»Tien dagen.”
»Wat zeidet gij mij dan, dat gij niet wist hoe gij het meisje naar
buiten zoudt lokken, daar gij zooveel tijd voor u hebt.”
»Alle duivels! ik wist niet wanneer gij verlangdet, dat ik haar u in
handen geven zou.”
»Dat is waar. Nu ik geef u negen dagen den tijd, dat is tot den dag die
hun vertrek voorafgaat.”
»Op die wijze....”
»Alzoo draagt die schikking uwe goedkeuring weg?”
»Zij kan niet beter zijn.”
»’t Is dan zoo besloten?”
»Onherroepelijk.”
»Hier, Babbelaar,” zeide de kapitein, den gids een prachtige diamanten
speld, die hij in zijn jachtkiel droeg, overreikende, »zie hier mijn
godspenning.”
»O!” riep de bandiet verrukt uit, het kleinood met beide handen te
gelijk aangrijpende.
»Deze speld,” hernam de kapitein, »is een geschenk, dat ik u maak boven
de acht duizend piasters, die ik u zal voortellen bij het in ontvang
nemen van doña Luz.”
»Gij zijt edelmoedig, kapitein,” zeide de gids; »het is een voorrecht u
te mogen dienen.”
»Maar,” hernam de kapitein op een ruwen toon, en met een blik zoo koud
als staal op den bandiet, »herinner u, dat men mij noemt: Hij die
doodt, en dat, zoo gij mij misleidt, er in de prairie geen plek
gevonden wordt, sterk of verborgen genoeg om u in veiligheid te stellen
voor de gevolgen mijner wraak.”
»Ik weet het, kapitein,” antwoordde de mesties, zijns ondanks rillend;
»maar gij kunt gerust zijn, ik zal u niet misleiden.”
»Ik hoop het! maar laat ons nu van elkander gaan, men zou anders uwe
afwezigheid gewaar worden. Binnen negen dagen zal ik hier zijn.”
»Binnen negen dagen zal ik het meisje in uwe handen leveren.”
Na deze woorden keerde de gids naar het kamp terug, waar hij ongezien
binnentrad.
Zoodra zij alleen waren, baanden de beide mannen, met wie de Babbelaar
een zoo zonderlingen en tevens afgrijselijken koop gesloten had, zich
een weg door het struikgewas, onder hetwelk zij als slangen
voortkropen. Zij bereikten weldra de oevers van een beekje, dat
onopgemerkt het woud besproeide. Kennedy floot eenige malen.
Een licht gedruisch liet zich hooren, en niet ver van de plaats waar
zij stonden, kwam een ruiter te voorschijn, die twee paarden aan de
hand hield.
»Kom, Franck,” zeide Kennedy, »gij kunt zonder schroom naderen.”
De ruiter naderde terstond.
»Is er nieuws?” vroeg Kennedy.
»Niets bijzonders,” antwoordde de ruiter; »ik heb een indiaansch spoor
ontdekt.”
»Ha, ha!” zeide de kapitein. »Talrijk?”
»Tamelijk.”
»In welke richting?”
»Het doorsnijdt de prairie van het oosten naar het westen.”
»Goed, Franck, en wat voor Indianen zijn het?”
»Ik vermoed Comanchen.”
De kapitein dacht een oogenblik na.
»O, het is zeker een detachement jagers,” zeide hij.
»Wel waarschijnlijk,” antwoordde Franck.
De twee mannen zetten zich te paard.
»Franck, en gij, Kennedy,” zeide de kapitein na eenige oogenblikken,
»begeeft u naar het pad van den Buffalo; gij legert u in de grot, die
zich daar bevindt, en let goed op de bewegingen der Mexicanen, maar
draagt zorg, dat men u niet ontdekke.”
»Wees gerust, kapitein.”
»O! ik weet dat gij behendig en trouw zijt, ik verlaat mij dus geheel
op u, kameraden; bewaakt ook den Babbelaar, ik vertrouw dien mesties
maar half.”
»Het zal geschieden.”
»Nu, tot weêrziens; weldra zult gij weder iets van mij hooren.”
Ondanks de duisternis vertrokken de drie mannen in galop, en verdwenen
zij in verschillende richtingen in de woestijn.
XII.
PSYCHOLOGIE.
De generaal had een zoo diep stilzwijgen bewaard over de oorzaken die
hem eene reis in de prairiën, ten westen der Vereenigde Staten, hadden
doen ondernemen, dat zij die hem vergezelden, er slechts naar hadden
kunnen raden. Verscheidene malen reeds had op zijn bevel en zonder
eenige blijkbare oorzaak, de karavaan in volslagen woeste streken
gekampeerd, om aldaar acht, ja zelfs veertien dagen te blijven, zonder
dat er eenige beweegreden voor dit oponthoud scheen te bestaan.
Gedurende zulk een rusttijd ging de generaal iederen morgen met een der
gidsen uit, om niet voor den avond terug te komen. Wat deed hij
gedurende die lange uren zijner afwezigheid? Waartoe die nasporingen,
van welke hij nooit terugkeerde, zonder dat een zwaardere wolk van
droefgeestigheid zijn voorhoofd overdekte? Niemand wist het.
Gedurende die uitstapjes leidde doña Luz, alleen te midden van de ruwe
personen die haar omringden, een vrij eentonig leven. Zij bracht hare
dagen droevig door, gezeten voor hare tent, of in gezelschap van
kapitein Aguilar of den dikken doctor, kleine rijtoertjes makende in
den omtrek van het kamp.
Ook ditmaal gebeurde hetzelfde, wat bij ieder halt plaats had. Het
meisje door haar oom verlaten, en ook door den doctor, die met altijd
klimmenden ijver bezig was zijne zonderlinge plant te zoeken, en met
dat doel elken morgen het kamp verliet, had geen ander gezelschap dan
dat van Aguilar. Maar kapitein Aguilar, wij moeten het bekennen, was,
ofschoon jong, beleefd, en vrij verstandig, een niet zeer onderhoudend
gezelschap voor doña Luz. Als gehard soldaat, met leeuwenmoed begaafd,
vol van liefde voor den generaal, aan wien hij alles te danken had, was
de kapitein buitengewoon gehecht aan de nicht van zijn overste; hij was
uiterst bezorgd voor hare veiligheid, maar ten eenenmale onbekend met
de middelen om haar den tijd te korten, met die kleine beleefdheden en
aangename gesprekken, waarin de jonge dames zooveel behagen scheppen.
Ditmaal echter verveelde doña Luz zich niet. Sedert dien vreeselijken
nacht van den brand, toen Edelhart, evenals een dier fabelachtige
helden, wier geschiedenis en ongeloofelijke daden zij zoo vaak gelezen
had, plotseling verscheen, om haar en allen die met haar waren te
redden, was er in het hart van het meisje een nieuw gevoel ontstaan,
waarvan zij zich nog geen rekenschap wist te geven, en dat van dag tot
dag sterker werd, om zich eindelijk geheel van haar meester te maken.
Het beeld van den jager kwam haar gedurig voor den geest, met dien
schitterenden gloriekrans om het hoofd, dien onverzettelijke wilskracht
schenkt aan den man, die geen gevaren ontziet, en de natuur dwingt
zijne meerderheid te erkennen. Haar geheugen, even onbewimpeld als dat
van alle meisjes, die zich nog in het ongestoord bezit van onschuld en
reinheid verheugen, schilderde haar met nauwkeurige getrouwheid tot
zelfs de minste bijzonderheden dier grootsche heldendaden voor. In één
woord, zij verlevendigde in haren geest het aandenken van die rij van
gebeurtenissen, waaraan de jager zoo onverwacht deelgenomen had; en
waaraan hij, door zijn onbedwingbaren moed en tegenwoordigheid van
geest, eene zoo gelukkige wending had gegeven. Het onverhoedsch vertrek
van den jager, zijne minachting voor de eenvoudigste dankbetuigingen en
zijne schijnbare onverschilligheid voor hen, wie hij het leven had
gered, dit alles had het meisje gehinderd; zij was zeer geërgerd over
deze, hetzij wezenlijke, hetzij gemaakte koelheid. Ook zag zij
voortdurend naar middelen uit, om hem over zijne onverschilligheid
berouw te doen gevoelen, zoo het toeval hem ten tweeden male in hare
nabijheid mocht brengen.
Ieder weet, dat er, al schijnt het bij den eersten oogopslag ongerijmd,
van haat, of ook maar van nieuwsgierigheid, tot liefde slechts eene
schrede ligt. Doña Luz deed die schrede, zonder dat zij het wist.
Doña Luz was, zooals wij gezegd hebben, in een klooster opgevoed, over
welks drempel de verleiding der wereld het niet waagde den voet te
zetten. Hare jeugd was kalm en ongestoord voorbijgegaan onder die vrome
of liever bijgeloovige praktijken, die in Mexico den grondslag der
godsdienst uitmaken. Toen haar oom haar uit het klooster haalde, om
haar mede te nemen op zijne voorgenomen reis door de prairiën, kende
het meisje de meest eenvoudige behoeften des levens niet, en wist zij
evenveel van het bestaan der wereld, waarin zij zich plotseling bewegen
zou, als een blindgeborene van den schitterenden glans der
zonnestralen. Deze onwetendheid, die zeer dienstig was voor de plannen
van haar oom, was voor het meisje een steen des aanstoots, over welken
zij ieder oogenblik struikelen zou.
Maar door de zorgen, waarmede de generaal haar omringde, waren de
weinige weken, die aan hun vertrek van Mexico voorafgingen,
voorbijgegaan, zonder aan het meisje al te veel verdriet te
veroorzaken. Wij moeten hier echter eene wel schijnbaar nietige
omstandigheid vermelden, maar die toch in den geest van doña Luz al te
diepe sporen naliet, dan dat wij haar zouden mogen vergeten.
De generaal was ijverig bezig met de lieden bijeen te verzamelen, die
hij voor zijne onderneming noodig had; hij was dus verplicht om zijne
nicht meer aan haar lot over te laten, dan hij wel zou gewild hebben.
Daar hij echter vreesde, dat het meisje, als zij alléén met eene oude
vrouw in het paleis, dat hij in de calle de los Plateros bewoonde,
achterbleef, zich zou vervelen, zond hij haar des avonds dikwijls naar
een zijner bloedverwanten, waar zij meestal een uitgelezen gezelschap
vond, en bij wie zij haar tijd veel aangenamer kon doorbrengen.
Doch, eens, toen het gezelschap grooter geweest was dan gewoonlijk, was
men ook veel later dan gewoonlijk uit elkander gegaan.
Toen de oude klok van het klooster de la Merced elf ure sloeg, keerden
doña Luz en de oude vrouw, die haar steeds ten dienste stond, onder
geleide van een fakkeldrager, naar huis. Zij hadden nog maar weinige
schreden af te leggen, toen er eensklaps terwijl zij den hoek der calle
San-Augustin omsloegen, waardoor zij in de calle de los Plateros zouden
komen, vier of vijf gemeene kerels als uit den grond schenen op te
rijzen, en de beide vrouwen omsingelden, na met een vuistslag de
fakkel, die haar den weg wees, te hebben uitgebluscht. Den schrik te
beschrijven, die het meisje bij deze onverwachte verschijning overviel,
zou onmogelijk zijn; zonder zelfs de kracht te hebben om te schreeuwen,
viel zij voor de bandieten op de knieën. De oude vrouw daarentegen
maakte met haar geschreeuw een vervaarlijk leven.
De mexicaansche bandieten, allen geslepen kerels, hadden de oude vrouw
spoedig tot zwijgen gebracht, door haar met haar rebozo (sluier) den
mond te stoppen; vervolgens gingen zij, met al de kalmte die zulke
waardige lieden in de uitoefening van hun ambt weten te bewaren,
verzekerd als zij zijn van de toegevendheid der justitie, waaraan zij
van hun kant meestal een deel van den buit afstaan, tot het plunderen
van hunne slachtoffers over. Dit werk duurde niet lang, want niet
alleen dachten de vrouwen er niet aan om tegenstand te bieden, maar
ontdeden zij zich zelfs eigenhandig van hare sieraden, die de
bandieten, grijnzend van genoegen, in den zak staken. Doch toen zij
hiermede goed aan den gang waren, schitterde er plotseling een flambouw
boven hunne hoofden, en rolden twee der bandieten vloekend en razend op
den grond. Zij, die overeind bleven staan, woedend over dezen
onverwachten aanval, wilden hunne kameraden wreken, en wierpen zich met
geweld op den onwelkomen gast. Deze, zonder zich door hun aantal te
laten vervaren, deed een stap achteruit, zette zich schrap, en maakte
zich gereed hen naar behooren te ontvangen. Bij toeval viel het licht
der maan even op zijn gelaat. De bandieten traden verschrikt terug en
borgen hunne macheten.
»Ha ha!” zeide de onbekende met een verachtelijken glimlach, terwijl
hij hen naderde; »gij herkent mij, niet waar? Bij God, ik ben boos, ik
heb u juist een les willen geven. Brengt men zoo mijne bevelen ten
uitvoer?”
De bandieten bleven sprakeloos staan.
»Komt,” ging de onbekende voort, »maakt uw zakken leêg, rekels, en
geeft aan deze dames alles terug, wat gij haar ontnomen hebt.”
Zonder aarzelen haalden de roovers de rebozo weder uit den mond der
oude vrouw, en gaven zij den rijken buit, dien zij gemeend hadden zich
toe te eigenen, terug.
Doña Luz kon hare verbazing niet bedwingen; zij zag met de uiterste
verwondering een vreemden man zulk een groot gezag uitoefenen over
onbeschaamde bandieten.
»Is dat wel alles?” vroeg hij aan het meisje; »ontbreekt u niets meer,
Señora?”
»Niets, mijnheer,” antwoordde zij meer dood dan levend, zonder zelfs te
weten wat zij zeide.
»Komt,” ging de onbekende voort, »gaat nu weg, schelmen, ik zal de
dames begeleiden.”
De bandieten lieten het zich geen tweemaal zeggen; zij verdwenen als
een vlucht raven, hunne gewonden met zich voerende.
Zoodra hij met de beide vrouwen alleen was, wendde de onbekende zich
tot doña Luz.
»Vergun mij, Señorita, u mijn arm aan te bieden,” zeide hij met de
meest mogelijke beleefdheid; »de schrik, dien gij ondervonden hebt,
maakt u het loopen moeielijk.”
Werktuigelijk en zonder te antwoorden, legde het meisje haar arm in
dien, welke haar werd aangeboden. Aan het paleis gekomen, klopte de
onbekende aan de deur, en vervolgens zijn hoed afnemende, zeide hij:
»Señorita, ik ben verheugd, dat het toeval mij in de gelegenheid heeft
gebracht om u een kleine dienst te bewijzen... ik zal de eer hebben u
nog eens weder te zien. Reeds langen tijd volg ik in het donker uwe
schreden. God, die mij de gunst verleende van eenmaal met u te spreken,
zal mij die ook ten tweeden male toestaan; daarvan ben ik overtuigd,
hoewel gij binnen weinige dagen eene lange reis ondernemen gaat. Vergun
mij dus, u niet een »vaarwel” toe te roepen, maar een »tot weêrziens”!”
En na een diepe buiging voor het meisje, verwijderde hij zich.
Veertien dagen na dit zonderlinge avontuur, dat zij beter gevonden had
aan haar oom niet mede te deelen, verliet doña Luz Mexico, zonder den
onbekende te hebben wedergezien. Doch den dag voor haar vertrek had zij
in hare slaapkamer op haar bidstoeltje een gevouwen papier gevonden.
Hierop waren met een fraaie hand deze weinige woorden geschreven:
»Gij vertrekt, Doña Luz; denk er om, dat ik u een »tot weêrziens” heb
toegeroepen.”
Uw redder van la calle de Plateros.”
Langen tijd had dit voorval den geest van het meisje bezig gehouden;
een oogenblik zelfs had zij gemeend, dat Edelhart en haar onbekende
redder een en dezelfde persoon waren, maar deze veronderstelling was
weldra weder geweken. Wat toch zou dit waarschijnlijk hebben gemaakt?
Met welk doel zou Edelhart, na haar gered te hebben, zich dan zoo snel
hebben verwijderd? Daarvoor kon immers geen reden bestaan.
Maar naarmate het avontuur van Mexico uit haar gedachte week, werd de
plaats daarin aan Edelhart toegestaan, grooter. Zij zou den jager
hebben willen zien, met hem hebben willen spreken. Waarom? Dat wist zij
zelve niet; om hem te zien, om zijne stem te hooren, om zich aan zijn
aanblik te verzadigen; nergens anders om. Alle meisjes zijn zoo.
Maar hoe zou zij hem wederzien? Dáár verhief zich voor het arme kind
eene onmogelijkheid, die haar moedeloos het hoofd deed buigen.
En toch, een zeker iets op den bodem haars harten, misschien wel die
geheimvolle stem, die bij het ontwaken der liefde tot de meisjes
spreekt, zeide haar, dat weldra haar verlangen in vervulling zou
overgaan. Zij hoopte. Waarop? op een onvoorzien toeval, misschien wel
op een vreeselijk gevaar, dat hen bij elkander zou brengen. De ware
liefde twijfelt soms, zij wanhoopt nooit.
Vier dagen na de oprichting van het kamp op den heuvel, toen zij des
avonds hare tent binnen trad, glimlachte het meisje inwendig op het
zien van haren oom, die zich in gedachten verzonken, gereed maakte, om
zich aan de rust over te geven.
Doña Luz had eindelijk een middel gevonden, om Edelhart op te zoeken.
XIII.
DE BIJENJACHT.
Nauwelijks verspreidde de zon haar eerste stralen, toen de generaal,
wiens paard gezadeld stond, de rieten hut verliet, die hem tot
slaapkamer diende, en zich gereed maakte om te vertrekken. Juist toen
hij den voet in den stijgbeugel zette, werd het gordijn der tent door
een kleine hand opgelicht, en kwam doña Luz te voorschijn.
»Zoo, zoo! reeds op?” zeide de generaal lachend: »des te beter, mijn
kind, dan kan ik u nog omhelzen eer ik wegga; dat zal mij misschien
geluk aanbrengen.”
»Gij moogt zoo niet weggaan, oom,” antwoordde zij, hem haar voorhoofd
voorhoudende, waarop hij een kus drukte.
»Waarom niet, juffertje?” vroeg hij.
»Omdat ik iets voor u heb klaar gemaakt, dat gij eerst nog gebruiken
moet; dat zult gij mij niet weigeren, niet waar, beste oom?” zeide zij
met dien eigenaardigen glimlach van bedorven kinderen, die het hart
eens grijsaards verkwikt.
»Neen, zeker niet, lief kind, tenzij het ontbijt, dat gij mij zoo
welwillend aanbiedt, zich niet lang late wachten, want ik heb haast.”
»Ik vraag maar een uitstel van enkele minuten,” antwoordde zij, de tent
wederom binnentredende.
»Ga uw gang,” zeide hij, haar volgende.
Het meisje klapte van vreugde in hare handen!
In een oogwenk was het ontbijt gereed; en de generaal zette zich met
zijne nicht aan tafel. Terwijl zij haar oom bediende, en zorg droeg,
dat hem niets ontbrak, zag het meisje hem met zulk een verlegen blik
aan, dat het den ouden soldaat weldra in het oog viel.
»Kom,” zeide hij, »gij hebt mij iets te vragen, Lucita; spreek, gij
weet wel, dat ik u niets kan weigeren.”
»Dat is zoo, oom; maar nu ben ik toch bang, dat ik u niet gemakkelijk
zal kunnen overhalen.”
»Nu, nu!” zeide de generaal vroolijk, »is het dan zulk een zaak van
gewicht?”
»Integendeel, oom; maar toch ben ik bang dat gij uwe toestemming niet
geven zult.”
»Nu spreek, mijn kind, spreek zonder vrees; als gij gezegd hebt zal ik
antwoorden.”
»Welnu,” zeide het meisje, rood wordende, »ik moet u bekennen, dat het
leven in het kamp niets aangenaams voor mij heeft.”
»Dat begrijp ik, kindlief, maar wat kan ik er aan doen?”
»Alles.”
»Hoe dat?”
»Maar, oom, als gij maar hier waart, zou het niets zijn, dan had ik u
bij mij.”
»Het is heel lief, wat gij daar zegt, maar gij weet, dat ik iederen
morgen uitga, en dat ik niet....”
»Daar zit juist de knoop.”
»Ja.”
»Maar, als gij wilt, zou hij gemakkelijk door te hakken zijn.”
»Denkt gij dat?”
»Ik weet het zeker.”
»Ik zie het niet in. Het is mij onmogelijk om bij u te blijven.”
»O, maar het kan wel op een andere wijze gevonden worden.”
»Neen, neen.”
»Ja, oom, er is een heel eenvoudig middel.”
»En welk is dan dat middel, mijn poesje?”
»Zal oompje niet knorren?”
»Stoutert, knor ik ooit op u?”
»Och neen, gij zijt zoo goed!”
»Nu, laat eens zien, wat wilt gij?”
»Dat middel, dat ik bedoel, oom, is...”
»Nu, is....?”
»Mij iederen morgen met u mede te nemen.”
»Ach! ach!” zeide de generaal de wenkbrauwen fronsende, »welk een vraag
doet gij mij daar, lief kind!”
»Een heel eenvoudige vraag, dunkt mij, oom.”
De generaal antwoordde niet, hij dacht na. Het meisje volgde angstig op
zijn gelaat het vluchtig spoor zijner gedachten. Na eenige oogenblikken
hief hij het hoofd op, en prevelde:
»Inderdaad, het zal misschien nog het beste zijn;” en een blik slaande
op het meisje, zeide hij: »Gij zoudt dus gaarne met mij medegaan?”
»Ja, oom, zeer gaarne,” antwoordde zij.
»Nu maak u dan maar klaar, voortaan zult gij mij op mijne uitstapjes
vergezellen.”
Het meisje sprong verheugd op, omhelsde haar oom met warmte en gaf
bevel om haar paard te zadelen. Een kwartier later verlieten doña Luz
en haar oom, voorafgegaan door den Babbelaar en gevolgd door twee
lanceros de tent, en verdwenen in het bosch.
»Welken kant wilt gij heden uit, generaal?” vroeg de gids.
»Breng mij naar de hutten dier pelsjagers, waarvan gij mij gisteren
gesproken hebt.”
De gids boog, ten teeken van gehoorzaamheid. De kleine troep ging
langzaam en moeielijk voort langs een nauwelijks gebaand voetpad, waar
met iedere schrede de paarden in de lianen verward raakten, of zich
stootten tegen de boven den grond uitstekende boomwortels. Doña Luz was
gelukkig. Misschien zou zij op die tochtjes Edelhart ontmoeten.
De Babbelaar, die vooruit liep, liet eensklaps een schreeuw hooren.
»Wel,” zeide de generaal, »wat gebeurt er dan voor buitengewoons, dat
gij u verwaardigt den mond te openen?”
»Bijen, uwe Excellentie!”
»Hoe, bijen? zijn hier bijen?”
»Ja, doch eerst sedert kort.”
»Hoe, eerst sedert kort?”
»Ja, gij weet dat de bijen door de blanken in Amerika gebracht zijn.”
»Ja. Maar hoe komt het, dat wij ze hier ontmoeten?”
»O, dat is heel eenvoudig; de bijen zijn de voorloopers der blanken;
naarmate de blanken dieper in Amerika indringen, gaan de bijen hun
voor, om hun den weg te banen, en de plekken aan te wijzen, die ter
ontginning geschikt zijn. Hare verschijning in een onbewoonde
landstreek is altijd de voorbode van een kolonie pionniers of
squatters.”
»Dat is vreemd,” prevelde de generaal, »en zijt gij zeker van wat gij
daar zegt?”
»O, heel zeker, uwe Excellentie! Wat ik u daar zeg is aan al de
Indianen bekend; zij vergissen er zich nooit in; naarmate de bijen
voortrukken, gaan zij achteruit.”
»Dat is inderdaad zonderling.”
»De honing zal wel goed zijn,” zeide doña Luz.
»Uitmuntend, Señorita, en zoo gij ze proeven wilt, niets is
gemakkelijker dan ze meester te worden.”
»Ga uw gang,” zeide de generaal.
De gids, die voor weinige oogenblikken op de struiken eenig aas voor de
bijen had nedergelegd, welke zijn scherpe blik in grooten getale
tusschen de bladeren had zien vliegen, gaf aan allen, die hem volgden,
een teeken om stil te staan.
De bijen hadden zich werkelijk op het aas nedergezet, en onderzochten
het van alle kanten; toen zij genoeg voorraad hadden opgedaan,
verhieven zij zich hoog in de lucht, en vervolgens vlogen zij met de
snelheid van een vogel in een rechte lijn voort.
De gids ging aandachtig de door haar gekozen richting na en een teeken
gevende aan den generaal, volgde hij met den geheelen troep haar spoor,
zich een weg banende door de in elkander geweven takken, en zonder
zijne oogen van den hemel af te wenden. Op deze wijze verloren zij de
beladene bijen niet uit het oog, en na een uur gaans zagen zij, hoe zij
bij haar geïmproviseerde korf in de holte van een dooden ebbenhoutboom
aanlandden, een oogenblik er omheen fladderden, en eindelijk naar
binnen gingen door een gat, dat zich tachtig voet boven den grond
bevond. Toen waarschuwde de gids zijne reisgezellen om zich op
eerbiedigen afstand te houden, ten einde niet door den boom verpletterd
te worden, en beschut te zijn tegen de wraak zijner bewoners; hij greep
zijn bijl, en begon er dapper op los te hakken. De bijen schenen
volstrekt niet bang te zijn voor de slagen van de bijl, zij bleven in
en uitgaan, en zetten onbezorgd haar arbeid voort. Een hevig gekraak
zelfs, de voorbode van den naderenden val des booms, stoorde haar niet
in die vlijt. Eindelijk viel de boom, met een vreeselijk gedreun, en
opende zich over zijne geheele lengte, zoodat de met zooveel zorg
bijeenverzamelde schatten der kleine maatschappij zichtbaar werden. De
gids greep onmiddellijk een bosje hooi, dat hij had gereed gemaakt, en
stak het in brand om tegen de bijen beveiligd te zijn. Maar zij vielen
niemand aan, zij poogden zich niet te wreken. De arme dieren waren
geheel verslagen, zij gonsden en vlogen in alle richtingen voort,
zonder aan iets anders te denken, dan aan de mogelijke oorzaak van dit
onheil. Ondertusschen begonnen de gids en de lanceros ijverig met
lepels en sabels de honigraten te voorschijn te halen en in lederen
zakken te bergen. Sommigen waren donkerbruin en van ouden datum,
anderen helder blank; de honig in de cellen was bijna doorschijnend.
Terwijl men zich haastte om zich van de beste honigraten meester te
maken, kwamen van alle kanten tallooze zwermen bijen aanvliegen, die
zich in de cellen der gebrokene raten dompelden en groote ladingen mede
namen; de overige bewoners van den korf zagen ondertusschen treurig en
somber het plunderen van hunne woning aan, zonder zelfs eene poging aan
te wenden, om ook maar het minste te redden. De verslagenheid der
bijen, die op het oogenblik van het onheil afwezig waren, en nu de een,
dan de ander, met hare lading aankwamen, is onmogelijk te beschrijven:
zij beschreven cirkels in de lucht, rondom de plek, waar de boom
gestaan had, verwonderd die thans ledig te vinden; eindelijk schenen
zij hare ramp te beseffen, en verzamelden zij zich groepsgewijze op een
verdorden tak van een naburigen boom, als om van daar de puinhoopen van
haar rijk in oogenschouw te nemen en over de verwoesting daarvan te
klagen.
Doña Luz was haars ondanks bewogen over het verdriet van die arme
dieren.