Het besluit om zich van hunne honden te scheiden hielp hen om de

Indianen van het spoor te brengen, die zeker niet zouden verzuimen de

sporen door de speurhonden in het hooge gras achtergelaten, te volgen.

Eenmaal in het bosch zijnde, klommen de jagers op een boom en zetten

hunnen tocht tusschen hemel en aarde voort. Deze manier van reizen is,

veel meer dan men in Europa denken zou, gebruikelijk in landen, waar

het, ten gevolge van het in elkander groeien der boomen en lianen,

dikwijls onmogelijk is, om vooruit te komen, zonder zich telkens met de

bijl een pad te banen. Men kan aldus, door van den eenen tak op den

anderen te klauteren, mijlen ver afleggen zonder den grond aan te

raken. De jagers deden dit echter thans om een andere reden.

Zij gingen op deze wijze voor hunne vijanden uit, die hen hoe langer

hoe meer naderden, en die zij weldra vlak onder zich op Indiaansche

wijze, dat is achter elkander, zagen voort marcheeren, en met aandacht

hun spoor volgen. De Arendskop ging voorop, ten gevolge van zijn wond

half op zijn paard liggende, maar beter dan ooit gestemd om zijne

vijanden te vervolgen. Toen zij de Comanchen onder zich hadden,

verscholen de jagers zich tusschen de bladeren, en hielden hun adem in.

De minste kleinigheid zou voldoende zijn geweest om hunne

tegenwoordigheid te verraden. De Indianen gingen voorbij, zonder hen te

zien. De jagers zetten hunnen tocht voort.

»Oef!” zeide Goedsmoeds na een oogenblik van stilte, »ik geloof dat wij

er ditmaal heelhuids afkomen.”

»Laat ons nog geen victorie kraaien, maar zoo snel wij kunnen ons

verwijderen; die verwenschte Roodhuiden zijn slim; zij zullen zich niet

lang door onze list laten misleiden.”

»Duivelsch!” riep Goedsmoeds eensklaps, »ik heb mijn mes laten vallen,

en waar weet ik niet; als de Roodhuiden het vinden, zijn wij verloren.”

»Dat is zeer waarschijnlijk,” mompelde Edelhart; »een reden te meer om

geen minuut te verliezen.”

Uit het woud, dat tot nu toe doodstil was geweest, begon eensklaps een

dof gebrom op te rijzen; de vogels vlogen fladderend rond, en in de

struiken hoorde men de drooge takken onder de pooten der wilde dieren

kraken.

»Wat gebeurt er toch?” zeide Edelhart, ophoudende en ongerust om zich

heen ziende; »het woud schijnt met duizeling bevangen te zijn.”

De beide jagers klommen tot in den top van den boom, waarop zij zich

bevonden, en die bij toeval een der hoogste van het woud was.

Een ontzaglijke gloed kleurde den horizont op ongeveer een mijl afstand

van de plaats, waar zij zich bevonden; deze gloed werd van oogenblik

tot oogenblik grooter, en naderde hen met reuzenschreden.

»Vervloekt,” riep Goedsmoeds uit, »de Comanchen hebben de prairie in

brand gestoken!”

»Ja, en ik geloof dat wij ditmaal, zooals gij straks opmerktet,

verloren zijn,” antwoordde Edelhart koelbloedig.

»Wat nu gedaan?” vroeg de Canadees; »binnen een oogwenk zien zij ons.”

Edelhart dacht na. Na eenige oogenblikken richtte hij het hoofd wederom

op, een zegepralende glimlach plooide zijne lippen.

»Zij hebben ons nog niet,” zeide hij; »volg mij, broeder!....” en,

voegde hij er zachtjes bij, »ik wil mijne moeder weder zien!...”

VI.

DE REDDER.

Om den lezer den toestand begrijpelijk te maken, waarin de jagers zich

bevonden, is het noodig tot het Comanchenhoofd terug te keeren.

Nauwelijks waren zijne vijanden tusschen de boomen verdwenen, of de

Arendskop richtte zich zachtjes op, boog zijn lichaam voorover, en

luisterde om zich te verzekeren, dat zij zich werkelijk verwijderden.

Zoodra hij deze zekerheid verkregen had, verscheurde hij een stuk van

zijn blankett—het kleed dat zijne heupen bedekte—waarmede hij zoo goed

en zoo kwaad als hij kon, zijn arm verbond, en ondanks zijne zwakheid

en de hevige pijn die hij doorstond, volgde hij behoedzaam het spoor

der jagers. Hij vergezelde hen aldus, zonder gezien te worden, tot aan

de grenzen van het kamp. Daar, achter een ebbenboom verscholen, was

hij, zonder zich te kunnen verzetten, getuige van het zoeken der jagers

naar hunne vallen, en eindelijk van hun vertrek, nadat zij ze gevonden

hadden.

