te letten, waarvan de Zwarte Eland aan zijne gasten melding had
gemaakt. Deze man, wiens kostuum volmaakt op dat van den Zwarten Eland
geleek, was te naastenbij veertig jaar; maar de vermoeienissen en de
tallooze onheilen van zijn beroep hadden op zijn gelaat een netwerk van
diepe rimpels gegroefd, die hem veel ouder deden schijnen dan hij
werkelijk was. En inderdaad, er is ter wereld geen gevaarlijker, geen
moeielijker, geen minder winstgevend beroep dan dat van pelsjager. De
arme menschen worden vaak, hetzij door de Indianen, hetzij door andere
jagers beroofd van al hunne met moeite bijeenvergaderde winst,
gescalpeerd en vermoord, zonder dat iemand zich het hoofd breekt met de
vraag, wat er van hen geworden is.
»Neem plaats, señorita, en gij ook mijne heeren,” zeide de Zwarte Eland
beleefd; »mijn huis, hoe arm het zijn mag, is toch groot genoeg om u
allen te bergen.”
De jagers namen zijn aanbod gretig aan, stegen af, en bevonden zich
weldra gemakkelijk uitgestrekt op rustbedden van droge bladeren, bedekt
met de huiden van bevers, elanden en bisons.
Het maal, een recht jagersmaal, werd besproeid met eenige couïs
(bekers) uitmuntenden mezcal, dien de generaal altijd op zijne tochten
medenam, en dien de jagers naar verdienste waardeerden.
Terwijl doña Luz, de gids en de lanceros gedurende eenige oogenblikken
de gewone siësta hielden, om de grootste hitte te laten voorbijgaan,
verzocht de generaal den Zwarten Eland om hem te volgen, en verliet met
hem de hut. Zoodra zij zich ver genoeg verwijderd hadden, zette de
generaal zich aan den voet van een ebbenhoutboom neder, en noodigde
zijn gastheer uit om hetzelfde te doen, hetgeen deze dan ook
onmiddellijk deed. Na een oogenblik stilte nam de generaal het woord:
»Mijn vriend,” zeide hij, »sta mij eerst toe, dat ik u bedank voor uwe
gulle gastvrijheid. Daarna wensch ik eenige vragen tot u te richten.”
»Caballero!” antwoordde de jager met drift, »gij weet wat de Roodhuiden
gewoon zijn te zeggen; doet tusschen ieder woord een trek aan uw
calumet (vredespijp), opdat geen onbedacht woord aan uw mond ontvalle.”
»Gij spreekt als een verstandig man, maar wees gerust, ik ben niet van
plan u vragen te doen, die betrekking hebben op uw beroep, of op iets
anders, dat u persoonlijk aangaat.”
»Zoo ik u kan antwoorden, Caballero, zal ik niet aarzelen u te
voldoen.”
»Verplicht, mijn vriend, ik verwachtte niets minder van u; hoe lang
woont gij al in de prairiën?”
»Al tien jaar, mijnheer, en God geve dat ik er nog even zoovele mag
doorbrengen.”
»Dat leven bevalt u dus?”
»Meer dan ik u zou kunnen zeggen.—Men moet het evenals ik, als kind
begonnen zijn, er al de beproevingen van ondervonden, al het lijden van
geleden, al de gevaren van doorgestaan hebben, om de bekoorlijkheden
die het schenkt, de hemelsche zaligheid die het oplevert, en de
onbekende genoegens waarmede het ons overlaadt, te begrijpen! O,
Caballero, de schoonste en grootste stad van het oude Europa is wel
klein, wel morsig en wel popperig, bij de woestijn vergeleken. Uw
gebonden, geregeld en afgemeten leven is wel armzalig bij het onze! Het
is hier alleen, dat de mensch ruim ademt, dat hij leeft, dat hij denkt!
De overbeschaving doet hem bijna tot den rang van het dier afdalen hem
niet meer instinct overlatende, dan noodig is om zijn ellendig doelwit
na te jagen. In de prairie daarentegen, waar hij van aangezicht tot
aangezicht tegenover God staat, breiden zijne gedachten zich uit,
verruimt zich zijn gemoed, en wordt hij werkelijk, wat het hoogste
wezen van hem heeft willen maken, namelijk heer der schepping.”
