Al de overige Mexicanen waren wel is waar gevallen, maar de overwinning

was den roovers duur te staan gekomen. Zij waren voor de grootste helft

gedood.

De neger van den generaal, met een geduchte knods gewapend, had zich

lang verdedigd tegen hen, die zich van hem poogden meester te maken;

zonder genade sloeg hij allen, die zich te dicht bij hem waagden, dood,

met het moorddadig wapen, dat hij met ongemeene behendigheid hanteerde;

eindelijk was men er in geslaagd hem te lasseeren en half geworgd op

den grond te werpen, maar de kapitein redde hem het leven, op het

oogenblik, dat een der roovers den arm oplichtte, om hem te dooden.

Zoodra de kapitein zag, dat de generaal in de onmogelijkheid was om

eenige beweging te maken, slaakte hij een kreet van vreugde, en zonder

er aan te denken om het bloed te stelpen, dat hem uit twee wonden

stroomde, sprong hij als een tijger over het lichaam van zijn vijand,

die zich machteloos aan zijne voeten kromde, en trad de tent binnen.

Deze was ledig. Doña Luz was verdwenen. De kapitein stond als aan den

grond genageld.

Wat kon er van het meisje geworden zijn?

De tent was niet groot, bijna zonder meubelen; het was onmogelijk er

zich in te verbergen. Een verfrommeld bed bewees, dat, op het oogenblik

van den aanval, doña Luz nog rustig lag te sluimeren. Als een

toovernimf was zij zonder eenig spoor achter te laten, verdwenen. De

kapitein begreep niets van hare vlucht, daar het kamp van alle zijden

te gelijk was aangevallen. Hoe zou een jong meisje, plotseling wakker

geschrikt, genoeg moed en tegenwoordigheid van geest hebben gehad, om

zoo vlug en zoo ongemerkt te ontsnappen, door den kring van vijanden

heen, die haar omringden, en wier eerste zorg het geweest was, om al de

ingangen te bewaken? Hij zocht te vergeefs naar de oplossing van dit

raadsel. Stampvoetend van toorn peilde hij met zijn ponjaard de pakken,

die der vluchteling tot eene tijdelijke schuilplaats hadden kunnen

verstrekken, maar alles te vergeefs. Eindelijk overtuigd, dat zijne

nasporingen in de tent tot niets zouden leiden, wierp hij zich naar

buiten, als een wild dier overal rondloopende, verzekerd, dat, zoo het

haar door een wonder gelukt was, om alleen, in den nacht, half gekleed,

en onbekend met de wegen in de wildernis, te ontsnappen, hij haar spoor

gemakkelijk terug zou vinden.

De plundering werd ondertusschen voortgezet met eene snelheid en met

eene orde, te midden der wanorde, die de proefondervindelijke

kundigheden der roovers eer aandeden.

De overwinnaars, eindelijk het moorden en stelen moede, openden met

hunne ponjaards de lederen zakken mezcal, en zetten door een algemeene

slemppartij de kroon op hun werk.

Eensklaps liet zich op eenigen afstand een krassend en vreeselijk

geschreeuw hooren, en een hagelbui van kogels stortte op de bandieten

neder. Dezen, op hunne beurt aangevallen, vlogen te wapen, en poogden

zich te hereenigen. Op hetzelfde oogenblik kwam er een bende Indianen

te voorschijn, die als tijgers tusschen de pakgoederen sprongen, van

nabij gevolgd door een troep jagers, onder de aanvoering van Edelhart,

Goedsmoeds en den Zwarten Eland.

De roovers bevonden zich in een benarden toestand. De kapitein, wien

het gevaar, waaraan zijne manschappen waren blootgesteld, ter harte

ging, liet het vruchteloos zoeken met weêrzin varen, en zijne lieden om

zich heen scharende, liet hij de twee gevangenen, die hij gemaakt had,

den generaal namelijk en zijn neger, opnemen. Toen gebruik makende van

de verwarring, die van een dergelijken aanval onafscheidelijk is, gaf

hij aan de zijnen bevel, om zich in alle richtingen te verspreiden, ten

einde des te gemakkelijker aan de slagen hunner vijanden te ontkomen.