Ofschoon de speurhonden der jagers uitmuntende dieren waren die de

Indianen van verre roken, hadden zij zich door een toeval, dat het

behoud van den hoofdman was, gulzig op de overblijfselen van het maal

der Roodhuiden geworpen, en hunne meesters, weinig denkende, dat zij

bespied werden, hadden het niet noodig geacht, hen tot de orde terug te

roepen.

De Comanchen waren eindelijk in het kamp teruggekomen, na er met

ongehoorde moeite in geslaagd te zijn, hunne paarden weder te vinden.

Het gezicht van hun gewonden hoofdman wekte in hooge mate hunne

verbazing en verbolgenheid op, hetgeen den Arendskop zeer te stade

kwam, om hen op nieuw tot het vervolgen der jagers aan te vuren, die in

het loopen gehinderd door de vallen die zij droegen, niet ver af konden

zijn, en hun zonder missen in handen moesten vallen.

Slechts een oogenblik hadden zij zich door de list van Edelhart laten

misleiden, en weldra ontdekten zij in de eerste boomen van het woud de

ondubbelzinnige sporen van de richting, die hunne vijanden volgden.

Beschaamd en wrevelig, dat hij dus de speelbal was geweest van twee

onverschrokken mannen, wier listen al zijne berekeningen in de war

brachten, besloot de Arendskop om er voor goed een eind aan te maken,

en bracht hij zijn duivelsch voornemen om de prairie in brand te

steken, onmiddellijk ten uitvoer. Door dit middel, ten minste hij

twijfelde er niet aan, moesten zijne geduchte vijanden weldra in zijne

handen vallen. Na alzoo zijne krijgslieden in verschillende richtingen

uitgezonden te hebben, ten einde een wijden kring te vormen, deed hij

op verschillende plaatsen tegelijk het hooge gras in brand steken.

Deze maatregel, ofschoon barbaarsch en alleen wilden waardig, was niet

kwaad bedacht.

De jagers, na vergeefs beproefd te hebben aan den vuurpoel te

ontsnappen, die hen weldra van alle kanten zou omringen, zouden tegen

wil en dank verplicht zijn om zich aan hunne woeste vijanden over te

geven, zoo zij ten minste niet levend verbrand wilden worden.

De Arendskop had alles berekend, alles voorzien, behalve één zeer

eenvoudige en gemakkelijk te volbrengen zaak, de eenige kans van

behoud, die aan Edelhart overbleef.

Gelijk wij gezegd hebben, hadden, op bevel van hun opperhoofd, de

krijgslieden zich in alle richtingen verstrooid, en op verschillende

plaatsen tegelijk vuur aangebracht.

In dit vergevorderde jaargetijde waren de planten en grashalmen door de

loodrechte stralen der zomerzon verschroeid, onmiddellijk ontvlamd, en

het vuur had zich met schrikbarende snelheid in alle richtingen

verspreid; niet snel genoeg echter, of het duurde nog eenigen tijd eer

de vlammen zich vereenigd hadden.

Edelhart aarzelde niet: terwijl de Indianen als duivels om den slagboom

van vuur, waarmede zij aan hunne vijanden den weg wilden versperren,

heenliepen, en een vroolijk gebrul lieten hooren, had de jager, door

zijn vriend gevolgd, zich in snellen loop tusschen twee muren van vuur

geworpen, die rechts en links van hem af brandden en sisten, en

tegelijkertijd dreigden zich onder en boven hem te zullen vereenigen.

Te midden der verkoolde boomen, die krakend neêrvielen, verblind door

dikke rookwolken die hun het ademhalen beletten, gezengd door de vonken

die van alle kanten op hen neêrregenden, volgden zij onverschrokken hun

pad onder een gewelf van vlammen door, en het gelukte den moedigen

avonturiers, om ten koste van eenige onbeduidende brandwonden zich door

den heilloozen ringmuur heen te slaan, onder welken de Indianen gedacht

hadden hen voor eeuwig te zullen begraven en reeds waren zij verre van

hunne vijanden verwijderd, toen deze nog luide hun vreugdegejuich deden

hooren over den gelukkigen uitslag hunner krijgslist.

De brand kreeg ondertusschen een ontzettend aanzien, het woud kroop weg

onder de omarming van het vuur; de prairie was een net van vlammen, te

midden waarvan de wilde dieren, door deze onverwachte ramp uit hunne

schuilplaatsen verdreven, angstig heen en weder liepen. De lucht was

bloedig gekleurd en een onstuimige wind joeg rook en vlammen woest voor

zich heen.

De Indianen zelven waren verschrikt over hun werk, toen zij van alle

kanten op de bergen geheele bosschen, als zoovele noodlottige fakkels

zagen ontvlammen, toen de aarde overal warm werd en ontzaglijke kudden

buffels den grond deden trillen, onder het uitstooten van een wanhopig

geloei, dat het moedigste hart met schrik vervulde.