Terwijl hij deze woorden uitsprak, was de jager geheel veranderd, zijn
gelaat had een bezielde uitdrukking aangenomen, zijne oogen schoten
vonken, en zijne gebaren waren de getrouwe spiegels van al wat er in
hem omging.
De generaal slaakte een diepen zucht, een stille traan bevochtigde zijn
grijzen knevel.
»Het is zoo,” zeide hij treurig, »dat leven heeft eigenaardige
bekoorlijkheden voor hem die het gesmaakt heeft, en die er zich met
onverbreekbare banden aan verbonden ziet. Toen gij in de prairiën
kwaamt, van waar kwaamt gij toen?”
»Ik kwam van Quebec, mijnheer, ik ben een Canadees.”
»Ah!”
Er volgde eene pauze. De generaal brak haar ten laatste weder af.
»Hebt gij onder uwe makkers geen Mexicanen?” zeide hij.
»Verscheidene.”
»Ik zou gaarne iets van hen willen weten.”
»Er is er een, die er u meer van zou kunnen zeggen, maar ongelukkig is
die man op dit oogenblik niet hier.”
»En hij heet?”
»Edelhart.”
»Edelhart!” hernam de generaal met vuur; »maar ik ken dien man, geloof
ik.”
»Ja, gij kent hem.”
»O, God, hoe jammer!”
»Misschien zal het u gemakkelijker vallen hem te ontmoeten dan gij
denkt, ten minste zoo gij er werkelijk belang in stelt, om hem te
zien.”
»Ik heb er groot belang bij.”
»Wees dan maar gerust; weldra zult gij hem zien.”
»Hoe dat?”
»O, op een heel eenvoudige manier. Edelhart zet zijne vallen dicht bij
de mijne; ik houd er tegenwoordig een wakend oog op; maar hij kan niet
lang wegblijven.”
»Dat geve God!” zeide de generaal aangedaan.
»Zoodra hij terugkomt, zal ik hem waarschuwen, zoo gij dan uw kamp nog
niet verlaten hebt.”
»Weet gij dan waar mijn troep kampeert?”
»Wij weten alles in de woestijn,” antwoordde de jager glimlachend.
»Belooft gij het mij?”
»Gij hebt mijn woord, mijnheer.”
»Ik dank u.”
Op dit oogenblik verliet doña Luz de hut, na den Zwarten Eland een
teeken gegeven te hebben, dat hij zwijgen zou; de generaal haastte zich
haar te volgen.
De reizigers bestegen hunne paarden weder, en na de jagers voor hunne
gulle ontvangst te hebben dank gezegd, namen zij den terugtocht aan
naar het kamp.
XVI.
VERRAAD.
De terugtocht was niet vroolijk. De generaal was nog geheel vervuld van
het onderhoud, dat hij met den jager gehad had. Doña Luz dacht aan de
waarschuwing die haar gegeven was. De gids, gebelgd over de
afzonderlijke gesprekken van den Zwarten Eland met het meisje en met
den generaal, had een geheim voorgevoel, dat hem tot voorzichtigheid
aanspoorde. De twee Lanceros alleen liepen onbekommerd voort; zij
kenden het drama niet dat om hen gespeeld werd, en dachten aan niets,
als aan de rust die hen in het kamp wachtte.
De Babbelaar wierp gedurig onrustige blikken om zich heen, als zocht
hij hulp en versterking te midden der dichte struiken, door welke de
kleine troep zich zwijgend een weg baande.
De dag liep ten einde; de zon zou weldra ondergaan; de geheimzinnige
gasten van het woud lieten reeds van tijd tot tijd hun dof gebrul
hooren.
»Zijn wij nog ver van het kamp?” vroeg de generaal eensklaps.
»Neen,” antwoordde de gids, »nauwelijks een uur.”
»Verhaasten wij onze schreden dan; ik wil in dit donkere bosch niet
door den nacht overvallen worden.”