De roovers schoten allen te gelijkertijd hunne geweren af, hetgeen

onder de aanvallers eenige aarzeling teweeg bracht, en verwijderden

zich toen als een troep bloeddorstige gieren, om weldra in de

duisternis te verdwijnen.

De kapitein intusschen, die het laatst achtergebleven was, om den

aftocht te dekken, verzuimde niet om nogmaals, terwijl hij langs de

rotsen afgleed, al vluchtende en zoolang hij kon, naar de sporen van

het meisje te zoeken; maar er was niets van haar te ontdekken.

Teleurgesteld ging hij weg, met woede in het hart en de zwartste

voornemens in het hoofd.

Edelhart door den Indiaanschen verspieder, en vooral door het verhaal

van den doctor van den aanval op het kamp onderricht, was dadelijk op

marsch gegaan, ten einde den Mexicanen zoo spoedig mogelijk hulp toe te

brengen. Doch ongelukkig waren, ondanks de snelheid waarmede zij

voortgingen, de jagers en de Comanchen te laat gekomen om de karavaan

te redden.

Toen de aanvoerders der onderneming zich van de vlucht der roovers

verzekerd hadden, begonnen de Arendskop en zijne manschappen hen te

achtervolgen.

Edelhart, meester van het kamp gebleven zijnde, gaf bevel tot eene

algemeene jacht in de naburige rotskloven en in het hooge gras, dat de

bandieten nog niet den tijd hadden gehad nauwkeurig te onderzoeken,

want zij waren nauwelijks het kamp binnengedrongen, of zij werden er

weder uitgeslagen. Deze jacht leidde tot de ontdekking van Phebe, het

kamermeisje van doña Luz, en van twee lanceros, die zich in een

boomstam verscholen hadden, en die meer dood dan levend door den

Zwarten Eland en nog eenige andere jagers werden te voorschijn

gebracht. De arme drommels meenden den roovers in handen gevallen te

zijn, en Edelhart had onbeschrijfelijk veel moeite om hun aan het

verstand te brengen, dat de lieden die zij zagen vrienden waren, wel is

waar te laat gekomen om hen te helpen, maar toch niet genegen hun eenig

kwaad te doen. Zoodra zij een weinig gerust gesteld waren, trad

Edelhart met hen de tent binnen, en vroeg hun een omstandig verhaal van

het gebeurde.

De jongste mesties, zoodra zij zag met wie zij te doen had, kreeg

eensklaps al haar moed terug, en daar zij bovendien Edelhart herkende,

liet zij zich lichtelijk tot praten bewegen: binnen weinige minuten

bracht zij den jager op de hoogte van al de verschrikkelijke

gebeurtenissen, waarvan zij getuige was geweest.

»Dus,” vroeg hij haar, »is kapitein Aguilar gedood?”

»Helaas! ja,” antwoordde het meisje met een smartelijken zucht; zij

dacht aan den moed van den armen officier.

»En de generaal?” hernam de jager.

»O, de generaal,” zeide de mesties levendig, »die heeft zich geweerd

als een leeuw, en hij is eerst na een heldhaftigen tegenstand

gevallen.”

»Is hij dood?” vroeg Edelhart, pijnlijk aangedaan.

»O, neen,” zeide zij, »hij is maar gewond, ik heb gezien dat de

bandieten hem wegdroegen, ik geloof zelfs, dat zijne wonden niet van de

zwaarsten zijn, daar de ladrons (dieven) hem gedurende het gevecht

altijd trachtten te sparen.”

»Des te beter,” zeide de jager, en hij boog nadenkend het hoofd. Na

eene korte pauze, voegde hij er aarzelend en met eenigszins bevende

stem bij: »En uwe jonge meesteres, wat is daarvan geworden?”

»Mijne meesteres, doña Luz?”

»Ja, doña Luz, dat is geloof ik haar naam; ik zou er alles voor over

hebben, om iets van haar te hooren, en te weten dat zij zich in

veiligheid bevindt.”

