De verhouding was geheel omgekeerd. De jagers, die een oogenblik te

voren aan de genade der Indianen waren prijs gegeven, waren niet alleen

vrij, maar bevonden zich in zulk een toestand, dat zij strenge

voorwaarden konden stellen. Verscheidene geweren hadden zich naar den

Canadees gericht, verscheidene pijlen waren op hem aangelegd; maar op

een wenk van den Arendskop werden de geweren afgewend, en de pijlen in

de kokers geborgen. De smaad van door twee mannen voor den gek gehouden

te worden, die hen stoutmoedig in het midden van hun kamp braveerden,

deed den toorn der Comanchen opwellen. Zij erkenden de onmogelijkheid

van eene worsteling met hunne dappere tegenstanders. En inderdaad, wat

vermochten zij tegen die onverschrokken woudloopers, die hun leven voor

niets achtten? Hen dooden? Maar zoo zij vielen, zouden zij onmeedoogend

de gevangenen vermoorden, die men wilde redden. Het gevoel, dat bij de

Roodhuiden het sterkst ontwikkeld is, is de liefde voor het huisgezin.

Waar het zijne kinderen of zijne vrouw geldt, zal de bloeddorstigste

krijgsman niet aarzelen zich aan voorwaarden te onderwerpen, waartoe

anders de afschuwelijkste martelingen hem niet zouden kunnen dwingen.

Toen dan ook de Arendskop zijne vrouw en zijn zoon in de macht van

Goedsmoeds zag, dacht hij aan niets meer dan aan hun behoud.

Van alle menschen zijn de Indianen misschien diegenen, die het

gemakkelijkst zich naar eene onvoorziene omstandigheid weten te

schikken.

Het hoofd der Comanchen begroef den haat en den toorn, die hem

verteerden, in het diepst van zijn hart. Met een edele en ongedwongene

beweging wierp hij het kleed, dat hem tot mantel strekte, naar

achteren, en met een kalm gelaat en een glimlach op de lippen, naderde

hij de jagers.

»Mijne bleeke broeders,” zeide het opperhoofd, »zijn vol wijsheid,

hoewel hunne haren nog zwart zijn; zij kennen al de listen die de

groote krijgslieden onderscheiden; zij hebben de slimheid van den bever

en den moed van den leeuw.”

De beide mannen bogen stilzwijgend.

De Arendskop ging voort.

»Nademaal mijn broeder Edelhart, zich in het kamp van de Comanchen der

groote meren bevindt, zoo is eindelijk het uur gekomen dat de wolken

verdrijft, die tusschen hem en de Roodhuiden zijn opgerezen. Edelhart

is rechtvaardig; hij verklare zich zonder vrees; hij staat voor

vermaarde opperhoofden, die niet zullen aarzelen het ongelijk te

bekennen, dat zij hem hebben aangedaan.”

»O, zoo!” antwoordde de Canadees; »de Arendskop is wel spoedig van

gevoelen omtrent ons veranderd; meent hij ons met ijdele woorden te

kunnen misleiden?”

Het oog van den Indiaan schoot bliksemstralen; maar met de uiterste

krachtsinspanning gelukte het hem zich in te houden.

Eensklaps plaatste zich een man vlak tusschen de beide sprekers in. Die

man was Eshis, de eerwaardigste krijgsman van den stam.

De grijsaard verhief langzaam zijn arm.

»Dat mijne kinderen luisteren,” zeide hij; »alles moet heden worden

opgelost; de bleeke jagers zullen in den raad de calumet rooken.”

»Het geschiede alzoo,” zeide Edelhart.

Op een teeken van de Zon, schaarden de voornaamste hoofden van den stam

zich om hem heen.

Goedsmoeds was niet van houding veranderd, hij hield zich gereed, om

bij het minste verdachte teeken zijne gevangenen op te offeren.

Toen de pijp de ronde gedaan had in den kring, die zich om de jagers

gevormd had, maakte de oude hoofdman een buiging voor de blanken, en

sprak hen aldus aan.