De troep nam een versnelden pas aan, die hen in minder dan een half
uur, bij de voorste wallen van het kamp bracht. Kapitein Aguilar en de
doctor kwamen de reizigers bij hunne aankomst te gemoet. Het avondmaal
was gereed gemaakt, en wachtte reeds lang op hen. Men zette zich aan
tafel. Maar de treurigheid, die zich sedert eenige uren van den
generaal en zijne nicht scheen te hebben meester gemaakt, nam eer toe
dan af. Het tafelgesprek leed er onder; ieder at haastig zonder een
woord te zeggen. Toen men gedaan had, ging men onder voorwendsel van
vermoeid te zijn uiteen, schijnbaar om zich aan de rust over te geven,
maar in werkelijkheid om alleen te zijn en na te denken over de
gebeurtenissen van den dag.
De gids van zijn kant was niet veel beter op zijn gemak; een slecht
geweten is, zooals een wijs man gezegd heeft, de verdrietigste
slaapkameraad dien men hebben kan, de Babbelaar nu had het slechtste
van alle slechte gewetens; ook gevoelde hij volstrekt geen lust om te
slapen. Hij wandelde in het kamp op en neder, en zocht te vergeefs in
zijn onrustig gemoed naar eenig middel, om zich uit de moeielijkheid te
redden waarin hij zich gewikkeld zag. Maar hoe hij zijn best deed om
zijne verbeeldingskracht op te wekken, niets bracht zijn argwaan tot
rust.
Het was intusschen geheel nacht geworden; de maan was ondergegaan; een
dikke duisternis overdekte het kamp. Iedereen sliep of scheen te
slapen; de gids alleen, die de eerste wacht op zich had genomen, zat
wakend op de bagage; de armen over de borst gekruist, en strak voor
zich uitziende, verdiepte hij zich hoe langer hoe meer in sombere
droomerijen. Eensklaps werd er een hand op zijn schouders gelegd, en
prevelde eene stem dit ééne woord in zijn oor:
»Kennedy!”
De gids, rijkelijk voorzien van die tegenwoordigheid van geest en die
onverstoorbare koelbloedigheid, die den Indianen en mestiezen nooit
begeven, wierp een wantrouwenden blik om zich heen, ten einde zich te
verzekeren, dat hij niet bespied werd; vervolgens greep hij de hand die
nog altijd op zijn schouder rustte, en voerde den persoon, die hem had
toegesproken, en die hem zonder tegenspraak volgde, met zich in een
afgelegen hoek, waar hij zeker meende te kunnen zijn tegen elken
overval.
Op het oogenblik dat de twee mannen de tent voorbij gingen, werden de
gordijnen zachtkens opgeslagen, om een schaduw door te laten, die hen
zwijgend begon te volgen.
Toen zij zich achter de bagage verscholen en naast elkander geplaatst
hadden, om fluisterend te kunnen spreken, mompelde de gids:
»Goddank! ik wachtte uw bezoek met ongeduld, Kennedy.”
»Wist gij dan, dat ik komen moest?” antwoordde deze argwanend.
»Neen, maar ik hoopte het.”
»Is er nieuws?”
»Ja, veel!”
»Spreek en haast u.”
»Dat zal ik doen. Alles is verloren.”
»Zoo! wat meent gij?”
»Van daag is de generaal, onder mijn geleide, naar....”
»Ik weet het, ik heb u gezien.”
»Vervloekt! waarom hebt gij ons niet aangevallen?”
»Wij waren met ons beiden.”
»Ik zou de derde geweest zijn; het had dus gelijk gestaan, daar de
generaal slechts twee lanceros bij zich had.”
»Ja, daar heb ik niet aan gedacht.”
»Dat was verkeerd van u; het had alles afgeloopen kunnen zijn, terwijl
nu waarschijnlijk alles verloren is.”
»Hoe dat?”
»Wel, Caraï, dat is duidelijk; de generaal en zijn nicht hebben een
tijdlang met dien schijnheiligen Zwarten Eland staan praten; gij weet,
hij kent mij sinds lang, hij heeft hen zeker geraden, om mij te
wantrouwen.”
»Waarom hebt gij ze ook naar den bevervijver gebracht?”
»Kon ik weten, dat ik daar dien vervloekten jager tegen ’t lijf zou
loopen?”
»In ons vak moet men op alles rekenen.”