»Dat doet zij, want zij is dicht bij u,” zeide eene welluidende stem.

En doña Luz trad te voorschijn, nog bleek van de aandoeningen, waaraan

zij ten prooi was geweest, maar toch kalm, met een glimlach op de

lippen, en met glinsterende oogen.

De omstanders konden een uitroep van verbazing niet weerhouden, toen

zij zoo onverwachts dat meisje zagen verschijnen.

»O, God zij geprezen!” riep de jager uit, »onze hulp is dan niet geheel

nutteloos geweest, Caballero.”

»Neen,” antwoordde zij bevallig; en liet er treurig op volgen, terwijl

eene donkere wolk haar gelaat overschaduwde: »thans, nu ik hem verloren

heb, die mij als een vader was, kom ik uwe bescherming inroepen.”

»Zij is u gegund, mevrouw,” zeide hij met warmte; »wat uw oom betreft,

o, reken op mij; ik zal hem u teruggeven, al moest ik het met mijn

leven betalen. Gij weet,” voegde hij er bij, »dat ik heden niet voor de

eerste maal uwe zaak verdedig.”

Toen de eerste oogenblikken van aandoening voorbij waren, verlangde men

te weten, hoe het meisje er in geslaagd was om zich aan de nasporingen

der roovers te onttrekken.

Doña Luz verhaalde wat haar overkomen was.

Het meisje had zich geheel gekleed te bed gelegd, de ongerustheid had

haar wakker gehouden, een geheim voorgevoel zeide haar, dat zij op hare

hoede moest zijn. Bij het door de roovers aangeheven geschreeuw was zij

verschrikt opgestaan, en met den eersten oogopslag had zij gezien, dat

het onmogelijk was om te vluchten. Een angstigen blik om zich heen

werpende, had zij eenige kleederen bemerkt, die in wanorde in eene

hangmat waren geworpen en naar buiten hingen.

Toen was haar plotseling een gedachte in het hoofd gekomen. Zij had

zich onder deze kleederen laten doorglijden, en zich zoo klein makende

als zij kon, zich in de hangmat nedergelegd, zonder de wanorde der

kleederen te verstoren. Door Gods goedheid had het opperhoofd der

bandieten, toen hij overal rondzocht, er niet aan gedacht om met de

hand in die schijnbaar ledige hangmat te tasten. Door dit toeval gered,

had zij zich ongeveer een half uur schuil gehouden, al dien tijd in

eene spanning verkeerende, die het onmogelijk is te beschrijven. De

komst der jagers en de stem van Edelhart, die zij terstond herkende,

hadden haar weder hoop ingeboezemd, zij had hare schuilplaats verlaten,

en ongeduldig op eene gunstige gelegenheid gewacht om zich te

vertoonen.

De jagers stonden verbaasd over dit eenvoudig en toch zoo treffend

verhaal; zij wenschten het meisje geluk met haren moed en hare

tegenwoordigheid van geest, door welke alleen zij gered was geworden.

Toen de orde in het kamp een weinig hersteld was, begaf Edelhart zich

wederom naar doña Luz.

»Mevrouw,” zeide hij, »weldra zal het dag zijn; als gij eenige uren

rust zult genomen hebben, zal ik u bij mijne moeder brengen, die eene

vrome vrouw is; als zij u kent, twijfel ik niet, of zij zal u als hare

dochter liefhebben; daarna, als gij in veiligheid zult zijn, zal ik

mijn best doen, om uwen oom op te sporen.”

Zonder de dankbetuigingen van het meisje af te wachten, maakte hij eene

eerbiedige buiging voor haar en ging de tent uit.

Zoodra hij weg was, slaakte doña Luz een zucht, en liet zich peinzend

op haar stoel nedervallen.

VIII.

DE GROT VAN DEN KOPERGROEN.

Er waren twee dagen verloopen, na de in het vorige hoofdstuk vermelde

gebeurtenissen.

