»En waarom zou ik dat niet doen? niets is gemakkelijker; zoodra wij bij

onzen stam zullen gekomen zijn, zal aan het verlangen van mijn broeder

worden voldaan, aangezien hij niet bij zijn roode vrienden verkiest te

blijven.”

Er volgde een oogenblik van stilte. De grijsaard, meenende dat het

onderhoud afgeloopen was, wilde zich verwijderen; de hoofdman gaf hem

een teeken, om te blijven.

Na eenige oogenblikken schudde de Indiaan de asch uit zijne pijp, hing

haar aan zijn gordel, en op den Spanjaard een zonderlingen blik

slaande, zeide hij op droevigen toon:

»Mijn broeder is gelukkig; ofschoon reeds vele winters oud, bewandelt

hij toch niet alleen het levenspad.”

»Wat bedoelt de hoofdman?” vroeg de grijsaard; »ik begrijp hem niet.”

»Mijn broeder heeft een huisgezin,” hernam de Comanch.

»Helaas, mijn broeder bedriegt zich, ik sta alleen op de wereld.”

»Wat zegt mijn broeder daar? heeft hij niet zijne gezellin bij zich?”

Een treurige glimlach teekende zich op de dunne lippen van den

grijsaard.

»Neen,” zeide hij, »ik heb geen levensgezellin.”

»Wat is dan deze vrouw voor hem?” zeide de hoofdman met geveinsde

bewondering op de Spaansche dame wijzende, die stil en droevig naast

den grijsaard stond.

»Die vrouw is mijne meesteres.”

»Ooah! zou mijn broeder een slaaf zijn?” zeide de Comanch grijnzend.

»Neen,” antwoordde de grijsaard fier, »ik ben niet de slaaf van deze

vrouw; ik ben haar trouwe dienaar.”

»Ooah!” zeide de hoofdman, het hoofd schuddende, en hij begon over dit

antwoord na te denken.

Maar de woorden van den Spanjaard kwamen den Indiaan geheel

onbegrijpelijk voor; de onderscheiding was hem al te fijn, hij kon haar

niet vatten. Na twee of drie minuten zwijgens, gaf hij zijne pogingen,

om dit voor hem onverklaarbare raadsel op te lossen, op.

»Goed,” zeide hij, terwijl zich een spottende glimlach op zijn gelaat

vertoonde, »de vrouw zal met mijn broeder vertrekken.”

»Dat heb ik altijd zoo begrepen,” antwoordde de Spanjaard.

De reeds bejaarde vrouw, die tot hiertoe het stilzwijgen bewaard had,

meende nu dat het tijd was, om zich in het gesprek te mengen.

»Ik bedank den hoofdman,” zeide zij, »doch daar hij zoo goed is, om

zich ter onzer beschikking te stellen, zou ik hem wel eene gunst willen

vragen.”

»Mijne moeder spreke, mijne ooren zijn geopend.”

»Ik heb een zoon, die een groot blank jager is; hij moet zich op dit

oogenblik in de prairie bevinden; als mijn broeder goed vond ons nog

eenige dagen bij zich te houden, dan zou het ons mogelijk zijn hem te

ontmoeten; onder zijne bescherming zouden wij niets te vreezen hebben.”

Bij deze onvoorzichtige woorden maakte de Spanjaard eene beweging van

schrik.

»Señorita,” zeide hij in zijne moedertaal, »pas op, dat....”

»Stilte!” gebood de Indiaan. »Waarom spreekt mijn broeder voor mij in

een vreemde taal? is hij bang dat ik zijne woorden verstaan zal?”

»O, hoofdman!” zeide de Spanjaard met een gebaar van ontkenning.

»Dat mijn broeder dan mijne moeder met het bleeke gezicht niet

verhindere te spreken; zij spreekt tot het opperhoofd.”

De grijsaard zweeg, maar een droevig voorgevoel beklemde zijne borst.

Het Comanchenhoofd wist heel goed, met wie hij te doen had: hij speelde

met de twee Spanjaarden, gelijk de kat met de muis; maar zonder iets

van hetgeen er in hem omging te laten blijken, wendde hij zich tot de

vrouw en zich buigende met die instinctmatige beleefdheid, waardoor de

Indianen zich onderscheiden zeide hij:

»Ooah! de zoon mijner moeder is een groot jager: des te beter.”

