vielen, die van den Zwarten Eland en van Nô Eusébio waren, welke beiden
dicht bij hem stonden.
»O,” zeide hij, hun de hand gevende, »ik begrijp alles; mijne vrienden,
hebt dank, hebt dank voor uwen welwillenden bijstand, maar Gode zij
dank, ik heb dien niet meer noodig.”
»Des te beter,” zeide de Zwarte Eland.
»Het is u dus gelukt, om aan de handen dier verwenschte Roodhuiden te
ontsnappen?” vroeg de oude dienaar met belangstelling.
»Zeg geen kwaad van de Comanchen,” zeide Edelhart glimlachende, »zij
zijn thans mijne broeders.”
»Spreekt gij in ernst,” riep de Zwarte Eland levendig; »zijt gij
werkelijk wel met de Indianen?”
»Gij zult er zelven over oordeelen; de vrede tusschen hen en mijne
vrienden is gesloten; zoo gij het goedvindt, zal ik u aan elkander
voorstellen.”
»Hemel! in de tegenwoordige omstandigheden kon ons geen grooter geluk
overkomen,” zeide de Zwarte Eland, »en, daar gij vrij zijt, kunnen wij
ons met anderen bezig houden, die zich op dit oogenblik in groot gevaar
bevinden, en die waarschijnlijk grootelijks behoefte hebben aan onze
hulp.”
»Wat wilt gij daarmede zeggen?” vroeg Edelhart met belangstellende
nieuwsgierigheid.
»Ik wil zeggen, dat diezelfde menschen, aan wie gij reeds een
ontzaglijke dienst bewezen hebt, bij gelegenheid van den brand in de
prairie, op dit oogenblik door een bende roovers omsingeld worden, die
waarschijnlijk niet zullen nalaten hen aan te vallen, indien dit niet
reeds heeft plaats gehad.”
»Gij moet hun ter hulpe snellen!” riep Edelhart, die zijn aandoening
niet bedwingen kon.
»Bij God, dat is ons plan, maar wij wilden eerst u verlossen, Edelhart;
gij zijt de ziel onzer vereeniging; zonder u zouden wij niets goeds
kunnen doen.”
»Ik dank u, mijne vrienden, maar nu, zooals gij ziet, ben ik vrij;
niets alzoo weerhoudt ons om terstond te gaan.”
»Vergeef mij,” hernam de Zwarte Eland, »maar wij hebben met eene sterke
tegenpartij te doen; de roovers, die weten, dat zij op geen genade te
rekenen hebben, vechten als tijgers; hoe grooter in aantal wij zijn,
des te meer kans hebben wij om wél te slagen.”
»Dat is waar! maar wat wilt gij dan?”
»Wel: gij hebt in onzen naam vrede gesloten met de Comanchen; zou het
niet....”
»Gij hebt waarachtig gelijk, Zwarte Eland;” viel Edelhart hem haastig
in de rede, »ik zou er niet aan gedacht hebben; de Indiaansche
krijgslieden zullen blijde zijn, dat wij hun eene gelegenheid aanbieden
om hunne dapperheid te toonen; zij zullen ons gaarne helpen, ik neem de
zorg op mij, om hen over te halen; volgt gij mij allen, ik ga u aan
onze nieuwe vrienden voorstellen.”
De jagers vereenigden zich en vormden een dicht opeengedrongen bende
van omtrent veertig man.
De wapenen werden ten teeken van vrede onderstboven gekeerd, en allen
richtten zich naar het kamp, voorafgegaan door Edelhart.
»En mijne moeder?” vroeg Edelhart aan Nô Eusébio.
»Zij is in veiligheid in de hut van den Zwarten Eland.”
»Hoe gaat het met haar?”
»Goed, maar halfdood van angst,” antwoordde de grijsaard; »uwe moeder
is eene vrouw die slechts door haar hart leeft; zij bezit een
ontzaglijken moed, de grootste lichaamssmarten schokken haar niet; zij
gevoelt niets meer van de afschuwelijke marteling, die zij heeft
ondergaan.”
