft voor mij gezorgd als eene teedere moeder!”

»Hoe zal ik ooit mijn schuld aan haar en aan haren edelen zoon kunnen

betalen? Zij is gelukkig, in het bezit van zulk een kind; helaas! die

vreugde is mij niet gegeven, ik ben alleen!” zeide de generaal, terwijl

hij zijn hoofd in zijne handen liet zinken.

»En ik dan,” zeide het meisje vleiend.

»O, gij,” antwoordde hij, haar teeder omhelzende, »gij zijt mijne lieve

dochter, maar ik heb geen zoon!”

»Dat is waar!” prevelde zij peinzend.

»Edelhart,” hernam de generaal, »heeft een veel te zonderling karakter,

om iets van mij aan te nemen. Wat zal ik doen? Hoe zal ik mijne schuld

aan hem kunnen betalen? Hoe hem de gewichtige diensten, die hij mij

bewezen heeft, naar behooren vergelden?”

Er volgde een oogenblik van stilte.

Doña Luz naderde den generaal, kuste hem op het voorhoofd, verborg haar

gelaat aan zijn schouder, en zeide met eene van aandoening bevende

stem:

»Oom, daar valt mij eene gedachte in!”

»Spreek, mijne lieve,” antwoordde hij, »spreek onbeschroomd, het is God

wellicht, die haar u ingeeft.”

»Gij hebt geen zoon, aan wien gij uw naam en uw fortuin nalaten kunt,

is het niet, oom?”

»Helaas!” prevelde hij, »ik heb een oogenblik gemeend er een te zullen

terugvinden; maar die hoop is voor altijd verdwenen; gij weet het,

kindlief, ik ben alleen!”

»Edelhart noch zijne moeder, zullen iets van u willen aannemen.”

»Neen.”

»Toch geloof ik, dat er een middel is om hen te verplichten, hen te

dwingen zelfs.”

»En dat middel is?” zeide hij.

»Oom, daar gij het zoo betreurt geen zoon te hebben, aan wien gij uw

naam kunt nalaten, waarom zoudt gij Edelhart niet als uw zoon

aannemen?”

De generaal zag haar aan, een hoog rood kleurde hare wangen en zij

beefde van top tot teen.

»O, kindlief,” zeide hij, haar teeder omhelzende, »uw plan is

verrukkelijk, maar het is onuitvoerbaar; ik zou gelukkig en trotsch

zijn met een zoon als Edelhart; gij zelve hebt het gezegd, zijne moeder

aanbidt hem, zij zal jaloersch op hem zijn, nooit zal zij er in

toestemmen om hem met een vreemde te deelen.”

»Misschien!” prevelde zij.

»En dan nog,” ging de generaal voort, »zelfs als zijne moeder, wat ik

onmogelijk acht, uit liefde voor hem, en ten einde hem eene plaats in

de maatschappij te bezorgen, mijn voorstel aannam, dan nog zelfs zou

hij het weigeren; of gelooft gij, lieve, dat die man, opgevoed in de

woestijn, die zijn geheele leven heeft doorgebracht in onvoorziene en

aangrijpende gebeurtenissen, te midden van een verhevene natuur, er in

zal toestemmen, om voor een weinig goud, dat hij veracht en voor een

naam, die hem nutteloos is, af te zien van dat schoone, avontuurlijke

leven, zoo vol zoete en vreeselijke aandoeningen, dat voor hem een

behoefte geworden is? Neen, neen, hij zou in onze steden verkwijnen;

voor een verheven karakter als het zijne, zou onze beschaving doodelijk

zijn, vergeet dus dat denkbeeld, lief kind; helaas ik ben er van

overtuigd, hij zou het weigeren.”

»Wie weet,” zeide zij, het hoofd schuddende.

»God is mijn getuige,” hernam de generaal met nadruk, »dat ik blijde

zou zijn, indien het gelukte, en dat dan al mijne wenschen verhoord

zouden zijn; maar waarom ons zelven met dwaze droomen misleid? hij zal

het weigeren, zeg ik u! en ik ben genoodzaakt er bij te voegen, hij zal

gelijk hebben, als hij het doet.”

