Hij begreep niet welke hulp zijne vrienden verwachten konden van een

halven wilde, die eenzaam in de prairie leefde en met jagen in zijn

onderhoud voorzag. Zoo hij de zending dan ook terstond had aangenomen,

was het alleen omdat hij zich zoo innig aan de nicht van den generaal

gehecht gevoelde, want eenigen goeden uitslag verwachtte hij er niet

van. In de overtuiging, dat zijne zending geheel nutteloos was, reed

hij niet, gelijk hij had moeten doen, regelrecht en op een draf naar de

toldo van den Zwarten Eland; maar hij steeg af, nam zijn paard bij den

toom en ging aan het zoeken van planten, eene bezigheid waarin hij zich

weldra geheel verdiepte, zoodat hij de aanbeveling van doña Luz en de

reden, waarom hij het kamp verlaten had, volkomen vergat.

De tijd stond echter niet stil, de dag was reeds half verstreken; de

doctor, die reeds lang terug had moeten zijn, was nog niet verschenen.

Een groote angst heerschte in het kamp der Mexicanen. De generaal en de

kapitein hadden alles geregeld om het tegen een aanval te kunnen

verdedigen. Er daagde niets op. In den omtrek bleef alles bedaard; de

Mexicanen geloofden bijna, dat zij door een valsch alarm waren

verschrikt.

Doña Luz alleen voelde hare ongerustheid met ieder oogenblik toenemen;

met de oogen naar de vlakte gericht, zag zij vergeefs uit naar den

kant, van waar haar boodschapper moest terugkomen. Eensklaps scheen

het, dat het hooge gras der prairie een golvende beweging aannam,

waarvan de oorzaak onzichtbaar was. De lucht werd door geen enkel

koeltje bewogen, het was drukkend warm; de bladeren, door de

zonnestralen verbrand, waren onbewegelijk; het hooge gras alleen ging

voort langzaam en geheimzinnig te wuiven. En, wat vooral vreemd was,

deze bijna onmerkbare beweging, die slechts een geoefend oog kon

waarnemen was niet algemeen; integendeel, zij was voortgaande en

naderde het kamp met eene regelmatigheid, die eene door overleg

bestuurde beweegkracht deed vermoeden; naarmate toch de beweging zich

aan de meer nabijzijnde halmen mededeelde, vervielen de achtersten

weder in een volkomen rust, die verder door niets werd afgebroken.

De wachten, die op de wallen stonden, wisten niet waaraan zij deze

onbegrijpelijke beweging moesten toeschrijven. De generaal, als een

gehard soldaat, besloot de zaak te onderzoeken; hoewel hij nooit

persoonlijk met de Indianen in aanraking was geweest, had hij toch te

veel van hunne manier van vechten gehoord, om hier niet eenige

achterdocht te koesteren. Het kamp, dat al zijne verdedigers noodig

had, niet van manschappen willende berooven, besloot hij om zelf het

avontuur te wagen, en op verkenning uit te gaan.

Toen hij zich gereed maakte om over de wallen heen te klouteren, hield

de kapitein hem staande, en legde hem eerbiedig den arm op den

schouder.

»Wat wilt gij van mij, mijn vriend?” vroeg de generaal, zich

omkeerende.

»Ik zou, met uw verlof, wel een vraag tot u willen richten, generaal,”

antwoordde de jongeling.

»Doe zoo.”

»Gij verlaat het kamp, niet waar?”

»Ja.”

»Zeker om op verkenning uit te gaan?”

»Om op verkenning uit te gaan, ja.”

»Dan, generaal, ben ik het aan wien de eer van die taak toekomt.”

»Waarom?” zeide de generaal verbaasd.

»Hemel, generaal, dat is zeer eenvoudig; ik ben maar een arme duivel,

een subaltern officier, die alles aan u verplicht ben.”

»Verder?”

»Het gevaar waaraan ik mij zal blootstellen zoo er gevaar is, zal niets

afdoen tot den goeden uitslag der onderneming; terwijl indien....”

»Terwijl indien...?”

»Indien gij gedood wordt?”

De generaal maakte een afwijzende beweging.

»Ja, men moet alles voorzien,” vervolgde de kapitein, »als men zulke

tegenstanders heeft.”