Wij geleiden den lezer, tusschen drie en vier ure na den middag, in de

door Goedsmoeds ontdekte hut, waar Edelhart bij voorkeur zijn verblijf

hield. Het inwendige der grot, verlicht door tallooze toortsen van

zeker hout, dat de Indianen kaarshout noemen, en die op gelijke

afstanden in de nissen der rotsen stonden te branden, had heel veel van

eene legerplaats van heidens of bandieten. Een veertigtal jagers en

Comanchen waren hier en daar verspreid; sommigen sliepen, anderen

rookten, anderen wederom maakten hunne wapens schoon of herstelden

hunne kleederen, nog anderen lagen geknield voor twee of drie vuren,

waarboven groote ketels hingen, of roosterden ontzaglijke stukken

wildbraad voor het middagmaal hunner kameraden. Bij elken ingang der

grot stonden twee schildwachten, onbewegelijk, maar op alles nauwkeurig

acht gevende, om voor het algemeene welzijn te waken.

In een afzonderlijk vertrek, door een vooruitstekend rotsblok van de

overige ruimte afgescheiden, zaten twee vrouwen en een man op ruwe

houtblokken zachtjes te praten.

Deze vrouwen waren doña Luz en de moeder van Edelhart, de man, die

onder het rooken van zijn maïs-cigaar het oog op haar gevestigd hield,

en soms zich in het gesprek mengde, hetzij door een uitroep van

verrassing, van bewondering, of van vreugde, was nô Eusébio, de oude

Spaansche dienaar, van wien wij reeds meermalen in den loop van dit

verhaal melding hebben gemaakt.

Aan den ingang van dit vertrek, dat eene soort van kamer in de grot

vormde, wandelde een ander man, met de handen op den rug en tusschen de

tanden fluitend, heen en weder. Dat was de Zwarte Eland.

Edelhart, de Arendskop en Goedsmoeds waren afwezig.

Het gesprek der beide vrouwen scheen hun veel belang in te boezemen; de

moeder van den jager wisselde vaak een veelbeteekenenden blik met haar

ouden dienaar, die zijn cigaar uit had laten gaan, maar, zonder het te

merken, werktuigelijk bleef doorrooken.

»O,” zeide de oude dame, de handen samenvouwende en de oogen ten hemel

slaande, »de vinger Gods is wel zichtbaar in dit alles.”

»Ja,” antwoordde nô Eusébio met overtuiging. »Hij alléén heeft alles

gedaan.”

»En zeg mij, mijn lieve, heeft uw oom gedurende de twee maanden dat gij

op reis zijt, u nooit laten merken, hetzij door woorden, hetzij door

daden, wat het doel was van dien tocht?”

»Nooit!” antwoordde doña Luz.

»Het is vreemd,” prevelde de oude dame.

»Ja vreemd, inderdaad,” herhaalde nô Eusébio, die voortging met aan

zijn cigaar te trekken.

»Maar,” hernam Edelharts moeder, »waarmede bracht uw oom sedert zijne

komst in de prairiën, zijn tijd door? Vergeef mij, mijn kind, die

vragen moeten u wel vreemd toeschijnen, maar zij zijn geenszins het

gevolg van nieuwsgierigheid; later zult gij mij begrijpen; dan zult gij

inzien hoe groot de belangstelling is, die gij mij inboezemt, en welke

alleen mij noopt u te ondervragen.”

»Ik twijfel er geenszins aan, mevrouw,” antwoordde doña Luz met een

bekoorlijk lachje; »ook maak ik geen bezwaar om uwe vragen te

beantwoorden. Mijn oom is sedert onze komst in de prairiën zeer

droefgeestig en bezorgd geweest; hij zocht bij voorkeur het gezelschap

van menschen, die aan het woestijnleven gewoon waren, en als hij er zoo

een ontmoette, bleef hij vaak vele uren achtereen met hem praten.”

»En waarover ondervroeg hij hen dan, mijn kind, herinnert gij u dat

ook?”

