»Mijn zoon de Arendskop,” zeide hij, »heeft een belangrijke mededeeling

te doen aan den raad der hoofden: hij spreke derhalve, onze ooren zijn

geopend; de Arendskop is een krijgsman, even wijs als dapper; zijne

woorden zullen met eerbied door ons worden aangehoord.”

»Ik dank u,” antwoordde de krijgsman; »mijn vader is de wijsheid zelve.

Natosh heeft niets voor hem verborgen.”

De hoofden bogen.

De Arendskop ging voort:

»De bleekmuilen, onze eeuwige vijanden, vervolgen en kwellen ons

voortdurend, ons noodzakende een voor een onze beste jachtgronden te

verlaten, en gelijk bloode hinden in het diepste der bosschen de wijk

te nemen; velen hunner wagen het tot in de prairiën te komen, die ons

tot schuilplaats dienen, de bevers te strikken en op de elands en

bisons te jagen, die ons eigendom zijn. Deze menschen zonder trouw, het

uitvaagsel van hun volk, bestelen en vermoorden ons, als zij het

straffeloos doen kunnen. Is het billijk dat wij hunne rooverijen

uitstaan, zonder ons zelfs te beklagen? Zullen wij ons laten worgen als

vreesachtige ashahas, zonder zelfs een poging aan te wenden om ons te

wreken? Zegt de wet der prairiën niet: oog om oog, tand om tand? laat

mijn vader antwoorden, laten mijne broeders zeggen, of dat billijk is?”

»De wraak is geoorloofd,” zeide de Zon; »zij is het onweêrsprekelijk

recht van den zwakke en onderdrukte, maar zij moet geëvenredigd zijn

aan de ontvangen beleediging.”

»Goed! mijn vader heeft als een wijs man gesproken; wat denken mijne

broeders er van?”

»De Zon kan niet liegen; al wat hij zegt is goed,” antwoordden de

hoofden.

»Heeft mijn broeder zich over iemand te beklagen?” vroeg de grijsaard.

»Ja,” hernam de Arendskop, »ik ben beleedigd door een blanken jager;

verscheidene malen heeft hij een aanval gedaan op mijn kamp; hij heeft

in eene hinderlaag verscheidene mijner jonge lieden gedood; ik zelf

ben, gelijk gij zien kunt, door hem gekwetst; de wond is nog niet eens

gesloten; die man, in één woord, is de wreedste vijand der Comanchen,

die hij als wilde dieren vervolgt en opjaagt, om zich te verlustigen in

hunne martelingen en naar hunne stervenskreten te luisteren.”

Bij deze woorden, op een wegslependen toon uitgesproken, slaakte de

gansche vergadering een diepen zucht van verkropten toorn. De listige

hoofdman, begrijpende dat hij zijne zaak gewonnen had, ging voort

zonder in het minst de vreugde te laten blijken, die hem bezielde.