»Dat is waar; maar dan nog?”

»Wel, onze tocht zal mislukt zijn, en geen onzer zal de beschaafde

wereld wederzien. Gij zijt het hoofd, wij anderen, wij zijn slechts

ledematen; blijf dus in het kamp.”

De generaal dacht eenige oogenblikken na; vervolgens de hand van den

jongeling met hartelijkheid drukkende, zeide hij:

»Ik ben u zeer verplicht, maar ik moet met eigen oogen zien wat men

tegen ons beraamt. De zaak is te ernstig dan dat ik mij op u mag

verlaten.”

»Neen, gij moet blijven, generaal,” drong de kapitein bij hem aan; »is

het niet voor ons, laat het dan ten minste voor uwe nicht zijn, voor

dat onschuldige brooze schepseltje, dat zoo u iets overkwam, alleen zou

staan, alleen te midden van woeste volksstammen, zonder steun en zonder

beschermer; wat is het leven voor mij, armen jongen, zonder familie,

die alles aan uwe goedheid te danken heb? Het uur is nu gekomen, waarin

ik u mijne dankbaarheid toonen kan, laat mij mijne schuld betalen.”

»Maar,” wilde de generaal zeggen.

»Gij weet het,” vervolgde de jongeling in vervoering, »zoo ik u kon

vervangen bij doña Luz, ik zou het met genoegen doen, maar ik ben nog

te jong voor die schoone rol; kom, generaal, laat ik in uwe plaats

gaan, die eer komt mij toe.”

Half vrijwillig, half gedwongen trad de oude officier terug; de

kapitein sprong de wallen op, was er met één sprong weder af, en

verwijderde zich zoo snel mogelijk, na zijnen vriend een laatst vaarwel

te hebben toegeroepen.

De generaal volgde hem met de oogen, zoolang hij kon; vervolgens wreef

hij zijn voorhoofd met de hand, en prevelde:

»Een brave jongen, een uitmuntend karakter!”

»Niet waar, oom?” antwoordde doña Luz, die ongemerkt naderbij gekomen

was.

»Waart gij daar, mijn kind?” zeide hij met een glimlach, dien hij

vruchteloos vroolijk trachtte te maken.

»Ja, beste oom, ik heb alles gehoord.”

»Goed, lieve,” zeide de generaal met gedwongen bedaardheid, »maar het

is nu geen tijd, om weekhartig te zijn, ik moet voor uwe veiligheid

zorgen; blijf niet langer hier, kom met mij mede; hier zou een

Indiaansche kogel u maar al te gemakkelijk kunnen treffen.” En haar bij

de hand nemende, bracht hij haar zachtjes tot aan de tent. Toen zij

binnen was, gaf hij haar een kus op het voorhoofd, beval haar daar te

blijven, en keerde weder naar de wallen, om nauwkeurig te zien wat er

in de vlakte gebeurde, tevens den tijd berekenende, die er na het

vertrek van den doctor verloopen was, en zich verwonderende over diens

wegblijven.

»Hij zal den Indianen in handen gevallen zijn,” zeide hij, »als zij hem

maar niet gedood hebben!”

Kapitein Aguilar was een moedig soldaat; gevormd in de gedurige

oorlogen van Mexico, ging bij hem beleid met moed gepaard. Tot op een

zekeren afstand van het kamp genaderd, ging hij plat op den buik liggen

en bereikte al kruipende een rotsblok, dat juist geschikt was, om hem

tot hinderlaag te dienen. Alles was rustig om hem heen, niets kon hem

doen vermoeden, dat de vijand in aantocht was; na een geruimen tijd te

hebben doorgebracht met het terrein te onderzoeken, maakte hij zich

gereed om naar het kamp terug te keeren, overtuigd dat de generaal zich

had vergist, en dat er volstrekt geen gevaar bestond, toen er eensklaps

op tien passen van hem af, een verschrikte asshata, met gespitste ooren

en naar achtergeworpen kop, opsprong, en met de duidelijke kenteekenen

der grootste vrees, zoo hard hij kon wegliep.

»Ha, ha!” prevelde de kapitein, »zou er toch werkelijk iets zijn? Wij

zullen zien.”