Het hart der arme vrouw sprong op van vreugde.

»Ja,” zeide zij verrukt, »het is een der dapperste pelsjagers uit de

prairiën van het westen.”

»Ooah!” riep het opperhoofd, hoe langer hoe vriendelijker wordende;

»die beroemde krijgsman moet een geëerbiedigden naam hebben in de

prairiën?”

De Spanjaard lag op de pijnbank; bedwongen door het oog van den

Comanch, wist hij geen middel om zijne meesteres te waarschuwen, dat

zij den naam van haar zoon niet zou uitspreken.

»Zijn naam is wel bekend,” zeide de dame.

»Och,” riep de grijsaard uit, »alle moeders zijn zoo; hare zonen zijn

altijd helden! Die, waarvan zij spreekt, ofschoon een uitmuntend jong

mensch, is niets meer dan een ander, zijn naam is stellig mijn broeder

nooit ter oore gekomen.”

»Hoe weet mijn broeder dat?” zeide de Indiaan op hatelijken toon.

»Ik vooronderstel het maar,” antwoordde de grijsaard; »of zoo mijn

broeder hem toevallig eens heeft hooren uitspreken, zal hij hem reeds

lang uit het geheugen zijn gegaan, en is het niet de moeite waard, dat

hij zich dien weder herinnere. Zoo mijn broeder het goed vindt, zullen

wij ons verwijderen; de dag is vermoeiend geweest, het uur der rust is

gekomen.”

»Oogenblikkelijk,” zeide de Comanch zoetsappig, en zich tot de vrouw

wendende, vroeg hij haar met nadruk: »hoe heet de krijgsman der

bleekgezichten?”

Maar de oude dame, bang geworden door de tusschenkomst van haar

dienaar, wiens trouw en voorzichtigheid zij kende, antwoordde niet,

inwendig gevoelende, dat zij een fout begaan had, en niet wetende, hoe

die te herstellen.

»Hoort mijne moeder niet?” hernam het opperhoofd.

»Waartoe u een naam gezegd, die naar alle waarschijnlijkheid u onbekend

is, en die in ieder geval u geen belang kan inboezemen? Zoo mijn

broeder het goed vindt, zal ik mij verwijderen.”

»Neen, niet voor dat mijne moeder mij den naam gezegd heeft van haren

zoon den grooten krijgsman,” zeide de Comanch, de wenkbrauwen fronsende

en met kwalijk bedwongen toorn stampvoetende. De jager zag dat het

misliep; zijne partij was oogenblikkelijk gekozen.

»Mijn broeder is een groot opperhoofd,” zeide hij, »al is zijn haar

bruin, zijne wijsheid is onmetelijk; ik ben zijn vriend, hij zal geen

misbruik willen maken van het toeval, dat de moeder van zijn vijand in

zijne handen geleverd heeft; de zoon van deze vrouw heet Edelhart.”

»Ooah!” riep de Arendskop weder onheilspellend glimlachende, »dat wist

ik wel; waarom hebben de bleekmuilen twee tongen en twee harten en

zoeken zij altijd de Roodhuiden te bedriegen?”

»Wij hebben niet gepoogd u te bedriegen, hoofdman.”

»Dat gij, zoolang gij bij ons zijt, als kinderen van onzen stam

behandeld zijt geworden, is door mijn toedoen; ik ben het, die u het

leven heb gered.”

»Dat is waar.”

»Welnu, ik wil u toonen dat de Indianen niet vergeten; en dat zij goed

voor kwaad weten te vergelden. Deze wonden, die gij hier ziet, wie

heeft ze mij toegebracht? Edelhart. Wij zijn vijanden, zijne moeder is

in mijne macht, ik zou haar terstond aan den folterpaal kunnen binden,

dat zou mijn recht zijn.”

De twee Spanjaarden bogen het hoofd.