»Ik zou,” zeide hij, »zoo het mij alleen gegolden had, die

beleedigingen, hoe zwaar zij ook mogen zijn, hebben kunnen vergeven,

maar het geldt hier een algemeenen vijand, een man die aan de natie den

ondergang gezworen heeft; en daarom, hoe pijnlijk het mij ook vallen

moge, mag ik niet aarzelen om hem te treffen in wat hem het dierbaarste

is. Zijne moeder is in mijne handen, ik heb geaarzeld haar op te

offeren, ik heb mij niet door mijn haat willen laten beheerschen, ik

heb rechtvaardig willen zijn, en toen het mij gemakkelijk viel deze

vrouw te dooden, heb ik liever willen wachten tot gij zelven,

eerwaardige hoofden van onzen stam, mij er bevel toe gaaft. Ik heb meer

gedaan, omdat het mij tegen de borst stuit nutteloos bloed te vergieten

en een onschuldige voor den schuldige te straffen; ik heb aan die vrouw

vier dagen uitstel gegund, om aan haar zoon de gelegenheid te schenken

haar te redden, door zich te komen aanbieden, om in hare plaats de

marteling te ondergaan. Een door mij gevangen genomen blanke is

uitgegaan om hem te zoeken; maar die man heeft het hart van een konijn,

die slechts moed bezit om weerlooze vijanden te vermoorden; hij is niet

gekomen, hij zal niet komen!.... Dezen morgen, bij het opgaan der zon,

is de tijd, tot uitstel gegund, verstreken. Waar is die man? hij is

niet verschenen!.... Wat zeggen mijne broeders? is mijn gedrag billijk,

moet ik berispt worden, of wel, zal die vrouw aan den martelpaal

gebonden worden, opdat de verschrikte bleeke dieven erkennen, dat de

Comanchen geduchte krijgslieden zijn, die geen hoon ongestraft laten?

Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken, mannen?”

Na afloop van dit lange pleidooi ging de Arendskop weêr zitten, en de

armen kruisende, wachtte hij met gebogen hoofd de beslissing der

hoofden af.

Er volgde een vrij langdurig stilzwijgen; eindelijk stond de Zon op.

»Mijn broeder heeft goed gesproken,” zeide hij; »zijne woorden zijn als

van een man, die zich niet door hartstocht laat overheerschen; al wat

hij zegt is billijk; de blanken, onze woeste vijanden leggen het op ons

verderf toe; hoe pijnlijk de straf dier vrouw ons moge vallen, zij is

noodzakelijk.”

»Zij is noodzakelijk,” herhaalden de hoofden, het hoofd buigende.

»Komt,” hernam de Zon, »maakt de noodige toebereidselen; geeft aan die

terdoodbrenging het aanzien van een zoenoffer en niet van eene wraak;

ieder moet overtuigd worden, dat de Comanchen niet voor hun genoegen de

vrouwen martelen, maar dat zij de schuldigen weten te straffen; ik heb

gezegd.”

De hoofden stonden op, en na den grijsaard eerbiedig gegroet te hebben,

verwijderden zij zich.

De Arendskop was geslaagd; hij zou zich wreken, zonder de

verantwoordelijkheid op zich te nemen van eene daad, waarvan hij al het

afschuwelijke had doorzien, maar die hij aan de hoofden zijner natie

had weten voor te stellen onder een schijn van billijkheid, waarover

hij zich inwendig bekommerde.—Men haastte zich de noodige

toebereidselen tot de strafoefening te maken.

De vrouwen sneden dunne spaanders van esschenhout, om de veroordeelde

die onder de nagels te steken, anderen maakten van de takken der

vlierboomen een soort van lange zwavelstokken, terwijl de jongsten in

het woud bossen groen hout gingen zoeken ten einde haar langzaam te

verbranden en door den rook te doen stikken.

Ondertusschen hadden de mannen den tot martelpaal bestemden boom geheel

van zijne schors ontdaan, en vervolgens met elandsvet, vermengd met

rooden oker, besmeerd; aan zijn voet hadden zij het hout van den

brandstapel opeengehoopt, en daarna had de wichelaar den boom door

middel van eenige geheimzinnige woorden bezworen, ten einde dien voor

het bestemde doel geschikt te maken.

Toen deze toebereidselen gemaakt waren, werd de gevangene aan den voet

van den paal gebracht, en zonder nog vastgebonden te worden,

genoodzaakt om zich op den brandstapel neder te zetten; daarna begon de

scalpdans.

De ongelukkige vrouw was oogenschijnlijk zeer kalm; zij had besloten

haar leven ten offer te brengen; niets van hetgeen er om haar heen

voorviel was meer in staat haar te ontroeren. Hare van koorts brandende

en met tranen gevulde oogen dwaalden doelloos over die menigte, die

haar als een hoop wilde dieren brullend omsingelde. Haar geest bleef

echter even waakzaam en even helder als in hare schoonste dagen. De

arme moeder had ééne vrees, die haar het hart verscheurde, meer dan de

duizend martelingen, die de Indianen haar deden ondergaan; zij vreesde,

dat haar zoon, gewaarschuwd omtrent het vreeselijk lot dat haar

bedreigde, zich aan zijne woeste vijanden zou komen uitleveren, om haar

te redden.