»Neem er de proef van, oom!” antwoordde zij; »zoo uw voorstel verworpen

wordt, zult gij aan Edelhart ten minste bewezen hebben, dat gij geen

ondankbare zijt, en dat gij hem naar waarde hebt weten te schatten.”

»Gij wilt het dus?” zeide de generaal, die gaarne overtuigd wilde zijn.

»Ik bid er u om, oom,” zeide zij, hem omhelzende, om hare blijdschap en

haar blozen te verbergen; »ik weet niet waarom, maar het schijnt mij

toe, dat gij slagen zult.”

»Het zij dan zoo,” prevelde de generaal met een droevigen glimlach,

»verzoek Edelhart en zijne moeder om mij hier te komen bezoeken.”

»Binnen vijf minuten breng ik hen bij u,” riep zij vroolijk uit.

En huppelend als een gazelle, verdween het meisje en spoedde zich door

de kronkelingen van de grot.

Zoodra hij alleen was, verzonk de generaal in een ernstig nadenken.

Eenige minuten later stond Doña Luz met Edelhart en diens moeder voor

hem.

De generaal hief het hoofd op, groette de aankomenden met groote

beleefdheid, en gaf aan zijne nicht een teeken om zich te verwijderen.

Het meisje gehoorzaamde.

Het was in dat gedeelte van de grot slechts half dag, en alle

voorwerpen waren niet even sterk verlicht; door een vreemde gril

gedreven, had de moeder van Edelhart haar rebozo (sluier) zoo omgedaan,

dat deze haar gelaat bijna geheel en al bedekte. Hoe aandachtig hij

haar ook beschouwde, het mocht den generaal niet gelukken, hare

gelaatstrekken te zien.

»Gij hebt ons geroepen, generaal,” zeide Edelhart luchthartig; »gij

ziet, wij hebben ons gehaast, om aan uw verlangen te voldoen.”

»Verplicht voor die haast, mijn vriend,” antwoordde de generaal;

»ontvang eerst de uitdrukking mijner erkentenis voor de belangrijke

diensten, die gij mij bewezen hebt, en wat ik tot u zeg, mijn

vriend,—vergun mij u dien titel te geven,—betreft ook uwe goede en

voortreffelijke moeder, voor de teedere zorg, die zij aan mijne nicht

bewezen heeft.”

»Generaal,” antwoordde de jager bewogen, »ik dank u voor die

vriendelijke woorden, die ruimschoots opwegen tegen alles, wat gij aan

mij meent verschuldigd te zijn. Door u te hulp te komen, heb ik de

gelofte vervuld, die ik gedaan had, om nooit mijn naaste zonder hulp te

laten; geloof mij, ik verlang geene andere belooning dan uwe achting,

ik ben, voor het weinige dat ik gedaan heb, genoeg betaald door de

voldoening, die ik op dit oogenblik smaak.”

»Ik wilde toch zoo gaarne, vergun mij dat ik er op aandring, ik wilde

toch zoo gaarne u op een andere wijze beloonen.”

»Mij beloonen!” riep de vurige jongeling uit, tot over de ooren een

kleur krijgende.

»Laat mij uitspreken,” hernam de generaal levendig; »zoo het voorstel,

dat ik u daarna denk te doen, u mishaagt, welnu, dan zult gij daarop

antwoorden, even openhartig als ik mij nu zal verklaren.”

»Spreek, generaal, ik luister.”

»Mijn vriend, mijne reis in de prairiën had een heilig doel, dat ik

niet heb mogen bereiken! gij kent de oorzaak daarvan; de mannen, die

mij gevolgd waren, zijn aan mijne zijde gesneuveld. Bijna alléén

overgebleven, zie ik mij genoodzaakt een onderzoek op te geven, dat

ware het goed afgeloopen, het geluk zou hebben uitgemaakt van de

weinige levensdagen, die mij nog overblijven. God straft mij wreed. Ik

heb al mijne kinderen zien sterven; een enkele bleef mij misschien nog

over, maar dien heb ik, in een oogenblik van zinneloozen hoogmoed, van

mij weggejaagd; thans nu ik aan den eindpaal van mijn leven gekomen

ben, is mijn huis ledig, mijn haard verlaten. Ik ben alleen, helaas!