En de rots, achter welke hij zich verscholen had, verlatende, deed hij

voorzichtig eenige schreden voorwaarts, om zich van de gegrondheid van

zijn vermoeden te overtuigen.

Het gras bewoog zich sterk, en eensklaps stonden er plotseling een

tiental mannen om hem heen, die hem omsingelden eer hij tijd had, om

zich in staat van tegenweer te stellen, of de schuilplaats die hij zoo

roekeloos verlaten had, weder te bereiken.

»In Gods naam,” zeide hij koelbloedig, »nu weet ik ten minste met wie

ik te doen heb.”

»Geef u over!” riep een der mannen, die hem het dichtst op het lijf

zat.

»Wel ja,” antwoordde hij spottend, »dat kunt gij denken; alvorens gij

mij in handen krijgt, zult gij mij eerst van kant dienen te maken.”

»Dan zal men u van kant maken, aardige jonker,” antwoordde de eerste

spreker brutaal.

»Daar reken ik op,” hernam de kapitein satiriek: »ik zal mij

verdedigen, dat zal gedruisch maken, mijne vrienden zullen ons hooren,

dan zal uw aanval mislukt zijn, dat is juist wat ik verlang.”

Deze woorden werden zoo kalm uitgesproken, dat de roovers er over

begonnen na te denken. Het waren mannen van kapitein Ouaktehno, hij

zelf was onder hen.

»Ja,” antwoordde de bandietenhoofdman, »uwe bedoeling is goed, maar men

kan u wel dooden zonder gedruisch te maken, en dan ligt uw plan in

duigen.”

»Bah! wij zullen zien!” zeide de jongeling.

En eer de roovers het konden verhoeden, deed hij een ontzettenden

sprong achterwaarts, wierp twee mannen omver, en liep zoo hard hij kon

in de richting van het kamp.

Zoodra het eerste oogenblik van verrassing voorbij was, begonnen de

roovers hem na te zetten. Deze wedloop duurde vrij lang, zonder dat de

roovers den afstand, die hen van den vluchteling scheidde, merkbaar

zagen verminderen; want terwijl zij hem vervolgden, trachtten zij

zooveel mogelijk zich schuil te houden voor Amerikaansche wachten, die

zij wilden overvallen; en deze poging noodzaakte hen tot omwegen, die

hun loop natuurlijk vertraagden.

Toen de kapitein zoover gekomen was, dat hij door de zijnen kon

verstaan worden, wierp hij een blik achter zich. Gebruik makende van

het oponthoud, dat hij noodig had om adem te scheppen, wonnen de

bandieten hem een grooten afstand af. De kapitein begreep, dat, als hij

voortging met vluchten, hij juist het onheil zou uitlokken, dat hij

wenschte te verhoeden. Oogenblikkelijk had hij zijne partij gekozen,

hij besloot te sterven als soldaat, en nog in zijn val hun van dienst

te zijn, voor wie hij zich opofferde. Hij zette zich met den rug tegen

een boom, plaatste zijn machete onder het bereik van zijne hand, haalde

zijne pistolen uit zijn gordel, vestigde zijn gelaat op de bandieten,

die nog slechts een dertigtal passen van hem verwijderd waren, en riep

met luide stem, ten einde zijn vrienden te waarschuwen:

»Alarm! alarm! de vijand!”

Daarna loste hij met de grootste koelbloedigheid, als schoot hij op den

prijs, zijne pistolen—waarvan hij er vier met dubbelen loop geladen bij

zich had; en herhaalde bij elken roover, die viel, zijn geroep:

»Alarm! de vijand! zij omringen ons! weest op uwe hoede, weest op uwe

hoede!”

De bandieten, wanhopig over deze ruwe wijze van zelfverdediging,

wierpen zich woedend op hem, alle voorzorgen, die zij tot nu toe

genomen hadden, vergetende.

Toen ving er een vreeselijke en ongelijke reuzenkamp aan van één man

tegen twintig à dertig, want voor iederen roover die er viel, kwam er

een ander in de plaats. De strijd was verschrikkelijk! De jongeling

offerde zijn leven op, maar hij wilde het zoo duur mogelijk verkoopen.

