te lichten. Een vreeselijk schouwspel vertoonde zich aan hunne blikken.
In een kelder, waaruit een verpestende rotlucht omhoog steeg, waren
twintig personen letterlijk op elkander gestapeld. De jagers konden
eene beweging van afgrijzen niet weêrhouden, en traden onwillekeurig
achteruit. Maar oogenblikkelijk kwamen zij terug, om, zoo het niet
reeds te laat ware, nog eenigen dier ongelukkigen te redden. Van al
deze menschen gaf slechts een enkele nog eenig teeken van leven; de
anderen waren dood. Zij trokken hem uit het onderaardsche gewelf,
legden hem zachtkens op een hoop drooge bladeren, en gaven hem al de
hulp, die hij noodig had. De honden lekten de handen en het gelaat van
den gewonde. Na eenige minuten maakte deze man een lichte beweging,
opende de oogen herhaalde malen, en zuchtte diep. Goedsmoeds stopte
tusschen zijn op elkander gesloten tanden den hals van eene volle
rumflesch, en dwong hem eenige droppels te drinken.
»Hij is er slecht aan toe,” zeide de jager.
»Hij is verloren,” antwoordde Edelhart, het hoofd schuddende.
De gewonde had echter zijne krachten weder eenigszins bijeen verzameld.
»O God!” zeide hij met een zwakke en gebrokene stem, »ik ga sterven.”
»Heb goeden moed,” zeide Goedsmoeds zachtjes tot hem.
Een vluchtig rood kleurde de bleeke wangen van den gewonde, een
treurige glimlach plooide zijne lippen.
»Waarom zou ik leven?” antwoordde hij: »de Indianen hebben al mijne
makkers vermoord, het leven zou een te zware last voor mij zijn.”
»Zoo gij vóór uwen dood ons iets wenscht op te dragen, spreek, en op
ons jagerswoord, als het geschieden kan, zullen wij het volbrengen.”
De oogen van den stervende werden door een doffen glans verlevendigd.
»Uwe flesch?” zeide hij tot Goedsmoeds.
Deze gaf ze hem. De stervende dronk gulzig. Op zijn voorhoofd parelde
het koude zweet, en een koortsachtige gloed verhoogde de kleur van zijn
gelaat, dat een ontzettende uitdrukking aannam.
»Luistert,” zeide hij: »ik ben hier kommandant geweest; de Indianen,
bijgestaan door een ellendigen mesties, die ons aan hen verkocht heeft,
hebben het dorp overvallen.”
»De naam van dien man?” zeide de jager levendig.
»Hij is dood!... ik heb hem gedood!” antwoordde de kapitein op een
toon, die zoowel haat als vreugde te kennen gaf. »De Indianen hebben
zich meester willen maken van het fort; de strijd is vreeselijk
geweest; wij stonden met ons twaalven tegenover vierhonderd wilden; wat
konden wij doen? dan tot het laatste vechten. Hiertoe werd besloten. De
Indianen, de onmogelijkheid inziende om ons levend in handen te
krijgen, hebben de bewoners van het dorp, na hen gescalpeerd en de
handen afgehouwen te hebben, in het fort geworpen, en het vervolgens in
brand gestoken.”
De gewonde, wiens stem hoe langer hoe zwakker en onverstaanbaarder
werd, dronk eenige droppels rum, en ging toen weder voort met zijn
verhaal, waarnaar de jagers gretig luisterden.
»Onder de grachten van het fort strekte zich een gewelf uit, dat tot
kelder diende; toen ik bemerkte, dat elke kans op lijfsbehoud verloren
was, en dat wij met geen mogelijkheid konden ontvluchten, deed ik mijne
ongelukkige kameraden in dien kelder afdalen, hopende dat God ons
misschien de gelegenheid zou schenken, om op deze wijze te ontkomen.
Eenige oogenblikken later stortte het fort boven onze hoofden in.
Niemand kan zich de martelingen voorstellen, die wij in dien verpesten
kolk, zonder licht en lucht, hebben uitgestaan. De kreten der gewonden,
en dat waren wij allen meer of min, het geroep om water, het gerochel
der stervenden, dit alles vormde een concert, dat geen woorden in staat
zijn weêr te geven. Ons reeds ondragelijk lijden nam door het gebrek
aan lucht gedurig in hevigheid toe; een dolle waanzinnigheid
overmeesterde ons, wij raasden tegen elkander, en in de duisternis
onder de puinhoopen begon een afgrijselijk gevecht, dat slechts met den
dood van al de strijders eindigen kon. Hoe lang het duurde zou ik niet
kunnen zeggen. Reeds gevoelde ik dat de dood die al mijne kameraden had
aangegrepen, zich ook van mij meester ging maken, toen gij kwaamt om
hem nog eenige minuten tegen te houden. God zij geloofd! ik zal niet
ongewroken sterven.”
Na deze woorden bijna onverstaanbaar te hebben uitgesproken, heerschte
er een sombere stilte onder de drie mannen, een stilte alleen
afgebroken door het gerochel van den stervende, wiens doodstrijd een
aanvang nam.
Eensklaps richtte de kapitein zich met geweld op, en een wraakzuchtigen
blik op de jagers slaande, zeide hij:
»De wilden, die mij hebben aangevallen, behooren tot den stam der
Comanchen; hun opperhoofd noemt zich de Arendskop; zweert mij dat gij
als dappere en edele jagers mijn dood zult wreken.”
»Wij zweren het!” riepen de beide mannen tegelijkertijd uit.
»Ik dank u!” prevelde de kapitein, en achterover vallende, bleef hij
onbewegelijk liggen.—Hij was dood.
Zijn verwrongen trekken en geopende oogen behielden nog de uitdrukking
van haat en wanhoop, die hem in zijn laatste oogenblik hadden bezield.
De jagers staarden hem een poos aan; daarna dien akeligen indruk van
zich willende onttrekken, maakten zij zich gereed om aan de ongelukkige
slachtoffers van de woede der Indianen de laatste eer te bewijzen. Bij
de laatste stralen der ondergaande zon staakten zij den ruwen arbeid,
dien zij zichzelven hadden opgelegd.
Na eenige oogenblikken van rust, stond Edelhart op en zadelde zijn
paard.
»Kom, broeder,” zeide hij tot Goedsmoeds, »laat ons nu het spoor van
den Arendskop volgen.”
»Laat ons gaan,” antwoordde de jager.
De twee mannen wierpen een langen en treurigen blik tot afscheid om
zich heen, en hunne honden fluitende, drongen zij onverschrokken door
in het bosch, waarin de Comanchen verdwenen waren.
Juist op dit zelfde oogenblik kwam de maan, in een oceaan van dampen
gehuld, op, en verspreidde hare droefgeestige stralen over het
Amerikaansche dorp, waarin voortaan de eenzaamheid en de dood
heerschten.
X.
DE VERSCHANSING.
Wij zullen de jagers het spoor der roodhuiden laten vervolgen, en tot
den generaal terugkeeren.
Eenige oogenblikken nadat de twee mannen het kamp der Mexicanen
verlaten hadden, verliet de generaal de tent, en een onderzoekenden
blik om zich heen slaande, begon hij met een bedrukt gelaat heen en
weêr te loopen. De gebeurtenissen van dien nacht hadden een diepen
indruk gemaakt op den ouden soldaat. Voor de eerste maal misschien
sedert hij dezen tocht ondernomen had, zag hij hem in het ware
daglicht; hij vroeg zich af of hij inderdaad wel het recht had, om aan
dat leven vol gevaren en gedurige hinderlagen een meisje bloot te
stellen, van den leeftijd zijner nicht, die tot nu toe kalm en rustig
had voortgeleefd, en waarschijnlijk zich niet zou kunnen gewennen aan
de onophoudelijke gevaren en inspanningen van het leven in de prairiën,
die in korten tijd zelfs de meest geharde gestellen ondermijnen. Zijn
verlegenheid was groot. Hij aanbad zijne nicht; zij was zijn eenige
liefde, zijn eenige troost; voor haar zou hij duizendmaal, al wat hij
bezat, zonder spijt en wroeging hebben opgeofferd; maar van den anderen
kant, de redenen die hem hadden aangespoord dezen hachelijken tocht te
wagen, waren zóó belangrijk, dat hij rilde en ijsde op de gedachte van
hem op te geven.
»Wat moet ik doen?...” zeide hij; »wat moet ik doen?” Doña Luz, die op
hare beurt de tent verliet, bemerkte dat haar oom nog altijd op en neêr
wandelde; zij liep naar hem toe, en de armen om zijn hals slaande,
zeide zij:
»Goeden morgen, lieve oom.”
»Goeden morgen, mijn kind,” antwoordde de generaal.—»Wel, wel, wat zijt
gij vroolijk van morgen.” En hij gaf de liefkoozingen waarmede zij hem
overlaadde, met woeker terug.
»Waarom zou ik niet vroolijk zijn, oom? wij zijn, God dank! aan een
groot gevaar ontsnapt, de natuur schijnt ons toe te lachen, de vogels
zingen in de takken, de zon koestert ons met haar stralen; wij zouden
ondankbaar zijn jegens onzen Schepper, zoo wij ongevoelig bleven voor
deze openbaring zijner macht.”
»Dus hebben de gevaren van dezen nacht geen treurigen indruk op uw
gemoed achtergelaten, lief kind.”
»Volstrekt niet, oom, maar veeleer innige dankbaarheid voor de
weldaden, waarmede God ons overlaadt.”
»Goed, mijn kind,” antwoordde de generaal verheugd, »ik ben blijde u
zoo te hooren spreken.”
»Des te beter, zoo het u genoegen doet, oomlief.”
»Zoodat,” hernam de generaal, zijn gedachtenloop volgende, »zoodat het
leven dat wij leiden u niet vermoeit.”
»Geenszins, ik vind het heel prettig, en vooral heel avontuurlijk.”
»Ja, dat is het zeker; maar, mij dunkt dat wij met dat al onze redders
vergeten.”
»Zij zijn al weg,” antwoordde doña Luz.
»Zijn zij al weg?” zeide de generaal sidderend.
»Reeds voor een uur zijn zij vertrokken.”
»Hoe weet gij dat, lieve nicht?”
»Dat heeft een heel eenvoudige reden, oom; zij hebben mij vaarwel
gezegd, alvorens ons te verlaten.”
»Dat is alles behalve braaf gehandeld,” prevelde de generaal ter
nedergeslagen, »eene dienstbetooning verplicht zoowel hen, die haar
bewijzen, als hen, aan wie zij bewezen wordt; zij hadden ons niet
moeten verlaten, zonder ons te zeggen, of wij hen ooit zouden mogen
wederzien, en zelfs zonder ons hunne namen achter te laten.”
»Die weet ik.”
»Gij weet die, mijn kind?” vroeg de generaal verbaasd.
»Ja, oom; eer zij weggingen hebben zij mij die medegedeeld.”
»En... hoe heeten zij?” vroeg de generaal angstig.
»De jongste, Goedsmoeds.”
»En de oudste?”
»Edelhart.”
»O, ik moet die mannen wedervinden,” zeide de generaal met eene
ontroering, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven.
»Wie weet?” antwoordde het meisje peinzend, »bij het eerste gevaar
misschien, dat ons bedreigen zal, zien wij hen als twee reddende
engelen weder verschijnen.”
»God geve, dat wij niet aan een dergelijke oorzaak hun terugkeer tot
ons zullen te danken hebben.”
De kapitein kwam hun goeden morgen wenschen.
»Nu, kapitein,” zeide de generaal lachend, »zijn uwe manschappen van
hunne vermoeienissen uitgerust?”
»Geheel en al, generaal,” antwoordde de jonge man; »zij zijn gereed, om
op het eerste kommando op te breken.”
»Na het ontbijt zullen wij gaan; wees daarom zoo goed de noodige
bevelen aan de lanceros te geven en den Babbelaar bij mij te zenden.”
De kapitein ging weg.
»Wat u betreft, nicht,” ging de generaal voort, zich tot doña Luz
wendende, »ga gij voor het ontbijt zorgen, terwijl ik mij met den gids
onderhoud.”
Het meisje ijlde heen.
Weldra verscheen de Babbelaar. Zijn blik was donkerder, zijn gelaat
ontevredener dan anders.
De generaal scheen het echter niet op te merken.
»Gij weet,” zeide hij tot hem, »dat ik u gisteren mijn plan heb
medegedeeld, om eene plek te vinden waar mijn troep gedurende eenige
dagen in veiligheid kampeeren kan.”
»Ja, generaal.”
»Gij hebt mij verzekerd eene plaats te kennen, die daartoe uitnemend
geschikt was?”
»Ja, generaal.”
»Zijt gij bereid om er mij naar toe te brengen?”
»Zooals gij verkiest.”
»Hoeveel tijd hebben wij noodig, om er te komen?”
»Twee dagen.”
»Zeer goed. Wij zullen dadelijk na het ontbijt vertrekken.”
De Babbelaar boog zonder antwoord te geven.
»A propos!” zeide de generaal met geveinsde onverschilligheid, »is er
niet één van uwe manschappen verdwenen?”
»Ja.”
»Wat is er van hem geworden?”
»Ik weet het niet.”
»Hoe, gij weet het niet?” riep de generaal met een uitvorschenden blik.
»Neen. Toen hij den brand zag, is hij bang geworden, en heeft zich uit
de voeten gemaakt.”
»En?”
»Hij is waarschijnlijk het slachtoffer zijner lafhartigheid geworden.”
»Wat meent gij?”
»Hij zal verbrand zijn.”
»Arme kerel!”
Een duivelsche lach speelde om de lippen van den gids.
»Hebt gij mij niets meer te zeggen, generaal?”
»Neen... o ja, wacht eens.”
»Ik wacht.”
»Kent gij die twee jagers niet, die ons dezen nacht een zoo groote
dienst bewezen hebben?”
»Iedereen kent ze in de prairie.”
»Wat zijn het voor menschen?”
»Pelsjagers.”
»Dat vraag ik u niet.”
»Wat vraagt gij dan?”
»Ik bedoel hun gedrag.”
»Dat weet ik niet.”
»Hoe heeten zij?”
»Goedsmoeds en Edelhart.”
»En weet gij niets van hun leven?”
»Niets....”
»Het is goed; gij kunt weg gaan.”
De gids maakte eene buiging, en keerde langzaam tot zijne kameraden
terug, die zich tot het vertrek gereed maakten.
»Hm!” prevelde de generaal, »ik zal op dien schurk het oog houden; er
is veel geheimzinnigs in zijne wijze van handelen.”
Na dit onderhoud trad de generaal de tent binnen, waar de kapitein, de
doctor en doña Luz hem aan het ontbijt zaten te wachten.
Het maal was spoedig afgeloopen. Een half uur later was de tent
opgevouwen, waren de koffers op de muilezels geladen, en hervatte de
karavaan haar tocht onder geleide van den Babbelaar, die als wegwijzer
een twintigtal passen vooruit ging.
De prairie had sedert den vorigen dag een geheel ander aanzien bekomen.
De zwarte en verbrande aarde was bedekt met hoopen smeulende asch;
verkoolde, maar nog overeind staande boomen vertoonden hier en daar hun
treurig geraamte; van verre loeiden de vlammen nog altijd voort, en
dikke rookwolken maakten den horizon onzichtbaar.
De paarden liepen voorzichtig voort over dezen noodlottigen bodem, waar
zij vaak struikelden over de beenderen der door den brand overvallen
wilde dieren.
Een sombere droefheid, nog verhoogd door den aanblik van het landschap,
dat zich voor hen ontrolde, had zich van de reizigers meester gemaakt;
zij liepen sprakeloos in gepeinzen verdiept, achter elkander voort.
De weg, dien zij volgden, liep kronkelend in een nauwe diepte tusschen
twee heuvels door, in de oude bedding van een uitgedroogde rivier. De
grond, dien de hoeven der paarden omwoelden, bestond uit ronde
keisteenen, die onder hunne pooten weggleden en de moeielijkheden van
den marsch vermeerderden; de brandende zonnestralen vielen loodrecht op
de reizigers neder, zonder dat zij er zich tegen konden beschutten;
want het land dat zij doorkruisten had volkomen het aanzien gekregen
van die uitgestrekte woestijnen die men in het binnenland van Afrika
aantreft.
Zoo verliep de dag, zonder dat, behalve de vermoeienis, die hen
afmatte, eenig voorval de eentonigheid der reis verbrak.
Des avonds kampeerden zij in een geheel opene vlakte; doch aan den
horizon ontdekten zij eenig groen, waarover zij zich zeer verheugden,
omdat zij eindelijk weder eene streek zouden betreden, die door den
brand was gespaard.
Den volgenden dag, twee uren voor zonsopgang, gaf de Babbelaar het
teeken tot vertrek.
Deze dag was nog vermoeiender dan de vorige; de reizigers waren
letterlijk uitgeput toen men het kamp opsloeg.
De Babbelaar had den generaal niet misleid; de ligging was uitnemend
gekozen, om een aanval af te slaan; wij zullen haar niet beschrijven,
daar de lezer haar reeds kent; het was op dezelfde plaats, waar de
jagers zich bevonden, toen wij hen voor de eerste maal ten tooneele
voerden.
De generaal, na een blik om zich heen geworpen te hebben, kon zich niet
weerhouden zijne tevredenheid te betuigen.
»Bravo!” zeide hij tot den gids, »wij hadden bijna onoverkomelijke
hinderpalen te overwinnen om hier te komen; maar nu wij er eenmaal
zijn, kunnen wij er des noods een beleg uithouden.”
De gids antwoordde niet; hij boog zich met een dubbelzinnigen glimlach,
en ging heen.
»Het is vreemd,” mompelde de generaal; »het gedrag van dien man is
schijnbaar onberispelijk, en ik heb hem niet het minste verwijt te
doen; maar toch, waarom weet ik niet, heb ik een voorgevoel, dat hij
ons misleidt, en dat hij eenig duivelsch opzet tegen ons in den zin
heeft.”
De generaal was een oud soldaat van veel ondervinding, die niets wilde
overlaten aan het toeval, dien deus ex machina, die in één sekonde de
best ontworpene plannen verijdelt. Ondanks de vermoeidheid zijner
manschappen, wilde hij geen minuut verliezen; door den kapitein
bijgestaan, liet hij een groote menigte boomen vellen, ten einde een
stevige verschansing te vormen. Achter die verschansing groeven de
lanceros een breede gracht, waarvan zij de aarde aan de zijde van het
kamp wierpen; achter die tweede omheining eindelijk werden de pakken op
elkander gestapeld, ten einde een derden en laatsten wal te vormen.
Men richtte de tent in het midden van het kamp op; de schildwachten
werden uitgezet, en ieder gaf zich aan een welverdiende rust over.
De generaal, die van plan was eenigen tijd hier te vertoeven, wilde
zooveel mogelijk voor de veiligheid zijner kameraden zorgen, en meende
daarin volkomen geslaagd te zijn.
Sedert twee dagen hadden de reizigers over slechte wegen geloopen,
zonder te slapen, en bijna nergens zich langer ophoudende dan hoog
noodig was om iets te gebruiken; zij waren, gelijk wij reeds zeiden,
uitgeput door vermoeienis, en ondanks al hun verlangen om wakker te
blijven, hadden de schildwachten geen weêrstand kunnen bieden aan den
slaap die hen overmeesterde, en weldra waren zij in diepe sluimering
verzonken. Tegen middernacht terwijl iedereen in het kamp nog rustig
sliep, stond een der mannen heel zachtjes op, en in het donker vlug als
een slang wegsluipende, gleed hij over de barricaden en wallen heen.
Toen legde hij zich op den grond neder, en richtte zich bijna
onmerkbaar op handen en voeten voortkruipende, door het hooge gras naar
een woud, dat de helling van den heuvel bedekte en zich ver in de
prairie uitstrekte. Op eenigen afstand gekomen, en zeker van niet meer
ontdekt te zullen worden, richtte hij zich op. De maan van tusschen de
wolken te voorschijn komende verlichtte de gestalte.... van den
Babbelaar.
Hij zag zorgvuldig om zich heen, spitste de ooren, en bootste, met
ongelooflijke volkomenheid, het gehuil van den hond der prairiën na.
Bijna op hetzelfde oogenblik werd dezelfde kreet herhaald, en kwam er
niet ver van den Babbelaar een man te voorschijn. Die man was de gids,
die voor drie dagen bij het opkomen van den brand, uit het kamp
ontsnapt was.
XI.
DE KOOP.
De Indianen en de woudloopers hebben twee talen, waarvan zij zich
beurtelings, naar gelang der omstandigheden bedienen, de spreektaal
namelijk en de gebarentaal. Evenals de spreektaal heeft ook de
gebarentaal in Amerika tallooze verscheidenheden; ieder heeft om zoo te
zeggen, een eigen dialect. Het is een samenstel van zonderlinge en
geheimzinnige gebaren, een soort van vrijmetselaars-telegraphie,
waarvan de teekenen, die gedurig en willekeurig afwisselen, alleen
kunnen begrepen worden door een klein aantal ingewijden.
De Babbelaar en zijn medgezel onderhielden zich op die wijze. Dit
zonderlinge gesprek duurde bijna een uur; het scheen hun veel belang in
te boezemen, zooveel zelfs, dat zij ondanks de uiterste voorzorgen, die
zij genomen hadden om niet overvallen te worden, niet bemerkten hoe
twee schitterende oogen, uit het midden van eenig struikgewas,
onafgewend op hen gericht bleven.
»Nu,” zeide de Babbelaar, eindelijk eenige woorden uitsprekende, »ik
laat den tijd aan u over.”
»En gij zult niet lang behoeven te wachten,” antwoordde de ander.
»Ik reken op u, Kennedy; wat mij betreft, ik zal mijn woord houden.”
»’t Is goed, ’t is goed; men heeft zooveel woorden niet noodig, om
elkander te verstaan,” zeide Kennedy de schouders ophalend; »alleen
hadt gij hen op een minder sterke plaats kunnen brengen, het zal niet
gemakkelijk zijn, om hen hier te overvallen.”
»Dat is uwe zaak,” zeide de Babbelaar met een kwaadaardigen lach.
Zijn makker zag hem een oogenblik aandachtig aan.
»Hm!” zeide hij, »pas op, Compadre, het is nooit goed, om met menschen
als wij, een dubbelzinnige rol te spelen.”
»Ik speel geen dubbelzinnige rol, maar wij kennen elkander sinds lang,
niet waar, Kennedy?”
»Wat zou dat?”
»Wel, ik wil niet dat mij nu wederom gebeure, wat mij reeds eenmaal
gebeurd is; ziedaar alles.”
»Zoudt gij terugtreden, of wel, zoudt ge er aan denken om ons te
verraden?”
»Ik treed niet terug, en ik heb volstrekt geen plan om u te verraden,
maar...”
»Nu, maar?”
»Ditmaal wil ik u het beloofde niet geven, dan alvorens mijne
voorwaarden geheel zullen zijn aangenomen.”
»Dat is ten minste oprecht gesproken.”
»In zaken moet men openhartig te werk gaan,” merkte de Babbelaar op.
»Dat is zoo; welnu, herhaal mij uwe voorwaarden, ik zal zien, of wij ze
kunnen aannemen.”
»Waartoe zou dat dienen? gij zijt toch het opperhoofd niet, is het
wel?”
»Neen, maar toch...”
»Gij zoudt er dus niets aan kunnen doen, en derhalve zou het tot niets
leiden. O, als Ouaktehno (hij die doodt) maar hier ware, dan zou het
een andere zaak zijn; ik weet zeker dat wij elkander spoedig zouden
verstaan.”
»Spreek dan, want hij hoort u,” riep op eens een zware en heldere stem.
Er volgde eenig gedruisch in de struiken, en de persoon, die tot nu toe
onzichtbaar getuige was geweest van het gesprek der twee mannen,
begreep zonder twijfel, dat thans het geschikte oogenblik gekomen was
om er deel aan te nemen, want met één sprong kwam hij uit de takken,
die hem verborgen hadden, te voorschijn, en plaatste hij zich tusschen
de sprekers in.
»O, o! gij hebt ons afgeluisterd, kapitein Ouaktehno,” zeide de
Babbelaar, in het minst niet van zijn stuk gebracht.
»Hindert u dat?” vroeg de nieuw aangekomene met een spottenden
glimlach.
»Volstrekt niet.”
»Ga dan voort, mijn dappere vriend, ik ben geheel oor.”
»Goed,” zeide de gids; »het is misschien ook beter zoo.”
»Nu, spreek dan maar; ik luister.”
Hij, aan wien de Babbelaar den vreeselijken indiaanschen naam van
Ouaktehno gaf, was een man van zuiver blank ras, hoogstens dertig jaren
oud, lang en welgevormd, en met zekere achteloosheid in het
schilderachtig gewaad der woudloopers gedost. Zijne gelaatstrekken
waren edel en mannelijk, en hadden die hooghartige en open uitdrukking,
die men zoo dikwijls bij mannen, aan het woeste en vrije leven der
prairiën gewoon, aantreft.
Hij vestigde zijne groote, zwarte, bliksemende oogen op den Babbelaar,
een geheimzinnige glimlach plooide zijne lippen, en hij leunde
achteloos op zijn karabijn, terwijl hij den gids aanhoorde.
»Zoo ik de lieden, die mij betaald hebben om hun den weg te wijzen en
te geleiden, in uwe handen lever, dan wil ik daarvoor eene goede
belooning genieten,” zeide de bandiet.
»Dat is billijk!” merkte Kennedy aan, »en de kapitein is bereid die
belooning te geven.”
»Ja,” zeide de ander, ten teeken van goedkeuring het hoofd voorover
buigende.
»Zeer wel,” hernam de gids, »maar waarin zal die belooning bestaan?”
»Waarin verlangt gij, dat ze bestaan zal?” zeide de kapitein; »ik moet
eerst uwe voorwaarden hooren, om te weten of ik er aan voldoen kan.”
»O, mijne voorwaarden zijn zeer eenvoudig.”
»Hoe dan?”
De gids aarzelde, of liever berekende angstvallig de kansen van winst
en verlies die deze zaak hem aanbood, na eenige oogenblikken hernam
hij:
»Die Mexicanen zijn zeer rijk.”
»Dat zal wel zoo zijn,” zeide de kapitein.
»Vervolgens schijnt het mij toe, dat....”
»Spreek zonder omwegen, Babbelaar, wij hebben geen tijd om uwe praatjes
aan te hooren; evenals bij iederen halfbloed, heeft ook bij u de
indiaansche natuur de overhand, nooit gaat gij regelrecht op eenig doel
af.”
»Nu dan,” vervolgde de gids brutaal, »ik verlang vijf duizend goede
piasters, of er komt niets van de geheele zaak.”
»Nu weten wij ten minste waaraan wij ons te houden hebben. Gij vraagt
dus vijf duizend piasters?”
»Ja.”
»En voor die som neemt gij op u, om den generaal, zijne nicht, en allen
die met hem zijn, in onze handen te leveren?”
»Op den eersten wenk, dien gij mij geven zult.”
»Zeer goed; luister nu naar hetgeen ik u zeggen zal.”
»Ik luister.”
»Gij kent mij, niet waar?”
»Door en door.”
»Gij weet, dat men op mijn woord staat kan maken?”
»Het is zoo goed als goud.”
»Goed; zoo gij getrouw de verbintenis nakomt, tot welker vervulling gij
u vrijwillig aanbiedt, dat is te zeggen, zoo gij, ik zeg niet al de
Mexicanen waaruit uwe karavaan bestaat, maar alleen het meisje, dat men
geloof ik doña Luz noemt, in mijne handen levert, zal ik u niet vijf
duizend piasters geven, zooals gij verlangt, maar acht duizend. Gij
hebt mij begrepen, niet waar?”
De oogen van den gids schitterden van hebzucht.
»Ja,” zeide hij.
»Goed.”
»Maar het zal moeielijk zijn om haar alléén buiten het kamp te lokken.”
»Dat is uwe zaak.”
»Ik wilde ze liever allen te zamen overleveren.”
»Voor den duivel! wat wilt gij, dat ik er mede doen zal?”
»Hm! wat zal de generaal zeggen?”
»Die mag zeggen wat hij wil, dat raakt mij niet; ja of neen, neemt gij
den koop aan, dien ik u voorstel?”
»Ja.”
»Zweert gij onze voorwaarden getrouw te zullen nakomen?”
»Ik zweer het.”