»Krijgslieden, ik dank den Meester des levens daarvoor dat hij ons

Roodhuiden lief heeft, en dat hij ons heden deze mannen zendt, om hun

hart voor ons te openen. Schept moed, jonge lieden, laat geen zorg u

drukken, en jaagt den boozen geest verre van u. Wij hebben u lief,

Edelhart, wij hebben van uwe goedheid voor de Indianen hooren spreken.

Wij weten dat uw hart open is, en dat uwe aderen helder zijn als de

zon. Het is waar, dat wij, Indianen, ons verstand niet gebruiken, als

het vuur der geestdrift ons bezielt, en dat wij u in verschillende

omstandigheden hebben mishaagd. Maar wij hopen, dat gij er niet meer

aan denken zult, en dat, zoolang gij en wij in de prairiën zullen

wonen, wij aan elkanders zijde zullen jagen, gelijk het aan

krijgslieden, die elkander lief hebben en eerbiedigen, betaamt.” [3]

Edelhart antwoordde:

»Gij, hoofden en leden van de natie der Comanchen van de groote meren,

wier oogen geopend zijn, ik hoop dat gij een luisterend oor verleenen

zult aan de woorden van mijnen mond. De Meester des levens heeft mijn

verstand geopend en woorden van vriendschap in mijne borst geblazen.

Mijn hart vloeit over van welwillende gevoelens voor u, voor uwe

vrouwen, voor uwe kinderen, en wat ik in dit oogenblik tot u zeg, komt

voort uit het hart van mijn vriend en van mij: nooit is in de prairie

mijne hatto gesloten geweest voor de jagers van uwe natie. Waarom doet

gij dan mij den oorlog aan? Waarom dan martelt gij mijne moeder, die

eene oude vrouw is? Waarom tracht gij mij van het leven te berooven? Ik

heb er een afkeer van, om het bloed der Indianen te vergieten; want ik

herhaal het u, ondanks al het kwaad, dat gij mij gedaan hebt, is mijn

hart u toegenegen.”

»Ooah!” viel de Arendskop hem in de rede, »mijn broeder spreekt goed;

maar de wond, die hij mij toegebracht heeft, is nog niet geheeld.”

»Mijn broeder is dwaas,” antwoordde de jager; »houdt hij mij dan voor

zulk een sukkel, dat ik hem niet zou hebben gedood, indien zulks mijn

voornemen ware geweest. Ik ga u bewijzen, waartoe ik in staat ben, en

hoe ik den moed van een krijgsman begrijp. Op een teeken van mij zullen

deze vrouw en dat kind hebben opgehouden te leven.”

»Ja,” zeide Goedsmoeds.

Een rilling liep door de rijen der vergadering. De Arendskop voelde,

dat een koud zweet zijne slapen overdekte.

Edelhart bewaarde een oogenblik het stilzwijgen, op de Indianen een

blik slaande, dien het onmogelijk is te beschrijven; vervolgens met

verachting de schouders ophalende, wierp hij zijne wapenen voor zijne

voeten en de armen kruiselings over de borst slaande, wendde hij zich

naar den Canadees.

»Goedsmoeds,” zeide hij, kalm en met nadruk, »geef aan die arme

schepsels de vrijheid terug.”

»Waaraan denkt gij?” riep de jager verschrikt uit; »het zou uw

doodvonnis zijn.”

»Dat weet ik.”

»Welnu?”

»Ik smeek er u om.”

De Canadees antwoordde niet; hij begon tusschen zijne tanden te

fluiten, en zijn mes te voorschijn halende, sneed hij de banden door,

die de gevangenen vasthielden. Deze sprongen als jaguars weg, en gingen

brullend van vreugde zich achter hunne vrienden verschuilen. Goedsmoeds

borg zijn mes in den gordel, wierp zijne wapenen weg, klom van zijn

paard af en plaatste zich vastberaden naast Edelhart.

»Wat doet gij toch?” riep deze, »red u, mijn vriend.”

»Mij redden, waarom?” antwoordde de Canadees onbezorgd; »bij God! neen,

wij moeten toch allen eens sterven; ik doe het even gaarne nu als

later; ik zal misschien nooit weder zulk eene goede gelegenheid

vinden.”

