herstellen, dat ik door mijne achteloosheid heb veroorzaakt! Ik ben
geen soldaat, ik ben maar een arm geneesheer; ik heb van mijne wapenen
gebruik gemaakt; gij ziet dat zij soms even goed zijn als andere.”
»Zij zijn honderdmaal beter! Dokter, gij zijt een aanbiddenswaardig
man.”
»Kom dan, maken wij voort! laat ons geen tijd verliezen.”
»Ja, laat ons gaan! maar wat hebt gij met den kapitein gedaan?”
»De kapitein? de duivel moge weten, waar hij is. Hij heeft ons dezen
namiddag verlaten, zonder iemand iets te zeggen; maar ik vermoed waar
hij is, en als ik mij niet zeer bedrieg, zullen wij hem weldra zien.”
»Nu, alles gaat zoo goed als het maar kan, op weg!”
De drie mannen begaven zich op marsch. Ondanks al de door den dokter
genomen voorzorgen, waren de generaal en de neger niet volkomen gerust.
Zij kwamen aan de zaal, die den bandieten tot slaapplaats verstrekte;
deze lagen hier en daar verspreid. De vluchtelingen gingen hen voorbij.
Bij den ingang der grot komende, zagen zij op het oogenblik, dat zij
het vlot losmaakten, om de rivier over te steken, bij het bleeke licht
der maan een ander vlot, met ongeveer vijftien man beladen, langzaam op
hen afkomen. De weg was hun alzoo afgesneden. Hoe zouden zij aan zulk
een groot aantal vijanden weêrstand bieden?
»Helaas, helaas!” zuchtte de generaal wanhopig.
»O,” zeide de dokter op jammerenden toon, »het was zulk een goed plan,
en het had mij zooveel moeite en arbeid gekost!”
De vluchtelingen wierpen zich in eene hinderlaag van rotsen, ten einde
niet opgemerkt te worden, en met kloppende harten wachtten zij het
ontschepen der aankomelingen af, wier bewegingen hun hoe langer hoe
meer argwaan begonnen in te boezemen.
XIII.
DE WET DER PRAIRIËN.
Vóór den ingang van de door Edelhart bewoonde grot was een vrij groote
ruimte, waar men het gras, de planten en de boomen had uitgeroeid, en
die thans prijkte met honderd vijftig à twee honderd hutten. De geheele
stam der Comanchen lag op deze plaats gekampeerd.
Tusschen de pelsjagers en de jagers en krijgslieden der Roodhuiden
heerschte de beste verstandhouding.
In het midden van dit eensklaps verrezene dorp, waar de hutten van
verschillend gekleurde bisonhuiden met zekere gelijkmatigheid waren
gerangschikt, stond eene tent, die, grooter dan de anderen en met
scalpen op lange staken bekroond, tot raadstent diende.
Er heerschte eene groote levendigheid in het dorp. De Indiaansche
krijgslieden hadden zich beschilderd en ten strijde toegerust, alsof
zij weldra een gevecht te gemoet zagen. De jagers hadden hunne
schoonste kleederen aangetrokken en hunne wapens met de meeste zorg
schoon gemaakt, alsof zij ze weldra zouden noodig hebben. De paarden
waren, geheel opgetuigd, aan de omheining vastgebonden, zoodat zij
terstond konden bereden worden. Men zag de Roodhuiden en de jagers
angstig heen en weder loopen. Op geregelde afstanden, iets dat onder de
Indianen volstrekt ongewoon is, waren schildwachten geplaatst, om de
aankomst van iederen vreemdeling te verwittigen. In één woord, alles
deed vermoeden, dat er toebereidselen werden gemaakt tot een dier
plechtigheden, die in de prairie te huis behooren.
Maar, wat vreemd was, Edelhart, de Arendskop, en de Zwarte Eland waren
afwezig.