»O hemel, mevrouw,” antwoordde het meisje, terwijl een lichte blos hare

wangen kleurde, »ik moet u tot mijne schande bekennen, dat ik op die

gesprekken niet veel acht gaf, daar ik ten minste dacht, dat zij mij al

heel weinig aangingen. Ik, arm kind, die tot nu toe eene sombere en

eentonige levenswijze geleid heb, en die de wereld slechts heb gezien

door de tralies van mijn klooster, ik bewonderde de grootsche natuur,

die als door betoovering zich voor mij ontrolde; ik had geene oogen

genoeg om die wonderen te aanschouwen, en ik aanbad den schepper, wiens

oneindige macht zich eensklaps aan mij openbaarde.”

»Het is waar, lief kind, vergeef mij die vragen, die u moeten

vermoeien, en waarvan gij het belang niet gissen kunt,” zeide de goede

dame, haar een kus op het voorhoofd drukkende; »als gij wilt, zullen

wij er later nog wel eens over spreken.”

»Zoo als gij wilt, mevrouw,” antwoordde het meisje haar wederom

kussende, »ik ben blijde met u te kunnen praten, en welk onderwerp gij

kiezen moogt ik zal er altijd veel belang in stellen.”

»Maar wij zitten hier niets te doen als te babbelen, en vergeten

intusschen mijn armen zoon die sedert dezen morgen afwezig is, en die,

naar hij mij gezegd heeft, nu reeds terug moest zijn.”

»O, als hem maar niets overkomen is,” riep doña Luz angstig.

»Gij stelt dan wel belang in hem?” vroeg de oude dame glimlachend.

»O, mevrouw,” antwoordde zij aangedaan, terwijl haar gelaat zich met

gloeiend rood overdekte, »hoe zou dit anders kunnen na de diensten, die

hij ons bewezen heeft, en die welke hij ons nog bewijzen zal gelijk ik

zeker weet?”

»Mijn zoon heeft u beloofd uw oom te zullen bevrijden; wees overtuigd,

dat hij zijne belofte vervullen zal.”

»O, ik twijfel er niet aan, mevrouw! zulk een edel en groot karakter!”

riep zij met verheffing van stem uit, »met hoeveel recht draagt hij den

naam van Edelhart!”

De oude dame en Eusébio zagen haar glimlachend aan; zij waren verheugd

over de verrukking van het meisje.

Doña Luz bemerkte nu met welk eene aandacht men haar gadesloeg; zij

hield verlegen op, en boog het hoofd voorover, nog sterker blozende dan

te voren.

»O,” zeide de oude dame, haar bij de hand grijpende, »ga gerust voort,

mijn kind, ik ben verrukt u zoo over mijn zoon te hooren spreken; ja,”

voegde zij er treurig en als tot zichzelve sprekende bij, »ja, hij

heeft een groot en edel karakter; gelijk alle groote geesten, wordt hij

miskend; maar geduld, God beproeft hem, eens zal hem recht wedervaren:

voor het aangezicht van allen.”

»Zou hij gelukkig zijn?” waagde het meisje te vragen.

»Dat zeg ik niet, mijn kind,” antwoordde de arme moeder met een

onderdrukten zucht, »wie kan in deze wereld zich vleien, gelukkig te

zijn? Ieder heeft een last om te dragen, maar de Almachtige geeft aan

ieder kracht naar kruis.”

Men hoorde eenige beweging in de grot, verscheidene mannen traden

binnen.

»Daar is uw zoon, mevrouw,” zeide de Zwarte Eland.

»Verplicht, mijn vriend,” antwoordde zij.

»O, zooveel te beter,” zeide doña Luz, verheugd opstaande.

Maar beschaamd over deze onwillekeurige beweging, liet het meisje zich

verlegen en blozend weder op hare zitplaats nedervallen.

Het was inderdaad Edelhart die binnenkwam, maar hij was niet alleen.

Goedsmoeds en de Arendskop, benevens verscheidene jagers vergezelden

hem.

Edelhart, zoodra hij zich in de grot bevond, begaf zich dadelijk met

groote stappen naar de plaats, waar zijne moeder zat, hij gaf haar een

kus op het voorhoofd, wendde zich toen tot doña Luz, en groette haar

met zekere onnatuurlijke gedwongenheid, die voor de oude dame niet

onopgemerkt bleef.

Het meisje groette hem niet minder stijf terug.