Zooals wij zeiden, bij ieder schot dat hij loste, bij iederen houw

zijner machete, stiet hij een kreet van waarschuwing uit, een kreet

dien de Mexicanen beantwoordden, door van hunnen kant een wel

onderhouden musketvuur op de roovers te laten spelen, die nu, geheel

open en bloot, voor niets oogen hadden als voor den man, die met zijn

edele borst, hun zoo stout den voortgang belette. Eindelijk viel de

kapitein op ééne knie. De roovers wierpen zich in verwarring op zijn

lichaam, en de woede, waarmede zij hem trachtten van kant te maken, was

zoo groot, dat zij elkander wonden toebrachten. Een zoodanig gevecht

kon niet lang duren. Kapitein Aguilar viel, maar in zijn val sleepte

hij twaalf roovers mede, die hij had gedood, en die hem als een bloedig

geleide in het graf volgden.

»Hm!” mompelde kapitein Ouaktehno, hem met bewondering aanziende,

terwijl hij het bloed zocht te stelpen van een breede wond, die hij in

de borst ontvangen had, »welk een man! als de anderen op hem gelijken,

komen wij er nooit heelshuids van daan. Kom,” ging hij voort, zich tot

zijne makkers richtende, die zijne bevelen afwachtten, »zullen wij ons

nog langer als duiven laten dood schieten? Valt aan! bij God, valt

aan!”

De roovers volgden hem, hunne wapens zwaaiende, en begonnen tegen de

rots op te klimmen, onder het geschreeuw van:

»Valt aan, valt aan!”

De Mexicanen, getuigen van den heldenmoed van kapitein Aguilar, maakten

zich van hunnen kant gereed hem te wreken.

IV.

DE DOCTOR.

Terwijl deze gebeurtenissen plaats grepen, hield de doctor zich rustig

met het verzamelen van planten bezig.

De waardige geleerde, verbaasd over de rijke flora, die hij onder de

oogen had, had alles vergeten en dacht slechts aan den rijken oogst,

die hem toelachte. Hij liep met het hoofd voorover, en stond stil bij

elke plant, om die eerst eenigen tijd te bewonderen en haar dan uit te

rukken. Eindelijk, toen hij reeds met een tallooze menigte van kruiden

en planten beladen was, besloot hij zich aan den voet van een boom

neder te zetten, om ze op zijn gemak na te zien en te rangschikken; hij

besteedde hieraan al de zorg, die uitgediende geleerden gewoon zijn aan

deze belangrijke werkzaamheid ten koste te leggen, en knabbelde

intusschen eenige stukjes beschuit op, die hij uit zijn knapzak haalde.

Geruimen tijd bleef hij in deze bezigheid verdiept, met dat inwendig

genot, dat geleerden alleen kunnen waardeeren en dat aan gewone

menschen onbekend is. Waarschijnlijk zou hij, alvorens de nacht inviel

en hem dwong eene schuilplaats te zoeken, aan niets anders hebben

gedacht, zoo zich niet eensklaps tusschen de zon en hem een schaduw was

komen plaatsen, die zich afteekende op de planten, welke hij met

zooveel zorg rangschikte.

Werktuigelijk hief hij het hoofd op. Voor hem stond, op een lange

karabijn leunende, een man, die hem met spotachtigen ernst aanzag. Het

was de Zwarte Eland.

»Ei, ei!” zeide hij tot den doctor, »wat doet gij daar, mijn brave

heer? De drommel hale mij! toen ik het gras zoo zag trillen, dacht ik,

dat er een geit in het kreupelhout zat, en ik was reeds op het punt u

een kogel toe te zenden.”

»Te duivel!” riep de doctor, hem verschrikt aanziende, »pas toch op!

gij hadt mij kunnen dooden, weet gij dat wel?”

»Waarachtig!” hernam de jager lachend; »maar wees niet bang, ik heb

mijne dwaling nog bij tijds ingezien.”

»God zij geloofd!” En de doctor, die juist een zeldzame plant in het

oog kreeg, bukte met jeugdig vuur om haar te grijpen.

»Gij wilt mij dan niet zeggen,” ging de jager voort, »wat gij daar

uitvoert?”

»Dat kunt gij wel zien, mijn vriend.”

»Ja, ik zie dat gij u vermaakt met het onkruid der prairie uit te

rukken, anders niet, en nu vraag ik waartoe dat dient?”