Goedsmoeds hield een wakend oog over de toebereidselen, die men bezig
was te maken, nu en dan eenige woorden wisselende met het oude
opperhoofd der Comanchen, Eshis,—de Zon.—Maar beider gelaat was
ernstig, en hun voorhoofd gespannen; zij schenen aan een levendigen
angst ten prooi te zijn. Het was de dag dien de rooverkapitein bepaald
had voor de uitlevering van doña Luz. Zou de kapitein durven komen? of
was zijn voorstel slechts eene bedreiging, om hun vrees aan te jagen?
Zij, die den roover kenden, en de meesten kenden hem, want bijna allen
hadden van zijne strooptochten te lijden gehad, dachten het eerste.
Die man, en het was de eenige goede hoedanigheid welke men hem
toekende, was begaafd met den moed van een leeuw, en met een wil als
van ijzer. Als hij eens iets gezegd had, deed hij het ook vast en
zeker. En daarbij, wat had hij te vreezen, als hij nog eens onder zijne
vijanden kwam? had hij den generaal niet in zijne macht? den generaal,
die met zijn leven voor het zijne instond? men wist, dat hij niet zou
aarzelen dezen voor zijne eigene veiligheid op te offeren.
Het was ongeveer acht ure in den morgen; de zon spreidde in
schitterenden glans hare gloeiende stralen uit over het tafereel, dat
wij getracht hebben te beschrijven. Doña Luz kwam uit de grot, leunende
op den arm van Edelharts moeder en gevolgd door Nô Eusébio. De beide
vrouwen zagen er treurig en bleek uit; hare roode oogen toonden, dat
zij geweend hadden. Zoodra hij haar bemerkte, liep Goedsmoeds naar haar
toe, en groette haar.
»Is mijn zoon nog niet terug?” vroeg de oude dame met een onrustigen
blik.
»Nog niet,” antwoordde de jager; »maar stel u gerust, mevrouw, hij kan
niet lang meer uitblijven.”
»Goede God! ik weet niet waarom, maar het schijnt mij toe, dat hij door
eenig noodlottig toeval teruggehouden wordt.”
»Neen, mevrouw, dan zou ik het weten; toen ik hem dezen nacht verliet
om u gerust te stellen, en de bevelen, die hij mij gegeven heeft, ten
uitvoer te brengen, bevond hij zich in een uitmuntenden toestand; dus,
geloof mij, wees gerust, en wanhoop niet.”
»Helaas!” prevelde de arme vrouw, »ik leef gedurende twintig jaar in
een voortdurende spanning; elken avond ben ik in vrees, dat ik mijn
zoon den volgenden dag niet weder zal zien; o, mijn God, zult gij dan
geen medelijden met mij hebben?”
»Herstel u, mevrouw,” zeide doña Luz met aandoening, haar zachtjes
omhelzende; »o! ik gevoel het hier, als Edelhart op dit oogenblik
gevaar loopt, dan is het om mijn oom te redden; o mijn God,” voegde zij
er met warmte bij, »geef dat het hem gelukken mag!”
»Weldra, dames, zal alles zich ophelderen; verlaat u hierin op mij; gij
weet, dat ik u niet zou willen misleiden.”
»Ja,” zeide de oude dame, »gij zijt goed, gij hebt mijn zoon lief, en
gij zoudt niet hier zijn, als er eenig gevaar voor hem bestond.”
»Gij beoordeelt mij goed, mevrouw; ik dank u daarvoor; ik kan u thans
nog niets zeggen, maar ik bid u een weinig geduld te hebben; het zij u
genoeg te weten, dat hij bezig is, om de señora gelukkig te maken.”
»O ja,” zeide de moeder; »hij is altijd even goed, altijd vol
zelfopoffering?”
»Men heeft hem ook Edelhart genoemd,” prevelde het meisje blozend.
»Geen naam werd ooit beter verdiend, mevrouw,” zeide de jager met
overtuiging; »men moet lang met hem geleefd hebben, en hem kennen,
gelijk ik hem ken, om hem goed te waardeeren.”