»God zij geprezen! maar wij moeten haar niet lang in die doodelijke
spanning laten; waar is uw paard?”
»Hier dicht bij, in de struiken verscholen.”
»Haal dat en begeef u naar mijne moeder,—stel haar gerust en gaat met u
beiden naar de grot van de Kopergroen, waar zij tegen alle gevaar
beschut zal zijn. Blijf daar bij haar. Die grot is gemakkelijk te
vinden, zij ligt niet ver van de rots van den dooden Bison; overigens,
als gij daar gekomen zult zijn, laat de honden dan maar los, die zullen
u den weg wel wijzen. Hebt gij mij goed begrepen?”
»Volkomen.”
»Ga dan, wij zijn vlak bij het kamp; uwe tegenwoordigheid is hier
onnoodig, terwijl zij daar onmisbaar is.”
»Ik ga.”
»Vaarwel.”
»Tot weêrziens.”
Nô Eusébio floot de speurhonden, die hij met een lasso aan elkander
bond; voor de laatste maal gaf hij Edelhart de hand, verliet hen toen,
maakte rechtsomkeert, en ging terug naar het bosch, terwijl de
jagerbende aan den ingang der opene plaats kwam waar de Indianen hun
kamp hadden opgeslagen.
De Comanchen vormden op eenige passen afstands van de eerste grenzen
van hun kamp een grooten halven cirkel, in het midden waarvan de
opperhoofden stonden. Om aan de aankomelingen alle eer te bewijzen,
hadden zij hun schoonste gewaad aangetrokken; zij waren allen als tot
den oorlog geschilderd en gewapend.
Edelhart liet zijn troep halt houden, en alleen voortgaande, ontplooide
hij een bisonhuid en liet die in de lucht wapperen.
De Arendskop verwijderde zich toen van de andere opperhoofden, hij
naderde op zijne beurt den jager, en deed insgelijks, ten teeken van
vrede, een bisonhuid wapperen.
Toen de beide mannen nog slechts drie passen van elkander waren, bleven
zij staan. Edelhart nam het woord.
»De meester des levens,” zeide hij, »doorziet onze harten; hij weet,
dat tusschen ons de weg schoon en open is, en dat de woorden, die ons
hart uitblaast en onze mond uitspreekt, oprecht zijn; de blanke jagers
komen aan hunne roode broeders een bezoek brengen.”
»Zij zijn welkom,” antwoordde de Arendskop hartelijk, en hij maakte
eene buiging, met die bevalligheid en die edele majestueuze houding,
die de Indianen kenmerkt.
Na deze woorden schoten de Comanchen en de jagers hunne wapens in de
lucht af, terwijl zij tevens een luid vreugdegejuich deden hooren. Toen
werd alle stijfheid verbannen, de beide troepen mengden zich zoo geheel
ondereen, dat zij in weinig tijds slechts eene enkele bende vormden.
Maar Edelhart, die, na al wat de Zwarte Eland hem gezegd had, wist, hoe
kostbaar de oogenblikken waren, had ondertusschen den Arendskop ter
zijde genomen, en hem openhartig de verwachting medegedeeld, die men
van zijn stam koesterde.
De hoofdman glimlachte bij dit verzoek.
»Aan het verlangen van mijn broeder zal voldaan worden,” zeide hij,
»zoo hij slechts even wachten wil.”
Hierop den jager verlatende, voegde hij zich bij de andere
opperhoofden.
Weldra klom de roeper op de verandah eener hut, en riep met luid
geschreeuw de meest vermaarde krijgslieden op, om zich in de raadstent
te vereenigen.
Het verzoek van Edelhart verwierf algemeene goedkeuring; er werden
tachtig uitgelezene mannen, onder aanvoering van den Arendskop,
aangewezen, om de jagers te vergezellen, en met alle kracht mede te
werken, tot het welslagen der onderneming.