De twee mannen drukten elkander krachtig de hand.

»Nu, opperhoofden,” zeide Edelhart op kalmen toon, »nu zijn wij in uwe

macht! doet met ons wat u zal goed dunken.”

De Comanchen zagen elkander een oogenblik met verbazing aan; de

stoïcijnsche zelfverloochening dezer twee mannen, die door de

stoutmoedige daad van een hunner, niet alleen hadden kunnen ontsnappen,

maar hun tevens de wet hadden kunnen voorschrijven, en die, in plaats

van gebruik te maken van dit onbeperkte voordeel, hunne wapenen

wegwierpen en zich ter hunner beschikking stelden, scheen hun toe alle

voorbeelden van heldenmoed te overtreffen, waarvan hunne natie de

herinnering bewaarde.

Er volgde een vrij lang stilzwijgen, gedurende hetwelk men het hart

dier ijzeren mannen in hunne borst had kunnen hooren kloppen.

Eindelijk wierp de Arendskop, na eenige seconden geaarzeld te hebben,

zijne wapenen weg, en den jagers naderende, zeide hij met een bewogen

stem, die sterk afstak bij het kalm en onverschillig uiterlijk, dat hij

vruchteloos poogde te bewaren:

»Het is waar, krijgslieden der bleekgezichten, dat gij een groot

verstand hebt, dat het de woorden verzacht, die gij tot ons richt, en

dat wij allen u verstaan; wij weten ook dat de waarheid uwe lippen

opent, het kan niet anders of wij Indianen, die niet het verstand der

blanken hebben, moeten dikwijls, zonder het te willen, verkeerde daden

doen, maar wij hopen, dat Edelhart de huid van zijn hart zal wegnemen,

opdat het open zij als het onze, en dat tusschen ons de bijl zal

begraven worden, zoo diep, dat de zonen van de zonen onzer kleinzonen,

in duizend manen en honderd bovendien, haar niet zullen wedervinden.”

En de beide handen op de schouders van den jager leggende, kuste hij

hem op de oogen, er bijvoegende:

»Edelhart, wees mijn broeder!”

»Het zij zoo,” zeide de jager, verheugd over deze ontknooping;

»voortaan zal ik voor de Comanchen evenveel vriendschap koesteren, als

tot nu toe wantrouwen.”

De Indiaansche hoofden verdrongen zich om hunne nieuwe vrienden, en

overlaadden hen met teekenen van genegenheid en hoogachting.

De beide jagers waren sedert lang met den stam van den Slang bekend,

hun naam was dikwijls gedurende den nacht, rondom het vuur van het

kamp, genoemd geworden, het verhaal hunner heldendaden had de

jongelieden, aan wie de oude soldaten ze vertelden, met bewondering

vervuld.

De verzoening van Edelhart met den Arendskop was oprecht; er bleef

tusschen hen niet het minste spoor van den ouden haat meer over. De

heldenmoed van den blanken jager had den wrok van den Roodhuid

overwonnen.

De beide mannen zaten vreedzaam aan den ingang eener hut te praten,

toen er op eens een groote schreeuw gehoord werd, en een Indiaan met

van schrik verbleekte trekken, zich in het kamp wierp. Allen drongen

zich om dien man heen, om te hooren wat hij te zeggen had, maar zoodra

de Indiaan den Arendskop zag, wendde hij zich tot dezen.

»Wat gebeurt er?” vroeg het opperhoofd.

De Indiaan wierp een woesten blik op Edelhart en Goedsmoeds, die

evenmin als de anderen de oorzaak van dien schrik gissen konden.

»Pas op, dat die bleekmuilen niet ontsnappen, wij zijn verraden!” zeide

hij hijgend.

»Dat mijn broeder zich duidelijker uitdrukke!” beval de Arendskop.

»Al de blanke pelsjagers, de Lange messen van het Westen zijn

vereenigd; zij vormen eene krijgsbende van omstreeks honderd man; zij

zijn in aantocht en wel op zulk eene wijze, dat zij op eens het kamp

van alle kanten kunnen omsingelen.”

»Zijt gij er zeker van, dat die jagers als vijanden komen?” vroeg het

opperhoofd.