»Gij hebt gelijk, ik heb een fout begaan. Maar hoe het zij, het kwaad
is nu niet meer te herstellen, want ik heb een voorgevoel dat de Zwarte
Eland den generaal omtrent mij heeft ingelicht.”
»Hm, dat is wel waarschijnlijk. Wat moeten wij dan doen?”
»Zoodra mogelijk handelen, zoodat zij geen tijd hebben om op hun hoede
te zijn.”
»Ik verlang niets anders, dat weet gij.”
»Ja. Waar is de kapitein? Is hij terug?”
»Van avond gekomen. Al onze manschappen zijn in de grot, wij zijn met
ons veertigen.”
»Bravo! ach, waarom zijt gij niet met u allen gekomen, in plaats van
gij alleen; zie eens, welk een schoone gelegenheid gij hadt. Zij slapen
als rotten. Wij zouden hen in minder dan tien minuten in handen hebben
gehad.”
»Gij hebt gelijk, maar men kan niet alles voorzien; bovendien, dat is
het niet, wat gij met den kapitein hebt afgesproken.”
»Neen, dat beken ik. Maar waarom komt gij dan?”
»Om u te waarschuwen, dat wij gereed zijn, en dat wij slechts op een
teeken van u wachten, om te handelen.”
»Maar wat moet ik doen? Geef mij toch raad.”
»Hoe, voor den duivel, wilt gij, dat ik u raden zal? weet ik wat er
hier omgaat, en moet ik u zeggen, hoe gij het moet aanleggen?”
De gids dacht een oogenblik na, vervolgens hief hij het hoofd op en
keek strak in de lucht.
»Luister,” hernam hij, »het is nog geen twee uur.”
»Neen.”
»Gij gaat weder naar de grot.”
»Terstond?”
»Ja.”
»Goed. En dan?”
»Gij zult aan den kapitein zeggen, dat, als hij het verlangt, ik hem
het meisje nog dezen nacht zal uitleveren.”
»Hm, dat zal dunkt mij niet gemakkelijk zijn.”
»Gij zijt een domoor.”
»’t Is mogelijk; maar ik zie niet in waarom.”
»Wacht dan maar. De wacht over het kamp is aldus verdeeld: over dag
staan de soldaten bij de borstweringen; maar daar zij aan het leven in
de prairiën niet gewoon zijn, en hunne hulp in den nacht meer kwaad dan
goed zou doen, zoo is aan mij en de andere gidsen de wacht opgedragen,
terwijl de soldaten rust nemen.”
»Dat is zeer vernuftig uitgedacht,” zeide Kennedy lachend.
»Niet waar? Gij klimt dus te paard; beneden aan den heuvel gekomen,
zullen zes der stoutmoedigste mannen zich bij mij voegen; met hunne
hulp neem ik de taak op mij, om, terwijl zij slapen, den generaal en al
de soldaten te binden.”
»Dat is een heerlijk denkbeeld.”
»Vindt gij?”
»Ja zeker.”
»Goed. Zijn die schelmen eens goed gekneveld, dan fluit ik, en de
kapitein komt met de rest van den troep. Laat hij het dan met het
meisje zien te vinden, dat gaat hem aan, ik bemoei er mij niet mede.
Hoe vindt gij dat?”
»Uitmuntend.”
»Op die wijze vermijden wij het vergieten van bloed en wij zelven komen
er ongedeerd af.”
»Gij zijt voorzichtig.”
»Ja, maar, mijn beste vriend, als men dergelijke zaken doet, die bij
welslagen groote voordeden aanbrengen, moet men het altijd zoo zien te
schikken, dat men alle kansen voor zich heeft.”
»Goed gesproken, en bovendien, uw plan bevalt mij, en ik ga het zonder
dralen ten uitvoer brengen; maar laat ons eerst goed afspreken, om elk
misverstand te voorkomen.”
»Daar heb ik niets tegen.”
»Als de kapitein, gelijk ik wel denk, uw heerlijk en onfeilbaar plan
goedkeurt, dan zal ik, zoodra wij aan den voet van den heuvel zijn, met
zes onverschrokken kerels, die ik zelf zal uitkiezen, naar boven gaan.
Van welken kant zal ik het kamp binnen dringen?”
»Wel, van denzelfden kant, waarvan gij nu gekomen zijt.”
»En gij, waar zult gij zijn?”
»Bij den ingang; gereed om u te helpen.”
»Goed. Nu is alles afgesproken. Hebt gij mij niets meer te zeggen?”
»Neen, niets.”
»Dan ga ik weg.”
»Ja, hoe eer hoe beter.”
»Gij hebt altijd gelijk. Geleid mij tot aan de plaats, waar ik uit het
kamp kan komen, het is zoo donker dat, als ik alleen ga, ik licht zou
kunnen verdwalen, en in aanraking komen met een slapenden soldaat,
hetgeen ons minder goed zou dienen.”
»Geef mij de hand.”
»Zie daar.”
De twee mannen stonden op en wilden heengaan; maar op hetzelfde
oogenblik plaatste zich een schaduw tusschen hen beiden, en riep een
krachtige stem hun toe:
»Verraders, gij zult sterven!”
Ondanks al hunne zelfbeheersching, bleven de beide mannen een oogenblik
versteend van schrik staan. Zonder hun den tijd te geven om hunne
tegenwoordigheid van geest terug te erlangen, schoot de persoon, die
gesproken had twee pistolen op hen af. De ongelukkigen gaven een luiden
gil; de een viel, de andere sprong op als een tijgerkat, klom tegen de
borstwering op, en verdween, eer men den tijd had om ten tweedemale op
hem los te branden.
De generaal en kapitein Aguilar verschenen het eerst op de plaats, waar
het bovenvermelde tooneel had plaats gehad. Zij vonden doña Luz met
twee pistolen in de hand, terwijl aan hare voeten een man zich
krampachtig rondwentelde.
»Wat beteekent dat, lieve nicht? Wat is er gebeurd? in Gods naam, zijt
gij gewond?” vroeg de generaal beangst.
»Herstel u, oom; ik ben niet gewond,” antwoordde het meisje, »maar ik
heb een verrader gestraft. Twee ellendelingen smeedden in het donker
eene samenzwering tegen onze gemeenschappelijke veiligheid; de een is
ontsnapt, maar ik geloof dat deze er minder goed afgekomen is.”
De generaal boog zich over den schelm heen. Bij het licht der toorts,
die hij in de hand droeg, herkende hij Kennedy, denzelfden gids, die
volgens den Babbelaar, levend verbrand zou zijn, bij gelegenheid van
den brand der prairie.
»O, o!” zeide hij, »wat beteekent dat?”
»Dat beteekent, oom,” antwoordde het meisje, »dat zoo God ons niet te
hulp ware gekomen, wij dezen nacht door een troep bandieten, die niet
ver van hier in hinderlaag ligt, zouden overvallen zijn.”
»Laat ons dan geen tijd verliezen.”
De generaal, geholpen door kapitein Aguilar, haastte zich nu om alles
tot een geduchten tegenstand gereed te maken, ingeval men een aanval
wagen mocht.
De Babbelaar was gevlucht, maar een breed spoor van bloed bewees, dat
hij zwaar gekwetst was. Zoo het dag ware geweest, zou men gepoogd
hebben hem te vervolgen, en misschien zou men hem hebben kunnen
inhalen; maar te midden der duisternis, en zonder te weten of de vijand
niet in de nabijheid in hinderlaag lag, wilde de generaal niet dat
zijne soldaten zich buiten het kamp waagden. Hij liet liever den
Babbelaar deze kans op redding behouden. Wat Kennedy betrof, die was
dood.
Zoodra het eerste oogenblik voorbij was, gevoelde doña Luz, thans niet
meer door het dreigend gevaar staande gehouden, dat zij eene vrouw was.
Hare geestkracht verflauwde, hare oogen vielen toe, eene zenuwachtige
trilling ging haar door al de leden, zij wankelde, en zij zou zeker
gevallen zijn, zoo de doctor haar niet in zijne armen had opgevangen.
Hij bracht haar half in zwijm onder de tent, en bewees haar al de
zorgen, die haar toestand vereischte. Het meisje kwam langzamerhand
bij, hare kalmte keerde terug, en er kwam weder orde in den gang van
hare denkbeelden. Zich den raad herinnerende, dien de Zwarte Eland haar
dienzelfden dag gegeven had, dacht zij, dat nu het oogenblik daar was,
om hem zijne belofte in het geheugen te roepen, en zij gaf den doctor
een teeken om naderbij te komen.
»Beste doctor,” zeide zij met een zachte stem, »wilt gij mij een groote
dienst bewijzen?”
»Beschik over mij, Señorita.”
»Kent gij een pelsjager, de Zwarte Eland geheeten?”
»Ja, zijne hut staat niet ver van hier, bij een bevervijver.”
»Juist; welnu doctor, dien moest gij eens, zoodra het dag is, uit mijn
naam gaan opzoeken.”
»Waarom, Señorita?”
»Ik bid er u om,” zeide zij vleiend.
»O, dan kunt gij gerust zijn, dan zal ik gaan,” antwoordde hij.
»Ik dank u.”
»Wat zal ik hem zeggen?”
»Gij zult hem vertellen, wat hier van nacht is voorgevallen.”
»Sakkerloot!”
»En dan zult gij er bijvoegen, onthoud die woorden goed, want gij moet
ze letterlijk herhalen....”
»Ik ben geheel gehoor, ik zal ze in mijn geheugen opschrijven.”
»Zwarte Eland, het uur is gekomen. Gij hebt mij begrepen, niet waar?”
»Volkomen, Señorita.”
»Zweert gij, te zullen doen wat ik u vraag?”
»Ik zweer het u,” zeide hij plechtig, »bij zonsopgang zal ik den jager
opzoeken, hem verhalen, wat er van nacht is voorgevallen, en er
bijvoegen: Zwarte Eland, het uur is gekomen. Is dat al wat gij van mij
verlangt?”
»Ja. alles, beste doctor.”
»Welnu, slaap dan maar gerust, Señorita, ik zweer u bij mijn eer, dat
het geschieden zal.”
»Ik dank u,” fluisterde het meisje, hem met een glimlach de hand
drukkende.
En overstelpt door de vreeselijke aandoeningen van dien nacht viel zij
op haar bed, waar zij weldra een rustigen en verkwikkenden slaap
genoot.
Bij het aanbreken van den dag, in weerwil van de aanmerkingen van den
generaal, die hem te vergeefs trachtte te beletten om heen te gaan,
uithoofde van de gevaren waaraan hij zich zou blootstellen, verliet de
waardige geleerde, die al wat zijn vriend tot hem zeide met een
ontkennend hoofdschudden beantwoordde, en zonder eenige reden voor
zijne hardnekkigheid op te geven, het kamp, en reed zoo hard hij kon
van den heuvel naar beneden. Zoodra hij in het woud was, gaf hij zijn
paard nogmaals de sporen en wendde zich in galop naar de hut van den
Zwarten Eland.
XVII.
DE ARENDSKOP.
De Arendskop was een even voorzichtig als moedig opperhoofd; hij wist,
dat hij alles van de Amerikanen te vreezen had, zoo hij zijn spoor niet
geheel kon doen verdwijnen. Hij verzuimde dan ook niets om, na den
gelukkigen aanslag tegen de nieuwe ontginning der blanken, aan de
oevers der groote Canadasche rivier, zijn troep in veiligheid te
stellen tegen de geduchte weêrwraak, die hem wachtte.
Men kan zich geen denkbeeld maken van het door de Indianen ontwikkelde
talent, als het hun te doen is om hun spoor te verbergen. Twintig malen
komen zij op dezelfde plaats terug, en verwarren de sporen van hun
doortocht zoodanig onder elkander, dat zij eindelijk onherkenbaar
worden; geen bijzonderheid ontgaat hun; zij loopen in elkanders
voetstappen om hun aantal te verbergen; dagen achtereen volgen zij den
stroom van eene beek, terwijl het water hun soms tot de heupen reikt;
ja, zij drijven hunne voorzichtigheid en hun geduld vaak zoo ver, dat
zij met de hand, en als het ware stap voor stap, de schreden
uitwisschen, die hen aan de helderziende en belangstellende oogen
hunner vijanden zouden kunnen verraden.
De Slangen-stam, waartoe de krijgslieden, onder het bevel van den
Arendskop, behoorden, was ten getale van ongeveer vijf honderd man in
de prairiën doorgedrongen, hetzij om op bisons te jagen of om slag te
leveren aan de Pawnies en Sious, tegen welke zij onophoudelijk krijg
voerden.
Het deel van den Arendskop, zoodra de veldtocht was afgeloopen, was om
zich onmiddellijk bij zijne broeders aan te sluiten, ten einde den buit
door hem bij de verovering van het dorp gemaakt, in veiligheid te
brengen en zich aan het hoofd te stellen van een groote
krijgsonderneming, die zijn stam in den zin had tegen de in de prairiën
verstrooide blanke jagers en mestiezen, die door de Indianen met reden
als hunne onverzoenlijke vijanden werden beschouwd.
Ondanks de menigte voorzorgen, door het opperhoofd aangewend, ging de
troep snel vooruit. Op den avond van den zesden dag na de verwoesting
van het fort, hielden de Comanchen halt aan de oevers van een kleine
rivier zonder naam, gelijk er in deze streken vele zijn, en maakten zij
zich gereed om aldaar des nachts te kampeeren. Niets is eenvoudiger dan
een Indiaansch kamp op den voet van oorlog. De paarden worden
vastgebonden, zoodat zij niet kunnen wegloopen; als men geen aanval
vreest, steekt men vuur aan; in het tegenovergestelde geval, schikt
ieder zich zoo goed hij kan om te eten en te slapen.
Na hun vertrek van het fort, had niets bij de Comanchen het vermoeden
opgewekt, dat zij achtervolgd of bespied werden, hunne spionnen hadden
geen enkel verdacht spoor ontdekt. Zij bevonden zich op geringen
afstand van het kamp van hun stam, hunne veiligheid liet dus niets te
wenschen over. De Arendskop liet vuur aanleggen, en plaatste zelf de
schildwachten, om voor allen te waken.
Toen hij deze maatregelen genomen had, zette de hoofdman zich tegen een
ebbenboom, nam zijn calumet en beval dat de grijsaard en de Spaansche
vrouw zouden worden voorgebracht. Toen zij voor hem stonden, groette de
Arendskop den grijsaard hartelijk en bood hem zijn calumet aan, een
teeken van welwillendheid, dat de grijsaard aannam; zich tevens gereed
houdende, om de vragen te beantwoorden, die de Indiaan zonder twijfel
tot hem richten zou. Na eenige oogenblikken stilte nam deze werkelijk
het woord:
»Heeft mijn broeder het goed bij de Roodhuiden?” vroeg hij.
»Ik heb geen reden tot klagen, hoofdman!” antwoordde de Spanjaard;
»zoolang ik bij u was ben ik goed behandeld.”
»Mijn broeder is een vriend,” zeide de Comanch plechtstatig.
De grijsaard maakte een buiging.
»Wij zijn eindelijk op onzen jachtgrond,” hernam het opperhoofd; »mijn
broeder Grijshoofd is vermoeid van een lang leven; hij past beter bij
het vuur van den raad, dan op een paard om op elands en bisons te
jagen: wat begeert mijn broeder?”
»Hoofdman,” antwoordde de Spanjaard, »uwe woorden zijn waar; er was een
tijd toen ik, evenals ieder andere zoon der prairiën, dagen lang op de
jacht doorbracht, gezeten op een vurig en onstuimig ros, maar mijne
krachten zijn verdwenen, mijne ledematen hebben hunne buigzaamheid, en
mijne oogen hunne onfeilbaarheid verloren, ik deug niet meer voor eene
expeditie, hoe kort zij ook wezen moge.”
»Goed,” zeide de Indiaan bedaard, dikke rookwolken uit neus en mond
blazende, »mijn broeder zegge aan zijn vriend, wat hij verlangt, en het
zal geschieden.”
»Ik dank u, hoofdman, en ik zal van uw welwillend aanbod gebruik maken;
ik zou gelukkig zijn, zoo gij mij de middelen wildet verschaffen, om
mij ongehinderd naar eene plaats te begeven, waar zich menschen van
mijne kleur gevestigd hebben, en waar ik in vrede de weinige
levensdagen, die mij nog overblijven, kan doorbrengen.”