»Ik ben u op mijne beurt dankbaar, voor hetgeen gij van mijn zoon zegt,
Goedsmoeds,” antwoordde de oude dame, terwijl zij de harde hand van den
jager drukte.
»Ik zeg niet meer dan de waarheid, mevrouw; ik ben rechtvaardig,
ziedaar alles. O, het zou beter toegaan in de prairiën, als al de
jagers hem geleken.”
»Goede God, de tijd gaat voorbij; zal hij dan nooit komen?” mompelde
zij, terwijl zij met koortsachtig ongeduld om zich heen zag.
»Weldra, mevrouw.”
»Ik wil de eerste zijn om hem te zien en te groeten, als hij komt.”
»Ongelukkig is dat onmogelijk.”
»Waarom?”
»Uw zoon heeft mij belast u en de señora te smeeken dat gij in de grot
zult blijven; hij wilde niet, dat gij tegenwoordig zoudt zijn, bij
hetgeen hier zal plaats hebben.”
»Maar,” zeide doña Luz angstig, »hoe weet ik dan, of mijn oom gered
is?”
»Wees gerust, señorita, gij zult niet lang in de onzekerheid blijven;
maar ik bid u, blijf niet langer hier; ga naar binnen, ga naar binnen!”
»Misschien zal het beter zijn,” merkte de oude dame aan; »laat ons
gehoorzamen, liefste,” voegde zij er glimlachend bij; »laten wij naar
binnen gaan, wijl mijn zoon het verlangt.”
Doña Luz volgde haar zonder tegenstand te bieden, maar niet zonder nu
en dan een blik achter zich te werpen, in de hoop dat zij haren beminde
zou zien.
»Hoe gelukkig moet het zijn, eene moeder te hebben!” mompelde
Goedsmoeds, terwijl hij een zucht onderdrukte, en met de oogen de beide
vrouwen volgde, die in de schaduw der grot verdween.
Eensklaps lieten de Indiaansche schildwachten een alarmkreet hooren,
die onmiddellijk herhaald werd door den man, die voor de raadstent op
post stond. Op dit teeken stonden de hoofden der Comanchen op, en
verlieten de hut, waarin zij vereenigd waren. De jagers en de
Indiaansche krijgslieden grepen naar de wapenen, schaarden zich aan
beide zijden van de grot en wachtten. Een stofwolk rolde met groote
snelheid naar het kamp. De wolk scheurde weldra van een, en deed een
troep ruiters zichtbaar worden, die in volle vaart kwamen aanrennen.
Deze ruiters droegen voor het grootste gedeelte het kostuum der
Mexicaansche gambusinos (goudzoekers). Aan hun hoofd reed, op een
prachtig gitzwart paard gezeten, een man, dien allen terstond
herkenden. Het was kapitein Ouaktehno, die stoutmoedig aan het hoofd
zijner bende de uitvoering kwam vragen van den hatelijken ruil, dien
hij drie dagen geleden had voorgesteld.
Als in de prairiën twee benden elkander ontmoeten, of als krijgslieden
of jagers een dorp bezoeken, zijn zij meestal gewoon een soort van
fantasia uit te voeren, door zich in lange rijen op elkander te werpen,
onder het aanheffen van een luid geschreeuw en het afschieten van
geweren.
Ditmaal gebeurde er niets van dat alles.
De Comanchen en jagers bleven roerloos en zwijgend staan, en wachtten
bedaard de aankomst der roovers af. De droge en koele ontvangst
verwonderde den kapitein niet; hoewel zijne wenkbrauwen zich fronsten,
veinsde hij toch er niets van te merken, en trad moedig aan het hoofd
zijner bende het dorp binnen. Toen zij voor de raadstent gekomen waren
en zich vlak voor de opperhoofden bevonden, bleven de twintig ruiters
plotseling staan; als waren zij op eens in bronzen standbeelden
veranderd. Deze stoute beweging werd met zulk eene groote behendigheid
ten uitvoer gebracht, dat de jagers, die veel verstand van rijden
hadden, slechts met moeite een kreet van verrassing onderdrukten.