»Hoe kan het anders zijn?” antwoordde de Indiaan; »zij kruipen als

slangen door het hooge gras, met het geweer naar voren en het

scalpeermes tusschen de tanden. Hoofdman, wij zijn verraden, die twee

mannen zijn in ons midden gezonden, om onze waakzaamheid te

verschalken.”

De Arendskop en Edelhart wisselden een glimlach, die voor allen,

behalve voor hen zelven een raadsel was.

Het opperhoofd wendde zich tot den Indiaan.

»Gij hebt den aanvoerder der jagers gezien, niet waar?”

»Ja, ik heb hem gezien.”

»En het is Amick—de Zwarte Eland—de bewaker van de vallen van

Edelhart.”

»Wie zou het anders kunnen zijn?”

»Goed, verwijder u,” zeide de krijgsman, den bode met een wenk

wegzendende; vervolgens richtte hij zich tot den jager.

»Wat moet er gedaan worden?” vroeg hij.

»Niets,” antwoordde Edelhart; »dit is eene zaak, die mij aangaat, ik

verzoek dus dat mijn broeder mij alleen late handelen.”

»Mijn broeder is hier meester.”

»Ik ga de jagers verkennen; dat de Arendskop tot aan mijne terugkomst

zijne jonge lieden in het kamp terughoude.”

»Het zal geschieden,”

Edelhart wierp zijn geweer over zijn schouder, gaf Goedsmoeds de hand,

lachte den hoofdman vriendelijk toe, en wendde zich naar het bosch met

dien kalmen en bedaarden tred, die hem eigen was.

Hij verdween weldra te midden van het geboomte.

»Hm!” zeide Goedsmoeds, terwijl hij zijn Indiaansche pijp aanstak, tot

den Arendskop; »gij ziet, hoofdman, dat het in deze wereld niet altijd

eene verkeerde rekening geeft, als men zich door zijn hart laat

leiden.”

En meer dan voldaan over deze wijsgeerige ontboezeming, die hem voor de

plechtigheid van het oogenblik bijzonder geschikt toescheen, wikkelde

de Canadees zich in een dikke wolk van rook.

Op bevel van den hoofdman werden al de verkenners, die op de grenzen

van het kamp verspreid waren, teruggeroepen.

De Indianen wachtten angstig den uitslag van Edelharts onderneming af.

II.

DE ROOVERS.

Het was avond. Even ver van het kamp der Mexicanen als van dat der

Comanchen verwijderd, zaten in een hollen weg, tusschen twee hooge

heuvels verborgen, een veertigtal mannen om verscheidene vuren

vereenigd, zoodanig geplaatst, dat het schijnsel der vlammen hunne

tegenwoordigheid niet kon verraden. Deze zonderlinge vereeniging van

gelukzoekers met sombere gelaatstrekken, woeste blikken, slordige en

grillige kostumen, bood een schouwspel aan, de teekenstift van Callot

of het penseel van een Salvator Rosa waardig.

Deze mannen, een vreemdsoortig samenstel van alle volkssoorten, die de

aarde bewonen, van den Rus af tot aan den Chinees toe, vormden de meest

volledige verzameling van schurken, die men zich maar kan voorstellen;

vrijbuiters zonder eer, zonder wet, zonder haardstede, zonder woning,

het uitvaagsel der beschaafde wereld, genoodzaakt tegen deze eene

schuilplaats te zoeken in het hart der prairiën van het Westen, vormden

zij zelfs daar in de wildernis een afzonderlijke bende, nu eens in

oorlog met de jagers, dan weder met de Indianen, beiden in wreedheid en

schelmerij overtreffende. Deze mannen in één woord, waren, wat men

gewoon is de Roovers der Prairiën te noemen.

Die naam komt hun in alle opzichten toe; want evenals hunne broeders op

den Oceaan, voeren zij alle vlaggen of liever treden ze allen met

voeten, belagen zij alle reizigers, die het wagen alleen de prairiën te

doorkruisen, vallen zij alle karavanen aan om die te plunderen, en als

iedere andere buit hun ontsnapt, verschuilen zij zich verraderlijk in

het hooge gras, om van daar de Indianen te bespieden en te vermoorden,

en alzoo de premie te verdienen, die het vaderlijk bestuur der

Vereenigde Staten gesteld heeft op het hoofdhaar van iederen inlander,

evenals men in Frankrijk den kop van een wolf betaalt.

Deze bende werd aangevoerd door den kapitein Ouaktehno, dien wij reeds

vroeger ten tooneele hebben gevoerd.

Er heerschte onder deze bandieten een spanning, die het voorteeken was

van eene geheimzinnige onderneming. Eenigen maakten hunne wapenen

schoon of laadden die, anderen kleedden zich, anderen wederom rookten

en dronken mezcal, nog anderen sliepen in hunne gescheurde mantels

gewikkeld. De paarden, geheel gezadeld, waren aan palen vastgemaakt.

Op geregelde afstanden stonden wachten, zwijgend en onbewegelijk als

standbeelden van metaal op hunne lange karabijnen te leunen, wakende

voor het algemeene welzijn. Het wegstervend schijnsel der vuren wierp

nu en dan op dit tooneel een roodachtigen gloed, die aan de roovers een

nog woester voorkomen gaf.

De kapitein scheen aan eene angstige bezorgdheid ten prooi te zijn, hij

liep met groote stappen te midden van zijne onderhoorigen heen en weder

nu eens stampende van toorn, dan weder stilstaande om naar de

onbestemde geluiden der prairie te luisteren.

De nacht werd hoe langer hoe donkerder, de maan was ondergegaan, de

wind huilde dof in de duisternis, de roovers waren ten laatste allen in

slaap gevallen. De kapitein alleen waakte nog.

Eensklaps meende hij in de verte het knallen van een geweerschot te

hooren, toen een tweede, en daarna werd alles wederom stil.

»Wat beteekent dat?” mompelde de kapitein woedend, »hebben die gekken

zich laten overvallen?”

Terstond zich zorgvuldig in zijnen mantel wikkelende, wendde hij zich

met groote schreden naar dien kant, van waar het geluid vernomen was.

’t Was erg donker, en ondanks zijne plaatskennis ging de kapitein

slechts met moeite voort tusschen de wortels en takken, die bij elke

schrede hem den weg versperden. Meermalen was hij genoodzaakt stil te

staan en naar den weg te zoeken, dien hij gedurig kwijt was, door de

omwegen, waartoe de rotsblokken en kreupelboschjes, die hij tegenkwam

hem noodzaakten.

Gedurende een dergelijk oponthoud, meende hij niet ver van zich af

eenig gedruisch in de bladeren en takken te hooren, niet ongelijk aan

dat, hetwelk veroorzaakt wordt door het harde loopen van een dier of

van een mensch in het kreupelhout.

De kapitein verborg zich achter den stam van een reusachtigen

mahonieboom, greep zijne pistolen om op alles bereid te zijn, en

luisterde met vooruitgestoken hoofd.

Alles om hem heen was stil: het was dat geheimzinnige uur van den

nacht, waarin de natuur schijnt te slapen, en waarin al die naamlooze

geluiden der wildernis zwijgen, om, zooals de Indianen zeggen, alleen

de stilte te laten hooren.

»Ik heb mij vergist,” prevelde de roover, en hij maakte eene beweging

om op zijne schreden terug te keeren. Nu liet zich hetzelfde gedruisch

op nieuw hooren, maar duidelijker en dichterbij dan even te voren, en

onmiddellijk gevolgd door een ingehouden kermen.

»Bij God!” zeide de kapitein, »dat begint interessant te worden, daar

moet ik het mijne van hebben.”

Na een snellen loop van eenige minuten; zag hij niet ver van zich af de

schaduw van een man in het donker voortglijden. Deze persoon, wie het

ook zijn mocht, scheen zich met moeite voort te slepen, hij waggelde

bij iedere schrede, en stond nu en dan stil, als om zijne krachten te

herstellen. Soms liet hij een onderdrukte klacht hooren. De kapitein

sprong naar hem toe, om hem den doorgang te versperren. Zoodra de

onbekende hem bemerkte, slaakte hij een kreet van schrik, viel op de

knieën, en mompelde met eene van angst sidderende stem:

»Genade, genade! dood mij niet!”