Het minste gerucht opvangende, meende zij telkens de stappen van haar

zoon te vernemen, die haar ieder oogenblik kon te hulp snellen; haar

hart klopte van angst. Zij bad God uit het diepst van hare ziel, dat

zij mocht sterven in plaats van haar geliefd kind.

De scalpdans werd met woede voortgezet. Een menigte groote, schoone,

prachtig uitgedoschte krijgslieden, met zwart gemaakte aangezichten,

zwaaiden bij paren om den paal heen, aangevoerd door zeven met trommels

en chicikouees gewapende muzikanten, die zich met rood en zwart hadden

besmeerd en vederen van nachtuilen op het hoofd droegen. De

krijgslieden hadden met vederen en roodlaken versierde geweren en

knodsen in de hand, waarmede zij al dansend den grond aanraakten. Zij

vormden een grooten halven kring om den paal; de andere helft van den

cirkel bestond uit dansende vrouwen.

De Arendskop, die de krijgers aanvoerde, droeg een langen stok, aan het

bovenste uiteinde waarvan een scalp hing te wiegelen, overschaduwd door

de uitgespreide vleugelen van een opgezette ekster; een weinig lager

hing nog een scalp, de huid van een losch, en eenige vederen.

Toen men aldus eenigen tijd gedanst had, plaatsten zich de muzikanten

aan weêrszijden der veroordeelde, en maakten een oorverdoovend geraas

door te gelijkertijd te zingen, en zoo hard zij konden, te trommelen en

de chicikouees te schudden.

Deze dans duurde vrij lang en ging vergezeld met een afschuwelijk

gebrul, dat wel in staat was om de ongelukkige, aan wie zij aldus een

voorsmaak gaven van de vreeselijke martelingen, die haar wachtten, van

schrik krankzinnig te maken.

Eindelijk raakte de Arendskop de veroordeelde met zijn stok even aan,

op dit teeken hield het geraas eensklaps op, de rijen werden verbroken,

ieder greep naar de wapenen.

De doodstraf nam een aanvang.

XX.

DE MARTELING.

Zoodra de scalpdans ophield, schaarden de voornaamste krijgslieden zich

met de wapenen in de hand voor den paal, terwijl de vrouwen, vooral de

meer bejaarde, zich op de veroordeelde wierpen, haar uitscholden, haar

schopten, haar de haren uit het hoofd trokken, haar sloegen, terwijl

zij niet alleen geen den minsten tegenstand bood, maar zich zelfs niet

poogde te onttrekken aan de gruwelijke mishandelingen, die men haar

deed ondergaan. De ongelukkige vrouw verlangde slechts één ding,

namelijk dat er met de terdoodbrenging een begin zou worden gemaakt.

Zij had met koortsachtig ongeduld de bewegingen van den scalpdans

gevolgd, zoozeer vreesde zij dat haar geliefde zoon zou verschijnen om

zich tusschen haar en hare beulen te plaatsen. Evenals de oude

martelaars, beschuldigde zij uit grond van haar hart de Indianen, dat

zij in doellooze plechtigheden een kostbaren tijd lieten verloren gaan:

zoo zij er de kracht toe gehad had, zou zij hen over hunne

langzaamheid, en over de aarzeling, die zij schenen aan den dag te

leggen, om haar op te offeren, hebben berispt en uitgelachen. De

waarheid was deze, dat de Comanchen, huns ondanks en niettegenstaande

de straf hun billijk toescheen, een tegenzin hadden in het martelen van

een weerlooze vrouw, die reeds op jaren was, en hun noch middellijk

noch onmiddellijk ooit eenig leed had berokkend.

De Arendskop zelf, in weerwil van zijn bitteren haat, ondervond een

heimelijk verwijt over de misdaad, die hij beging; en wel verre van de

laatste toebereidselen te verhaasten, maakte hij ze met een traagheid

en tegenzin, die hij onmogelijk te boven kon komen.

Voor dappere mannen, die gewoon zijn de grootste gevaren te trotseeren,

is het altijd een onteerende daad, een zwak schepsel te martelen, die

geen ander middel heeft om zich te verdedigen dan hare tranen. Zoo het

een man ware geweest, zou men eenstemmig besloten hebben om hem

terstond aan den martelpaal te binden.

De Indiaansche gevangenen lachen om alle folteringen; zij beleedigen

hunne beulen, en in hunne doodsliederen, verwijten zij aan hunne

overwinnaars hunne lafheid, hun gebrek aan ondervinding, hunne

onbekwaamheid om hunne slachtoffers te pijnigen; zij sommen hunne eigen

heldenfeiten op, berekenen het aantal vijanden, die zij hebben

gescalpeerd alvorens zelven te vallen, wekken eindelijk door hunne

spotternijen en hunne minachtende houding den toorn hunner beulen op,

en rechtvaardigen in zekere mate hunne wreedheid.

Maar een zwakke vrouw, die zich zonder aarzelen aan haar lot overgeeft,

die zich als een lam ter slachtbank laat voeren, welk belang kan zulk

eene terdoodbrenging aanbieden?

Men kan daarvan geen roem verwachten, maar integendeel slechts eene

algemeene afkeuring.

De Comanchen begrepen dit, van daar hun tegenzin en hun talmen. Doch er

moest een eind aan komen.

De Arendskop naderde de gevangene, en haar bevrijdende van de harpijen,

die haar kwelden, zeide hij op somberen toon:

»Vrouw, ik heb mijn woord gehouden; uw zoon is niet gekomen, gij moet

sterven.”

»Goddank!” zeide zij met een gebrokene stem, zich tegen een boomstam

aanleunende, om niet te vallen.

De hoofdman zag haar aan, zonder haar te begrijpen.

»Vreest gij den dood niet?” vroeg hij haar.

»Neen,” hernam zij, op hem een blik slaande, zacht als die van een

engel, »hij zal mij welkom zijn; mijn leven is één lange doodstrijd

geweest, de dood is een weldaad voor mij.”

»Maar uw zoon dan?”

»Mijn zoon zal leven, als ik sterf; gij hebt het gezworen bij de

beenderen uwer vaderen.”

»Ik heb het gezworen.”

»Laat mij dan sterven.”

»Zijn de vrouwen uwer natie dan gelijk aan de Indiaansche squaws, die

den dood zonder beven onder de oogen zien?” riep de hoofdman verbaasd.

»Ja,” antwoordde zij aangedaan; »alle moeders verachten dien wanneer

het het welzijn harer kinderen geldt.”

»Luister,” zeide de Indiaan, zijns ondanks door medelijden bewogen, »ik

ook, ik heb eene moeder, die ik liefheb, zoo gij het verlangt, zal ik

uw dood uitstellen tot zonsondergang.”

»Waarom?” antwoordde zij met verschrikkelijken eenvoud; »neen,

krijgsman, zoo mijne smart u wezenlijk treft, dan is er maar ééne

gunst, die ik van u vraag.”

»Spreek,” zeide hij levendig.

»Laat mij terstond sterven.”

»Maar zoo uw zoon dan eens kwam?”

»Wat maakt dat? gij verlangt een offer, niet waar? Welnu, dat offer

staat voor u, gij kunt het naar uw genoegen martelen. Waarom geaarzeld?

laat mij sterven, zeg ik u.”

»Aan uw verlangen zal voldaan worden,” zeide de Comanch treurig;

»vrouw, maak u gereed.”

Zij boog het hoofd voorover op de borst, en wachtte. Op eenen wenk van

den Arendskop, grepen twee krijgslieden de gevangene aan en bonden haar

aan den paal vast.

Toen nam het messenspel een aanvang; zie hier, waarin het bestaat:

ieder krijgsman neemt zijn scalpeermes met den duim en wijsvinger van

de rechterhand, en werpt het naar het slachtoffer op zulk eene wijs dat

het slechts lichte kwetsuren veroorzaakt.

De Indianen, als zij iemand ter dood brengen, trachten de marteling zoo

lang mogelijk te rekken; zij geven hun vijand den genadeslag niet,

alvorens zij hem het leven langzaam, en als het ware lid voor lid

hebben ontnomen.

De Indianen wierpen hunne messen met zulk eene bewonderenswaardige

behendigheid, dat allen de ongelukkige raakten, zonder dat één haar

ernstig wondde; maar toch stroomde haar bloed; zij had de oogen

gesloten, en geheel in zich zelve gekeerd, bad zij met warmte om den

laatsten doodelijken slag.

De mannen, wien haar lichaam tot een mikpunt strekte, verhitten zich

langzamerhand; welgevallen in het ongewone schouwspel en zucht om hunne

behendigheid te toonen hadden weldra in hun hart het medelijden

verdrongen, dat zij in het eerst gevoelden. Zij gaven luidkeels hunne

toejuiching te kennen, en moedigden elkander lachend aan. In één woord,

het bloed, evenals altijd, ook bij de beschaafde volkeren, maakte hen

dronken; hunne eigenliefde was in het spel, ieder zocht zijn voorganger

te overtreffen, elke andere beschouwing werd vergeten.

Toen allen hunne messen geworpen hadden, kwamen de behendigste

schutters van den stam, en wapenden zich met geweren.

Ditmaal was er een vaste blik noodig, want een slecht gerichte kogel

kon aan de pijniging op eens een einde maken, en aan de omstanders het

verleidelijk schouwspel ontrooven waarvan zij zich zooveel genoegen

voorstelden.

Bij ieder schot gaf het arme schepsel, geheel voorover gebogen, geen

ander teeken van leven als een zenuwachtige trilling door haar gansche

lichaam.

»Laat ons er een eind aan maken,” zeide de Arendskop, wiens hart zijns

ondanks week werd door zooveel moed en zooveel zelfverloochening. »De

krijgslieden der Comanchen zijn geene jaguars, die vrouw heeft genoeg

geleden, laat zij sterven en laat het uit zijn.”

Eenig gemompel liet zich hooren onder de squaws en onder de kinderen,

die het meest belust waren op de foltering der gevangene. Maar de

krijgslieden waren het met het opperhoofd eens; die doodstraf, zonder

de beleedigingen waarop het slachtoffer gewoonlijk zijne beulen

onthaalt, had voor hen geene aantrekkelijkheid, en bovendien schaamden

zij zich inwendig, dat zij zich zoo bloeddorstig aanstelden tegenover

eene vrouw.

Men schold dus aan de ongelukkige eenige folteringen kwijt—de splinters

onder de nagels, de brandende zwavelstokken tusschen de vingers, het

honigmasker op het gelaat, en nog andere, te veel om op te noemen, en

men maakte den brandstapel gereed, waarop zij verbrand zou worden.

Maar alvorens men tot dit laatste bedrijf van het bloedige treurspel

overging, maakte men de arme vrouw los; gedurende eenige oogenblikken

liet men haar adem scheppen, en zich herstellen van de vreeselijke

aandoeningen, waaraan zij ten prooi was geweest.

De ongelukkige zakte bewusteloos inéén.

De Arendskop naderde haar.

»Mijne moeder is kordaat,” zeide hij; »vele krijgslieden zouden zooveel

lijden niet met zooveel standvastigheid hebben doorgestaan.”

Een flauwe glimlach teekende zich op hare lippen.

»Ik heb een zoon,” antwoordde zij met een onuitsprekelijk zachten blik,

»het is voor hem dat ik lijd.”

»Een krijgsman, die zulk eene moeder heeft, is wel gelukkig.”

»Waarom zoudt gij mijnen dood uitstellen? Het is wreed aldus te

handelen; krijgslieden mogen geen vrouwen kwellen.”

»Mijne moeder heeft gelijk, hare folteringen zijn geëindigd.”

»Zal ik dan eindelijk sterven?” vroeg zij met een verruimd hart.

»Ja, men maakt den brandstapel gereed.”

Haars ondanks voer der arme vrouw eene huivering door al de leden, bij

het hooren van dit vreeselijk bericht.

»Mij verbranden!” riep zij verschrikt uit, »waarom mij verbranden?”

»Dat is het gebruik.”

Zij liet haar hoofd in hare handen vallen, maar weldra herstelde zij

zich, en een bezielden blik ten hemel slaande, prevelde zij met

volkomen onderwerping:

»Uw wil, o God, geschiede!”

»Gevoelt mijne moeder zich sterk genoeg, om aan den folterpaal te

worden vastgebonden!” vroeg het opperhoofd met medelijden.

»Ja,” zeide zij, zich krachtig opheffende.

De Arendskop kon een kreet van bewondering niet weerhouden. De Indianen

beschouwen moed als de eerste deugd.

»Kom,” zeide hij.

De gevangene volgde hem met vasten tred; zij had al hare kracht

herkregen; eindelijk zou zij sterven.

Het opperhoofd geleidde haar naar den folterpaal, waaraan zij ten

tweeden male werd vastgebonden; vóór haar stapelde men de bossen groen

hout op elkander, en op een gegeven teeken van den Arendskop stak men

ze aan.

Het vuur had eerst veel moeite om door te breken, door de vochtigheid

van het hout, dat een dikken rook ontwikkelde; doch na eenige seconden

barstte de vlam uit, verspreidde zich langzamerhand, en verkreeg binnen

weinige minuten een groote uitgebreidheid.

De ongelukkige vrouw kon een kreet van schrik niet bedwingen.

Op hetzelfde oogenblik kwam midden in het kamp een ruiter in volle

vaart aanrennen; met één sprong was hij op den grond, en eer men het

hem beletten kon, verstrooide hij het hout van den brandstapel, en

sneed de banden van het slachtoffer door.

»O, waarom zijt gij gekomen?” mompelde de arme moeder, in zijne armen

vallende.

»Moeder! vergeef mij!” riep Edelhart in wanhoop uit; »mijn God! wat

hebt gij veel moeten lijden!”

»Ga, ga, Rafaël!” herhaalde zij, hem met liefkoozingen overladende;

»laat mij in uwe plaats sterven, moet niet een moeder haar leven

overhebben voor haar kind?”

»O, spreek zoo niet, moeder, gij zoudt mij krankzinnig maken,” zeide

hij, haar in zijne armen knellende.

Maar de verwarring, door de plotselinge verschijning van Edelhart

verwekt, was spoedig voorbij; de Indiaansche krijgslieden hadden die

bedaardheid herkregen, die hen onder alles kenmerkt.

De Arendskop naderde den jager.

»Mijn broeder is welkom,” zeide hij; »ik wachtte hem niet meer.”

»Hier ben ik; het was mij onmogelijk eerder te komen; mijne moeder is

vrij, denk ik.”

»Zij is vrij.”

»Kan zij gaan, waar zij wil?”

»Waar zij wil.”

»Neen,” riep de gevangene, zich kloekmoedig tegenover het opperhoofd

plaatsende, »het is te laat; ik ben het, die sterven moet; mijn zoon

heeft het recht niet, om mijne plaats in te nemen.”

»Moeder, wat zegt gij?...”

»Ik zeg wat billijk is, Rafaël,” hernam zij levendig; »het uur, waarop

gij komen moest, is voorbij; gij hebt het recht niet om hier te zijn,

en mijnen dood te verhinderen; verwijder u, verwijder u, Rafaël, ik

smeek er u om; laat mij sterven om u te redden,” voegde zij er bij, in

tranen smeltend en zich in zijne armen werpende.

»Moeder,” antwoordde Edelhart, haar met liefkoozingen overladende, »uwe

liefde voor mij verblindt u; ik mag zulk eene misdaad niet laten

geschieden; neen, neen, ik alleen moet hier blijven!”

»Mijn God, mijn God!” zeide de arme vrouw snikkend; »hij wil mij niet

begrijpen!... Ik zou zoo gelukkig zijn, als ik mocht sterven, om hem te

redden!”

Overweldigd door al te sterke aandoeningen, viel de moeder bewusteloos

in de armen van haar zoon.

Edelhart drukte een langen en teederen kus op haar voorhoofd, en haar

aan Nô Eusébio overgevende, die eenige minuten te voren ook was

aangekomen, zeide hij op doffen toon:

»Ga! arme moeder; moogt gij gelukkig zijn, zoo het geluk voor u nog

bestaan kan, zonder uw kind.”

De oude dienaar zuchtte, drukte met warmte de hand van Edelhart, en

zijne meesteres voor zich op den zadel plaatsende, wendde hij den

teugel en verliet langzaam het kamp, zonder dat iemand zich daartegen

verzette.

Edelhart volgde zijne moeder met het oog, zoolang hij kon; vervolgens,

toen zij verdwenen was, en de hoefslag van het paard niet meer gehoord

werd, slaakte hij een doffen kreet, en streek zich met de hand over het

voorhoofd, terwijl hij prevelde:

»Alles is gedaan! o God, waak over haar!”

Toen zich tot de Indiaansche hoofden keerende, die hem stilzwijgend met

eerbied en bewondering aanstaarden, zeide hij met een krachtige stem en

vlammenden blik:

»Comanchen, gij zijt allen lafaards! mannen, die een hart bezitten,

martelen geen vrouw!”

De Arendskop glimlachte.

»Wij zullen zien,” zeide hij spottend, »of de bleeke jager zoo dapper

is, als hij voorgeeft.”

»Ik zal ten minste als een man weten te sterven!” antwoordde hij

trotsch.

»De moeder van den jager is vrij.”

»Ja. Welnu, wat wilt gij van mij?”

»Een gevangene heeft geen wapenen.”

»Dat is billijk,” zeide hij met een verachtelijken lach; »ik zal u de

mijne geven!”

»Nog niet, als het u belieft, beste vriend,” riep eensklaps een

spottende stem.

Goedsmoeds kwam te voorschijn.

De jager had voor zich op den zadelboog een kind van vier of vijf jaar,

en een jonge, vrij schoone, Indiaansche vrouw, was stevig aan den

staart van zijn paard vastgebonden.

»Mijn kind, mijne vrouw!” riep de Arendskop eensklaps verschrikt uit.

»Ja,” hernam de jager spottend, »uw vrouw en uw kind, die ik

krijgsgevangen gemaakt heb; ha, ha, dat is een fraaie trek van mij, is

het niet?”

Met één sprong, op een wenk van zijn vriend, had Edelhart zich van de

vrouw meester gemaakt, die van angst klappertandde, en bevreesde

blikken om zich heen wierp.

»Nu,” hernam Goedsmoeds met een onheilspellenden glimlach, »laat ons nu

eens praten; ik geloof dat ik de kansen gelijk gemaakt heb, hé?”

En hij zette den mond van zijn pistool op het voorhoofd van het

schuldelooze schepsel, dat op het voelen van het koude ijzer, akelig

begon te gillen.

»O!” riep de Arendskop wanhopig, »mijn zoon! geef mij mijn zoon terug!”

»En uwe vrouw, vergeet gij die?” antwoordde Goedsmoeds, spottend de

schouders ophalende.

»Welke zijn uwe voorwaarden?” vroeg Edelhart.

II.

OUAKTEHNO.—HIJ DIE DOODT.

I.

EDELHART.

De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika · 第 12 / 21 段