Toen het besluit der opperhoofden bekend was geworden, heerschte er
eene algemeene vreugde in den stam. De verbondenen zouden zich met
zonsondergang op weg begeven, om den vijand onverhoeds te overvallen.
Men danste, met inachtneming van al de in dergelijke gevallen
gebruikelijke plechtigheden, den grooten krijgsdans, gedurende welken
de krijgslieden steeds in koor deze woorden herhaalden:
»Wabimdam Kitchée manitoo, agarmissey hapitch neatissum!”
Dat wil zeggen: »Meester des levens, zie mij met een gunstig oog aan,
gij hebt mij den moed gegeven, om mijne aderen te openen!”
Toen men op het punt stond van te vertrekken koos de Arendskop, die wel
wist met welke gevaarlijke vijanden hij te doen zou krijgen, twintig
lieden uit, op wie hij rekenen kon, en zond hen als verspieders
vooruit, na hen van Scotté wigwas of boomschors voorzien te hebben,
opdat zij terstond vuur zouden kunnen aanleggen, om ingeval van nood te
waarschuwen.
Vervolgens onderzocht hij nauwkeurig de wapenen zijner krijgslieden,
en, voldaan over den uitslag zijner inspectie, gaf hij het teeken tot
vertrek.
De Comanchen en de pelsjagers schaarden zich op de wijze der Indianen
in gelid, en door hunne opperhoofden voorafgegaan verlieten zij het
kamp, achtervolgd door de wenschen en aanmoedigingen hunner vrienden,
die hen tot aan de eerste boomen van het woud vergezelden.
Het legertje bestond uit honderd dertig wakkere mannen, allen van top
tot teen gewapend, en aangevoerd door opperhoofden, die voor geen
hinderpaal terugweken, en door geen gevaar zich lieten afschrikken. Er
heerschte eene dikke duisternis; de maan, door zware wolken omringd,
die zich log en langzaam voortbewogen, verspreidde slechts nu en dan
een flauwen glans, die aan alles een fantastisch voorkomen gaf. De wind
blies zeer ongelijkmatig, en stortte zich met dof en klagend geluid in
de holen en in de openingen tusschen de rotsen. Het was, in één woord,
een van die nachten, die in de geschiedenis der menschheid altijd het
tooneel schijnen te moeten zijn van droevige treurspelen.
De krijgslieden trokken stilzwijgend voort; zij geleken in het donker
op een troep schimmen, die aan het graf ontkomen waren, en zich
haastten, om een nameloos, door God vervloekt werk te volbrengen, dat
de nacht alleen in staat was met zijne schaduw te bedekken.
Omstreeks middernacht werd het woord: halt! zoo zacht mogelijk
uitgesproken. Men betrok een kamp, om op het nieuws der verspieders te
wachten; dat wil zeggen, ieder wikkelde zich zoo goed of zoo kwaad als
hij kon in zijn mantel, om op het eerste teeken gereed te zijn. Er
werden geen vuren ontstoken. De Indianen, die op hunne verspieders
vertrouwen, zetten nooit schildwachten uit, als zij ten strijde
uitgetrokken zijn. Zoo gingen twee uren voorbij. Het kamp der Mexicanen
was niet meer dan drie mijlen van daar verwijderd; maar alvorens zij
zich verder waagden wilden de opperhoofden zich verzekeren, dat de weg
vrij was; in het tegenovergestelde geval wilden zij onderzoeken, hoe
groot het aantal was der vijanden, die hun den weg versperden, en welk
plan van aanval zij schenen beraamd te hebben.
Op het oogenblik dat Edelhart, door ongeduld verteerd, zich gereed
maakte om zelf op verkenning uit te gaan, liet zich in de struiken
eenig gedruisch hooren, dat in het eerst bijna onmerkbaar was, maar
weldra hoe langer hoe sterker werd. Er kwamen twee mannen te
voorschijn. De eerste was een der verspieders, de ander was de doctor.
