willen opofferen; zoo u te beminnen hetzelfde is als de grootste
marteling te ondergaan, wanneer ik een traan op uwe wangen zie
biggelen; zoo u te beminnen hetzelfde is als den moed te hebben, om u
morgen het offer te laten volbrengen, dat uw oom redden zal, ja,
mevrouw, dan bemin ik u met al de liefde mijner ziel! spreek dus,
spreek onbevreesd, wat gij mij vragen zult, ik zal het met vreugde
doen.”
»Goed, mijn vriend,” zeide zij; »ik reken op uw woord; morgen zal ik er
u aan herinneren, als die man komt; maar eerst moet mijn oom gered
worden, al moest ik mijn leven opofferen. Helaas! hij is mij tot een
vader geweest, hij bemint mij als zijne dochter, om mijnentwil is hij
den bandieten in handen gevallen. O, zweer mij, Edelhart, dat gij hem
verlossen zult,” voegde zij er bij, met eene stem, die trilde van
aandoening.
Edelhart wilde juist antwoorden, toen Goedsmoeds en de Zwarte Eland de
grot binnentraden.
»Eindelijk!” riep hij uit, op hen toeschietende.
De drie mannen bleven eenige oogenblikken met elkander staan
fluisteren; vervolgens kwam de jager in aller ijl bij de twee vrouwen
terug, zijn gelaat schitterde van vreugd.
»Gij hebt gelijk, moeder,” riep hij uit; »God is goed, hij verlaat niet
wie op hem vertrouwen. Nu ben ik het, die u zegt: hoop, doña Luz,
weldra zal ik uw oom wedergeven!”
»O,” juichte zij, »zou het mogelijk zijn?”
»Hoop, zeg ik u! vaarwel moeder! bid God, dat hij mij helpe! meer dan
ooit zal ik zijne hulp van noode hebben.”
Zonder meer te zeggen vloog hij de grot uit, door de meeste zijner
makkers gevolgd.
»Wat bedoelde hij toch?” prevelde doña Luz angstig.
»Kom, mijne dochter,” antwoordde de oude dame treurig, »laat ons voor
hem bidden.”
Zij trok haar zachtjes mede, naar het afzonderlijk vertrek, dat zij
bewoonden.
Er bleven slechts tien mannen in de grot, om de vrouwen te verdedigen.
XI.
DE GEVANGENE.
Toen de Roodhuiden en de jagers het kamp der Mexicanen veroverd hadden,
hadden de roovers, volgens den last van hunnen hoofdman, zich in alle
richtingen verstrooid, om des te gemakkelijker aan de nasporingen
hunner vijanden te ontkomen.
De kapitein en de vier mannen, die den generaal en zijn neger droegen,
waren langs de helling der rotsen naar beneden gegaan, op gevaar af van
duizendmaal verbrijzeld te worden en in de diepte te storten, die aan
hunne voeten gaapte. Op zekeren afstand gekomen, en gerust gesteld door
de stilte, die om hen heen heerschte, en meer nog door de ongehoorde
moeielijkheden, die zij overwonnen hadden, om de plaats te bereiken,
waar zij zich bevonden, bleven zij stilstaan, om adem te scheppen. Een
dikke duisternis omgaf hen, boven hunne hoofden zagen zij, op een
ontzaglijke hoogte, evenals zoovele sterren de fakkels glinsteren van
de jagers, die hen vervolgden, maar die het niet waagden denzelfden weg
te gaan, langs welken zij gekomen waren.
»’t Gaat goed,” zeide de kapitein; »komt, kinderen, wij kunnen nu
eenige oogenblikken uitrusten. Wij hebben voor het tegenwoordige niets
te vreezen; legt uwe gevangenen hier neder, en dat twee uwer de
omstreken gaan verkennen.”
Zijne bevelen werden ten uitvoer gebracht; eenige minuten later kwamen
de beide bandieten zeggen, dat zij een hol hadden ontdekt, dat hun
voorloopig tot schuilplaats kon verstrekken.
»Duivels!” zeide de kapitein, »laat ons daar heen gaan;” en zelf het
voorbeeld gevende, stond hij op, en verwijderde zich, gevolgd door de
anderen.
Zij kwamen weldra aan eene grot, die vrij ruim scheen te zijn, en die
maar weinige voeten lager was dan de plaats, waar zij zich in ’t eerst
hadden nedergezet.
Toen zij zich hier in veiligheid gesteld hadden, was het de eerste zorg
van den kapitein om den ingang er van met behulp van een deken geheel
dicht te sluiten, hetgeen niet moeielijk viel, daar de ingang vrij nauw
was, zoodat de bandieten hadden moeten bukken, om er in te komen.
»Daar,” zeide de kapitein, »zijn wij nu thuis; hier behoeven wij niet
bang te zijn, dat een onbescheiden oog ons bespieden zal.” En een
vuursteen uit zijn zak halende, stak hij eene toorts van kaarshout aan,
die hij tot dat einde de voorzichtigheid gehad had van mede te nemen.
Zoodra zij de voorwerpen om hen heen konden onderscheiden, slaakten de
bandieten een kreet van vreugde. Wat in de duisternis slechts een
eenvoudig hol scheen te zijn, was een natuurlijke onderaardsche grot,
gelijk er in deze gewesten velen voorkomen.
»Wel zoo!” zeide de kapitein, »laat ons eens zien waar wij zijn; blijft
daar, gij allen, houdt een waakzaam oog over de gevangenen, ik ga ons
nieuw grondgebied verkennen.”
Na een tweede toorts aangestoken te hebben, onderzocht hij de grot. Met
een zachte helling liep zij onder den berg door; de wanden waren overal
vrij hoog, en de ruimte daartusschen meestal breed genoeg om ruime
zalen te vormen. Door onzichtbare spleten moest zij van buiten versche
lucht ontvangen, want het licht brandde zonder moeite, en de kapitein
haalde er zeer gemakkelijk adem. Hoe verder hij voortging, des te
frisscher werd de lucht, hetgeen hem deed gissen, dat hij zich nabij
een anderen uitgang bevond. Zoo liep hij reeds twintig minuten, toen
eene windvlaag, die hem in het aangezicht sloeg, zijn toorts deed
opflikkeren.
»Hm!” mompelde hij, »ziedaar een uitgang; laat ons voorzichtig zijn; ik
zal het licht uitdoen, men kan nooit weten, wat men daar buiten
tegenkomt.”
Hij trapte zijne toorts uit, en bleef eenige oogenblikken stil staan,
om aan zijne oogen den tijd te geven zich aan de duisternis te
gewennen. Hij was een voorzichtig man, en zijn vak van
bandietenhoofdman volkomen meester; zoo het plan, dat hij gevormd had,
om het kamp aan te vallen, schipbreuk geleden had, was dit slechts het
gevolg van een samenloop van omstandigheden, die hij onmogelijk had
kunnen voorzien. Toen dan ook de eerste booze bui over de ontvangen
nederlaag was overgewaaid had hij terstond zijne partij gekozen,
terwijl hij zich het genoegen voorbehield, om zich bij de eerste
gelegenheid de beste te wreken. De fortuin scheen hem overigens op
nieuw toe te lachen, daar zij hem, juist toen hij er de meeste behoefte
aan had, een bijna ondoordringbare schuilplaats aanbood.
Blijde en vol hoop wachtte hij dus tot zijne oogen zich aan de
duisternis hadden gewend, en hem vergunden de voorwerpen te
onderscheiden, om te weten of hij werkelijk een uitgang zou vinden, die
hem meester zou maken van eene bijna onoverwinnelijke sterkte.
Hij bedroog zich niet in zijne verwachting. Zoodra de vlam opgehouden
had hem te verblinden, bemerkte hij op vrij grooten afstand vóór zich
uit een flauw schijnsel. Hij liep moedig voort; na eenige minuten kwam
hij aan den zoo zeer begeerden uitgang.
Deze uitgang bevond zich bij den oever eener kleine rivier, waarvan het
water onder het gewelf der grot dood liep, zoodat de bandieten slechts
te water behoefden te gaan om haar te ontruimen, zonder eenig spoor
achter te laten, en alzoo elke nasporing vruchteloos konden maken.
De kapitein kende de prairiën van het Westen, waarin hij sedert bijna
tien jaren zijn eerloos en winstgevend beroep uitoefende, te goed, om
zich niet gemakkelijk te oriënteren, en binnen een oogenblik te weten,
waar hij zich bevond. Hij zag dat deze rivier vrij ver verwijderd was
van het kamp der Mexicanen, welke afstand nog vergroot werd door hare
tallooze kronkelingen. Hij slaakte een kreet van zelfvoldoening, en
toen hij goed wist waar hij zich bevond, en niet meer vreesde ontdekt
te zullen worden, stak hij zijn toorts weder aan, en keerde langs
denzelfden weg, dien hij gekomen was, terug.
Zijne makkers waren in slaap gevallen, met uitzondering van één, die de
gevangenen bewaakte. De kapitein wekte hen.
»Komt,” zeide hij, »het is nu geen tijd van slapen; wij hebben wel wat
anders te doen.” De bandieten stonden met weêrzin op, wreven de oogen
uit, en gaapten alsof zij zich de kakebeenen wilden verrekken.
De kapitein liet hen eerst de opening, die hun toegang verleend had,
zorgvuldig dichtstoppen, en gaf toen bevel, dat zij met de gevangenen,
wier beenen men had losgemaakt, opdat zij zouden kunnen loopen, hem
onmiddellijk volgen zouden.
Zij hielden halt in een der vele zalen, die de kapitein op zijn weg
ontmoet had; een hunner werd op post gesteld, om de gevangenen, die
hier achtergelaten werden, te bewaken; de anderen drongen met den
kapitein verder in de grot door.
»Gij ziet,” zeide hij tot hen, terwijl hij hun den uitgang wees, »dat
ons onheil toch ergens goed voor was, daar het ons toevallig eene
wijkplaats heeft doen vinden, waar niemand ons zal komen zoeken. Gij,
Frank, moet terstond naar de vereenigingsplaats, die ik aan uwe
kameraden had aangewezen; breng hen hierheen, zoowel als diegenen der
onzen, die aan den tocht geen deel genomen hebben. Wat u betreft,
Antonio, gij moet ons levensmiddelen verschaffen; gij kunt wel te zamen
gaan. Ik behoef u niet te zeggen, dat ik uwe terugkomst met ongeduld
afwacht.”
De beide bandieten wierpen zich zonder spreken in de rivier en waren
spoedig verdwenen.
Toen zich tot den overblijvende wendende, zeide hij:
»Wat ons betreft, Gonzalez, laten wij wat hout bijeenrapen, om vuur aan
te leggen, en bladeren om bedden van te maken; kom, aan ’t werk, aan ’t
werk!”
Een uur later flikkerde er een helder vuur in de grot en sliepen de
bandieten, op hunne mollige bedden van drooge bladeren een gerusten
slaap. Met zonsopgang kwam het overige gedeelte der bende aan. Zij
waren nog dertig in getal! De kapitein voelde zijn hart zwellen, toen
hij zag over welk eene rijke verzameling van schurken hij nog te
beschikken had. Met hen wanhoopte hij niet zijne zaken in orde te
zullen brengen, en weldra eene schitterende wraak te nemen!
Na een overvloedig ontbijt van wildbraad met mezcal, dacht de kapitein
er eindelijk aan, om zich eens met zijne gevangenen te gaan bemoeien.
Hij begaf zich naar de zaal, die hun tot gevangenis diende.
Sedert hij den bandieten in handen gevallen was, had de generaal het
stilzwijgen bewaard, en was hij oogenschijnlijk ongevoelig gebleven
voor de slechte behandeling, waaraan hij bloot stond. De wonden, die
hij ontvangen had, waren geheel verwaarloosd; zij waren ontstoken, en
deden hem ontzettend veel pijn, maar hij liet geen klacht hooren. Een
knagend verdriet verteerde hem, zoolang hij gevangen was; hij zag voor
altijd het plan, dat hem in de prairiën gebracht had, in duigen
gevallen, zonder hoop om het ooit ten uitvoer te zullen kunnen brengen.
Het eenige dat hem eene lichte vertroosting aanbood, was de zekerheid,
dat het zijne nicht gelukt was om te ontsnappen. Maar wat was er van
haar geworden in deze wildernis, waar men slechts wilde dieren
tegenkomt, en Indianen, die nog woester zijn dan wilde dieren? Hoe zou
een meisje, dat aan alle gemakken des levens gewoon was, de wisselingen
kunnen doorstaan van een leven vol van ontberingen? Dit denkbeeld
verdubbelde zijn lijden.
De kapitein was verschrikt over den toestand, waarin hij hem vond.
»Kom, generaal,” zeide hij, »schep moed, voor den duivel! De kansen
verkeeren vaak, daar weet ik van meê te praten. Caraï, men moet niet
wanhopen, niemand kan weten, wat de dag van morgen voor hem heeft
weggelegd! Geef mij uw woord van eer, dat gij niet zult pogen te
ontsnappen, en ik maak oogenblikkelijk uwe banden los.”
»Dat woord kan ik u niet geven,” antwoordde de generaal, »ik zou een
valschen eed doen, ik zweer u integendeel, dat ik al het mogelijke in
het werk zal stellen om te ontkomen.”
»Bravo! goed geantwoord,” zeide de roover lachend; »in uwe plaats zou
ik hetzelfde zeggen; maar ik geloof dat het u op dit oogenblik, met den
besten wil van de wereld, onmogelijk zou zijn, om een stap te doen;
daarom, ondanks al wat gij zegt, zal ik u en uwen bediende de vrijheid
geven, gij moogt er mede doen, wat gij wilt.”
En hij sneed de touwen door, waarmede de armen van den generaal
gebonden waren; vervolgens bewees hij dezelfde dienst aan den neger
Jupiter.
Deze, zoodra hij zich vrij gevoelde, begon te springen en te lachen, en
vertoonde twee rijen groote schitterende tanden.
»Kom, houd u stil, vagebond,” zeide de roover; »gij moet hier bedaard
zijn, als gij niet wilt dat ik u een kogel door den kop jaag.”
»Ik zal niet weggaan zonder mijn meester,” antwoordde Jupiter, een paar
groote oogen opzettende.
»Akkoord, zwarte nikker!” hernam de roover; »dat blijft afgesproken;
die zelfverloochening doet u eer aan.”
En zich weder tot den generaal wendende, bette de kapitein diens wonden
met koud water, en verbond hem met de meeste zorg; vervolgens aan de
gevangenen spijzen voorgezet hebbende, aan welke de neger alleen de
noodige eer bewees, verwijderde hij zich omstreeks den middag, en
verzamelde de voornaamsten der bende om zich heen.
»Caballeros!” zeide hij, »wij kunnen het niet ontkennen; wij hebben de
eerste partij verloren: de gevangenen, die wij hebben veroverd, kunnen
onmogelijk onze kosten goed maken; wij mogen niet in een nederlaag
berusten, die ons onteert en belachelijk maakt. Ik ga een tweeden
aanval ondernemen; zoo mij die niet gelukt, zal het slecht met mij
afloopen; houdt een waakzaam oog over de gevangenen, terwijl ik afwezig
ben. Let vooral op hetgeen ik u nu ga zeggen: zoo ik morgen te
middernacht niet heelhuids onder u ben weêrgekeerd, morgen om vijftien
minuten over twaalven, schiet dan de beide gevangenen zonder genade
dood; gij hebt mij begrepen, niet waar? zonder genade.”
»Wees gerust, kapitein,” antwoordde Frank in aller naam, »gij kunt
gaan, uwe bevelen zullen worden ten uitvoer gebracht.”
»Daar reken ik op; maar schiet hen vooral geen minuut vroeger of later
dood.”
»Precies op het uur.”
»Dat is afgesproken; nu, vaart wel; wordt niet al te ongeduldig, als
gij mij niet spoedig terugziet.”
En de kapitein verliet de grot, om zich naar Edelhart te begeven.
Wij hebben reeds gezien wat de bandiet bij den jager was gaan doen.
XII.
DE KRIJGSLIST.
Na het zonderlinge voorstel, dat hij aan de jagers gedaan had, was de
rooverhoofdman in allerijl naar zijne schuilplaats teruggekeerd.
Maar hij was al te zeer aan het leven der prairiën gewoon, om niet te
weten, dat verscheidene zijner vijanden van verre zijn spoor zouden
volgen. Ook bracht hij om hen te misleiden alle listen in praktijk, die
zijn vindingrijke geest hem aanbood, door tallooze omwegen te maken,
gedurig op zijne schreden terug te keeren, en gelijk men zegt, tien
schreden achteruit te loopen, om er een vóóruit te komen. Deze vele
voorzorgen hadden zijn loop zeer vertraagd. Aan de oevers der rivier
gekomen, wier golven den ingang der grot bespoelden, wierp hij een
laatsten blik om zich heen, om zich te verzekeren dat geen onbescheiden
oog zijne bewegingen gadesloeg. Alles was stil; niets wekte zijn
argwaan op, hij maakte zich gereed om een vlot, dat onder de struiken
verscholen was, te water te brengen, toen een licht gedruisch zijne
aandacht trok.
De roover sidderde, greep naar een pistool, laadde het en ging moedig
af op de plek, van waar het gedruisch kwam. Hij zag een man, bezig om
met een kleine spade eenige kruiden en planten uit den grond te rukken.
Hij glimlachte, en borg zijn pistool wederom in den gordel. Hij had den
dokter herkend, die zich met hartstochtelijken ijver aan zijne
lievelingstudie overgaf.
Deze, van zijn kant, had hem niet opgemerkt.
Na hem een oogenblik minachtend te hebben aangezien, keerde de roover
hem den rug toe, tot hem eene gedachte inviel, die hem weder bewoog,
den dokter te naderen; hij klopte hem thans vrij onzacht op den
schouder. Bij deze ruwe aanraking richtte de dokter zich verschrikt op,
en liet van angst zijne spade en al zijne planten vallen.
»Hola, mijn brave,” zeide de kapitein spottend, »welk eene razernij
bezielt u toch, om altijd kruiden te zoeken, op ieder uur van den dag
en van den nacht.”
»Hoe?” antwoordde de geleerde; »wat bedoelt gij?”
»Wel, dat is eenvoudig genoeg; weet gij dan niet dat het bijna
middernacht is?”
»Dat is waar,” antwoordde de geleerde onnoozel, »maar de maan schijnt
zoo mooi!...”
»Dat gij haar voor de zon hebt aangezien!” viel de roover hem lachend
in de reden; »maar,” ging hij voort, eensklaps ernstig wordende, »dat
is thans de vraag niet; ik heb mij laten wijsmaken, dat gij, ofschoon
half krankzinnig, een vrij goed geneesheer zijt.”
»Ik heb er examen voor afgelegd, mijnheer,” antwoordde de dokter, die
zich beleedigd gevoelde.
»Heel goed, gij zijt de man, dien ik noodig heb.”
De dokter boog zich tegen wil en dank; het was duidelijk dat het hem
maar half genoegen deed.
»Wat verlangt gij?” vroeg hij; »zijt gij ziek?”
»Ik niet, Goddank! maar een uwer vrienden, die op dit oogenblik mijn
gevangene is; gij zult dus wel zoo goed zijn mij te willen volgen.”
»Maar?...” wilde de dokter hem tegenwerpen.
»Geen maren; volg mij, zoo gij niet wilt dat ik u de hersens insla;
voor het overige kunt gij gerust zijn, geen leed zal u overkomen; mijne
lieden zullen u al den eerbied bewijzen, waarop de wetenschap aanspraak
heeft.”
Ofschoon alle tegenstand onmogelijk was, koos toch de weerlooze man
zijne partij zoo goedschiks, dat er een oogenblik zelfs een glimlach op
zijne lippen zweefde, die den roover, zoo deze het gezien had, wel tot
nadenken had kunnen brengen.
De kapitein liet den dokter vóór zich uitgaan, en beiden haastten zich
naar de rivier.
Op het oogenblik, dat zij de plek verlieten, waar hun onderhoud had
plaats gehad, werden de takken van een kreupelboschje zorgvuldig uiteen
geschoven, er kwam een geschoren hoofd uit te voorschijn, op welks
kruin slechts een enkele lange haarvlecht met een veder er in was
gespaard gebleven, vervolgens een bovenlijf, en toen een geheel mensch,
die als een jaguar opsprong om hem te volgen.
Het was de Arendskop. Hij was nu stilzwijgend getuige van de inscheping
der beide blanken, zag hen in de grot gaan, verdween toen op zijne
beurt in het woud, en mompelde zachtjes:
»Oah! (goed!)” in de taal der Comanchen de uitdrukking der hoogste
vreugde.
De dokter had enkel tot lokaas gediend om den roover te misleiden, en
hem in den strik te doen vallen, die voor hem gespannen was. Had nu de
dokter eene overeenkomst gesloten met den Arendskop? Dat zullen wij
weldra hooren.
Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag, liet de roover een
algemeene verkenning doen in den omtrek van de grot. Er was geen spoor
te zien. De kapitein wreef zich de handen; zijne onderneming was dubbel
geslaagd, daar hij de grot bereikt had, zonder achtervolgd te worden.
Overtuigd dat hij niets te vreezen had, wilde hij niet zooveel
manschappen werkeloos bij zich houden; hij stelde derhalve zijne bende
voorloopig onder bevel van Frank, een ouden afgeleefden bandiet, in
wien hij volkomen vertrouwen stelde, hield zelf slechts tien man bij
zich en zond de rest weg. Van hoeveel belang de zaak ook zijn mocht,
die hij thans onder handen had, wilde hij toch zijne overige bezigheden
niet verwaarloozen, noch het brood der luiheid schenken aan een
twintigtal bandieten, die, evenals hij, niets te doen hadden, en hem
ieder oogenblik een slechten trek konden spelen. Men ziet, de kapitein
was niet slechts een verstandig man, maar hij kende en doorgrondde ook
zijne eerbiedwaardige bondgenooten.
Toen de roovers de grot verlaten hadden, gaf de kapitein aan den dokter
een teeken om hem te volgen, en bracht hem bij den generaal. Na hen met
zijne gewone spottende beleefdheid aan elkander te hebben voorgesteld,
verwijderde de bandiet zich, en liet hen alleen. Doch alvorens hij dit
deed, haalde hij een pistool uit zijn gordel, en het op de borst van
den geleerde zettende, zeide hij:
»Gij zijt wel is waar een halve gek, maar met dat al zoudt gij wel
eenigen natuurlijken aanleg kunnen bezitten, om mij te verraden, denk
er dus aan, mijn brave heer, dat ik u bij de minste dubbelzinnige
beweging, die ik u zie maken, de hersenpan zal laten springen; gij zijt
gewaarschuwd, doe nu wat gij zult goedvinden.”
Daarop zijn pistool weder in zijn gordel stekende, ging hij lachend
weg.
De dokter luisterde naar deze vermaning met een benauwd gezicht, doch
niet zonder dat een flauwe glimlach zijne lippen plooide; gelukkig werd
dit door den kapitein niet opgemerkt.
De generaal zat met zijn neger Jupiter in eene zaal, die ver van den
ingang verwijderd was. Zij waren daar alleen. De kapitein had het niet
noodig geacht hen van nabij te bewaken. Beiden op een bed van droge
bladeren gezeten, waren in diep nadenken verzonken. Bij het zien van
den geleerde, werd het somber gelaat van den generaal door een
vluchtigen lichtstraal van hoop verhelderd.
»Gij daar, dokter?” zeide hij, hem de hand toereikende, die de ander
stilzwijgend drukte; »moet ik mij over uwe tegenwoordigheid verblijden
of bedroeven?”
»Zijn wij alleen?” vroeg de dokter, zonder op de vraag van den generaal
te antwoorden.
»Ik geloof het wel,” zeide hij verwonderd; »in ieder geval is het niet
moeielijk u hieromtrent zekerheid te verschaffen.”
De dokter tastte naar alle zijden rond, onderzocht nauwkeurig al de
hoeken, en kwam eindelijk bij de gevangenen terug.
»Wij kunnen praten,” zeide hij.
De geleerde was gewoonlijk zoo verdiept in zijne wetenschappelijke
berekeningen, hij was van natuur zoo afgetrokken, dat de gevangenen
slechts weinig vertrouwen in hem stelden.
»En mijne nicht?” vroeg de generaal bezorgd.
»Stel u gerust; zij is in veiligheid bij een jager, Edelhart genaamd,
die den diepsten eerbied voor haar koestert.”
De generaal gevoelde zich verlicht, deze goede tijding gaf hem al zijn
moed terug.
»O,” zeide hij, »wat doet het er nu toe, of ik gevangen ben! nu mijne
nicht gered is, kan ik alles verdragen.”
»Neen, neen!” zeide de dokter levendig, »gij moet, wat het ook kostte,
vóór morgen van hier ontvlucht zijn.”
»Waarom?”
»Antwoord mij eerst.”
»Ik verlang niets liever.”
»Uwe wonden schijnen mij nog al licht toe: zij zijn aan het genezen.”
»Inderdaad!”
»Meent gij in staat te zijn om te loopen?”
»O, ja!”
»Ja, maar begrijp mij wel, ik bedoel om een lange reis te ondernemen?”
»Nu, nu!” zeide de neger, die tot nog toe gezwegen had, »ben ik dan
niet sterk genoeg, om mijn meester te dragen, als hij niet meer loopen
kan?”
De dokter drukte hem de hand.
»Dat is waar! Ter zake dus,” zeide de dokter; »gij moet van hier.”
»Goed; maar hoe?”
»Ja, hoe?” zeide de geleerde, zich tegen het voorhoofd slaande; »hoe?
dat weet ik niet. Maar wees gerust, ik zal wel een middel vinden.”
Men hoorde voetstappen naderen; de kapitein kwam te voorschijn.
»Welnu,” vroeg hij, »hoe gaat het met den zieke?”
»Niet al te best,” antwoordde de dokter.
»Kom, kom,” hernam de roover, »dat zal zich wel schikken; bovendien, de
generaal zal weldra vrij zijn, dan kan hij zich op zijn gemak laten
verzorgen. Kom nu mede, dokter, ik denk dat ik u thans lang genoeg met
uw vriend heb laten praten.”
De dokter volgde hem zonder te antwoorden, na den generaal met een
laatste gebaar tot voorzichtigheid te hebben aangespoord.
De dag liep ongestoord ten einde. De gevangenen wachtten met ongeduld
den nacht af; huns ondanks was hun vertrouwen in den dokter hersteld:
zij hoopten. Tegen den avond keerde de waardige geleerde terug. Hij
kwam op een fermen draf aanstappen, met een gelaat dat van vreugde
schitterde, en met eene toorts in de hand.
»Hé, dokter! wat is er dan toch?” vroeg de generaal; »gij ziet er zoo
verheugd uit.”
»Ik ben ook verheugd, generaal,” antwoordde hij glimlachend, »omdat ik
een middel gevonden heb, om u te laten ontsnappen en mijzelven ook, wel
te verstaan!”
»En dat middel is...”
»Is reeds voor de helft ten uitvoer gebracht,” zeide hij met een klein
droog lachje, dat hem eigen was, als hij zich in zijn schik gevoelde.
»Wat wilt gij daarmede zeggen?”
»Wel, de zaak is heel eenvoudig, maar gij zult haar nooit raden; al de
bandieten slapen; wij zijn meester van de grot.”
»Zou het mogelijk zijn? maar als zij eens wakker worden?”
»O, wees daarvoor niet bang; zij zullen wakker worden? dat is zeker;
maar niet alvorens wij ten minste zes uur verder zijn.”
»Hoe dat?”
»Omdat ik zelf hun een slaapdrank ingeschonken heb; dat is te zeggen,
bij hun avondmaal heb ik hun een afkooksel van opium toegediend, dat
hen, als looden blokken in elkaâr heeft doen zakken, zoodat zij nu als
ossen liggen te ronken.”
»O, dat is onverbeterlijk!” riep de generaal uit.