»Ach,” zeide zij, »het spijt mij dat ik naar honig verlangd heb; mijne

gulzigheid is voor vele wezens de oorzaak van een groot ongeluk.”

»Laat ons gaan,” zeide de generaal glimlachend, »en hun deze weinige

raten laten behouden.”

»O,” zeide de gids, de schouders ophalend, »weldra zullen zij door het

wild gedierte zijn weggehaald.”

»Hoe, door het wild gedierte? door welk wild gedierte?” vroeg de

generaal.

»Door de racoons, door de opossums en vooral door de beren.”

»Door de beren?” zeide doña Luz.

»O, Señorita,” hernam de gids, »dat zijn de slimste dieren om een

bijenboom te ontdekken, en er hun voordeel mede te doen.”

»Zij houden dus van honig?” vroeg het meisje nieuwsgierig.

»Zij zijn er dol op, Señorita,” antwoordde de gids, die los begon te

worden; »verbeeld u, zij zijn zoo gulzig, dat zij weken lang aan een

boom knagen, totdat zij een gat hebben gemaakt, groot genoeg om er

hunne pooten door te steken, en dan nemen zij de honig en de bijen

mede, zonder zich de moeite te geven van te kiezen.”

»Laat ons nu,” zeide de generaal, »onze reis hervatten en ons naar de

pelsjagers begeven.”

»O, wij zullen er weldra zijn, uwe Excellentie,” antwoordde de gids;

»wij zijn nog maar weinige schreden van de groote Canadasche rivier

verwijderd, aan welker oevers zich de pelsjagers gevestigd hebben.”

De kleine troep hervatte zijn tocht. De bijenjacht had onwillekeurig

een treurigen indruk bij het meisje achtergelaten; die arme kleine

dieren, zoo onschuldig en ijverig, om een loutere gril aangevallen en

verjaagd, wekten haar medelijden en nadenken op. Haar oom werd dit

gewaar.

»Lief kind,” zeide hij, »wat gaat er in u om? gij zijt niet meer zoo

vroolijk, als toen wij vertrokken. Vanwaar die plotselinge

verandering?”

»Och, oom, maak u daarover niet ongerust, ik ben evenals alle jonge

meisjes een beetje dwaas en grillig, die bijenjacht waarvan ik mij

zooveel genoegen voorstelde, heeft mij onwillekeurig tot treurigheid

gestemd.”

»Gelukkig kind!” prevelde de generaal, »dat nog om zulk een nietige

oorzaak bedroefd kan worden; God geve, mijne lieve, dat gij nog lang

zoo blijven moogt, en dat nooit grootere en diepere smarten u treffen.”

»Beste oom, zal ik bij u niet altijd gelukkig zijn?”

»Helaas! mijn kind, wie weet of het Gods wil is, dat ik nog lang bij u

zal blijven?”

»Zeg dat niet, oom, ik hoop dat wij nog lange jaren te zamen zullen

doorbrengen.”

De generaal antwoordde slechts met een zucht.

»Oom,” hernam het meisje, na een oogenblik zwijgens: »vindt gij niet,

dat het gezicht der grootsche en verheven natuur om ons heen iets

aangrijpends heeft, dat de gedachte veredelt, de ziel verheft en den

mensen beter maakt? Wat moeten zij, die in die onbegrensde, eenzame

wildernis leven, gelukkig zijn!”

De generaal zag haar verwonderd aan.

»Van waar komen u die gedachten, lief kind?” zeide hij.

»Ik weet het niet, oom,” antwoordde zij verlegen; »ik ben maar een dom

meisje, dat tot nu toe stil en vreedzaam naast u heb voortgeleefd; maar

er zijn oogenblikken, waarin het mij toeschijnt, dat ik gelukkig zou

wezen, indien ik in die uitgestrekte woestijnen leven mocht.”

De generaal, verrast, en inwendig verrukt over de onschuldige

openhartigheid van zijne nicht, maakte zich gereed om haar te

antwoorden, toen de gids eensklaps nader bij kwam, een teeken gaf om de

stilte te bewaren, en met een stem, zacht als een ademtocht, zeide:

»Een mensch!....”

XIV.

DE ZWARTE ELAND.

Allen bleven staan. Het woord »mensch” beteekent in de woestijn bijna

altijd een vijand. De mensch is in de woestijn nog meer gevreesd door

zijns gelijken, dan het bloeddorstigste wilde dier. Een mensch, dat is

een mededinger, een opgedrongen aandeelhouder, die volgens het recht

van den sterkste met den eersten bezitter komt deelen, en hem dikwijls,

om niet te zeggen altijd, de vrucht van zijn ondankbaren arbeid poogt

te ontstelen. De blanken, Indianen, of mestiezen, als zij elkander in

de prairie ontmoeten, groeten elkaâr dan ook altijd met loerenden blik,

gespitste ooren, en den vinger op den trekker van hun geweer.

Op het hooren van dat woord: een mensch! maakten zich de generaal en de

lanceros terstond gereed, om een aanval te kunnen afwachten; zij

laadden hunne geweren, en verscholen zich, zoo goed zij konden, achter

de struiken. Vijftig passen voor hen uit bevond zich een persoon, die,

met beide handen op den loop van een lang geweer rustende, hen

opmerkzaam gadesloeg. Het was een lang, forsch gebouwd man, met

krachtige trekken, en een vrijen en vasten blik. Zijn lang haar was

netjes gevlochten en met ottervellen en verschillend gekleurde linten

versierd. Een lederen jachtkiel viel hem tot op de knieën, slobkousen

van eene zonderlinge snede, met koorden, franjes en tallooze knoopjes

opgetuigd, omgaven zijne beenen; zijn schoeisel bestond uit een paar

prachtige mocksens met valsche paarlen geborduurd. Een scharlaken kleed

bedekte zijne schouders, en was om zijne heupen gebonden door middel

van een gordel, waarin zich twee pistolen, een mes en een indiaansche

pijp bevonden. Zijn karabijn was met vermiljoen bestreken en met kleine

koperen spijkertjes gemonteerd. Niet ver van hem verwijderd graasde

zijn paard, dat evenals hij zelf, op de zonderlingste wijze uitgedost

en hier en daar met vermiljoen besmeerd was; het hoofdstel, de teugels

en de broek waren met valsche paarlen en kokardes versierd; de kop, de

manen en de staart prijkten met tallooze arendsvederen, die golvend op

en neder wuifden.

Op het gezicht van dezen man, kon de generaal een kreet van verrassing

niet weêrhouden.

»Tot welken indiaanschen stam behoort die man?” vroeg hij aan den gids.

»Tot geene,” antwoordde deze.

»Hoe, tot geene?”

»Neen, het is een blanke pelsjager.”

»Aldus gekleed?”

De gids haalde de schouders op.

»Wij zijn in de prairiën,” zeide hij.

»Dat is waar,” mompelde de generaal.

De persoon ondertusschen, dien wij boven beschreven hebben, scheen het

aarzelen van den kleinen troep vóór hem moede te worden, en willende

weten waaraan hij zich te houden had, nam hij stoutmoedig het woord.

»Hei! heidaar!” riep hij in ’t Engelsch, »wie duivel zijt gij, en wat

komt gij hier zoeken?”

»Caramba!” antwoordde de generaal, zijn geweer naar achteren werpende,

en aan zijne reisgenooten bevelende om evenzoo te doen, »wij zijn

reizigers, die een langen tocht achter den rug hebben; de zon is heet,

wij vragen uwe toestemming om eenige oogenblikken in uwe rancho (hut)

uit te rusten.”

Deze woorden werden in het Spaansch gesproken; de Pelsjager antwoordde

in dezelfde taal:

»Nadert onbevreesd; de Zwarte Eland is een goede kerel, als men hem

niet tracht te verbitteren; gij zult het weinige dat ik bezit, met mij

deelen, en het moge u wel bekomen.”

Op het hooren van dien naam kon de gids een beweging van schrik niet

weerhouden; hij wilde zelfs iets zeggen, maar had er den tijd niet toe,

want de jager, zijn geweer over den schouder leggende, en zich met één

sprong in den zadel werpende, was den Mexicanen reeds genaderd.

»Mijne rancho is niet ver van hier,” zeide hij tot den generaal; »als

de señorita een goed toebereiden bisonbult niet versmaadt, dan kan ik

haar die galanterie bewijzen.”

»Ik dank u, Caballero,” antwoordde het meisje glimlachend; »ik betuig

u, dat ik voor het oogenblik meer behoefte heb aan rust dan aan iets

anders.”

»Alles op zijn tijd,” zeide de jager deftig, »vergun mij, gedurende

eenige oogenblikken, uw gids af te lossen.”

»Wij geven ons aan uw geleide over,” zeide de generaal; »ga, wij

volgen.”

»Voorwaarts dan,” hernam de pelsjager, zich aan het hoofd van den troep

plaatsende. Terwijl hij dit zeide, vielen zijne oogen toevallig op den

gids; zijne wenkbrauwen fronsten zich: »Hm!” mompelde hij tusschen de

tanden, »wat beteekent dat? wij zullen zien.” En zonder zich schijnbaar

meer om dien man te bekommeren, zonder zelfs te toonen dat hij hem

herkende, gaf hij het teeken tot vertrek.

Na eenigen tijd stilzwijgend langs een vrij breede beek te zijn

voortgegaan, maakte de jager op eens een hoek, en ging hij op nieuw het

bosch in.

»Ik vraag u vergeving,” zeide hij, »voor den omweg, dien ik u laat

maken; maar er is hier een bevervijver, en ik ben bang hen te zullen

verschrikken.”

»O,” riep het meisje uit, »hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik die

nijvere dieren eens mocht zien arbeiden!”

De jager bleef staan.

»Niets is gemakkelijker, Señorita,” zeide hij, »zoo gij mij volgen

wilt, terwijl uwe reisgenooten hier blijven wachten zal ik er u

brengen.”

»Ja, ja!” antwoordde doña Luz levendig; maar, zich eensklaps

bezinnende, hervatte zij: »O, vergeving oom!”

De generaal wierp een blik op den jager.

»Ga, mijn kind, wij zullen u hier wachten,” zeide hij.

»Dank u, oom,” zeide het meisje verheugd, en van haar paard springende.

»Ik sta u borg voor haar,” zeide de jager, »vrees niets.”

»Ik vrees niets, ik vertrouw haar u toe, mijn vriend,” antwoordde de

generaal.

»Verplicht!” en een teeken gevende aan doña Luz, verdween de Zwarte

Eland met haar te midden van de struiken en boomen.

Toen zij op zekeren afstand gekomen waren, bleef de jager staan. Na aan

alle kanten geluisterd en gekeken te hebben, wendde hij zich tot het

meisje, legde haar zachtjes zijne hand op den schouder, en zeide:

»Luister.”

Doña Luz bleef ongerust en bevend staan. De jager bemerkte haar angst.

»Vrees niet,” hernam hij, »ik ben een eerlijk man: gij zijt hier in

deze woestijn, met mij alleen, even veilig, alsof gij u in de

kathedraal van Mexico, aan den voet van het altaar bevondt.”

Het meisje wierp steelsgewijze een blik op den jager: ondanks zijn

zonderling kostuum had zijn gelaat zulk een openhartige uitdrukking, en

was zijn oog zoo helder en zacht op haar gevestigd, dat zij volkomen

gerust gesteld werd.

»Spreek,” zeide zij.

»Gij behoort,” hernam de jager, »want ik herken u nu, tot dien troep

vreemdelingen, die sedert eenige dagen de prairie in alle richtingen

doorkruist, is het niet waar?”

»Ja.”

»Onder u bevindt zich een halve gek met een blauwen bril en een blonde

pruik, en die zich, waarom weet ik niet, vermaakt met het bijeenzamelen

van planten en steenen, in plaats van, gelijk een braaf jager past,

bevers te verschalken en herten te schieten.”

»Ik ken den man van wien gij spreekt, hij maakt werkelijk een deel van

onzen troep uit, het is een zeer geleerde doctor.”

»Dat weet ik, hij heeft het mij gezegd; hij komt dikwijls hierheen, wij

zijn goede vrienden; door middel van een poeder, dat hij mij heeft doen

innemen, heeft hij mij volkomen verlost van eene koorts, die mij sinds

twee maanden kwelde, en waarvan ik mij vergeefs poogde te ontslaan.”

»Zooveel te beter; ik ben blijde over dien goeden uitslag.”

»Ik zou wel iets voor u willen doen, om die dienst terug te betalen.”

»Verplicht, mijn vriend, maar ik weet niet waarmede gij mij van dienst

zoudt kunnen zijn, behalve mij de bevers te laten zien.”

De jager schudde het hoofd.

»Misschien met iets anders, en wellicht eer dan gij denkt,” zeide hij.

»Luister goed, Señorita, ik ben maar een arm man, maar hier in de

woestijn weten wij veel, dat God ons openbaart, omdat wij van

aangezicht tot aangezicht met Hem verkeeren; ik wil u een goeden raad

geven: de man die u tot gids dient, is een volleerde schurk; hij staat

als zoodanig in de prairiën van het Westen bekend; ik moet mij zeer

vergissen of hij zal u in een strik doen vallen; er is hier geen gebrek

aan slechte menschen, met wie hij zich kan verstaan om u ongelukkig te

maken, of ten minste om u uit te plunderen.”

»Zijt gij zeker van hetgeen gij zegt?” riep het meisje, verschrikt over

die woorden, die zoo zonderling overeenkwamen met hetgeen Edelhart haar

gezegd had.

»Ik ben er even zeker van als van iets anders, dat men bezweren kan

zonder afdoende bewijzen te hebben; ik ben verplicht u te zeggen, dat,

na hetgeen vroeger met den Babbelaar gebeurd is, men voor hem op zijne

hoede moet wezen; geloof mij, zoo hij u nog niet verraden heeft, zal

het toch niet lang meer duren of hij doet het.”

»Groote God, ik zal mijn oom waarschuwen!”

»Wacht u daarvoor, gij zoudt daarmede alles op het spel zetten; de

lieden, met welke uw gids zich verstaat, of zich spoedig verstaan zal,

zijn talrijk en onverschrokken, en weten alles wat er in de prairie

omgaat.”

»Wat moeten wij dan doen?” vroeg het meisje angstig.

»Niets. Wachten, en zonder er den schijn van aan te nemen, zorgvuldig

al de gangen van uw gids bespieden.”

»Maar....”

»Gij begrijpt wel,” viel de jager in, »dat, zoo ik u aanraad den

Babbelaar te wantrouwen, ik dat niet doe, om u, als de nood aan den man

is, in den steek te laten.”

»Ik geloof u.”

»Welnu, zie hier wat gij doen moet; zoodra gij zekerheid hebben zult,

dat uw gids u verraadt, zult gij dien gekken ouden doctor tot mij

zenden; gij kunt op hem vertrouwen, niet waar.”

»Volkomen.”

»Goed. Dan zult gij, zooals ik gezegd heb, hem tot mij zenden, met den

last, om alleen deze woorden uit te spreken: Zwarte Eland! De Zwarte

Eland, ben ik.”

»Dat weet ik, gij hebt het ons gezegd.”

»Best. Hij moet dan zeggen: Zwarte Eland, het uur is geslagen. Niets

anders. Gij kunt dit immers wel onthouden?”

»Heel goed. Alleen begrijp ik niet recht, in welk opzicht ons dit

nuttig zal kunnen zijn.”

De jager glimlachte geheimzinnig.

»Hm!” zeide hij na een oogenblik zwijgens, »die weinige woorden zullen

in twee uur tijds vijftig der vastberadenste mannen uit de prairie om u

scharen. Mannen, die op een teeken van hun opperhoofd zich zullen laten

dooden om u uit de handen uwer overweldigers te rukken, wanneer,

hetgeen ik voorzie, gebeuren zal.”

Er volgde een oogenblik stilte, doña Luz mijmerde. De jager hernam

glimlachend:

»Verwonder u niet over de levendige belangstelling, die ik u betoon,

een man, die mij geheel door zijn invloed beheerscht, heeft mij laten

zweren, dat ik, terwijl hij om dringende redenen voor eenigen tijd

afwezig moest zijn, in zijne plaats voor u waken zou.”

»Wat bedoelt gij?” vroeg zij nieuwsgierig, »en wie is die man?”

»Die man is een jager; die het bevel voert over al de blanke pelsjagers

der prairiën; wetende, dat gij den Babbelaar tot gids hebt, heeft hij

vermoed, dat die mesties plan had u in een hinderlaag te lokken.”

»Maar de naam van dien man?” riep zij op angstigen toon.

»Is Edelhart. Zult gij nu vertrouwen in mij stellen?”

»Ik dank u, mijn vriend, ik dank u,” antwoordde het meisje in

verwarring; »ik zal nooit uwe aanbeveling vergeten en als het oogenblik

van gevaar daar is, zal ik niet aarzelen u aan uwe belofte te

herinneren.”

»En gij zult wél doen, Señorita, omdat het de eenige kans van behoud

is, die u dan zal overschieten. Kom, gij hebt mij begrepen, alles is in

orde, houd ons gesprek voor u; maar bovenal, wacht u voor den schijn

alsof gij u met mij verstaan hebt; die duivel van een mesties is slim

als een bever, zoo hij den minsten argwaan koesterde, zou hij u als een

adder door de vingers glijden.”

»Wees gerust, ik zal zwijgen.”

»Laat ons nu onzen tocht naar den bevervijver voortzetten. Edelhart

waakt over u.”

»Hij heeft ons reeds eenmaal het leven gered, laatst bij den brand der

prairie,” zeide zij levendig.

»Ha, ha!” prevelde de jager, een vreemden blik op haar vestigende, »de

zaken staan goed;” vervolgens voegde hij er hardop bij: »Vrees niet,

Señorita; zoo gij stipt den raad, dien ik u gegeven heb, opvolgt, zal u

in de prairie niets overkomen, aan welke schelmerijen gij ook moogt

zijn blootgesteld.”

»O,” riep zij uit, »als het uur van gevaar slaat, zal ik niet aarzelen

tot u te komen, dat zweer ik u!”

»Dat is dan afgesproken,” zeide de Zwarte Eland glimlachend; »laat ons

nu de bevers gaan zien.” Zij hervatten hunnen tocht, en na eenige

oogenblikken kwamen zij aan den rand van het woud. Daar bleef de jager

staan, gaf aan het meisje een teeken, dat zij zich niet verroeren zou,

en zich tot haar wendende, zeide hij: »Ziehier.”

XV.

DE BEVERS.

Het meisje schoof de wilgentakken weg, en met voorover gebogen hoofd,

keek zij toe.

De bevers hadden niet alleen, door gemeenschappelijken ijver, den loop

der rivier, maar ook dien van alle beken, die er in uitliepen,

gestremd, zoodat de omliggende grond geheel in een uitgestrekt moeras

was herschapen. Een enkele bever werkte op dit oogenblik aan de

hoofdsluis; maar weldra kwamen er nog vijf anderen met stukken hout,

kluiten en takken aandragen. Met hun allen wendden zij zich nu naar een

gedeelte van den dijk, dat, gelijk het meisje zag, herstelling noodig

had. Zij legden hunne vracht op het gebrokene deel neder, en dompelden

zich in het water, om bijna onmiddellijk weder boven te komen, ieder

met een zekere hoeveelheid slik beladen, waarvan zij zich als van kalk

bedienden, om de stukken hout en takken aan elkander te verbinden, dit

gemetsel duurde zoolang, totdat de breuk geheel verdwenen was. Zoodra

alles gereed was, schepten de nijvere dieren een oogenblik adem; zij

vervolgden elkander in den vijver, doken onder of speelden op de

oppervlakte, en sloegen het water, zoo hard zij konden met hunne

staarten.

Doña Luz zag dit zonderlinge schouwspel met klimmende belangstelling

aan. Zij had daar wel den geheelen dag willen blijven, om naar die

vreemde dieren te zien.

Terwijl deze bevers zich aldus vermaakten, kwamen er twee andere leden

dier maatschappij te voorschijn. Een tijdlang zagen zij diepzinnig de

spelen hunner makkers aan, zonder zelfs maar den schijn aan te nemen,

of zij wilden mededoen; vervolgens tegen den kant opklimmende, niet ver

van de plek waar de jager en het meisje op den uitkijk zaten, zetten

zij zich op hun achterste pooten, leunden met de voorsten tegen een der

jonge pijnboomen, en begonnen er de schors af te knagen. Nu en dan

haalden zij er een klein stukje af, en hielden het tusschen de pooten,

zonder van houding te veranderen; zij knabbelden er aan ongeveer met

dezelfde verdraaiingen en grimassen, waarmede een aap een nootje

oppeuzelt. Het klaarblijkelijk doel der bevers was den boom door te

zagen, en zij werkten er met veel ijver aan. Het was een jonge

pijnboom, zoo recht als een kaars, vrij hoog, en omstreeks 18 duim

diameter dik, namelijk op de plaats waar zij er aan werkten. Zonder

twijfel zouden zij hem binnen kort geheel hebben doorgevijld, zoo niet

de generaal, ongerust geworden over het lang uitblijven zijner nicht,

besloten had haar te gaan zoeken, waardoor de bevers, verschrikt door

het paardengetrappel, onderdoken en plotseling verdwenen.

De generaal deed zijne nicht kleine verwijten over haar langdurige

afwezigheid; maar het meisje, verrukt over hetgeen zij zag, bekommerde

er zich niet veel om, en deed bij zich zelve de stille gelofte, om nog

eenmaal onzichtbaar getuige te zijn van den arbeid der bevers.

De kleine troep richtte zich, onder de leiding van den jager, naar de

rancho, waarin hij haar eene schuilplaats aanbood tegen de gloeiende

stralen der zon, die juist de middaghoogte had bereikt.

Doña Luz, wier nieuwsgierigheid, door het treffende schouwspel dat zij

had bijgewoond, ten hoogste was opgewekt, stelde zich schadeloos voor

de ongelukkige tusschenkomst van haar oom door den Zwarten Eland te

ondervragen over de gewoonten der bevers en over de wijze waarop zij

gevangen worden. De jager, evenals alle menschen, die gewoonlijk alleen

zijn, haalde gaarne, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood, zijn

schade wat het praten betrof in; hij liet zich dan ook niet lang

bidden.

»O, o, Señorita,” zeide hij, »de Roodhuiden zeggen, dat de bever een

mensch is die niet spreekt, en zij hebben gelijk; hij is wijs,

voorzichtig, dapper, ijverig en zuinig. Als de winter komt, dan wordt

het heele huishouden aan ’t werk gezet, om provisie op te doen; ouden

en jongen, allen werken. Dikwijls doen zij lange reizen, om de schors

te vinden waarvan zij het meest houden. Zij houwen vaak vrij dikke

boomen om, en nemen er de takken af, wier schors hun het meest bevalt;

zij zagen die in stukken van omstreeks drie voet, brengen ze te water

en laten ze naar hunne hutten drijven, om ze aldaar op te stapelen.

Hunne woningen zijn netjes en gemakkelijk; na gegeten te hebben, werpen

zij de stukken hout waarvan zij de schors hebben afgeknaagd, in de

rivier, aan gene zijde van de sluis. Nooit staan zij aan een vreemden

bever toe om zich bij hen te komen vestigen, en dikwijls vechten zij

met het grootste geweld om hun grondgebied te verdedigen.”

»Ik heb nooit iets dergelijks gehoord,” zeide het meisje.

»O, maar dat is alles nog niet,” hernam de jager. »In de lente, wanneer

zij ruien, laat het mannetje het wijfje alleen thuis en gaat hij als

een groot heer een pleizierreisje maken, waarbij hij dan dikwijls

groote afstanden aflegt, zich vermakende in het heldere water dat hij

ontmoet, en tegen de oevers opklauterende, om de tengere stammen van

jonge populieren of wilgen af te knabbelen. Maar als de zomer nadert,

dan laat hij zijne levenswijze als alleenloopend gezel varen, herinnert

zich zijne plichten als huisvader, keert naar zijne vrouw en naar zijn

pasgeboren kroost terug, en geeft aan dit laatste onderwijs in het

opdoen van winterprovisie.”

»Waarlijk,” zeide de generaal, »dat dier is een der merkwaardigste van

geheel de schepping.”

»Ja,” voegde doña Luz er bij, »en ik begrijp niet, hoe men er zoo

koelbloedig jacht op kan maken, evenals op een schadelijk dier.”

»Ach! wat wilt gij dan, Señorita?” gaf de jager wijsgeerig ten

antwoord; »alle dieren zijn voor den mensch geschapen; en dit vooral,

daar zijne huid zoo kostbaar is.”

»Dat is waar,” zeide de generaal; »maar,” voegde hij er bij, »hoe maakt

gij die jacht? alle bevers hebben niet zooveel vertrouwen als deze; er

zijn er die hunne hutten met veel zorg verbergen.”

»Ja,” antwoordde de Zwarte Eland, »maar de gewoonte heeft den ervaren

jager een zoo vast oog gegeven, dat hij aan het minste teeken het spoor

van een bever ontdekt, en al is de hut ook nog zoo zorgvuldig onder de

dikke takken en onder de wilgen, die haar overschaduwen, verborgen,

gebeurt het toch maar zelden, dat hij niet het juiste getal harer

bewoners raadt. Hij zet dan zijn val, plaatst haar aan den oever, twee

of drie duim onder de oppervlakte van het water, en maakt haar met een

ketting vast aan een diep in het slijk of in het zand geboorden paal.

Een klein takje wordt dan van zijne schors ontdaan en in de medicijn,

gelijk wij het lokaas noemen, gedoopt; dat takje wordt zoodanig

geplaatst, dat het drie of vier duim boven het water uitsteekt, terwijl

het van onderen aan de opening der val is vastgehecht. De bever, die

een zeer fijnen reuk heeft, wordt weldra door den geur van het lokaas

aangetrokken. Zoodra hij zijn snuit naar voren brengt, om er zich

meester van te maken, raakt zijn voet in de val; verschrikt duikt hij

onder; de val gaat met hem mede, maar biedt aan al zijn streven om los

te komen weêrstand; hij worstelt een tijd lang; maar eindelijk zinkt

hij uitgeput naar omlaag, en verdrinkt. Ziedaar, Señorita, de wijze,

waarop gewoonlijk de bevers gevangen worden.

»Maar in de rotsbeddingen, waar het niet mogelijk is een paal in den

grond te slaan, om er de val aan vast te maken, zijn wij dikwijls

verplicht groote en zelfs gevaarlijke nasporingen te doen, om de

gevangen bevers te vinden. Het gebeurt ook wel, als er verscheidene

leden van één huisgezin gevangen genomen zijn, dat de andere

wantrouwend worden. Alsdan, hoe groot ook onze listen mogen zijn, is

het onmogelijk, hen in het lokaas te doen happen. Zij naderen de vallen

heel voorzichtig, ontspannen de veêr met een stokje, en werpen dikwijls

de vallen onderst boven, slepen ze onder een hunner sluizen, en stoppen

ze weg in het slijk.”

»En dan?” vroeg het meisje.

»Dan,” hernam de Zwarte Eland, »schiet er maar één ding over, dat is,

onze vallen op den rug te nemen, ons door de bevers overwonnen te

verklaren en verder op, naar andere, minder in den krijg bedrevene te

gaan zoeken. Maar zie hier mijne rancho.”

De reizigers waren bij een ellendige hut gekomen, samengesteld uit in

elkander gevlochten takken, nauwelijks goed genoeg om hen tegen de

stralen der zon te beschutten, en wat achteloosheid betreft, in alles

volkomen gelijk aan die van de andere jagers der prairiën, die zich het

minst van alle menschen om de gemakken des levens bekommeren. Doch hoe

dan ook, de Zwarte Eland nam er hoffelijk de honneurs waar.

De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika · 第 9 / 21 段