»Nu,” zeide hij vroolijk, »gij zult u wel verveeld hebben, terwijl gij

op mij zat te wachten, mijne edele gevangene! de tijd heeft u in deze

grot wel lang moeten toeschijnen; vergeef mij, dat ik u in deze akelige

woning geherbergd heb, doña Luz, gij, die geboren zijt om prachtige

paleizen te bewonen. Helaas! het is het prachtigste van al mijne

verblijven.”

»Bij de moeder van hem, die mij het leven gered heeft, mijnheer,”

antwoordde het meisje met waardigheid, »gevoel ik mij als in de

tegenwoordigheid eener koningin, welke ook de plaats moge zijn, die

haar tot woning verstrekt.”

»Gij zijt al te goed, mevrouw!” stamelde de jager; »gij maakt mij

waarlijk verlegen.”

»Welnu, mijn zoon,” viel de oude dame in, met het doel om eene andere

wending te geven aan het gesprek dat voor de beide jonge lieden

moeielijk begon te worden, »wat hebt gij van daag gedaan? Hebt gij

goede tijding voor ons? Doña Luz is zeer bezorgd omtrent het lot van

haar oom; zij brandt van verlangen om hem weder te zien.”

»Ik begrijp de ongerustheid van mevrouw,” antwoordde de jager, »ik hoop

die weldra uit den weg te ruimen, wij hebben van daag niet veel

uitgericht, het is ons onmogelijk geweest het spoor der bandieten terug

te vinden. Het is om gek te worden van woede. Gelukkig hebben wij bij

onze terugkomst, niet ver van de grot, den doctor wedergevonden, die

volgens zijne loffelijke gewoonte, bezig was met in de spleten der

rotsen naar kruiden te zoeken; hij zeide ons, dat hij een man van een

verdacht uiterlijk in den omtrek had zien ronddwalen. Wij zijn dadelijk

op de jacht gegaan, en inderdaad ontdekten wij weldra een persoon,

waarvan wij ons onverwijld meester maakten, en dien wij hierheen hebben

gebracht.”

»Gij ziet dus, mijnheer,” zeide doña Luz min of meer schalkachtig, »dat

het zoeken van kruiden toch nog ergens goed voor is. De goede doctor

heeft u naar alle waarschijnlijkheid een groote dienst bewezen.”

»Zonder het te willen,” antwoordde Edelhart lachend.

»Dat spreek ik niet tegen,” hernam het meisje schertsend, »maar hij

heeft het toch niettemin gedaan; en dat hebt gij aan zijne liefhebberij

voor de planten te danken.”

»Het zoeken van planten heeft iets goeds, dat stem ik u toe; maar alles

moet zijn tijd hebben, en de doctor, zonder dat ik hem iets verwijten

wil, heeft den zijne niet altijd even goed gekozen.”

Ondanks de ernstige feiten, waarop deze woorden zinspeelden, konden de

omstanders zich niet weêrhouden, om ten koste van den ongelukkigen

geleerde even te glimlachen.

»Kom, kom,” zeide doña Luz, »ik wil niet dat men mijnen armen doctor

aanvalt; hij is voor zijne achteloosheid zwaar genoeg gestraft door het

verdriet, dat hem sedert dien noodlottigen dag verteert.”

»Gij hebt gelijk, mevrouw; ik zal er niet meer van spreken; maar nu

vraag ik uwe toestemming om u te verlaten; mijne kameraden sterven

letterlijk van honger, en de brave lieden wachten op mij, om te gaan

eten.”

»Maar,” vroeg nô Eusébio, »dien man, dien gij aangehouden hebt, wat

wilt gij daarmede doen?”

»Dat weet ik nog niet; zoodra ik gegeten heb, zal ik hem ondervragen;

zijne antwoorden zullen waarschijnlijk mijn gedrag ten zijnen opzichte

besturen.”

De ketels werden van het vuur genomen en de stukken wildbraad klein

gesneden; de jagers en de Indianen zetten zich broederlijk naast

elkander en aten met veel smaak.

De dames werden afzonderlijk in haar vertrek bediend door nô Eusébio,

die de plichten van hofmeester waarnam met eene zorgvuldigheid en een

ernst, eene betere plaats waardig.

De man, die bij den ingang der grot aangehouden was, was onder bewaking

gesteld van twee sterke, van top tot teen gewapende jagers, die hem

niet uit het oog verloren; maar hij scheen er volstrekt niet aan te

denken om te ontvluchten; integendeel, hij deed de spijzen, die men

beleefd genoeg geweest was voor hem neder te zetten, zeer veel eer aan.

Zoodra de maaltijd afgeloopen was, vereenigden de opperhoofden zich, en

voerden eenige minuten lang te zamen een fluisterend gesprek. Daarna

werd op bevel van Edelhart de gevangene voorgebracht, en maakte men

zich gereed om hem te ondervragen. Deze man, dien men nog nauwelijks

een blik waardig gekeurd had, werd dadelijk herkend, zoodra hij voor de

opperhoofden stond, die een gebaar van verrassing niet konden

weerhouden.

»Kapitein Ouaktehno!” prevelde Edelhart verbaasd.

»Ja, ik zelf, mijne heeren,” antwoordde de roover met spottende

hooghartigheid; »wat hebt gij mij te vragen? Ik ben bereid u op alles

te antwoorden.”

IX.

STAATKUNDE.

Na al wat er gebeurd was, scheen het van den kapitein eene ongehoorde

vermetelheid, om zich zelven aldus weerloos in handen te stellen van

menschen, die niet zouden aarzelen eene schitterende wraak op hem te

nemen. De jagers waren dan ook niet weinig verschrikt over dezen stap

van den roover, en zij vermoedden, niet zonder reden, dat er een list

onder verscholen lag. Zij begrepen zeer goed, dat, zoo de kapitein

gevangen genomen was, hij zich had laten gevangen nemen, en dat hij

waarschijnlijk eene dringende beweegreden had om aldus te handelen,

vooral na de zorg die hij besteed had, om zijn spoor voor aller oog te

verbergen, en zulk eene ondoordringbare schuilplaats te zoeken, dat de

Indianen zelven, aan wier scherpen blik niets ontgaat, de hoop van die

ooit te zullen vinden, hadden opgegeven. Wat kwam hij doen, te midden

zijner onverzoenlijke vijanden? Welke reden had hem kunnen bewegen om

de onvoorzichtigheid te begaan van zich zelven over te geven? Dit

vroegen de jagers zich af, terwijl zij hem aanstaarden met die

nieuwsgierigheid en belangstelling, welke men onwillekeurig zich

genoopt gevoelt te wijden aan den man, die onverschrokken een moedige

daad volbrengt, welk karakter hij overigens ook moge bezitten.

»Mijnheer,” zeide Edelhart na een korte pauze tot hem, »daar gij u in

onze handen gesteld hebt, zult gij zonder twijfel niet weigeren te

antwoorden op de vragen, die wij noodig achten tot u te richten.”

Een onbeschrijfelijke lach plooide de bleeke en dunne lippen van den

roover.

»Niet alleen,” antwoordde hij kalm en met nadruk, »zal ik niet weigeren

u antwoord te geven, mijne heeren, maar zelfs zoo gij het vergunt, zal

ik uwe vragen vooruitloopen, door u uit eigen beweging al wat er is

voorgevallen te melden, hetgeen, ik ben er zeker van, u vele feiten

duidelijk zal maken, die tot nu toe duister zijn gebleven, en die gij

te vergeefs gepoogd hebt te verklaren.”

Een gemompel van verbazing doorliep de rijen der jagers, die allen

naderbij kwamen en aandachtig luisterden.

Dit tooneel nam vreemde verhoudingen aan, en beloofde belangrijk te

zullen worden. Edelhart dacht even na, vervolgens zich tot den roover

wendende, zeide hij:

»Ga uw gang, mijnheer, wij luisteren.”

De kapitein boog, en begon op schertsenden toon zijn verhaal; toen hij

bij de overmeestering van het kamp gekomen was, vervolgde hij aldus:

De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika · 第 16 / 21 段