Nauwelijks hadden de roovers halt gehouden, of de rijen der jagers en
krijgslieden, rechts en links van de hut geplaatst, openden zich als
een waaier en sloten zich achter hen. Door deze snel uitgevoerde
beweging zagen de twintig roovers zich eensklaps door een kring van
meer dan vijfhonderd sterk gewapende mannen omsingeld. De kapitein werd
ongerust, het berouwde hem bijna gekomen te zijn; maar hij overwon deze
onwillekeurige aandoening, glimlachte met minachting, en hield zich
overtuigd dat hij geen gevaar te duchten had.
Hij groette de voor hem geplaatste opperhoofden, en zich tot Goedsmoeds
wendende, vroeg hij op vasten toon:
»Waar is het meisje?”
»Ik weet niet wat gij bedoelt,” antwoordde de jager; »ik geloof niet
dat er hier een meisje is, waarop gij eenig recht hebt.”
»Wat beteekent dat, en wat gaat er hier om?” mompelde de kapitein, een
wantrouwenden blik om zich heen werpende. »Is Edelhart het bezoek
vergeten, dat ik hem voor drie dagen gebracht heb?”
»Edelhart vergeet nooit iets,” zeide Goedsmoeds, »maar met hem hebt gij
nu niets te maken; hoe hebt gij de vermetelheid gehad, om u aan het
hoofd van een bende struikroovers onder ons te vertoonen?”
»Aha,” zeide de kapitein spottend, »ik zie gij wilt mij niet
antwoorden; wat de bedreiging aangaat, welke in het laatste gedeelte
van uw volzin vervat is, daar bekommer ik mij zeer weinig om.”
»Gij hebt ongelijk, mijnheer, want daar gij de onvoorzichtigheid begaan
hebt om u zelven in onze handen te stellen, zullen wij toch niet zoo
dom zijn, om u te laten ontsnappen, daar kan ik u de verzekering van
geven.”
»Zoo, zoo!” zeide de roover; »maar welk spel spelen wij dan?”
»Dat zult gij hooren, mijnheer.”
»Ik wacht,” antwoordde de roover, een onderzoekenden blik om zich heen
werpende.
»In deze woestijnen, waar alle menschelijke wetten zwijgen,” hernam de
jager met een trillende stem, »mag de wet van God alleen gelden; die
wet luidt, zooals gij weet: oog om oog, tand om tand.”
»Wat meer?” zeide de roover droog weg.
»Sedert tien jaren,” vervolgde Goedsmoeds bedaard, »zijt gíj, aan het
hoofd van eene bende die recht noch wet kent, de schrik der prairiën
geweest, en hebt gij zonder onderscheid blanken en Roodhuiden
geplunderd en gedood; want gij weet van geen wet of geen vaderland;
roof en diefstal zijn uwe eenigste wet; reizigers, bevervangers,
jagers, gambusinos of Indianen, gij verschoont niemand, als gij door
moord en doodslag een weinig goud kunt meester worden; het is
nauwelijks eenige dagen geleden, dat gij een kamp van vreedzame
Mexicaansche reizigers bij verrassing genomen, en hen allen zonder
genade hebt omgebracht. Hieraan moet een einde gemaakt worden, en dat
einde is nu gekomen. Wij allen, Indianen en jagers, wij zijn hier
vereenigd om u te veroordeelen en de onveranderlijke wet der prairiën
op u toe te passen.”
»Oog om oog, tand om tand,” schreeuwden de omstanders, hunne wapenen
schuddende.
»Gij bedriegt u zeer, mijne heeren,” antwoordde de roover kalm, »als
gij meent, dat ik ongehinderd mijn hals aan het mes zal aanbieden,
gelijk een kalf, dat men ter slachtbank leidt; ik had een voorgevoel
van hetgeen er gebeuren zou, ziedaar waarom ik een zoo goed geleide
heb. Ik heb twintig wakkere mannen bij mij, die zich zullen weten te
verdedigen; gij hebt ons nog niet in uwe macht.”