»O, die onwetendheid!” prevelde de geleerde, en hij voegde er op dien

toon van minzame afdaling, die vooral aan de zonen van Aesculapius

eigen is, bij: »mijn vriend, ik pluk kruiden, welke ik verzamel, om ze

in mijn boek te rangschikken; de flora dezer prairiën is prachtig, ik

ben overtuigd dat ik minstens drie nieuwe soorten van chirostemon

pentadactylon heb ontdekt, waarvan het genus uitsluitend tot de

Flora-mexicana behoort.”

»Ha!” zeide de jager, een paar groote oogen opzettende, en bijna het

onmogelijke doende om den doctor niet in zijn aangezicht uit te lachen;

»meent gij drie nieuwe soorten gevonden te hebben van...”

»Chirostemon pentadactylon, mijn vriend,” zeide de geleerde

zachtzinnig.

»Wel, wel.”

»Op zijn minst, misschien zijn er wel vier.”

»Wel zoo! dat is dan wel zeer nuttig?”

»Of dat nuttig is?” riep de doctor geërgerd.

»Maak u niet boos; ik weet het immers niet.”

»Dat is waar!” zeide de geleerde, door den toon van den Zwarten Eland

tot bedaren gebracht; »gij kunt het belang van dien arbeid voor den

vooruitgang der wetenschap niet begrijpen.”

»Houd dat in het oog! En het is dus alleen, om op die wijze planten uit

te trekken, dat gij in de prairiën gekomen zijt?”

»Nergens anders om.”

De Zwarte Eland zag hem aan met die verwondering, welke het gezicht van

een onverklaarbaar natuurverschijnsel opwekt; de jager kon maar niet

begrijpen, dat een verstandig man er toe komen kon, om van goeder harte

zich aan een leven van ontbering en gevaar over te geven, alleen met

het doel om planten te verzamelen, die tot niets nut zijn; na een

oogenblik te hebben nagedacht kwam hij dan ook tot de overtuiging, dat

de geleerde krankzinnig was. Hij zag hem met een meêwarigen blik aan,

schudde met zijn hoofd, legde zijn geweer op zijn schouder en maakte

aanstalten, om zijn weg te vervolgen.

»Ja, ja!” zeide hij op dien toon, welken men bezigt om kinderen of

onnoozelen aan te spreken en te bemoedigen, »gij hebt gelijk, mijn

brave heer, trek gij maar planten uit, gij doet niemand kwaad, en er

zullen er altijd nog genoeg overblijven. Goed succès en tot weerziens!”

Daarop zijne honden fluitende, deed hij eenige stappen voorwaarts, maar

bijna op hetzelfde oogenblik terugkeerende, en zich tot den doctor

wendende, die reeds niet meer aan hem dacht, en zijne werkzaamheden,

door den jager afgebroken, met ijver hervat had, zeide hij:

»Nog een enkel woordje!”

»Spreek,” antwoordde hij, het hoofd opheffende.

»Ik hoop dat de jonge dame, die mij gisteren in gezelschap van haar oom

een bezoek in mijne hatto gebracht heeft, zich wél bevindt? Dat arme

kind, gij kunt niet begrijpen, hoeveel belang ik in haar stel, mijn

beste heer.”

De doctor stond plotseling op en sloeg zich tegen het voorhoofd.

»Domoor die ik ben!” zeide hij; »ik had het glad vergeten!”

»Vergeten! wat dan?” vroeg de jager verbaasd.

»Dat doet ik nu altijd,” prevelde de geleerde; »gelukkig is het onheil

zoo groot niet, en daar gij nog hier zijt, gemakkelijk te herstellen.”

»Waarvan spreekt gij toch?” zeide de jager die ongerust begon te

worden.

»Verbeeld u,” ging de doctor bedaard voort, »dat de wetenschap mij

zoodanig bezig houdt, dat ik dikwijls vergeet te eten en te drinken, en

dus zooveel te eerder, de boodschappen, die mij worden opgedragen.”

»Ter zake, ter zake!” riep de jager ongeduldig.