De toestand waarin de arme geleerde zich bevond, was deerniswaardig.
Hij had zijn pruik verloren, zijne kleederen waren verscheurd, zijn
gezicht was van angst verwrongen, en zijn geheele persoon droeg de
duidelijke sporen van een hevig gevecht.
Toen hij bij den Arendskop en bij Edelhart kwam, viel hij op den grond
in zwijm. Men haastte zich hem in het leven terug te roepen.
VI.
DE LAATSTE AANVAL.
De achter de wallen geplaatste lanceros hadden den aanval der roovers
moedig doorgestaan. De generaal, wanhopig over den dood van kapitein
Aguilar, en overtuigd dat er met zulke vijanden niet te onderhandelen
viel, had besloten een onverzettelijken tegenstand te bieden en zich
liever te laten dooden, dan in hunne handen te vallen.
De Mexicanen, daaronder gerekend de peones en gidsen, op welke men zich
nauwelijks verlaten kon, waren slechts ten getale van zeventien, zoo
mannen als vrouwen.
De roovers waren ten getale van minstens dertig.
Er bestond dus een groot verschil in aantal tusschen de belegeraars en
de belegerden; maar door de sterke ligging van het kamp op den top van
een chaos van rotsen, viel dit verschil gedeeltelijk weg, en stonden de
krachten aan beide zijden bijna gelijk.
Kapitein Ouaktehno kende zeer goed al de bezwaren aan den aanval
verbonden, bezwaren, die, daar de aanval thans openlijk geschiedde,
bijna onoverkomelijk waren; ook had hij op eene verrassing gerekend, en
vooral op het verraad van den Babbelaar. De omstandigheden alleen en
zijne woede over het verlies, dat kapitein Aguilar hem berokkend had,
hadden hem genoopt om den aanval te wagen.
Toen echter het eerste oogenblik van drift voorbij was, en hij zag dat
zijne manschappen, als overrijpe vruchten, aan alle zijden nedervielen,
zonder dat hij hen kon wreken, of zonder dat zij een duim gronds
wonnen, besloot hij, niet om terug te trekken, maar om de bestorming in
eene belegering te veranderen, hopende dat hij gedurende den nacht
gelegenheid zou vinden om een goeden slag te slaan, en in het uiterste
geval, zeker zou zijn van vroeg of laat de belegerden door den honger
te kunnen dwingen.
Hij hield zich overtuigd, dat zij op geenerlei hulp of bijstand rekenen
konden in deze prairiën, waar men slechts Indianen ontmoet, die met
alle blanken in vijandschap leven, of wel jagers, die er niet van
houden om zich te mengen in zaken, die hun niet aangaan.
Zijn besluit eens genomen zijnde, bracht de kapitein het onmiddellijk
ten uitvoer.
Hij wierp een blik om zich heen: hun toestand bleef altijd dezelfde;
ondanks al hunne schier bovenmenschelijke inspanning om de steile
helling die naar de wallen leidde, te beklimmen, waren de roovers geen
stap gevorderd.
Zoodra maar iemand waagde zich te vertoonen, deed een kogel uit een der
Mexicaansche karabijnen hem onmiddellijk in den afgrond storten.
De kapitein gaf het teeken tot den aftocht, dat is te zeggen hij
bootste het gehuil van den hond der prairiën na. Oogenblikkelijk hield
het gevecht op. Deze plek, een oogenblik te voren nog zoo levendig door
het geschreeuw der strijders en het losbranden der vuurwapenen, verviel
eensklaps in eene doodelijke stilte. Zoodra echter de menschen hun
vernielingswerk ten einde hadden gebracht, maakten de gieren, de valken
en de arenden een begin met het hunne. Na de roovers, de roofvogels;
zoo behoort het immers.
In groote troepen dwarrelden zij als wolken om de lijken heen, waarop
zij zich krassend en vechtend nederwierpen, ten aanschouwe der
Mexicanen, die zich niet buiten hunne verschansingen durfden te wagen,
en genoodzaakt waren toeschouwers te blijven van dit afschuwelijk
feestmaal.