»Zie om u heen, en gij zult weten wat u te doen staat.”
De roover sloeg de oogen achter zich; vijfhonderd geweren waren op
zijne bende gericht.
Eene rilling voer hem door de leden; eene doodelijke bleekheid
overdekte zijn gelaat; de roover begreep, dat hij in een gevaarlijken
toestand verkeerde, maar na even te hebben nagedacht, herkreeg hij al
zijne koelbloedigheid, en zich tot den jager wendende, antwoordde hij
spottend:
»Kom kom, waartoe die bedreigingen, die mij toch niet kunnen bang
maken? gij weet zeer goed, dat ik voor uwe lagen beveiligd ben. Gij
hebt wèl gezegd, dat ik voor eenige dagen Mexicaansche reizigers
aangevallen heb, maar gij weet ook, dat de voornaamste dier reizigers
in mijne handen gevallen is. Waagt het, één haar van mijn hoofd te
krenken, en de generaal, de oom van dat meisje, dat gij te vergeefs aan
mijne macht ontrukken wilt, zal onmiddellijk met zijn leven den mij
aangedanen hoon betalen. Gelooft mij toch, mijne heeren, zoekt mij niet
langer te verschrikken, geeft mij goedschiks haar, die ik van u
opeisch, of ik zweer u bij God, dat de generaal binnen een uur zal
hebben opgehouden te leven!”
Eensklaps kwam er een man uit de menigte te voorschijn, die zich voor
den roover plaatste.
»Gij vergist u,” voegde hij hem toe, »de generaal is vrij.”
Die man was Edelhart.
Eene rilling van vreugde doorliep de rijen der jagers, een rilling van
schrik die der roovers.
XIV.
DE STRAF.
De generaal en zijne twee lotgenooten waren niet lang in het onzekere
gebleven. Het vlot was na lang aarzelen eindelijk aan land gekomen, en
vijftien mannen wierpen zich met geveld geweer, onder het aanheffen van
een luid geschreeuw in de grot. De vluchtelingen liepen verheugd op hen
toe. Zij hadden aan het hoofd der aankomelingen Edelhart, het
opperhoofd der Comanchen en den Zwarten Eland herkend.
Zie hier, hoe het zich had toegedragen. Zoodra de dokter met den
kapitein de grot binnengetreden was, had de Arendskop, overtuigd, dat
hij de schuilplaats der roovers ontdekt had, zich wederom bij zijne
vrienden gevoegd, om hun den goeden uitslag van zijne krijgslist mede
te deelen. Goedsmoeds werd naar Edelhart afgezonden, die zich dan ook
haastte om te komen; allen besloten eenstemmig om de bandieten in hun
hol aan te vallen, terwijl andere benden van jagers en Roodhuiden, in
de prairie verspreid en in de rotsen verborgen, de toegangen der grot
zouden bewaken en de roovers beletten om te ontsnappen. Wij hebben den
afloop dezer onderneming gezien.
Na het eerste oogenblik gansch en al aan de vreugde en aan de
blijdschap gewijd te hebben, waarschuwde de generaal zijne bevrijders,
dat een tiental bandieten nog in de grot lag te slapen, onder den
invloed van den opium, dien de moedige dokter hun had toegediend. De
roovers werden stevig gekneveld en medegenomen; vervolgens riep men de
verschillende benden bijeen, en keerde men in allerijl naar het kamp
terug.
Groot was de verrassing van den kapitein bij den uitroep van Edelhart,
maar deze verrassing ging over in schrik, toen hij den generaal, dien
hij zoo wel bewaakt dacht, zag te voorschijn komen. Hij begreep, dat al
zijne maatregelen verijdeld, al zijne listen vruchteloos gemaakt waren,
en dat hij ditmaal onherstelbaar verloren was.