»De wet der prairiën zegt: Oog om oog, tand om tand! Luister goed naar

mij, Oude Eik: gedachtig aan onze oude vriendschap, sta ik u een

uitstel toe. Morgen met zonsopgang zult gij Edelhart gaan zoeken; zoo

hij binnen vier dagen zich niet in mijne handen is komen uitleveren,

zal zijne moeder sterven: mijne manschappen zullen haar levend aan den

folterpaal verbranden, en mijne broeders zullen zich oorlogfluitjes

snijden uit hare beenderen. Gaat, ik heb niets meer te zeggen.”

De grijsaard viel voor het opperhoofd op de knieën, maar de

wraakzuchtige Indiaan schopte hem van zich en ging weg.

»O, mevrouw,” mompelde de grijsaard wanhopig; »gij zijt verloren.”

»Eén ding verzoek ik u, Eusébio,” zeide de moeder met tranen in de

oogen en een geroerde stem, »breng mijn zoon niet hier! Wat zegt het,

of ik sterf? heeft mijn leven helaas al niet lang genoeg geduurd?”

De oude dienaar wierp een blik van bewondering op zijne meesteres.

»Altijd dezelfde,” zeide hij met aandoening.

»Het leven eener moeder behoort immers aan haar kind?” riep zij uit.

De twee oude lieden vielen van smart overstelpt aan den voet van een

boom neder, en brachten den nacht door in het gebed tot God.

De Arendskop scheen geen begrip te hebben van hunne wanhoop.

XVIII.

NO EUSÉBIO.

De voorzorgen, door den Arendskop genomen om zijn gang te verbergen,

mochten goed zijn voor zulke blanken, wier oogen minder geoefend zijn

dan die der partijgangers en jagers, en die weinig gewend aan de listen

der Indianen, zich in deze uitgestrekte wildernissen zonder gids bijna

niet weten te redden, maar voor mannen als Edelhart en Goedsmoeds waren

zij onvoldoende. Zij verloren bijna geen oogenblik het spoor uit het

oog. Gewoon aan de wendingen en bochten der Indiaansche krijgslieden,

lieten zij zich niet misleiden door de plotselinge teruggangen, de

omwendingen, de valsche halten, in een woord, door al die hindernissen,

waarmede de Comanchen hun weg hadden bezaaid. En bovendien was er iets,

waaraan de Indianen niet gedacht hadden, en dat even zeker de richting

aanwees, die zij gevolgd waren, als wanneer zij zorg gedragen hadden,

om die nauwkeurig af te bakenen. Wij hebben vroeger gezegd, dat de

jagers bij de puinhoopen eener hut een speurhond hadden gevonden, die

aan een boom was vastgemaakt en dat deze, zoodra hij vrij was, na

eenige liefkoozingen aan Goedsmoeds te hebben geschonken, het op een

loopen had gezet, met den neus in den wind, om zijn meester te

achterhalen, die geen ander was als de oude Spanjaard; en hij bereikte

hem inderdaad. De sporen van den hond, die de Indianen verzuimden uit

te wisschen, om de eenvoudige reden dat zij niet wisten dat hij hen

volgde, waren overal te zien, en voor zulke behendige jagers als

Edelhart en Goedsmoeds was dit een draad van Ariadne, dien niets kon

breken. De jagers reden dus in stilte voort, met het geweer in den

zadel vastgemaakt, gevolgd door hunne rastreros (spoorzoekers, hier de

speurhonden) achter de Comanchen, die geenszins vermoedden, dat zij

zulk een achterhoede hadden. Iederen avond hield Edelhart halt, juist

op dezelfde plek, waar de Arendskop een dag te voren zijn bivouak had

opgeslagen, want de haast waarmede de beide mannen voortgingen was zóó

groot, dat de Indianen hun slechts eenige mijlen vooruit waren; zij

zouden hen gemakkelijk hebben ingehaald, indien zulks in het plan der

jagers gelegen had. Maar om zekere redenen wilde Edelhart hen liever

nog eenigen tijd op den voet volgen.

Nadat zij in den nacht in een opene plaats in het bosch, aan de oevers

van een frissche beek, wier zacht gemurmel hen in slaap gewiegd had,

hadden doorgebracht, maakten zich de jagers gereed om verder te gaan;

hunne paarden waren gezadeld, en zij aten staande een stuk

elandvleesch, toen Edelhart, die den geheelen morgen den mond niet

geopend had, zich tot zijn makker wendde, met de woorden:

»Laten wij een oogenblik gaan zitten; niets dringt ons, om ons te

haasten, daar de Arendskop bij zijn stam is aangeland.”

»Dat is waar,” antwoordde Goedsmoeds, terwijl hij zich op het gras

nedervlijde; »wij kunnen wel wat praten.”

»Nu, heb ik het niet geraden, dat die vervloekte Comanchen een

krijgsbende in de nabijheid hadden? Wij kunnen er niet aan denken, om

met ons tweeën ons meester te maken van een kamp, waarin zich

vijfhonderd krijgslieden bevinden.”

»Gij hebt gelijk,” zeide Goedsmoeds wijsgeerig, »daar zijn er heel

veel; maar, gij weet, beste vriend, en anders zegt uw hart het u, wij

kunnen er altijd de proef van nemen, men weet nooit wat er gebeuren

kan.”

»Dank u,” zeide Edelhart glimlachend, »maar ik geloof, dat het

nutteloos zal zijn.”

»Nu, zooals gij wilt.”

»List alleen zal ons baten.”

»Verzinnen wij dan een list, ik ben tot uw orders.”

»Hebben wij geen vallen hier in de nabijheid?”

»Hemel, ja, geen halve mijl hier van daan, bij den grooten

bevervijver.”

»Juist, ik weet niet meer, waarover ik sinds eenige dagen denk; ziet

gij, Goedsmoeds, die gevangenschap van mijne moeder maakt mij gek, ik

moet haar bevrijden, het koste wat het wil.”

»Dat is ook mijn gevoelen, Edelhart, en ik zal u met al mijne kracht

bijstaan.”

»Morgen, bij het aanbreken van den dag moet gij eens naar den Zwarten

Eland gaan, en hem uit mijn naam verzoeken, zooveel blanke jagers

bijeen te verzamelen als hij maar kan.”

»Zeer goed.”

»In dien tusschentijd zal ik naar het kamp der Comanchen gaan, om over

den losprijs mijner moeder te spreken; zoo zij haar mij niet willen

uitleveren, zullen wij onze toevlucht tot de wapenen nemen, en wij

zullen eens zien, of een twintigtal van de beste karabijnen het niet

winnen zullen van die vijfhonderd roovers der prairiën.”

»En zoo zij u gevangen nemen?”

»In dat geval zal ik u mijn hond zenden, die zich in de grot bij de

rivier bij u zal voegen; als gij hem alleen ziet komen, dan weet gij

wat het zeggen wil, en gij kunt dan dienovereenkomstig handelen.”

De Canadees schudde bedenkelijk het hoofd.

»Neen,” zeide hij, »dat zal ik niet doen.”

»Hoe! zult gij dat niet doen?” riep de jager verbaasd uit.

»Zeker niet; neen, ik zal het niet doen, Edelhart. Bij u vergeleken,

die zoo dapper en verstandig zijt, beteeken ik heel weinig, dat weet

ik, maar ik heb toch een goede eigenschap, die niemand mij ontnemen

zal, en dat is mijne genegenheid voor u.”

»Ik weet het, mijn vriend, gij hebt mij lief als een broeder.”

»En gij wilt, dat ik u, gelijk men in mijn land zegt, aan gene zijde

van de groote meren, onbekommerd den neus zal laten steken in het hol

van den wolf, of nog erger, want mijne vergelijking is vernederend voor

de wolven, de Indianen zijn duizendmaal bloeddorstiger! Neen, ik

herhaal het u, ik zal het niet doen; het zou een slechte daad zijn, en

als u iets overkwam, dan zou ik het mijzelven niet vergeven.”

»Verklaar u, Goedsmoeds,” zeide Edelhart ongeduldig; »op mijn eer ik

kan u onmogelijk begrijpen.”

»O, dat is toch gemakkelijk genoeg,” antwoordde de Canadees; »al heb ik

weinig geest en al ben ik geen groot redenaar, ik heb toch gezond

verstand, en ik kan goed uit mijne oogen zien, als het iemand geldt,

dien ik lief heb; ik heb niemand meer lief dan u, nu mijn vader dood

is.”

»Spreek, mijn vriend,” antwoordde Edelhart, »en vergeef mij de

ongeduldige drift, waaraan ik een oogenblik geen weerstand kon bieden.”

Goedsmoeds dacht even na, en hervatte toen:

»Gij weet dat de grootste vijanden, die wij in de prairie hebben, de

Comanchen zijn; door een onverklaarbaar toeval hebben wij altijd met

hen te strijden gehad, en nooit hebben zij zich kunnen beroemen het

minste voordeel op ons behaald te hebben; van daar tusschen hen en ons

een onverzoenlijke haat, die in de laatste dagen nog is toegenomen door

onze geschillen met den Arendskop, wien gij zoo slim of zoo dom zijt

geweest slechts een arm te breken, toen het u zoo gemakkelijk viel hem

den kop te verpletteren, eene aardigheid, die, ik ben er zeker van, het

Comanchenhoofd u zeer kwalijk genomen heeft, en hij u nooit zal

vergeven; overigens beken ik, dat ik in zijne plaats volkomen dezelfde

gevoelens zou hebben aangekleefd, en dat ik daarom niet op hem gebeten

ben.”

»Ter zake! ter zake!” viel Edelhart in.

»De zaak is deze,” hernam Goedsmoeds zonder zich over het ongeduld van

zijn vriend te verwonderen: »de Arendskop zoekt op alle mogelijke wijze

uw hoofdhaar meester te worden; nu begrijpt gij, dat, zoo gij

onvoorzichtig genoeg zijt om u aan hem over te geven, hij de

gelegenheid zal te baat nemen om voor eens en voor altijd met u af te

rekenen.”

»Maar,” antwoordde Edelhart, »mijne moeder is in zijne handen.”

»Ja,” zeide Goedsmoeds, »maar dat weet hij niet; gij weet, mijn vriend,

dat de Indianen, enkele gevallen uitgezonderd, de vrouwen, die zij

machtig worden, uitstekend behandelen, en dat zij haar gewoonlijk de

grootste beleefdheden bewijzen.”

»Dat is waar,” zeide de jager.

»Nu dan, daar wel niemand aan den Arendskop zal zeggen dat zijne

gevangene uwe moeder is, zoo is zij, als men de ongerustheid, waarin

zij omtrent u verkeert, niet mederekent, onder de Roodhuiden even goed

bezorgd, alsof zij zich op het groote plein van Quebec bevond. Het is

dus onnoodig om eene roekeloosheid te begaan; laten wij een twintigtal

goede makkers bijeenroepen, en daarmede de Indianen bewaken; bij de

eerste gelegenheid, die zich zal aanbieden, zullen wij hen dapper op

het lijf vallen, wij dooden er zooveel mogelijk, en bevrijden uwe

moeder; ziedaar, geloof ik, de wijste partij, die wij kiezen kunnen;

wat denkt gij er van?”

»Ik denk, mijn vriend,” antwoordde Edelhart, hem de hand drukkende,

»dat gij het beste schepsel zijt van de wereld, dat uw raad goed is, en

dat ik hem zal opvolgen.”

»Bravo!” riep Goedsmoeds verheugd; »dat noem ik taal.”

»En nu...” zeide Edelhart opstaande.

»Nu?” vroeg Goedsmoeds.

»Bestijgen wij onze paarden, rijden om het indiaansche kamp heen, laten

ons niet van het spoor brengen, en gaan naar de hatto van onzen braven

vriend den Zwarten Eland, die een wijs man is, en ons zeker van dienst

zal zijn in de uitvoering van ons plan.”

»Zooals gezegd is!” zeide Goedsmoeds vroolijk, terwijl hij in den zadel

sprong.

De jagers verlieten de opene plaats en maakten een omweg, om het

indiaansche kamp te vermijden, waarvan men den rook op hoogstens twee

mijlen afstand gewaar werd; zij richtten zich toen naar de plaats,

waar, naar alle waarschijnlijkheid, de Zwarte Eland zich onledig hield

met zoo behendig mogelijk zijne strikken te spannen voor de bevers, die

merkwaardige dieren, waarvan doña Luz zooveel hield. Zoo reden zij te

naastenbij een uur lang, al lachend en pratend voort, want de

redeneeringen van Goedsmoeds hadden eindelijk Edelhart overtuigd, die,

de Indiaansche zeden grondig kennende, voor zijne moeder geen gevaar

vreesde, toen de honden eensklaps teekenen van onrust gaven, en luid

blaffend wegvlogen.

»Wat scheelt er toch aan onze rastreros?” zeide Edelhart; »men zou

denken, dat zij een vriend geroken hebben.”

»Hemel! zij hebben den Zwarten Eland uitgevonden, wij zullen ze stellig

in elkanders gezelschap vinden.”

»’t Is mogelijk,” zeide de jager nadenkend, en zij reden voort.

Na eenige oogenblikken bemerkten zij een ruiter, die zoo snel hij kon

op hen afkwam, omringd van de honden, die hem luid blaffend nasprongen.

»Het is de Zwarte Eland niet!” riep Goedsmoeds.

»Neen!” zeide Edelhart, »het is Nô Eusébio. Wat beteekent dat? hij is

alleen; zou er met mijne moeder iets gebeurd zijn?”

»Laten wij ons reppen!” zeide Goedsmoeds, zijn paard de sporen gevende.

De jager volgde hem, ten prooi aan een doodelijken angst.

De drie ruiters waren weldra bijeen.

»Helaas! helaas!” riep de grijsaard met eene treurige stem.

»Wat is er gebeurd, Nô Eusébio? spreek, in Godsnaam, spreek!” zeide

Edelhart.

»Uw moeder! don Rafaël, uwe moeder!”

»Nu, spreek!... spreek dan toch!” riep de jager angstig.

»O, mijn God!” zeide de grijsaard, de armen ten hemel heffende, »het is

te laat!”

»Spreek dan, in Godsnaam! gij doet mij sterven.”

De grijsaard wierp hem een troosteloozen blik toe.

»Don Rafaël,” zeide hij, »wees moedig, wees een man.”

»Goede God! welk vreeselijk nieuws komt gij ons brengen?”

»Uwe moeder is de gevangene van den Arendskop.”

»Dat weet ik.”

»Zoo gij van daag, ja dezen morgen nog, u zelven niet aan het

Comanchenhoofd hebt uitgeleverd....”

»Dan?”

»Dan zal zij levend verbrand worden!”

»O!” gilde de jager; met een hartverscheurenden kreet.

Zijn vriend ondersteunde hem, anders zou hij van zijn paard gevallen

zijn.

»Maar,” vroeg Goedsmoeds, »zegt gij, dat zij van daag verbrand moet

worden, goede grijsaard?”

»Van daag.”

»Dus hebben wij nog den tijd?”

»Helaas! bij zonsopgang zou het zijn, en zie eens,” zeide hij, naar de

lucht wijzende.

»O,” riep Edelhart uit, op een toon, die onmogelijk is weêr te geven,

»ik zal mijne moeder redden!”

En zich op zijn paard voorover buigende, verdween hij in duizelende

vaart.

De anderen volgden hem.

Plotseling keerde hij zich om, en riep tot Goedsmoeds:

»Waar gaat gij heen?”

»U helpen om uwe moeder te redden, of met u sterven.”

»Kom dan mede!” antwoordde Edelhart, zijne sporen in de bloedende

zijden van zijn paard drukkende.

Er was iets vreeselijks en verschrikkelijks in de dolle vaart van die

drie mannen, die, allen op dezelfde lijn, met bleek voorhoofd, gesloten

lippen en bliksemende oogen, over stroomen en diepten heen, geen

hinderpalen ontziende, hunne paarden altijd bleven aanvuren, zonder

zich een oogenblik rust te gunnen. Bij tusschenpoozen liet Edelhart het

aan de Mexicaansche Gineten eigenaardig geschreeuw hooren, en de

verhitte paarden verdubbelden hun spoed.

»Mijn God, mijn God!” herhaalde de jager, met een doffe stem, »red! red

mijne moeder!”

XIX.

DE RAAD DER OPPERHOOFDEN.

Niettegenstaande het onstuimig gesprek dat hij met Nô Eusébio gevoerd

had, ging de Arendskop toch voort met zijne gevangene zoo zacht

mogelijk te behandelen, en zich met eene kieschheid jegens haar te

gedragen, die men geenszins verwachten zou van menschen, welke, volgens

onze meening, zonder eenige geldige reden onder den naam van Wilden

bekend staan. In het algemeen toch verdient de wijze waarop de Indianen

met hunne gevangenen omgaan, eer geprezen dan gelaakt te worden, daar

zij, wel verre van hen zonder oorzaak te martelen en te kwellen, gelijk

velen het elkander hebben nagezegd, hun veeleer de grootst mogelijke

beleefdheid bewijzen, en in zeker opzicht medelijden hebben met hun

ongeluk.

In de omstandigheden, waarvan wij spreken, was het besluit van den

Arendskop, ten opzichte van Edelharts moeder, slechts eene

uitzondering, waarvan de oorzaak moet worden toegeschreven aan den

doodelijken haat, dien het Indiaansche opperhoofd den jager toedroeg.

De scheiding der twee gevangenen was pijnlijk en hartverscheurend; de

oude dienaar vertrok wanhopig om den jager te zoeken, terwijl de arme

moeder met een gebroken hart de Comanchen volgde.

Den volgenden dag kwam de Arendskop op de door de opperhoofden der

natie vastgestelde plaats; de geheele stam was bijeen.

Niets is zonderlinger en schilderachtiger dan het gezicht van een

Indiaansch kamp. Als de Roodhuiden op een jacht- of krijgsonderneming

uit zijn, richten zij op de plaats, waar zij halt houden, tenten op van

bisonvellen, die over kruiselings in den grond gestoken palen zijn

uitgespannen, deze tenten, waarvan de vloer met aardkluiten overdekt

is, hebben alleen van boven eene opening, om den rook door te laten, en

zonder welke zij onbewoonbaar zouden zijn.

Het kamp had een levendig aanzien; de vrouwen kwamen en gingen, beladen

met hout en vleesch, of gezeten op door honden getrokken sleden, die al

haar rijkdommen bevatten; de krijgslieden zaten in de open lucht rondom

de vuren te rooken en te praten. Het was echter gemakkelijk te raden

dat er iets ongewoons werd voorbereid; want ondanks het vroege uur—de

zon was nog nauwelijks opgegaan—waren de voornaamste hoofden in de

raadstent bijeen, om aldaar, gelijk de ernstige uitdrukking van hun

gelaat te kennen gaf, een gewichtige zaak te bespreken.

Het was de laatste dag van uitstel door den Arendskop aan Nô Eusébio

toegestaan. De Indiaansche krijgsman aan zijn haat getrouw en geen lust

hebbende zijn wraak uit te stellen, had de hoofden bijeengeroepen om

hunne goedkeuring te erlangen voor de uitvoering van zijn afschuwelijk

plan.

Wij herhalen het hier, opdat men er zich niet in vergisse, de Indianen

begaan geen wreedheden, louter voor hun genoegen. De noodzakelijkheid

is hunne eerste wet; nooit geven zij bevel tot de marteling en

terdoodbrenging van een gevangene, allerminst wanneer deze eene vrouw

is, dan wanneer het belang der natie het eischt.

Zoodra de hoofden om het vuur van de raadstent bijeen gezeten waren,

trad de pijpdrager in den kring, met een aangestoken calumet, boog

zich, onder het prevelen van een gebedje, naar alle vier de

hemelstreken, en bood de calumet aan het oudste opperhoofd aan, maar

zóó dat hij het roer in de hand hield.

Toen de hoofden een voor een gerookt hadden, stootte de pijpdrager de

asch van de calumet in het vuur, en zeide:

»Hoofden van den grooten Comanchenstam, moge Natosh (God) u wijsheid

geven, en moge het besluit, dat gij nemen gaat, met de eischen der

rechtvaardigheid overeenstemmen.”

Daarna maakte hij een eerbiedige buiging en verwijderde zich.

Er volgde een oogenblik stilte; ieder overpeinsde de zoo uitgesprokene

woorden.

Eindelijk stond de oudste op. Het was een eerwaardige grijsaard, wiens

lichaam met tallooze lidteekenen was bezaaid, en die onder de zijnen

een grooten naam van wijsheid bezat. Hij heette Eshis—de zon.

De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika · 第 11 / 21 段