De roovers vereenigden zich in een grot, buiten het bereik van de
geweren der Mexicanen, en telden hunne manschappen. Hun verlies was
vreeselijk geweest; van de veertig waren er nog maar negentien. In
minder dan een uur hadden zij een en twintig man verloren; meer dan de
helft.
De Mexicanen hadden, behalve kapitein Aguilar, noch dooden noch
gekwetsten.
Het verlies, dat de roovers geleden hadden, bracht hen tot nadenken. De
meerderheid was van oordeel, dat men moest aftrekken, en van de
voordeelen eener onderneming afzien, die met zooveel gevaren en zoovele
moeielijkheden gepaard ging. De kapitein was nog meer ontmoedigd dan
zijne makkers.
Voorzeker, als het hem slechts te doen ware geweest om goud en
edelgesteenten te veroveren, zou hij zonder aarzelen zijne plannen
hebben laten varen, maar een andere, meer dringende reden noopte hem
tot handelen, en spoorde hem aan, om het avontuur tot aan het einde toe
voort te zetten, welke ook voor hem de gevolgen mochten zijn. De schat,
dien hij begeerde, een schat van onberekenbare waarde, was doña Luz,
dat meisje, dat hij reeds eenmaal te Mexico uit de handen zijner
bandieten had gered, en voor hetwelk hij, zijns ondanks, eene
onbeteugelde liefde had opgevat. Van Mexico af volgde hij haar stap
voor stap, evenals een wild dier op iedere gelegenheid loerend om een
prooi meester te worden, voor welker bezit hem geen offer te zwaar,
geene moeite te groot, geen gevaar te dreigend scheen.
Hij putte dan ook bij zijne bandieten alle hulpmiddelen uit, die de
taal schenkt aan iemand, die zich door hartstocht verblinden laat, om
hen bij zich te houden, om hunnen moed op te wekken, in één woord om
hen te bewegen, dat zij, alvorens zij aftrokken, nog een aanval zouden
wagen.
Hij had veel moeite om hen te overtuigen; gelijk meestal in zulke
gevallen, waren de dappersten gedood; de overblijvenden voelden zich
niet zeer gestemd om zich aan hetzelfde lot bloot te stellen. Maar door
middel van beloften en bedreigingen, gelukte het den kapitein eindelijk
om aan de bandieten de belofte af te persen, dat zij tot den volgenden
dag aldaar blijven, en gedurende den nacht een beslissenden slag zouden
wagen.
Toen zij hierin overeengekomen waren, gaf Ouaktehno aan zijne
manschappen bevel om zich zoo goed mogelijk te verbergen, vooral omdat
zij er order toe kregen, zich niet te verroeren, welke beweging zij ook
door de Mexicanen zagen maken. De kapitein hoopte door onzichtbaar te
blijven, de belegerden in den waan te brengen dat de roovers,
afgeschrikt door de ontzettende moeielijkheden, die zij hadden ontmoet,
tot den aftocht besloten hadden, en werkelijk reeds afgetrokken waren.
Dit plan was niet zonder beleid opgevat; en het verkreeg inderdaad
bijna de uitkomst, die hij er van verwachtte.
De roodachtige gloed der ondergaande zon kleurde met zijne laatste
stralen de toppen der boomen en der rotsen; de avondwind verfrischte en
zuiverde de lucht, de zon verdween in een bed van purperen dampen. De
stilte werd door niets gestoord dan door het krassend geschreeuw der
roofvogels, die hun kannibalenfeest voortzetten, en met woedende
bloeddorstigheid elkander de stukken vleesch betwistten, die zij van de
lijken afscheurden.