Het bloed steeg hem naar het hoofd, zijne oogen schoten bliksems, en
zich tot Edelhart wendende, zeide hij met eene heesche stem:
»Niet slecht! maar, bij God, alles is nog niet gedaan tusschen ons; ik
zal mij wreken!”
Hij maakte eene beweging, om zijn paard naar voren te brengen. Maar
Edelhart greep het vastberaden bij den toom.
»Wij hebben nog niet afgerekend,” zeide hij.
De roover zag hem een oogenblik met vlammende oogen aan, terwijl hij
met geweld zijn paard aanspoorde, ten einde den jager te dwingen het
los te laten.
»Wat wilt gij dan nog meer?” zeide hij.
Edelhart bleef met ijzeren vuist het paard vasthouden, dat woedend
schuimbekte.
»Gij zijt veroordeeld,” antwoordde hij; »men gaat de wet der prairiën
op u toepassen.”
De roover liet een vreeselijk gebrul hooren, en zijne pistolen uit den
gordel rukkende, riep hij:
»Wee hem, die mij aanraakt! Laat mij door!”
»Neen,” antwoordde de jager koelbloedig, »gij zijt in goede handen,
vriendje; heden zult gij het niet ontkomen.”
»Naar den duivel dan!” riep de roover uit, een zijner pistolen op
Edelhart richtende.
Maar snel als een gedachte wierp Goedsmoeds, die angstig al zijne
bewegingen volgde, zich vóór zijn vriend met eene vlugheid, die de
ernst van het oogenblik nog vertienvoudigde.
Het schot ging af. De kogel trof den Canadees, die in zijn bloed badend
nederviel.
»Een!” schreeuwde de roover met een woesten lach.
»Twee!” brulde de Arendskop, en met een sprong als van een tijger zat
hij boven op het paard van den roover.
Eer de kapitein eene beweging maken kon, om zich te verdedigen, greep
de Indiaan hem met de linkerhand bij zijn lange haren, en trok met
kracht zijn hoofd achterover.
»Vervloekt!” riep de roover, die zich te vergeefs van zijn vijand
trachtte te ontslaan.
Toen gebeurde er iets, dat al de omstanders rillen deed. Het paard,
door Edelhart losgelaten, woedend over de ontvangene schokken en over
het dubbel gewicht, dat hem was opgelegd, schoot, dol van toorn,
vooruit, in zijne toomlooze vaart alles verbrijzelend en omverwerpend,
wat hem den doorgang belette. Maar altijd sleepte hij, op zijn rug
vastgeklemd, de beide mannen mede, die worstelend elkander trachtten te
dooden, en, als twee slangen kronkelend, elkander dreigden te
verstikken.
De Arendskop had, gelijk wij zeiden, het hoofd van den roover
achterover getrokken; hij zette hem de knie in de lenden, liet zijn
afgrijselijken oorlogskreet hooren, en zwaaide met eene geduchte
beweging zijn mes om het voorhoofd van zijn vijand.
»Dood mij dan! ellendeling,” schreeuwde de roover, en met een forsche
beweging, richtte hij zijne linkerhand, die nog met een pistool
gewapend was, op, maar de kogel verloor zich in de ruimte.
De hoofdman der Comanchen zag den kapitein strak aan.
»Gij zijt een lafaard!” zeide hij met verachting, »en een oude vrouw,
die bang is voor den dood!”
En terwijl hij den bandiet met zijn knie naar omlaag drukte, duwde hij
hem het mes in den schedel. De kapitein slaakte een hartverscheurenden
kreet, die zich vermengde met het gebrul en gejuich van den hoofdman.
Het paard liep tegen een boom, en viel: de beide vijanden rolden op den
grond. Slechts één van hen stond weder op.
Dat was de Comanchen-hoofdman, die de bloedige scalp van den roover
rondzwaaide.
Ouaktehno was echter nog niet dood. Dol van woede en toorn, verblind
door het bloed, dat hem van het hoofd stroomde, stond hij op en wierp
zich op zijn tegenpartij, die op zulk een aanval niet was voorbereid.