zonder betrekkingen, zonder vrienden, zonder een erfgenaam, aan wien

ik, niet mijn fortuin, maar mijn naam kan nalaten, dien een lange reeks

van voorouders mij zonder smet of vlek heeft overgeleverd. Wilt gij bij

mij de plaats innemen van dat huisgezin, dat mij ontbreekt? Edelhart,

wilt gij mijn zoon zijn?”

Onder het uitspreken dezer woorden was de generaal opgestaan, en had

hij de hand van den jongeling gegrepen, die hij hartelijk in de zijne

drukte, terwijl hem de tranen in de oogen stonden.

Bij dit onverwachte aanbod was de jager blijven staan, verbaasd,

bevend, niet wetende wat te moeten antwoorden.

Zijne moeder wierp driftig haar sluier naar achteren, en haar gelaat

vertoonende, dat van vreugde schitterde, en als het ware geheel van

uitdrukking veranderd was, plaatste zij zich tusschen de beide mannen,

legde hare hand op den schouder van den generaal, zag hem strak aan en

zeide met eene stem die van aandoening trilde:

»Eindelijk, don Ramon de Garillas, vraagt gij dan dien zoon terug, dien

gij sedert twintig jaren zoo wreed aan zijn lot hebt overgelaten.”

»Vrouw, wat bedoelt gij?” stotterde de generaal.

»Ik bedoel, don Ramon,” hernam zij op een majestueuzen toon, »dat ik

doña Jesusita, uwe vrouw, ben, en dat Edelhart uw zoon Rafaël is, dien

gij vervloekt hebt.”

»O!” riep de generaal terwijl hij op zijne knieën viel, en in tranen

scheen te baden: »vergeving, vergeving, mijn zoon.”

»Mijn vader!” riep Edelhart, zich in zijne armen werpende, en

trachtende hem op te richten, »wat doet gij?”

»Mijn zoon,” zeide de grijsaard, bijna waanzinnig van vreugde en smart,

»ik laat die houding niet varen, aleer gij mij vergeven hebt.”

»Sta op, don Ramon,” zeide doña Jesusita met een zachte stem; »sedert

langen tijd reeds woont er in het hart der moeder en in dat van den

zoon voor u geen ander gevoel dan dat van eerbied en liefde.”

»O,” riep de grijsaard, hen beurtelings omhelzende, »het is te veel

geluk, ik verdien niet zoo gelukkig te zijn na het wreede gedrag

waaraan ik mij heb schuldig gemaakt.”

»Mijn vader,” antwoordde de jager op edelen toon, »aan de straf, die

gij mij hebt opgelegd, heb ik het te danken, dat ik een eerlijk man

geworden ben; vergeet dan het verledene, dat niet meer is dan een

droom, en denk alleen aan de toekomst, die u tegenlacht.”

In dit oogenblik trad doña Luz beschroomd en verlegen te voorschijn.

Zoodra hij haar bemerkte, greep de generaal haar bij de hand, bracht

haar bij doña Jesusita, en zeide:

»Lieve nicht, gij kunt nu zonder schroom Edelhart beminnen, hij is

thans inderdaad mijn zoon. God heeft in zijne eindelooze goedheid

toegestaan, dat ik hem zou wedervinden op het oogenblik, dat ik aan

zulk een geluk wanhoopte.”

Het meisje slaakte een kreet van vreugde, en verborg haar gelaat

verlegen in den schoot van doña Jesusita, terwijl zij hare hand in die

van Rafaël liet, die aan hare voeten nederviel en haar in vervoering

kuste.

NASCHRIFT.