De generaal, aangedaan door het droevig schouwspel, en meenende dat
kapitein Aguilar, de man wiens heldenmoed hen allen gered had, mede aan
die afschuwelijke ontwijding was blootgesteld, besloot zijn lijk niet
te verlaten, en, ’t mocht kosten wat het wilde, het op te zoeken en te
begraven, om alzoo een laatste eerbewijs te geven aan den ongelukkigen
jongeling, die niet geaarzeld had, zich voor hem op te offeren. Doña
Luz, aan wie hij zijn voornemen mededeelde, hoewel zij er de gevaren
van inzag, had de kracht niet om zich er tegen te verzetten.
De generaal koos vier wakkere mannen uit, en na de wallen beklommen te
hebben, ging hij hun voor naar de plaats, waar het lijk van den
ongelukkigen kapitein lag.
De lanceros, die in het kamp gebleven waren, bewaakten de vlakte,
gereed om hunnen moedigen makkers krachtdadig bijstand te bieden, in
geval zij in hun vromen arbeid mochten worden gestoord.
De roovers, die in de spleten der rotsen in hinderlaag lagen, verloren
geene hunner bewegingen uit het oog, maar zij wachtten zich wel, hunne
tegenwoordigheid te verraden.
De generaal kon dus rustig den plicht volbrengen, dien hij zich had
opgelegd. Het lijk van den kapitein was niet moeielijk te vinden.
Het lag, half omver gevallen, aan den voet van een boom, met een
pistool in de eene hand en zijne machete in de andere met opgerichten
hoofde, met vasten blik en met een glimlach op de lippen, als daagde
hij, nog na zijnen dood, zijne moordenaars uit. Zijn lijk was
letterlijk met wonden bedekt, maar door een gelukkig toeval, dat de
generaal met blijdschap opmerkte, hadden de roofvogels het tot nu toe
gespaard.
De lanceros legden het lijk op hunne geweren, en droegen het in
gezwinden pas naar het kamp terug.
De generaal liep dicht achter hen, een wakend oog houdende op de
struiken en het kreupelhout.
Geen blad bewoog zich; overal heerschte de grootste stilte; de roovers
waren verdwenen, zonder ander spoor achter te laten als hunne dooden.
De generaal hoopte, dat zijne vijanden waren afgetrokken; hij slaakte
een zucht van verlichting.
De nacht begon met zijne gewone snelheid te vallen, aller blikken waren
gericht op de lanceros, die hun gesneuvelden officier terug brachten,
niemand merkte een twintigtal schimmen op, die zwijgend over de rotsen
gleden, en langzaam het kamp naderden, bij hetwelk zij zich in
hinderlaag legden, om van daar hunne vlammende blikken op de
verdedigers der legerplaats te richten.
De generaal liet het lijk op een rustbed plaatsen, dat in der haast was
opgemaakt; en eene spade nemende, wilde hij zelf een kuil graven,
waarin de jongeling zou worden nedergelegd.
Al de lanceros schaarden zich om hem heen, leunende op hunne wapenen.
De generaal ontblootte zijn hoofd, nam een gebedenboek en las overluid
het doodenformulier voor, waarop zijne nicht en de omstanders het Amen
uitspraken.
Er was iets grootsch en treffends in deze eenvoudige plechtigheid, te
midden der wildernis, wier duizend stemmen ook een gebed schenen te
prevelen, en in het aangezicht dier grootsche natuur, waar Gods vinger
zich zoo duidelijk openbaart.
Die grijsaard, zooals hij daar bezig was het doodenformulier voor te
lezen boven het lijk van een jongeling, even te voren nog vol
levenskracht, zooals hij daar stond naast dat jonge meisje, te midden
dier sombere soldaten, die er over nadachten, hoe hetzelfde lot weldra
hen misschien wachten zou, maar die toch kalm en onderworpen, ijverig
baden voor hem, die hun was voorgegaan; en dan dat gebed zelve, zooals
het daar omhoog rees in den nacht, begeleid door het zuchten van den
avondwind, die huiverend door de takken ritselde, alles herinnerde aan
de eerste tijden van het Christendom, toen het, vervolgd en gedwongen
zich te verschuilen, in de woestijn de wijk nam, om nader bij God te
wezen.