»Och hemel, de zaak is doodeenvoudig. Ik verliet het kamp met het

aanbreken van den dag, om mij naar uwe hatto te begeven; maar hier

gekomen, ben ik door de tallooze menigte van zeldzame planten, die ik

met de hoeven van mijn paard vertrad, zoodanig afgeleid, dat ik zonder

aan het doel van mijn tocht te denken, eerst stil ben blijven staan, om

een plant uit te trekken; vervolgens ontdekte ik er nog een die aan

mijn verzameling ontbrak, toen nog een, en zoo voort; in ’t kort, ik

heb er volstrekt niet meer aan gedacht om naar u te gaan; ik was

zoodanig in mijne nasporingen verdiept, dat uw onvoorziene

tegenwoordigheid mij nog niet eens aan de boodschap herinnerd heeft,

die ik op mij genomen had, om aan u over te brengen.”

»Gij zijt dus met zonsopgang uit het kamp vertrokken?”

»Ja.”

»Weet gij hoe laat het nu is?”

De doctor keek naar de zon.

»Omstreeks drie uur,” antwoordde hij; »maar ik zeg u nog eens het doet

er weinig toe; nu gij toch hier zijt, zal ik u melden, wat doña Luz mij

belast heeft aan u over te brengen, en dan zal alles in orde zijn, hoop

ik.”

»God geve, dat uwe nalatigheid niet de oorzaak worde van eenig groot

onheil,” zeide de jager met een zucht.

»Wat wilt gij daarmede zeggen?”

»Gij zult het spoedig weten; ik hoop dat ik mij vergis. Spreek, ik

luister.”

»Hoor dan, wat doña Luz mij verzocht heeft u te zeggen.”

»Het is dus doña Luz, die u tot mij zendt?”

»Zij zelve.”

»Heeft er dan iets ernstigs in het kamp plaats gehad?”

»Waarachtig! dat ’s waar ook, dat kon wel eens van meer belang zijn,

dan ik eerst vermoedde. Zie hier het gebeurde: van nacht schijnt het,

dat een onzer gidsen....”

»De Babbelaar?”

»Dezelfde. Kent ge hem?”

»Ja. Ga voort.”

»Nu dan, het schijnt, dat die man in eene samenzwering betrokken was

met een anderen bandiet van diezelfde soort, waarschijnlijk om het kamp

aan de Indianen over te leveren; doña Luz heeft bij toeval het gansche

gesprek dier schurken afgeluisterd, en op het oogenblik, dat zij langs

haar heen gingen om te ontsnappen, heeft zij twee pistolen op hen

afgeschoten.”

»En heeft zij ze gedood?”

»Helaas neen; de een, hoewel zonder twijfel zwaar gekwetst, is

ontkomen.”

»Wie is dat?”

»De Babbelaar.”

»En toen?”

»Toen heeft doña Luz mij laten zweren, dat ik mij tot u begeven zou, en

dat ik u zou zeggen, ja wacht eens, wat was het ook?”

»Zwarte Eland, het uur is gekomen,” viel de jager hem in de rede.

»Juist! dat was het,” zeide de geleerde, zich verheugd in de handen

wrijvende, »ik wilde het juist zeggen, ik beken dat het mij duister

genoeg voorkwam, en dat ik er niets van begrepen heb; maar gij zult het

mij uitleggen, niet waar?”

De jager greep hem heftig bij den arm, en zijn aangezicht bij het zijne

brengende, zeide hij met gloeiende blikken en met woedend gelaat.

»Armzalige gek! Waarom zijt gij mij niet dadelijk komen opzoeken, in

plaats van met nietsdoen uw tijd te verliezen? Uw oponthoud zal

misschien de dood uwer vrienden zijn.”

»Is het mogelijk?” riep de doctor overbluft, en zonder er aan te denken

om rekenschap te vragen van de brutale wijze, waarop de jager hem op

het lijf viel.

»Gij waart met eene boodschap belast, waarvan leven en dood afhing,

dwaas die gij zijt; wat nu te doen? misschien is het te laat!”

»O, zeg dat niet!” riep de geleerde blijkbaar ontroerd, »ik zou van

wanhoop sterven, als dat waar was.”

De arme man smolt weg in tranen en gaf ondubbelzinnige bewijzen van de

grootste smart.

De Zwarte Eland was verplicht hem te troosten.

»Nu, houd maar moed, mijn beste heer,” zeide hij op zachteren toon tot

hem: »wat duivel, misschien is alles nog wel niet verloren!”