Vele jaren later bevond de schrijver van dit verhaal zich alleen op weg

van Mexico naar Hermosillo. Nog was hij na een reis van zeven en

vijftig dagen, slechts weinige mijlen van laatstgenoemde stad

verwijderd, toen de nacht hem overviel, en zoowel de vermoeidheid van

zijn paard en zijn eigene behoefte aan rust, als ook zijn onbekendheid

met de landstreek, waarin hij zich bevond, hem aanspoorden zich tot de

bewoners eener eenzame haciënda, wier licht hem van verre toescheen, te

wenden, en voor dien nacht hunne gastvrijheid in te roepen. Met de

meeste bereidwilligheid werd deze hem geschonken; en daaraan had hij te

danken de kennismaking met eene familie, die hem van het eerste

oogenblik zoodanig boeide, dat hij hun welgemeend aanbod om zijn

verblijf ten hunnent eenige dagen te rekken, met vreugde aannam.

Wat hem in dit huisgezin vooral aantrok, was niet zoozeer de goede

verstandhouding, waarin al de leden, ook de bedienden daaronder

gerekend, tot elkander stonden, noch hun patriarchale levenswijze, noch

de hartelijkheid, waarmede zij hem in hun midden opnamen, als wel de

vreemdsoortige bestanddeelen, waaruit het was samengesteld; en de

ernstige tint, die over het geheele huis en over hun geheele wijze van

doen gespreid lag.

Een bijna honderdjarige grijsaard, eene deftige oude dame van ten

naastebij tachtig; een krachtvol man van vijftig, met schitterende

oogen en sterk sprekende gelaatstrekken, eene vrouw, die, ofschoon haar

veertigste jaar voorbij, nog schoon mocht heeten, en vijf of zes

bekoorlijke kinderen, van verschillenden leeftijd, vormden het

eigenlijke huisgezin; op gelijken voet met dezen stonden, naar het

scheen, nog twee andere mannen, die naar hun uitzicht en naar hun

gewaad te oordeelen, eer in de prairiën van het verre westen dan in

zulk een rustig verblijf te huis behoorden, en bovendien, een Indiaan,

een Roodhuid, kennelijk uit den stam der Comanchen, die de lieveling

der kinderen was. Behalve dezen waren er een aantal bedienden van

verschillenden rang, die echter allen als leden des huisgezins werden

beschouwd en behandeld.

Het leven dier goede lieden evenwel was, naar het mij toescheen, niet

altijd zoo kalm en rustig geweest als thans; ik verbeeldde mij dat zij

eerst na vele en zware stormen in de haven van het huiselijk geluk

waren aangeland. Aller gelaat droeg dien stempel van edele waardigheid,

die slechts het gevolg kan zijn van groote doorgestane rampen, en de

rimpels op hun voorhoofd waren te diep om niet de sprekende getuigen te

zijn van een lang en bitter lijden.

Ik brandde van nieuwsgierigheid, om meer van hun vorigen levensloop te

vernemen; bescheidenheid alleen sloot mij den mond, die tot vragen

gereed was. Doch zoo doende verviel ik in een toestand van

afgetrokkenheid, die den gastheer niet ontging. Op zijn aandringen

bekende ik eindelijk, welke de reden was van mijn onbeleefde

stilzwijgendheid.

Wat hij mij toen verhaalde, lezer, behoef ik u niet weder te verhalen,

als ik u eenvoudig mededeel, dat de namen der mij omringende

hoofdpersonen waren: don Ramon Garillas de Savedra, doña Jesusita, don

Rafaël, doña Luz, Goedsmoeds, de Zwarte Eland en de Arendskop.

Ik beken het, die lotgevallen, verteld door hem, die er de hoofdrol in

had gespeeld, in tegenwoordigheid van zoovelen, die er aan hadden

deelgenomen, wekten mijne belangstelling in hooge mate op. Ik vatte

dadelijk het voornemen op daaraan door een geregelde mededeeling de

bekendheid te geven waarop zij aanspraak hebben. Hebben zij, onder

mijne hand aan belangrijkheid verloren, niet aan die lotgevallen, aan

mij alléén ligt de schuld, en misschien aan den lezer, die al te zeer

gewoon is aan het lezen van romans, om nog vatbaar te zijn voor den

diepen indruk, dien de werkelijkheid soms kan te weeg brengen.

De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika · 第 20 / 21 段