De vervulling dezer laatste plichtpleging werd door niets gestoord.
Nadat elk der aanwezigen nog eenmaal van den doode afscheid genomen
had, werd hij in zijn mantel gewikkeld en in den kuil nedergelaten;
zijne wapens werden naast hem geplaatst en de kuil werd dicht geworpen.
Eene kleine verhevenheid van den grond, die weldra weder verdwijnen
zou, wees alleen de plaats aan, waar het lijk rustte van een man, wiens
heldenmoed en verhevene zelfopoffering diegenen had gered, welke hem de
zorg voor hun behoud toevertrouwd hadden.
De omstanders gingen uiteen, vast besloten zijn dood te wreken, en in
geval van nood, te doen gelijk hij.
Het was nu volkomen donker geworden.
De generaal deed thans voor het laatste de ronde, om zich te
verzekeren, dat de wachten allen op hun post stonden, wenschte zijne
nicht goeden nacht, en legde zich buiten hare tent, dwars voor den
ingang neder.—Zoo gingen er drie uren in ongestoorde rust voorbij.
Eensklaps begon een twintigtal mannen, als zoovele duivels, zwijgend
tegen de wallen op te klauteren, en eer de verbaasde schildwachten den
minsten tegenweer konden bieden, waren zij reeds bij de keel gegrepen
en geworgd.
Het kamp der Mexicanen was door de roovers verrast, en met hen waren
roof en moord daar binnen getreden!
VII.
HET GEVECHT.
De roovers dansten als jakhalzen in het kamp rond, onder het aanheffen
van een luid gebrul en onder het schudden der wapenen. Zoodra het kamp
ingenomen was, had de kapitein hun de vergunning gegeven, om op hun
gemak te gaan plunderen en moorden. Zonder zich verder met hen te
bemoeien, was hij naar de tent geijld.
Daar echter werd de doorgang hem belet. De generaal had zeven of acht
man om zich heen verzameld, en wachtte aldus de bandieten moedig af,
vast besloten zich liever te laten dooden, dan toe te staan dat een
dezer ellendelingen zijne nicht aanraakte. Op het gezicht van den ouden
soldaat, die met bliksemende oogen, met een pistool in de eene en den
degen in de andere hand, gereed was hem te ontvangen, aarzelde de
kapitein. Maar die aarzeling duurde geen seconde, hij riep een tiental
roovers op, om zich rondom hem te scharen.
»Maak plaats!” zeide hij, zijne machete zwaaiende.
»Kom, zoo gij durft!” antwoordde de generaal, zich woedend op de lippen
bijtende.
De beide mannen wierpen zich op elkander, hunne manschappen volgden hun
voorbeeld, het gevecht werd algemeen.
’t Was eene vreeselijke worsteling, eene worsteling tusschen mannen,
die wisten, dat zij van elkander geene genade te wachten hadden.
Ieder deed zijn best om doodelijke slagen uit te deelen, zonder zich de
moeite te geven, om die, welke op hem gericht waren, af te weren, niet
morrende om zijn val, zoo hij in dien val slechts zijne tegenpartij
medesleepte. De gekwetsten poogden zich nog op te richten, om met hun
ponjaard diegenen te treffen, welke nog vechtende waren.
Zulk een woeste strijd kon niet lang duren; al de lanceros werden
afgemaakt, de generaal viel op den grond, omvergeworpen door den
kapitein, die op hem viel, en hem met zijn gordel stevig knevelde, om
hen allen verderen tegenstand onmogelijk te maken.
De generaal was slechts licht gewond. Om zekere redenen, die hij alleen
kende, had de kapitein hem voorbedachtelijk onder het gevecht
beschermd, met zijne machete de slagen, die door de bandieten op hem
gericht werden, afwerende. Hij wilde zijn vijand levend in handen
krijgen, en het was hem gelukt.