en ging weg, bij zich zelven mompelend:
»Om het even, maar het vergoten bloed schreeuwt om wraak, de Roodhuiden
zijn mannen, zij zullen de misdaad niet ongestraft laten.”
De kapitein begaf zich wederom naar het fort, blijkbaar verbitterd door
de woorden van den mesties. Langzamerhand verstrooiden zich de burgers,
na elkander goeden avond gewenscht te hebben, en begaven zich naar
huis, met al de onbezorgdheid van menschen die gewoon zijn om ieder
oogenblik hun leven in gevaar te stellen.
Een uur later was de nacht geheel gevallen; een dikke duisternis omgaf
het dorp, welks inwoners, vermoeid door den zwaren arbeid van den dag,
onbekommerd uitrustten.
De verspieders, die tegen den avond door den kapitein waren
uitgezonden, hadden zich slecht van hun plicht gekweten of liever zij
waren niet bekend met de streken der Indianen, anders zouden zij de
kolonisten niet tot zulke verkeerde onbezorgdheid hebben opgewekt.
Nauwelijks een mijl van het dorp verwijderd, lagen te midden van het
dichte struikgewas en de ineengegroeide boomen van een ondoordringbaar
woud, tweehonderd Comanchen van den Slangenstam verscholen, aangevoerd
door hunne meest beroemde opperhoofden, waaronder de Arendskop, die,
ofschoon gewond, nochtans aan den tocht wilde deelnemen; zij wachtten
met dat Indiaansch geduld, dat zich door niets verstoren laat, het
geschikte oogenblik af, om een schitterende wraak te nemen over den hun
aangedanen hoon.
Verscheidene uren gingen aldus voorbij, zonder dat de stilte van den
nacht door het minste gedruisch werd afgebroken. Tegen elf uur des
avonds ging de maan op, en verlichtte het landschap met haar zilveren
stralen. Op hetzelfde oogenblik liet zich tweemaal, op verren afstand,
het huilen van een hond hooren. De Arendskop, zich verwijderende van
den boom, die hem beschutte, begon met buitengewone behendigheid en
vlugheid naar het dorp te kruipen. Aan den rand van het bosch gekomen
maakte hij halt, wierp een onderzoekenden blik om zich heen, en bootste
het gehinnik van een paard zoo volkomen na, dat twee paarden van het
dorp hem onmiddellijk antwoord gaven. Na eenige sekonden toevens,
bemerkte het geoefend gehoor van het opperhoofd eenig gedruisch in de
bladeren; niet ver van daar liet zich het geloei van een os hooren; de
hoofdman stond op en wachtte. Twee minuten later voegde zich een man
bij hem. Die man was Wit-Oog, de oude jager, om wiens lippen een
onheilspellende lach speelde.
»Wat doen de blanken?” vroeg het opperhoofd.
»Zij slapen,” was het antwoord.
»Zal mijn broeder ze in mijne handen leveren?”
»Gewis, mits gij ook uw woord houdt.”
»Een opperhoofd heeft maar één woord. Waar zijn de bleeke vrouw en het
grijze hoofd?”
»Zij zijn hier.”
»Zullen zij mij toebehooren?”
»Al de bewoners van het dorp zullen mijn broeder in handen worden
gesteld.”
»Oach! is de jager niet gekomen?”
»Nog niet.”
»Hij zal te laat komen.”
»Waarschijnlijk.”
»Wat zegt mijn broeder nu?”
»Waar is het loon, dat ik aan het opperhoofd gevraagd heb?”
»De huiden, de geweren en het kruit worden hier achter door mijne
lieden bewaakt.”
»Ik vertrouw u, hoofdman, maar zoo gij mij misleidt....”
»Een Indiaan heeft maar één woord.”
»’t Is goed!.... Nu dan, als ge maar wilt.”
Tien minuten later waren de Indianen meesters van het dorp, welks
inwoners, de een na den ander wakker geworden, zonder slag of stoot
werden gevangen genomen.