»Hoe!” riep de verbaasde kapitein, »het is de Babbelaar! Wie duivel

heeft hem zoo toegetakeld?”

Hij bukte om hem van nabij te bezien.

Het was inderdaad de gids.

Hij was in zwijm gevallen.

»De pest hale dien stommeling!” mompelde de kapitein spijtig, »hoe kan

ik hem nu uithooren?”

Maar de roover was een man; die zich te redden wist, hij stak zijne

pistolen in zijn gordel, nam den gekwetste op en legde hem over zijne

schouders.

Met dezen last beladen, die hem geenszins in het loopen hinderde,

keerde hij met groote schreden langs denzelfden weg, dien hij gekomen

was, naar het kamp terug.

Hij legde den gids bij een half uitgedoofd vuur, en wierp daarin eenige

takkenbossen, om het te laten opflikkeren. Weldra stelde een heldere

vlam hem in staat, om den man te onderzoeken, die bewusteloos aan zijne

voeten nederlag.

De gelaatstrekken van den Babbelaar waren loodkleurig, een koud zweet

parelde langs zijne slapen, en het bloed liep bij stroomen uit een

diepe wond in zijne borst.

»Cascaras!” prevelde de kapitein, »de arme duivel heeft wel zijn deel

gekregen; als hij mij voor zijn dood nog maar zeggen kan, wie hem in

dien toestand hebben gebracht, en wat er van Kennedy is geworden!”

Evenals alle woudloopers had de kapitein eene practische kennis van de

geneeskunde, en was hij geenszins verlegen met de behandeling van een

dergelijke wond.

Ten gevolge van de zorg door hem aan den gids ten koste gelegd, kwam

deze spoedig bij. Hij slaakte een diepen zucht, sloeg flauw de oogen

op, en bleef een tijdlang liggen zonder te kunnen spreken; maar na

eenige vruchtelooze pogingen, bijgestaan door den kapitein, kwam hij

zoover, dat hij zich halverwege kon oprichten, en terwijl hij herhaalde

malen het hoofd schudde, zeide hij op wanhopigen toon, en met eene

telkens afgebrokene stem:

»Alles is verloren, kapitein! Wij hebben onzen slag gemist.”

»Duizend donders!....” riep de roover woedend stampvoetende, »hoe heeft

zich dat toegedragen?”

»Dat meisje is een duivel!” hernam de gids, wiens fluitende ademhaling

en gedurig zwakker wordende stem duidelijk genoeg bewezen, dat hij niet

lang meer leven zou.

»Zoo gij kunt,” zeide de kapitein, die van den uitroep van den

gekwetste niets begrepen had, »zeg mij dan, hoe de zaken zich hebben

toegedragen, en wie uw moordenaar is, opdat ik u wreke!”

Een akelige lach plooide de paarsche lippen van den gids.

»Wie mijn moordenaar is?” herhaalde hij spottend.

»Ja.”

»Doña Luz.”

»Doña Luz!” riep de kapitein, verrast opspringende; »dat is

onmogelijk!”

»Luister,” hernam de gids, »mijne oogenblikken zijn geteld; weldra zal

ik niet meer leven. Een man in mijn toestand liegt niet. Laat mij

spreken, en val mij niet in de rede; ik weet niet of ik den tijd zal

hebben om u alles te zeggen, alvorens ik rekenschap ga afleggen aan

Hem, die alles weet.”

»Spreek!” zeide de kapitein.

En daar de stem van den gekwetste hoe langer hoe zwakker werd, knielde

hij naast hem neder, om geen enkel woord te verliezen.

De gids sloot de oogen, haalde even adem, en zeide toen met inspanning

van al zijne krachten:

»Geef mij wat brandewijn!”

»Zijt gij gek, brandewijn zou u dooden.”

De gewonde schudde het hoofd.

»Het zal mij de noodige kracht geven, om u alles te doen verstaan, wat

ik u te zeggen heb. Ben ik niet reeds half dood?”

»Dat is waar!” prevelde de kapitein.

»Aarzel dan niet,” hernam de ander; »de tijd dringt ons, ik heb u

belangrijke zaken mede te deelen.”

»Het zij zoo!” mompelde de roover, en bracht de flesch aan de lippen

van den gids.

Deze dronk gulzig en vrij lang; een koortsachtige gloed kleurde zijne

wangen, zijne brekende oogen verhelderden zich, en begonnen levendig te

schitteren.

»Nu,” zeide hij met een krachtige en vrij harde stem, »moet gij mij

niet in de rede vallen; zoodra gij ziet, dat mijne krachten afnemen,

laat mij dan drinken; misschien zal ik nog den tijd vinden om u alles

te verhalen.”

De kapitein gaf hem een teeken van goedkeuring, en de Babbelaar begon

zijn verhaal.

Het duurde vrij lang, ten gevolge van de uitputting, waarin hij gedurig

verviel; toen hij geëindigd had, voegde hij er bij:

»Gij ziet het, die vrouw, gelijk ik u zeide, is een duivel, zij heeft

Kennedy en mij gedood; zie van haar af, kapitein, het is geen

gemakkelijk wild om te jagen, gij zult haar nooit meester worden.”

»Hoe!” zeide de kapitein, de wenkbrauwen fronsende, »meent gij dat ik

zoo licht mijne plannen laat varen?”

»Goed succès dan!” prevelde de gids; »wat mij betreft, ik heb

afgehandeld, mijne rekening is gemaakt.... Vaarwel, kapitein,” voegde

hij er met een vreemden lach bij, »ik ga naar den duivel, daar zullen

wij elkander wederzien!....”

Hij viel omver.

De kapitein wilde hem oplichten, maar hij was dood.

»Goede reis!” prevelde hij koelbloedig.

Hij nam het lijk op zijne schouders, bracht het in een boschje, maakte

daar een kuil, en legde het er in; dit gedaan hebbende, ging hij naar

het vuur in het kamp terug, wikkelde zich in zijn mantel, strekte zich

op den grond uit, met de voeten naar het vuur gekeerd, en legde zich te

slapen met de woorden:

»Binnen eenige uren zal het dag zijn; dan zullen wij zien, wat er te

doen is.”

De bandieten sliepen niet lang; met zonsopgang was in het kamp der

roovers alles in beweging. Allen maakten zich gereed om op weg te gaan.

De kapitein, wel verre van zijn plan te laten varen, had integendeel

besloten de uitvoering er van terstond en met geweld door te zetten,

ten einde den Mexicanen geen tijd te laten om onder de blanke

pelsjagers der prairiën eene hulp te vinden, die den gelukkigen uitslag

onmogelijk zou hebben gemaakt.

Zoodra het duidelijk was, dat de bevelen, die hij gegeven had, goed

begrepen waren, gaf de kapitein het teeken van vertrek. De bende brak

op en begon op zijn Indiaansch te marcheeren, dat is te zeggen, met den

rug naar de plaats waar zij heen trok.

Vervolgens, toen zij op eene plek gekomen waren, die hun de gewenschte

veiligheid scheen te bieden, stegen de roovers van hunne paarden, gaven

deze aan eenige sterke kerels over; en zich nu als een hoop adders op

den grond uitstrekkende, of ook wel van den eenen tak op den anderen en

van den eenen boom op den anderen overspringende, begaven zij zich met

alle noodige voorzorgen, in de richting van het Mexicaansche kamp.

III.

DE ZELFOPOFFERING.

Zooals wij vroeger reeds gezegd hebben, had de doctor met een boodschap

van doña Luz aan den Zwarten Eland belast, het kamp der Mexicanen

verlaten.

Gelijk vele geleerden was hij van nature zeer afgetrokken, ofschoon met

de beste bedoelingen van de wereld.

Gedurende de eerste oogenblikken spande hij al zijne denkkracht in om

de beteekenis te raden der in zijn oog zoo geheimzinnige woorden, die

hij voor den pelsjager moest uitspreken.

De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika · 第 13 / 21 段