»O, als ik de oorzaak van een groote ramp moest wezen; ik zou het niet

overleven!”

»Nu, wat geschied is, is geschied, wij moeten nu kiezen wat ons te doen

staat,” zeide de jager wijsgeerig; »ik ga er over nadenken, hoe ik hen

helpen zal. Goddank, ik sta niet zoo alleen als men denken zou; ik hoop

binnen weinige uren een dertigtal van de beste schutters der prairie

bijeen te hebben.”

»Gij zult hen redden, niet waar?”

»Ik zal ten minste alles doen wat maar met eenige mogelijkheid kan

gedaan worden, en als het God behaagt, zal ik wel slagen.”

»De hemel verhoore u!”

»Amen!” zeide de jager, zich ootmoedig kruisende, »en nu gaat gij naar

het kamp terug, hoor.”

»Terstond.”

»Maar geen bloemen meer plukken, en geen planten meer uittrekken.”

»O neen, dat zweer ik u; vervloekt zij het uur, waarin ik aan het

herboriseeren gegaan ben,” riep de geleerde in komische wanhoop uit.

»Zeer goed, dat is dan afgesproken: gij zult de jonge dame en haar oom

gerust gaan stellen; gij zult hen tot waakzaamheid, en als er een

aanval geschiedt, tot dapperen tegenstand aanmanen, en gij zult hun

zeggen, dat zij weldra hunne vrienden hun ter hulpe zullen zien

snellen.”

»Ik zal het zeggen.”

»Te paard dan, en in galop naar het kamp!”

»Wees daar gerust op; maar gij, wat gaat gij doen?”

»Bemoei u met mij niet, ik zal niet werkeloos blijven; maak maar dat

gij zoo spoedig mogelijk bij uwe vrienden komt.”

»Over een uur zal ik bij hen zijn.”

»Houd nu maar goeden moed: en alles kan nog goed afloopen.”

De Zwarte Eland liet den toom van het paard, dat hij tot hiertoe

vasthield, los, en de geleerde vertrok in snellen draf, hetgeen den

goeden man moeielijk genoeg viel, daar hij gedurig zijn evenwicht

verloor.

De jager zag hem een oogenblik na; en liep toen met snellen pas het

bosch in. Hij had nauwelijks tien minuten geloopen, toen hij eensklaps

vlak tegenover Nô Eusébio stond, die, met de moeder van Edelhart, welke

bewusteloos dwars over den zadel lag, langzaam kwam aanrijden.

Deze ontmoeting was voor den jager een uitkomst, daar hij nu van den

ouden Spanjaard stellige berichten kon erlangen omtrent Edelhart,

berichten welke de grijsaard zich haastte hem te geven. Vervolgens

begaven de beide mannen zich naar de hut van den pelsjager, waarvan zij

niet ver verwijderd waren, en waarin zij voorloopig aan de moeder van

hun vriend huisvesting wilden verleenen.

V.

HET VERBOND.

Wij moeten nu tot Edelhart terugkeeren.

Na ongeveer tien minuten rechtuit geloopen te hebben, zonder zich zelfs

de moeite te geven, om een dier tallooze voetpaden te volgen, die de

prairiën in alle richtingen doorkruisen, stond de jager stil, zette

zijn geweer op den grond, zag zorgvuldig om zich heen, luisterde naar

die duizende geluiden der wildernis, die voor den in het leven der

prairiën ingewijden mensch allen een beteekenis hebben, en bootste,

klaarblijkelijk over de uitkomst van zijn onderzoek voldaan, driemaal

achtereen, het geschreeuw van een ekster zoo natuurlijk na, dat

verscheidene dezer vogels, in het dichte loof verborgen, hem

onmiddellijk antwoord gaven.

Nauwelijks had hij voor de derde maal zijn geschreeuw doen hooren, of

het woud, tot nu toe geheel stom en naar het scheen in volmaakte

eenzaamheid verzonken, begon, als ware het betooverd, plotseling te

leven; van alle zijden richtten zich van uit de struiken en van uit het

gras, waarin zij verscholen waren, eene menigte jagers op, met

krachtige gelaatstrekken en schilderachtige kostumen, en vormden in een

oogenblik een dichten kring om den jager.

De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika · 第 14 / 21 段