Het fort werd door de Comanchen omringd, die, na aan den voet der muren
boomstammen, karren, meubels en allerlei gereedschappen te hebben
bijeengezameld, slechts op een teeken van hun opperhoofd wachtten om
den aanval te wagen. Eensklaps vertoonde zich een onduidelijk zichtbare
gedaante boven het fort, en het geschreeuw van een sperwer weêrklonk
over de vlakte. De Indianen staken den brandstapel aan, en stortten
zich op de palissaden, met dien vreeselijk gillenden oorlogskreet, die
hun eigen is, en die op de grenzen altijd het sein geeft tot den moord.
VIII.
DE INDIAANSCHE WRAAK.
De Amerikanen verkeerden in een benarden toestand. De kapitein, verrast
door den stillen aanval der Comanchen, was eensklaps wakker geworden
door hun geduchten oorlogskreet, toen zij, reeds den brand hadden
gestoken in de voor het fort verzamelde brandstoffen.
De dappere officier sprong uit zijn bed, en werd een oogenblik verblind
door den rooden gloed der vlammen; vervolgens kleedde hij zich half
aan, en ijlde met de sabel in de hand naar dat gedeelte, waar het
garnizoen rustte, dat reeds ontwaakt, bezig was zich naar zijn post te
begeven, met die onverschrokkenheid, die den Yankee eigen is.
Maar wat te doen? Het garnizoen telde, den kapitein medegerekend, niet
meer dan twaalf man. Hoe zou hij met een zoo kleine macht den Indianen
weerstand kunnen bieden wier duivelsche gedaanten hij onheilspellend
zag afsteken bij het akelig schijnsel der vlammen? De officier slaakte
een zucht.
»Wij zijn verloren,” mompelde hij.
In de gedurige gevechten die op de indiaansche grenzen geleverd worden,
zijn onze oorlogswetten volkomen onbekend. Het vae victis (wee den
overwonnenen!) geldt daar in den vollen zin des woords. De verbitterde
vijanden, die elkander met al de schrandere hulpmiddelen der
barbaarschheid bestrijden, vragen noch geven kwartier. Iedere
schermutseling is een gevecht op leven en dood.
De kapitein wist dit; hij maakte zich ook volstrekt geen illusies over
het lot dat hem wachtte, zoo hij den Comanchen in handen viel. Hij had
den misslag begaan van zich door de Roodhuiden te laten verrassen, en
moest dus de gevolgen zijner onvoorzichtigheid dragen. Maar de kapitein
was een goed soldaat; overtuigd van niet heelshuids uit den val waarin
hij zich bevond te kunnen ontsnappen, wilde hij ten minste eervol
sneuvelen. De soldaten behoefden niet aan hun plicht herinnerd te
worden, zij wisten even goed als hun kapitein, dat hun geen enkele kans
op lijfsbehoud overbleef.
De verdedigers van het fort plaatsten zich dan ook vastberaden achter
de barricaden, en begonnen op de Indianen te schieten, met eene
juistheid en vastheid van hand, die den vijand groote verliezen
berokkende.
De eerste, dien de kapitein, toen hij op het glacis der vesting stond,
bemerkte, was de oude jager Wit-Oog.
»Ha! ha!” mompelde de officier, »wat doet die man daar, en hoe is hij
daar gekomen?”
Vervolgens een pistool uit zijn gordel nemende, liep hij recht op den
mesties toe, greep hem bij den strot, zette hem de tromp van zijn wapen
op de borst, en zeide met die koelbloedigheid, die de Amerikanen van de
Engelschen geërfd en aanmerkelijk vermeerderd hebben:
»Op wat wijze hebt gij u in het fort weten te dringen, oude steenuil?”
»Wel, denkelijk door de deur,” antwoordde de ander bedaard.
»Bah! zijt gij dan een toovenaar?”
»Misschien.”
»Geen gekheid, halfbloed; gij hebt ons aan uwe broeders, de Roodhuiden
verkocht.”
Een donkere glimlach teekende zich op het gelaat van den mesties; de
kapitein zag het.
»Maar uw verraad zal u geen voordeel aanbrengen, ellendeling,” zeide
hij met een donderende stem; »gij zult er zelf het eerste slachtoffer
van zijn.”
De jager rukte zich met een onverhoedsche beweging los, vervolgens deed
hij een sprong achteruit, legde zijn geweer aan, en zeide:
»Wij zullen zien.”
Deze twee mannen, vlak tegenover elkander geplaatst op dien smallen
omgang, alleen verlicht door het akelig schijnsel van den brand, die
met ieder oogenblik in hevigheid toenam, leverden een vreeselijk
schouwspel op. Elk hunner vertegenwoordigde een der twee rassen, die de
Vereenigde Staten bevolken, en wier haat niet eindigen zal dan door de
algeheele verdelging van een van beiden.
Aan hunne voeten nam het gevecht de reusachtige evenredigheden van een
oud heldendicht aan. De Indianen wierpen zich woedend en onder
vreeselijk geschreeuw op de bolwerken, waar de Amerikanen hen met
geladen geweren of gevelde bajonetten ontvingen.
Maar het vuur nam steeds toe; de soldaten vielen, de een na den ander;
weldra zou alles gedaan zijn.
De bedreiging van Wit-Oog was door den kapitein met een verachtelijken
glimlach beantwoord. Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den
jager afgeschoten; deze had zijn geweer laten vallen; zijn rechter arm
was verbrijzeld. De kapitein stortte zich, brullend van vreugde, op
hem. De mesties werd door dezen onverwachten schok op den grond
geworpen. Toen zette zijn vijand hem de knie op de borst en zag hem een
oogenblik aan.
»Welnu,” zeide hij met een bitteren lach, »heb ik mij vergist?”
»Neen,” zeide de mesties kalm, »ik ben een gek, mijn leven is in uwe
hand, dood mij.”
»Wees stil, ik zal u een indiaanschen dood bezorgen.”
»Haast u, zoo gij u wreken wilt,” hernam de jager spottend, »want
weldra zal het te laat zijn.”
»Ik heb den tijd.... Waarom hebt gij ons verraden, ellendeling?”
»Wat gaat het u aan?”
»Ik wil het weten.”
»Welnu, als gij het dan verlangt,” zeide de jager na een oogenblik
stilte, »uwe broeders, de blanken, zijn de beulen van geheel mijne
familie, ik heb mij willen wreken.”
»Maar wij hebben u toch niets gedaan.”
»Zijt gij geen blanken? dood mij en laat het uit zijn.... ik kan
verheugd sterven, want ontelbare offers zullen mij in het graf volgen.”
»Nu, als het met de zaken zoo gelegen is,” zeide de kapitein met een
onheilspellenden blik, »zal ik u bij uwe broeders terug brengen; gij
ziet ik ben dus edelmoedig.”
En toen, zijn knie stevig op de borst van den jager drukkende, opdat
hij niet aan de hem toegedachte straf ontkomen zou, zeide hij:
»Op zijn Indiaansch!”
En zijn mes nemende, greep hij met de linkerhand het dikke, borstelige,
grijze haar van den mesties, en scalpeerde hem met onbegrijpelijke
behendigheid.
De jager kon een ontzettenden jammerkreet niet weerhouden; het bloed
stroomde van zijn naakten schedel en overdekte zijn gelaat.
»Dood mij!” riep hij, »dood mij, die pijn is afschuwelijk.”
»Vindt gij?” zeide de kapitein.
»O, dood mij, dood mij!”
»Kom,” antwoordde de officier de schouders ophalende, »houdt gij mij
voor een slachter, neen, ik zal u aan uwe waardige vrienden
wedergeven.”
Toen nam hij den jager bij zijne beenen, sleepte hem tot aan den rand
van den omgang en schopte hem weg.
De ongelukkige had nog besef genoeg om zich te willen redden, door met
de linkerhand het uiteinde van een balk te grijpen, die buiten den muur
uitstak. Een oogenblik bleef hij aldus hangen. Het was afschuwelijk om
te zien: zijn gevilde schedel, zijn gelaat met stroomen van zwart bloed
bedekt, en door angst en lijden geheel verwrongen, zijn gansche lichaam
zich krampachtig samentrekkende, dat alles leverde een verschrikkelijk
en walgelijk schouwspel op.
»Genade! genade!” gilde hij.
De kapitein zag hem lachend aan, met de armen over de borst gekruist.
Maar de vermoeide spieren van den ongelukkige konden hem niet langer
dragen, zijn gekromde vingers lieten den balk, dien hij met de kracht
der wanhoop gegrepen had, los.
»Beul, wees vervloekt!” schreeuwde hij in de uiterste woede.—En hij
viel naar beneden.
»Goede reis!” riep de kapitein hem spottend na. Een verschrikkelijk
rumoer liet zich aan de deuren van het fort hooren. De kapitein snelde
de zijnen te hulp. De Comanchen hadden zich van de barricaden meester
gemaakt. Zij drongen in massa het fort binnen, terwijl zij al de
vijanden die zij op hun weg ontmoetten, vermoordden of scalpeerden. Nog
maar vier Amerikaansche soldaten hielden stand. De anderen waren dood.
De kapitein verschanste zich midden op den trap die naar den omgang
leidde.
»Mijne vrienden,” zeide hij tot zijne makkers, »sterft gelaten, ik heb
hem, die ons verraden heeft, gedood.” De soldaten beantwoordden deze
zonderlinge troostrede met een luid hoerah, en maakten zich gereed om
hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.
Maar toen had er iets onbegrijpelijks plaats.
De Indianen hadden eensklaps, als door betoovering, opgehouden met
schreeuwen.
De aanval werd gestaakt.
»Wat voeren zij toch uit,” mompelde de kapitein, »welke nieuwe streek
hebben die duivels nu uitgevonden?”
Zoodra de Arendskop meester was van al de toegangen tot het fort, had
hij bevel gegeven, aan het gevecht een einde te maken. De in het dorp
buit gemaakte gevangenen werden de een na den ander voorgebracht: zij
waren twaalf in getal, en daaronder vier vrouwen. Toen deze twaalf
ongelukkigen sidderend voor hem stonden, liet de Arendskop de vrouwen
ter zijde brengen. Aan de mannen gelastte hij één voor één langs hem
heen te gaan; hij zag ze oplettend aan, en gaf toen een teeken aan de
naast hem staande krijgslieden. Deze overrompelden de Amerikanen
onmiddellijk, sloegen hun met de machete de handen af, scalpeerden hen,
en wierpen hen toen in het fort.
Zeven kolonisten hadden deze marteling ondergaan. Nog een bleef er
over. Het was een grijsaard, groot van gestalte, mager, maar krachtvol;
zijne sneeuwwitte haren vielen hem op de schouders, zijne zwarte oogen
gloeiden, doch zijn gelaat bleef onbewegelijk; hij wachtte, schijnbaar
kalm, het vonnis van den hoofdman, dat hem met de ongelukkigen, die hem
waren voorgegaan, zou vereenigen.
Maar het Comanchenhoofd zag hem met de grootste oplettendheid aan.
Eindelijk bewogen zich de trekken van den wilde, een glimlach teekende
zich op zijne lippen, en zijne hand naar den grijsaard uitstekende,
zeide hij, in slecht Spaansch en met den aan zijn ras eigenen
keelklank:
»Usted no conocer amigo?—Gij niet herkennen vriend?”
Op dit woord sidderde de grijsaard, en zag op zijn beurt den Indiaan
aan.
»O,” zeide hij verbaasd, »el Gallo—de Haan?”
»Ooah!” antwoordde het opperhoofd tevreden, »ik ben een vriend van den
Grijskop; de Roodhuiden hebben geen twee harten; mijn vader heeft mij
het leven gered, mijn vader zal in mijne hut komen.”
»Ik dank u, hoofdman, ik neem uw aanbod aan,” zeide de grijsaard den
Indiaan warm de hand drukkende.
En hij zette zich haastig neder bij eene bejaarde vrouw, met een edel
gelaat, dat hoezeer ook door smart vermagerd en gerimpeld, nochtans de
sporen droeg van vroegere schoonheid.
»God zij geprezen!” zeide zij verheugd toen de grijsaard haar naderde.
»God verlaat nooit diegenen, die op Hem hun vertrouwen vestigen,”
antwoordde hij.
Ondertusschen speelden de Roodhuiden de laatste tooneelen van het
vreeselijk drama, waarvan wij den lezer getuige deden zijn. Toen al de
kolonisten in het fort waren opgesloten, werd de brand aangewakkerd met
al de bouwstoffen die men maar vinden kon, en als door een gordijn van
vlammen werden de ongelukkige Amerikanen voor altijd van de wereld
afgescheiden. Weldra was het fort niets meer dan een brandstapel,
waaruit voortdurend kreten van smart, en nu en dan de knal van een
ontploffend geweer omhoog rezen. De Comanchen stonden onbewogen op
eenigen afstand den voortgang van den brand gade te slaan, en lachten
als duivels over hunne wraakneming.
De vlammen hadden het gansche gebouw omringd; zij stegen met verbazende
snelheid omhoog, en wierpen, als een fakkel des doods, haar licht ver
in de wildernis.
Op het glacis van het fort zag men eenige personen wanhopig zich
bewegen, terwijl anderen geknield de genade des hemels schenen in te
roepen.
Eensklaps hoorde men een ontzettend gekraak, een angstkreet rees ten
hemel, en het fort stortte ineen, in den gloeienden vuurpoel die het
ondermijnd had.
Alles was afgeloopen.
De Amerikanen waren omgekomen.
De Comanchen plantten een grooten mast, op de plek waar het dorp
gestaan had; deze mast, waaraan zij de kolonisten vastnagelden, werd
bekroond met een met bloed bevlekte bijl.
Daarna eenige nog overgeblevene hutten in brand stekende, gaf de
Arendskop het teeken om te vertrekken.
De vier vrouwen en de grijsaard, de eenigen van de bevolking dezer
ongelukkige plaats die nog in leven waren, volgden de Comanchen.
Een droevige stilte zweefde over de rookende puinhoopen die het tooneel
waren geweest van zóóveel hartverscheurende rampen.
IX.
DE SCHIM.
Het was ongeveer acht ure in den morgen: een vroolijke herfstzon
bescheen de prairie. De vogels fladderden rond en zongen; nu en dan
stak een hert zijn kop boven het hooge gras uit, en verdween huppelend
in de verte.
Twee ruiters, gekleed als woudloopers, volgden, op prachtige, half
wilde paarden gezeten, in galop den linker oever der Groote Canadeesche
rivier, terwijl verscheidene zwarte speurhonden om hen heen dartelden
en sprongen. Deze ruiters waren Edelhart en zijn vriend Goedsmoeds.
In strijd met zijne gemoedstemming, scheen Edelhart zich aan de
levendigste vreugde over te geven; zijn gelaat schitterde, en met innig
welbehagen zag hij om zich heen. Soms bleef hij staan, en staarde in de
verte, als het ware om aan den horizont een voorwerp te ontdekken, dat
vooralsnog onzichtbaar was.
»Ha, komaan!” zeide Goedsmoeds eindelijk lachend, »wij zullen er wel
komen; wees maar gerust!”
»Caramba! dat weet ik wel, maar ik zou er al willen zijn! De eenige
oogenblikken van geluk, die God mij schenkt, geniet ik bij haar, naar
wie wij ons nu begeven! Moeder! lieve moeder! die voor mij alles
verlaten—zonder spijt, zonder wroeging verlaten hebt! O, wat is het
zalig eene moeder te hebben! een hart te bezitten, dat het uwe
begrijpt, dat zich zelve volkomen verloochent! dat om en door u leeft!
dat zich verheugt in uwe blijdschap, treurt om uwe smarten! dat uw
leven voor twee derden op zich neemt, voor zich zelve het zwaarste deel
behoudende, het lichtste en gemakkelijkste aan u overlatende! O,
Goedsmoeds! om goed te begrijpen wat het is, dat goddelijk samenstel
van opoffering en liefde, dat men eene moeder noemt, moet men er, even
als ik, lange jaren van beroofd zijn geweest, en vervolgens haar hebben
teruggevonden, nog rijker in liefde en aanbiddelijker dan voorheen! Wat
gaan wij langzaam, ieder oogenblik van oponthoud schijnt een kus mijner
moeder, dien de tijd mij ontsteelt; zullen wij er dan nooit komen?”
»Hier hebben wij de ondiepte.”
»Ik weet niet waarom, maar een geheime vrees beklemt mij het hart, een
onbeschrijfelijk voorgevoel doet mij ondanks mij zelven huiveren.”
»Verban die donkere gedachten, mijn vriend, binnen eenige oogenblikken
zijn wij bij uwe moeder.”
»Ja, niet waar? en toch, ik weet niet of ik het mis heb, maar ik zou
zeggen dat het veld er niet zoo uitziet als anders; die stilte, die er
om ons heerscht, die eenzaamheid die ons omringt schijnen mij niet zeer
natuurlijk toe; wij zijn immers vlak bij het dorp, wij moesten de
honden reeds hooren blaffen, en die tallooze geluiden vernemen, die een
bewoonde plaats aankondigen.”
»Inderdaad,” zeide Goedsmoeds een weinig bezorgd, »’t is wel stil in ’t
rond.”
De reizigers bevonden zich op een plek waar de rivier een vrij groote
bocht maakte; hare oevers, bedekt met ontzaglijke rotsblokken en dicht
kreupelhout, beletten hun ver voor zich uit te zien. Op het oogenblik
dat de paarden in het water stapten, maakten zij eene forsche
achterwaartsche beweging, en de speurhonden stieten een klagend gehuil
uit, dat hun ras eigen, den dapperste ijzen doet.
»Wat is dat!” mompelde Edelhart, terwijl hij zoo bleek werd als een
doode, en een angstigen blik om zich heen sloeg.
»Zie!” antwoordde Goedsmoeds, en met den vinger wees hij zijn makker
verscheidene lijken die de rivier wegvoerde.
»O,” riep Edelhart uit, »er is hier iets verschrikkelijks gebeurd.
Mijne moeder! O mijne moeder!”
»Maak u niet zoo beangst,” zeide Goedsmoeds, »zij bevindt zich zonder
twijfel in veiligheid.”
Onvatbaar voor de troostredenen, die zijn vriend hem voorhield, zonder
dat hij er zelf aan geloofde, gaf Edelhart zijn paard de sporen en
wierp zich in de golven. Weldra kwamen zij aan den anderen oever. Toen
werd hun alles helder. Zij hadden voor zich het tooneel der meest
volkomene verwoesting die men zich kan voorstellen. Het dorp en het
fort waren niets meer dan een puinhoop. Een zwarte rook steeg in lange
kronkelende wolken ten hemel. Midden in het dorp verhief zich een mast,
waaraan menschenhanden waren vastgenageld, die de raven krassend
elkander betwistten. Hier en daar lagen lijken, half verslonden door
wilde dieren en roofvogels. Er was geen levend wezen zichtbaar. Niets
was heel gebleven, alles was gebroken of verwoest. Men zag bij den
eersten oogopslag, dat de Indianen daar geweest waren, met hun dorst
naar bloed en hun ingekankerden haat tegen de blanken. Zij hadden een
spoor van vuur en bloed achtergelaten.
»O,” riep de jager zuchtend uit, »mijn voorgevoel was een waarschuwing
des hemels. Mijne moeder! O mijne moeder!”
Edelhart liet zich wanhopend op den grond vallen; hij bedekte zijn
hoofd met beide handen en weende. De smart van dezen zwaarbeproefden
man, wiens moed voor niets terugdeinsde en die nooit voor eenig gevaar
beefde, was gelijk aan die van den leeuw: zij had iets schrikwekkends.
Goedsmoeds eerbiedigde de droefheid van zijn vriend; welken troost kon
hij hem aanbieden? Het was beter zijne tranen te laten stroomen, en aan
de eerste uitbarsting der wanhoop den tijd te laten om tot bedaren te
komen; hij was toch overtuigd dat deze man van ijzer zich niet lang zou
laten ter nederslaan, en dat er weldra eene terugwerking volgen zou,
die hem tot handelen zou aansporen. Doch met het talent, den jagers
ingeschapen, begon hij in alle richtingen rond te snuffelen, of hij ook
eenig teeken vinden mocht, dat hun later in hunne nasporingen van
dienst kon zijn.
Na langen tijd om de puinhoopen rondgedwaald te hebben, werd zijne
aandacht eensklaps op eenig nabijzijnd kreupelhout gevestigd, door een
geblaf dat hij meende te herkennen. Hij naderde haastig; een speurhond,
aan de zijnen gelijk, sprong vroolijk tegen zijne beenen op en
overlaadde hem met liefkoozingen.
»O, o!” zeide de jager, »wat beteekent dat, wie heeft den armen Frim
daar vastgemaakt?” Hij sneed den band die het dier vasthield door, en
bemerkte toen dat hij aan zijn hals een toegevouwen, en zorgvuldig
bedekt papiertje droeg. Hij maakte er zich meester van, en liep naar
Edelhart terug.
»Broeder,” zeide hij, »heb goeden moed!”
De jager wist, dat zijn vriend de man niet was die hem met alledaagsche
troostredenen zou lastig vallen; hij hief zijn in tranen badend gelaat
tot hem op.
De hond, zich vrij voelende, had het op een loopen gezet, en
ontvluchtte met onbegrijpelijke snelheid en onder een luid geblaf.
Goedsmoeds, die hierop bedacht geweest was; had zich gehaast, zijn das
om den nek van het dier te binden.
»Men weet nooit wat er gebeuren kan!” mompelde de Canadees, toen hij
den hond verdwijnen zag. En na deze wijsgeerige overweging was hij zijn
vriend gaan opzoeken.
»Wat is er?” vroeg Edelhart.
»Lees!” antwoordde Goedsmoeds.
De jager nam het papier en doorliep het met gretige blikken.
Het bevatte slechts deze woorden:
»Wij zijn door de Roodhuiden gevangen genomen. Heb goeden moed!.... Er
is niets kwaads bejegend aan uwe moeder.”
»Geloofd zij God!!...” riep Edelhart, het papier dat hij in zijne hand
hield in vervoering kussende, »mijne moeder leeft!.... O, ik zal haar
wel vinden.”
»Dat zult gij zeker!....” voegde Goedsmoeds er bij.
Er had een volkomen omkeering in de ziel des jagers plaats gegrepen;
hij had zich in zijn volle lengte opgericht; op zijn voorhoofd blonk
een glans van vergenoegen.
»Laten wij terstond een begin maken met onze nasporingen,” zeide hij:
»misschien is een der ongelukkige inwoners aan den dood ontsnapt; van
hem zullen wij vernemen, wat er is voorgevallen.”
»Goed,” zeide Goedsmoeds met innige blijdschap, »ja, laat ons zoeken.”
De honden krabden ijverig in de puinhoopen van het fort.
»Laat ons daar beginnen,” zeide Edelhart.
Beiden ruimden het puin weg. Zij werkten met een ijver waarvan zij
zelven geen begrip hadden. Na twintig minuten ongeveer vonden zij een
soort van beverval. Daaronder hoorden zij een zwak en onbestemd geluid.
»Daar zijn zij!” zeide Goedsmoeds.
»God geve, dat wij vroeg genoeg gekomen zijn om hen te redden!”