Met de armen om elkander geslagen, trachtten zij elkander omver te
werpen en de messen, waarmede zij gewapend waren, elkander in het lijf
te stooten. Er sprongen verscheidene jagers toe, om hen te scheiden.
Toen zij aankwamen, was alles gedaan. De kapitein lag op den grond,
terwijl het mes van den Arendskop tot aan het heft in zijn hart was
doorgedrongen.
De roovers door de jagers en Indianen, die hen omringden, in bedwang
gehouden, zagen van allen tegenstand af. Toen hij zijn kapitein had
zien vallen, verklaarde Frank uit aller naam, dat zij zich overgaven.
Op een teeken, door Edelhart gegeven, wierpen zij de wapens weg, en
werden zij gekneveld.
Goedsmoeds, de dappere Canadees, wiens zelfopoffering zijn vriend het
leven had gered, had een ernstige wond ontvangen, maar die gelukkig
niet doodelijk was. Men had zich gehaast hem op te nemen en hem naar de
grot te brengen, waar de moeder van den jager hem verbond.
De Arendskop naderde Edelhart, die peinzend en somber tegen een boom
aanleunde.
»De hoofden zijn om het vuur van den raad vereenigd,” zeide hij; »zij
wachten naar mijn broeder.”
»Ik volg mijn broeder,” antwoordde de jager.
Toen de beide mannen de hut binnentraden, waren al de hoofden reeds
bijeen; onder hen bevonden zich de generaal, de Zwarte Eland, en eenige
andere pelsjagers.
De calumet werd door den pijpdrager midden in den kring gebracht: hij
maakte een eerbiedige buiging naar de vier hoeken des hemels, en bood
beurtelings aan iederen hoofdman het lange roer aan.
Toen de calumet rondgegaan was wierp de pijpdrager de asch in het vuur,
en verwijderde zich, eenige geheimzinnige woorden prevelend.
Toen stond de Zon op, groette de leden van den raad, en zeide:
»Hoofden en krijgslieden, luistert naar de woorden, die mijne borst
blaast, en die de Meester des levens in mijn hart gelegd heeft. Wat
denkt gij te doen met de twintig gevangenen die in uwe handen zijn?
Zult gij hen loslaten, opdat zij hun leven van roof en moord
voortzetten? opdat zij uwe vrouwen wegnemen, uwe paarden stelen, en uwe
broeders dooden? Zult gij hen voeren naar de steenen dorpen van de
groote blanke mannen van het Westen? De weg is lang, met gevaren
bezaaid, door bergen en snelle stroomen afgewisseld; de gevangenen
kunnen u gedurende deze reis ontvluchten, u in uwen slaap overvallen en
u dooden. En dan, gij weet het, krijgslieden, aan de steenen dorpen
aangekomen, zullen de lange messen hen loslaten; er is geen recht voor
de roode mannen. Neen, krijgslieden, de meester des levens, die
eindelijk deze woeste mannen in onze macht heeft overgeleverd, wil, dat
zij sterven. Hij heeft aan hunne misdaden paal en perk gesteld. Als wij
een jaguar of een grijzen beer op onzen weg ontmoeten, dan dooden wij
hem; deze mannen zijn wreedaardiger dan de jaguars en de grijze beeren;
zij zijn rekenschap verschuldigd van het door hen vergoten bloed: oog
om oog, tand om tand. Dat zij dan aan den martelpaal gebonden worden.
Ik werp een turbô (halssnoer) van roode wampums in den raad. Heb ik wel
gesproken, machtige mannen?”
Na deze woorden ging de hoofdman wederom zitten. Er volgde een
oogenblik van plechtige stilte. Het was duidelijk, dat al de omstanders
het met hem eens waren.
Edelhart wachtte eenige oogenblikken: hij zag dat niemand zich gereed
maakte, om op de rede van de Zon te antwoorden, toen stond hij op en
nam het woord: