»Dat was een fijne zet van ons, niet waar, mijne heeren? inderdaad, gij

moogt mij wel een compliment daarover maken, gij, die in dergelijke

zaken voor meesters doorgaat, maar er is iets dat gij niet weet, en dat

ik u zeggen moet: de rijkdommen van den Mexicaanschen generaal waren

voor mij slechts eene bijzaak, ik had een ander doel, en dat doel zal

ik u te kennen geven; ik wilde mij meester maken van doña Luz. Van

Mexico af ben ik de karavaan stap voor stap gevolgd; den oppersten

gids, den Babbelaar, een ander vertrouwde van mij, had ik omgekocht;

het goud en de kostbaarheden voor mijne kameraden overlatende, begeerde

ik slechts het meisje.”

»Nu, dan hebt gij uw doel gemist, of ik weet het niet,” viel Goedsmoeds

hem, met een tartenden glimlach, in de rede.

»Zoudt gij dat denken?” antwoordde de ander met onverstoorbare kalmte;

»inderdaad, hebt gij in zoover gelijk, dat ik voor ditmaal mijn doel

heb gemist; maar ik heb nog niet alles gezegd, en misschien zal ik niet

altijd mijn doel missen.”

»Gij spreekt hier, omringd door honderdvijftig der beste karabijnen der

prairie, over dat afschuwelijk plan, met even veel vertrouwen, alsof

gij u in veiligheid onder uwe bandieten bevondt, kapitein; dat is een

groote onvoorzichtigheid, of wel een zeldzame vermetelheid,” zeide

Edelhart op gestrengen toon.

»Bah! het gevaar is voor mij niet zoo groot, als gij mij wilt doen

gelooven; gij weet dat ik de man niet ben, om mij bang te laten maken,

staak dus uwe bedreigingen, en laat ons, als het u belieft, ernstig

praten.”

»Wij allen, jagers, bevervangers en Indiaansche krijgslieden, in deze

grot vereenigd, wij zijn in ons recht, en handelen in het belang onzer

gemeenschappelijke veiligheid, als wij de wet der prairiën, dat is: oog

om oog, tand om tand, op u toepassen, op u, die gegrepen, en volgens uw

eigen bekentenis schuldig zijt aan diefstal, moord, en poging tot

maagdenroof; die wet zullen wij onmiddellijk ten uitvoer leggen. Wat

hebt gij tot uwe verdediging aan te voeren?”

»Alles op zijn tijd, Edelhart; aanstonds zullen wij ons daarmede bezig

houden, maar laat ons nu, bid ik u, een einde maken aan hetgeen ik te

zeggen had; wees gerust, het zal slechts eenige minuten oponthoud

geven; ik zelf zal op die andere zaak terugkomen, waarin gij zooveel

belang schijnt te stellen, daar gij u op eigen gezag tot rechter in de

woestijn opwerpt.”

»Die wet is zoo oud als de wereld, zij is door God zelf gegeven: het is

de plicht van alle eerlijke lieden, om een wild dier te vervolgen, als

men het op zijn weg tegenkomt.”

»Die vergelijking is niet vleiend,” antwoordde de roover onbewogen,

»maar ik ben niet lichtgeraakt, ik zal er mij niet boos om maken; wilt

gij mij nu nog voor het laatst het woord gunnen?”

»Spreek, en laat het dan uit zijn.”

»Dat is juist wat ik verlang; luister dan. In deze wereld vat ieder het

leven naar zijne wijze op, de een wat ruimer, de ander wat meer

bekrompen; wat mij betreft, het is mijn ideaal, mij binnen eenige jaren

met een aardig fortuintje van hier te verplaatsen naar een dier schoone

Mexicaansche provinciën, die er zoo recht prettig uitzien; gij bemerkt

dus, dat ik niet eerzuchtig ben. Eenige maanden geleden was ik ten

gevolge van verscheidene winstgevende zaken in de prairiën, die ik

gelukkig had ten einde gebracht, in het bezit van een ronde som gelds,

die ik volgens gewoonte besloot op interest te zetten, ten einde mij

later dat fortuintje te bezorgen, waarvan ik reeds gesproken heb. Ik

ging daarom naar Mexico, om mijn kapitaal in bewaring te geven aan een

aldaar wonenden eerlijken Franschen bankier, die er goed voor zorgt, en

dien ik u bij gelegenheid aanbeveel.”

»Waartoe al die praatjes?” viel Edelhart hem driftig in de rede; »houdt

gij ons voor den gek, kapitein?”

»In het minst niet: ik ga voort. Te Mexico vergunde het toeval mij, om

aan doña Luz een vrij belangrijke dienst te bewijzen.”

»Gij!” riep Edelhart woedend uit.

»Waarom niet?” hernam de andere; »de zaak droeg zich overigens vrij

eenvoudig toe; ik verloste haar uit de handen van mijne bandieten, die

juist bezig waren haar met alle zorgvuldigheid te plunderen; ik zag

haar en werd wanhopig op haar verliefd.”

»Mijnheer!” zeide de jager, terwijl het bloed hem naar het hoofd steeg,

»dat gaat alle perken te buiten. Doña Luz is eene dame, waarvan men met

eerbied spreken moet; ik zal niet dulden dat men haar in mijne

tegenwoordigheid beleedigt.”

»Wij zijn volkomen van hetzelfde gevoelen,” hernam de bandiet, »maar

het is daarom niet minder waar, dat ik verliefd op haar werd; ik deed

onderzoek naar haar, hoorde wie zij was, welke reis zij ging maken, en

tot op het oogenblik van haar vertrek was ik zeer gelukkig, gelijk gij

ziet; maar toen was mijn plan gemaakt, een plan, dat gelijk zoo even

zeer te recht door u is opgemerkt, geheel schipbreuk geleden heeft,

maar dat ik nog niet denk op te geven.”

»Wij zullen er wel een eind aan weten te maken.”

»En gij zult wel doen, zoo gij maar kunt.”

»Nu hebt gij gedaan met spreken, geloof ik.”

»Nog niet als het u belieft, maar voor wat ik nu ga zeggen is de

tegenwoordigheid van doña Luz onmisbaar; van haar alleen hangt de goede

uitslag mijner zending bij u af.”

»Ik begrijp u niet.”

»Gij behoeft mij ook nu nog niet te begrijpen, maar stel u gerust,

Edelhart, het raadsel zal weldra worden opgelost.”

Gedurende dit lange onderhoud had de roover geen oogenblik zijne

tegenwoordigheid van geest verloren, noch dien spottenden toon en die

losse manier van handelen opgegeven die den jager wanhopig maakten. Hij

geleek veel meer op een landedelman, die bij zijne buren een bezoek

aflegt, dan op een gevangene, die op het punt was van doodgeschoten te

worden; hij scheen zich over het gevaar, dat hij liep, geen oogenblik

te verontrusten; zoodra hij met spreken gedaan had, en terwijl de

jagers fluisterend met elkander beraadslaagden, hield hij zich bezig

met op een maïs-cigaar te kauwen die hij opstak en bedaard ging zitten

rooken.

»Doña Luz,” hernam Edelhart met kwalijk verborgen ongeduld, »heeft

niets met de onderhandelingen te maken, hare tegenwoordigheid is niet

noodzakelijk.”

»Gij vergist u zeer, mijn beste,” antwoordde de onverstoorbare roover,

terwijl hij een groote rookwolk uitblies, »zij is onmisbaar, en zie

hier waarom: gij begrijpt heel goed, niet waar? dat ik een veel te

slimme vogel ben om mij zoo maar voetstoots aan u uit te leveren,

zonder bij mij iemand te hebben achtergelaten, die met zijn leven voor

het mijne instaat; die iemand is de oom van het meisje; zoo ik niet te

middernacht ben teruggekeerd in mijne woning, zoo als gij het gelieft

te noemen, en te midden mijner dappere kameraden, en dat wel om tien

minuten over twaalven, precies, dan zal die achtenswaardige heer zonder

uitstel dood geschoten worden.”

Eene rilling van gramschap liep door de rijen der jagers.

»Ik weet heel goed,” ging de roover voort: »dat gij persoonlijk u zeer

weinig om het leven van den waardigen generaal bekommert, en dat gij

het edelmoedig zult opofferen, in ruil voor het mijne; maar gelukkig

voor mij is doña Luz, daar ben ik zeker van, van een ander gevoelen;

wees dus zoo goed, en verzoek haar om hier te komen, opdat zij hoore

wat ik haar heb voor te stellen; de tijd gaat voort, de weg van hier

naar mijn kamp is lang; als ik te laat kwam, zoudt gij alleen

verantwoordelijk zijn voor de ongelukken, die mijn oponthoud zou

tengevolge hebben.”

»Hier ben ik, mijnheer,” zeide doña Luz, eensklaps te voorschijn

tredende, daar zij onder de menigte verborgen, alles gehoord had wat er

gezegd was.

De roover wierp zijn half uitgerookte cigaar weg, maakte eene beleefde

buiging voor het meisje en groette haar eerbiedig.

»Ik ben gelukkig, mevrouw,” zeide hij, »van wege de eer, waarmede gij

mij verwaardigt.”

»Houd op met uw beleedigende complimenten, mijnheer; ik luister, wat

hebt gij mij te zeggen?”

»Gij beoordeelt mij verkeerd,” antwoordde de roover, »maar ik hoop, dat

ik later genade zal vinden in uwe oogen. Herkent gij mij dan niet, ik

meende eene betere herinnering bij u te hebben achtergelaten.”

»Het is mogelijk, mijnheer, dat ik een tijdlang een goeden dunk van u

bewaard heb,” antwoordde het meisje bewogen, »maar na al wat er in deze

laatste dagen gebeurd is, zie ik in u niets anders als een misdadiger.”

»Dat woord is hard, mevrouw!”

»Vergeef mij bid ik u, mijnheer, zoo het u mocht beleedigd hebben, maar

ik ben nog niet geheel hersteld van de schrikken die gij mij hebt

aangejaagd, schrikken, die uw gedrag van heden veeleer verdubbelt dan

uitwischt; wil mij dus zonder uitstel met uwe bedoelingen bekend

maken.”

»Ik zou bijna wanhopen, daar ik zoo slecht door u begrepen word,

mevrouw; ik smeek u, schrijf al het gebeurde alleen toe aan de

hevigheid van den hartstocht, die mij bezielt, en geloof....”

»Mijnheer, gij beleedigt mij!” viel het jonge meisje, zich trotsch

oprichtende, hem in de rede; »welke gemeenschap kan er bestaan tusschen

mij en een bandietenhoofdman?”

Bij deze geweldige beleediging overdekte een koortsachtige gloed het

gelaat van den roover; hij beet zich op de lippen, maar een sterke

poging doende om zichzelven te beheerschen, smoorde hij de gevoelens,

die hem bezielden, in het diepst van zijn hart, en antwoordde hij op

kalmen en eerbiedigen toon:

»Het zij zoo, mevrouw; verpletter mij, ik heb het verdiend.”

»Is het alleen om zulke alledaagsche gezegden uit te kramen, dat gij

mijne tegenwoordigheid hebt verlangd, mijnheer? in dat geval zult gij

mij niet kwalijk nemen, als ik mij verwijder; een meisje van mijn rang

is aan zulke manieren niet gewoon, en verwaardigt zich niet zulke

gesprekken aan te hooren.” Zij maakte eene beweging, om zich wederom

naar de moeder van Edelhart te begeven, die op zijne beurt naar haar

toekwam.

»Een oogenblik, mevrouw!” riep de roover toornig uit; »gij veracht

mijne gebeden, welnu, hoor dan mijne bevelen.”

»Uwe bevelen!” brulde de jager, op hem toespringende; »vergeet gij dan

waar gij zijt, ellendeling?”

»Kom, geen bedreigingen, mijn waarde vrienden!” hernam de roover met

luider stem, terwijl hij de armen kruiselings over de borst sloeg, het

hoofd oprichtte en een verachtelijken blik op de omstanders wierp; »gij

weet wel, dat gij tegen mij niets vermoogt, dat er geen haar van mijn

hoofd vallen zal.”

»Dat is te veel!” riep de jager uit.

»Halt, Edelhart!” zeide doña Luz, zich voor hem plaatsende, »die man is

uw toorn onwaardig; ik zie hem liever zoo, hij speelt zijn rol als

bandiet goed, hij heeft ten minste het masker afgeworpen!”

»Ja, ik heb het masker afgeworpen!” riep de roover woedend uit;

»luister dan, dwaas kind: binnen drie dagen kom ik terug; gij ziet, ik

ben goed,” vervolgde hij met een spotachtigen lach, »ik geef u den tijd

om na te denken; zoo gij er dan niet in toestemt om mij te volgen, zal

uw oom de vreeselijkste folteringen te verduren hebben, en als een

laatste gedachtenis van mij, zal ik u zijn hoofd zenden.”

»Monster!....” riep het meisje wanhopend uit.

»Kom aan!” zeide hij, met een duivelschen grijnslach de schouders

ophalende, »ieder bemint op zijne wijze; ik heb gezworen dat gij mijne

vrouw zult zijn.”

Maar het meisje hoorde niet meer; door smart overweldigd, was zij in

zwijm gevallen, in de armen van des jagers moeder en van Nô Eusébio,

die zich haastten haar weg te brengen.

»Genoeg!” zeide Edelhart met eene vreeselijke stem, terwijl hij zijne

hand op den schouder van den roover legde; »dank God, die u vergunt

heelhuids uit onze handen te komen.”

»Binnen drie dagen, op hetzelfde uur, ziet gij mij weder, mijne

heeren,” zeide hij met verachting.

»In dien tijd kan de kans omslaan,” zeide Goedsmoeds.

De roover antwoordde slechts met een grijnslach en verliet de hut zoo

kalm en bedaard, alsof er niets buitengewoons ware voorgevallen. Hij

verwaardigde zich niet eens om even om te zien, zoo zeker was hij van

de ontsteltenis die hij teweeg gebracht en van den indruk dien hij

gemaakt had.

Nauwelijks was hij weg, of Goedsmoeds, de Zwarte Eland en de Arendskop

verlieten de grot langs andere wegen om zijn spoor te volgen.

Edelhart bleef een oogenblik staan peinzen, vervolgens ging hij, bleek

en met gefronsd voorhoofd, vernemen hoe doña Luz het maakte.

X.

TWEESTRIJD.

Doña Luz en Edelhart stonden in een zonderlinge verhouding tegenover

elkander. Beide jong, beide schoon, beminden zij elkander zonder het

zich zelven te willen bekennen, zonder er zich bijna van bewust te

zijn. Beide, hoewel hun vorig leven hemelsbreed van elkander

verschilde, bezaten een gelijke frischheid van gevoelens, een gelijke

onschuld des harten.

De kindsheid van het meisje was eentonig en stil voorbij gegaan onder

overdreven godsdienstige oefeningen, in dat land, waar het christendom

veeleer eene soort van fetischdienst is, dan wel dat zuivere, edele,

eenvoudige geloof van onze gewesten. Nooit had zij haar hart hooger

voelen kloppen. Zij was onbekend met de liefde, onbekend met de smart.

Zij leefde als de vogelen des hemels, den dag van gisteren vergetende,

aan den dag van morgen niet denkende. Maar de reis, die zij ondernomen

had, had een geheele verandering in haar bestaan teweeg gebracht. Het

gezicht van den onmetelijken horizon, die zich voor haar in de prairie

uitstrekte, van de prachtige rivieren, die zij overtrok, van de hooge

bergen, waar zij vaak langs moest, en wier toppen den hemel schenen aan

te raken, had den kring van hare denkbeelden grooter gemaakt, een

blinddoek was haar als het ware van de oogen gevallen, zij had begrepen

dat God haar voor iets anders geschapen had, als om in een klooster

haar leven voort te slepen.

De verschijning van Edelhart, in de buitengewone omstandigheden, waarin

hij zich aan haar voorstelde, had haren voor elken indruk vatbaren

geest verleid. In zijne tegenwoordigheid voelde zij zich haars ondanks

bewogen. Onbewust had haar hart het hart ontmoet, dat het zocht. Teeder

en zwak als zij was, had zij behoefte aan dien krachtigen man, met dien

doordringenden blik, met dien leeuwenmoed, met dien ijzeren wil, om

haar staande te houden in het leven, en om haar onder zijne machtige

bescherming te nemen.

Ook had zij zich van het eerste oogenblik af aan met onbeschrijfelijk

zoet gevoel langs de helling, die haar naar Edelhart voerde, laten

afglijden, en de liefde had zich in hare ziel gevestigd, eer zij het

wist, en eer zij op tegenstand bedacht was. De laatste gebeurtenissen

hadden met vernieuwde kracht dien hartstocht, die op den bodem haars

harten sluimerde, opgewekt. Nu, terwijl zij bij hem was, terwijl zij

ieder oogenblik uit den mond zijner moeder en van zijne vrienden zijn

lof hoorde verkondigen, was zij er toe gekomen om hare liefde te

beschouwen als een deel uitmakende van haar bestaan; zij begreep niet,

hoe zij zóólang had kunnen leven, zonder dien man te beminnen, dien zij

van hare geboorte af scheen gekend te hebben.

Zij leefde slechts voor hem en door hem, gelukkig als zij een blik of

een glimlach van hem kon opvangen, vroolijk als zij hem zag, treurig

als hij lang wegbleef.

Edelhart was langs een gansch anderen weg tot hetzelfde einddoel

gekomen. Opgevoed in de prairiën, om zoo te zeggen, van aangezicht tot

aangezicht tegenover God, dien hij zich gewend had te vereeren in de

grootsche werken, die hij altijd voor oogen had, hadden de verhevene

natuurtafereelen, de gedurige worstelingen met de Indianen of met de

wilde dieren, zijnen geest zoowel als zijn lichaam buitengemeen

ontwikkeld. Evenals hij door zijne spierkracht en zijne behendigheid in

het hanteeren der wapenen alle hinderpalen, die hem in den weg stonden,

wist te overwinnen, was hij ook door den rijkdom zijner denkbeelden en

door de fijnheid van zijn gevoel, in staat om alle dingen te begrijpen.

Niets wat goed en groot was, was hem onbekend. Gelijk meestal het geval

is met zulke uitgelezen karakters, wanneer zij reeds vroeg met

tegenspoed te worstelen hebben, en zonder andere verdedigers als zich

zelven aan de vreeselijkste omstandigheden des levens zijn

blootgesteld, had ook zijne ziel zich op buitengewone wijze ontwikkeld,

maar tevens een zonderlinge naïveteit bewaard met betrekking tot zekere

gevoelens, die hem altijd onbekend waren gebleven, en die hem, uit

hoofde van zijne levenswijze, eeuwig onbekend zouden gebleven zijn, zoo

niet een toeval hem te hulp ware gekomen. De dagelijksche behoeften van

het veelbewogen en onzekere leven, dat hij leidde, hadden in hem de

kiem van den hartstocht onderdrukt, zijne eenzaamheid had hem onbewust

tot een meer beschouwend leven gevoerd.

Daar hij geen andere vrouwen kende als zijne moeder, want de

Indiaansche vrouwen hadden hem nooit iets anders als afkeer

ingeboezemd, was hij zes en dertig jaren oud geworden, zonder aan

liefde te denken, zonder te weten wat het was, en, wat meer zegt,

zonder zelfs ooit dat veelbeteekenend woord, dat de bron is van zooveel

verhevene opofferingen en van zooveel verschrikkelijke misdaden, te

hebben hooren uitspreken. Als na een lange dagreize door bosschen en

langs rotsachtige wegen, na een vermoeiende beverjacht, van vijftien

tot zestien uren, Edelhart en Goedsmoeds zich in de prairie bij het

wachtvuur vereenigden, liep hun gesprek natuurlijk over niets anders

als over de gebeurtenissen van den dag. Zoo gingen er weken, maanden,

jaren voorbij, zonder dat er eenige verandering in zijn toestand kwam,

behalve dat zich een onbestemd gevoel van hem meester maakte, een

verlangen naar hij wist niet wat, een ongerustheid waarvan hij de

oorzaak niet kende, die hem langzaam ondermijnde, zonder dat hij er

zich rekenschap van geven kon.

Want de natuur heeft hare onverbiddelijke rechten, waaraan ieder,

willens of onwillens, in welken toestand hij zich ook bevinde, zich

moet onderwerpen.

Toen dan ook het toeval hem met doña Luz in aanraking bracht, vloog

zijn hart tot haar met hetzelfde gevoel van natuurlijke en

onweerstaanbare aanhankelijkheid en eenstemmigheid, dat ook het meisje

beheerschte. Zelf verbaasd over die plotselinge belangstelling voor

eene vreemde, welke hij waarschijnlijk nooit weder zou zien, werd hij

bijna wrevelig over dat in hem opkomend gevoel, en openbaarde hij in

zijn omgang met haar eene gedwongenheid, die niet in zijn karakter lag.

Evenals alle groote geesten, die steeds allen zonder tegenstand voor

zich hebben zien buigen, hinderde hem het bewustzijn van door een

meisje beheerscht te worden, en onder een invloed te staan, waaraan hij

zich reeds niet meer onttrekken kon.

Doch toen hij na den brand der prairie het kamp der Mexicanen verliet,

had hij, ondanks zijn haastig vertrek, de herinnering der vreemde in

zijn hart medegenomen. Dat beeld was verder uitgewerkt door hare

afwezigheid. Altijd meende hij in zijne ooren den zoeten, welluidenden

toon van hare stem te hooren ruischen; altijd, hetzij hij waakte,

hetzij hij sliep, stond zij voor hem, met een glimlach op de lippen, en

met den blik op hem geslagen.

De strijd was zwaar om te strijden. Edelhart, niettegenstaande den

hartstocht die hem verteerde, wist welk een onoverkomelijke afstand hem

van doña Luz scheidde. Hoe zinneloos zijne liefde was, hoe onmogelijk

hare bevrediging. Alle tegenwerpingen, die in zulke gevallen slechts

gemaakt kunnen worden, maakte hij, om zich zelven het bewijs te

leveren, dat hij een dwaas was.

Vervolgens, toen hij er in geslaagd was om zich zelven te overtuigen,

dat er tusschen hem en haar, die hij liefhad, een diepe klove bestond,

toen hij overwonnen was in den vreeselijken strijd, dien hij met zich

zelven had aangegaan, en alleen de hoop, die den sterke nooit verlaat,

hem misschien nog staande hield, was hij nog verre van zijne nederlaag

te willen erkennen of zich weerloos over te geven aan dien hartstocht,

die voortaan zijn eenig genot, zijn eenig geluk uitmaakte, en ging hij

steeds voort met hem in het geheim te bestrijden, medelijden hebbende

met zich zelven om die duizend kleine lafheden, die zijne liefde hem

dagelijks deed begaan.

Hij vermeed met eene standvastigheid, die het meisje zou hebben kunnen

hinderen, elke gelegenheid om haar te ontmoeten; als het toeval hem

dwong zich met haar samen te bevinden, werd hij stil en vervelend; op

de vragen die zij tot hem richtte, antwoordde hij slechts met moeite en

met die onhandigheid, die meestal de eerstbeginnenden in het vak der

liefde kenmerkt; de eerste gelegenheid, die zich aanbood, nam hij waar,

om haar te verlaten.

Het meisje volgde hem treurig met hare oogen, zuchtte in stilte, en

voelde soms een vochtige parel langs hare blozende wangen rollen, als

zij dat afscheid zag, dat haar een bewijs zijner onverschilligheid

toescheen, en dat toch een gevolg was van zijne liefde. Maar gedurende

de weinige dagen, die er na de inneming van het kamp verloopen waren,

waren de jongelieden onbewust eene groote schrede vooruitgegaan, te

meer daar Edelharts moeder, met dien scherpen blik, welken alleen eene

moeder bezit, zoo zij waarlijk dien naam verdient, den hartstocht van

haren zoon geraden, zijn inwendigen strijd gezien, en zich zelve de

geheime vertrouwde gemaakt had van die liefde, die zij buiten hun weten

wilde bevorderen en tot een gelukkig einde brengen, terwijl zij beide

voor zich zelven overtuigd waren, dat hunne liefde in de diepste diepte

hunner ziel begraven lag.

Zoo stonden de zaken, twee dagen na dien, waarop de kapitein aan doña

Luz zijn voorstel gedaan had.

Edelhart scheen droeviger gestemd dan gewoonlijk; hij wandelde met

groote schreden in de grot op en neder, gaf met duidelijke teekenen

zijn levendig ongeduld te kennen, en wierp nu en dan onrustige blikken

om zich heen. Eindelijk leunde hij zich tegen een der wanden, liet zijn

hoofd op zijne borst nederzinken en bleef in gedachten staan.

Zoo stond hij een tijdlang, toen een zachte stem hem in het oor

fluisterde:

»Wat schort u toch, mijn zoon? van waar die droefheid, die uw gelaat

bewolkt? Hebt gij slechte tijding ontvangen?”

Edelhart hief het hoofd op, als iemand die eensklaps wordt wakker

gemaakt. Zijne moeder en doña Luz stonden voor hem, arm in arm op

elkander leunende. Hij wierp een treurigen blik om zich heen, en

antwoordde op doffen toon:

»Helaas, moeder, morgen is het de laatste dag! ik heb nog niets kunnen

bedenken, om doña Luz te redden, en haar haren oom terug te geven.”

De twee vrouwen sidderden.

»Morgen!” prevelde doña Luz, »dat is waar, morgen moet die man komen.”

»Wat zult gij doen, mijn zoon?”

»Weet ik het, moeder?” antwoordde hij ongeduldig; »o, die man is

sterker dan ik! hij heeft al mijne plannen verijdeld! Tot heden toe is

het ons onmogelijk geweest zijne schuilplaats te ontdekken; al onze

nasporingen hebben niet de minste vrucht opgeleverd.”

»Edelhart,” zeide het meisje zachtjes, »zult gij mij dan aan de genade

van dien bandiet overgeven? Waarom hebt gij mij dan gered?”

»O,” zeide de jager, »dat verwijt zal mij dooden!”

»Ik verwijt u niets, Edelhart,” zeide zij levendig, »maar ik ben zoo

ongelukkig. Als ik blijf, dan ben ik oorzaak van den dood van den

eenigen bloedverwant, dien ik ter wereld bezit; als ik ga, ben ik

onteerd.”

»O, en niets te kunnen doen!” riep hij bewogen uit, »u te zien

schreien, u ongelukkig te weten, en niets te kunnen doen! O, om u een

angst te besparen, zou ik gaarne mijn leven willen opofferen! God

alleen weet, hoe mijne onmacht mij ter neder drukt.”

»Hoop, mijn zoon!” zeide de oude dame op een toon van overtuiging. »God

is goed, hij zal u niet verlaten.”

»Hopen! wat zegt gij daar, moeder? Twee dagen lang hebben mijne

vrienden en ik het onmogelijke beproefd, maar alles te vergeefs. Hopen!

en binnen weinige uren zal die ellendeling zijn prooi komen opeischen!

Ik wil liever sterven, dan zulk een misdaad te zien volbrengen.”

Doña Luz zag hem met een zonderlinge uitdrukking aan; een droevige

glimlach plooide hare lippen, en hem zachtjes hare fijne mollige hand

op de schouders leggende, zeide zij met een welluidende stem:

»Edelhart, bemint gij mij?”

De jongeling sidderde; een rilling voer hem door de leden.

»Waartoe die vraag?” vroeg hij bevend.

»Antwoord mij, zonder aarzelen, en even vrij als ik het u vraag,”

hernam zij: »het oogenblik is plechtig, ik heb u een gunst te

verzoeken.”

»O, spreek, mevrouw! gij weet, dat ik u niets kan weigeren.”

»Antwoord mij dan eerst,” hernam zij huiverend, »bemint gij mij?”

De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika · 第 17 / 21 段