In het kamp der Mexicanen heerschte de grootste verwarring; het was een

vervaarlijk geraas, de paarden hadden hunne banden gebroken en

vluchtten in alle richtingen, de mannen grepen naar hunne wapenen en

naar hun kruit, anderen voerden de zadels en pakken weg. Ieder

schreeuwde, vloekte, kommandeerde, allen liepen als gekken door het

kamp rond.

Het vuur naderde statig, alles op zijn weg verslindende, voorafgegaan

door eene tallooze menigte van allerlei dieren, die angstig brullend,

het gevaar dat hen dreigde, trachtten te ontvlieden.

Een dikke rook, met vonken beladen, overdekte reeds het kamp der

Mexicanen; nog twintig minuten, en het was met hen gedaan.

De generaal, zijn nicht in de armen sluitende, vroeg tevergeefs aan de

gidsen, naar middelen die het dreigend gevaar konden afwenden. Deze

mannen, versteend van schrik, hadden alle tegenwoordigheid van geest

verloren. En wat konden zij er ook tegen doen? de vlammen vormden een

ontzaglijken kring, waarvan het kamp het middelpunt was geworden.

Eensklaps echter was de wind, die tot nu toe het vuur had aangeblazen,

gaan liggen. Er woei geen tochtje meer. De gang van het vuur werd

langzamer. De voorzienigheid verlengde het leven dezer ongelukkigen met

eenige minuten.

Op dit oogenblik bood het kamp een vreemd schouwspel aan. Al deze

mannen hadden als verstijfd van schrik zelfs het instinct van

zelfbehoud verloren. De Lanceros gingen bij elkander te biecht. De

gidsen waren met wanhoop geslagen, en verroerden zich niet.

De generaal morde tegen den hemel. De doctor betreurde de plant, die

hij vruchteloos gezocht had; de gedachte daaraan verdrong bij hem elk

ander denkbeeld. Doña Luz lag met gevouwen handen en gebogen knieën te

bidden. Het vuur met zijne voorhoede van wilde dieren naderde meer en

meer.

»O!” riep de generaal, met geweld den gids bij den arm schuddende,

»zult gij ons dan aldus laten verbranden, zonder zelfs een poging tot

redding in het werk te stellen?”

»Wat kan men doen tegen Gods wil?” antwoordde de Babbelaar onbewogen.

»Is er dan geen enkel middel om ons van den dood te bevrijden?”

»Geen enkel!”

»Ja, één is er!” riep nu een man, die met half verbrande haren en

verzengd gelaat, en door nog een ander gevolgd, zich over de pakken

heen, plotseling in het kamp stortte.

»Wie zijt gij?” vroeg de generaal verrast.

»Dat doet er niet toe,” antwoordde de vreemdeling kortaf; »ik kom u

redden! Mijn vriend en ik waren reeds buiten gevaar; om u te helpen

hebben wij niets te zwaar geacht; dit zij u genoeg. Uw behoud hangt nu

alleen van u zelven af: gij behoeft het slechts te willen.”

»Beveel,” antwoordde de generaal, »ik zal de eerste zijn om u te

gehoorzamen.”

»Hebt gij dan geen gidsen bij u?”

»Ja!”

»Nu, dan zijn het verraders of lafaards: want het middel dat ik zal

aanwenden, is aan ieder bewoner der prairie bekend.”

De generaal wierp den Babbelaar, die bij de plotselinge verschijning

der twee onbekenden eene rilling niet had kunnen weêrhouden, een

wantrouwenden blik toe.

»Overigens,” zoo ging de jager voort, »is dit eene zaak, die gij later

met hen kunt afrekenen; nu hebben wij wat anders te doen.”

Op het gezag van dezen vastberaden man, hadden de Mexicanen als van

zelf hunne hoop en hun moed voelen terugkeeren, en zij hielden zich

gereed om zijne bevelen met allen spoed ten uitvoer te brengen.

»Haast u,” zeide de jager, »ruk al het gras uit dat het kamp

omringt.—Ieder zette zich aan ’t werk.—Wij,” zoo vervolgde de jager,

zich tot den generaal wendende, »zullen intusschen natte zeilen over de

pakken uitstrekken.”—De generaal, de kapitein en de doctor, door den

jager geleid, deden wat deze beval, terwijl zijn medgezel de paarden en

muilezels midden in het kamp aan eenige palen vastbond.

»Haast u! haast u!” riep de vreemdeling gedurig, »de brand nadert.”

Ieder verdubbelde zijn ijver. Weldra was over een groote ruimte het

gras uitgerukt.

Doña Luz zag met bewondering naar dien vreemden man, zoo onverwacht te

voorschijn gekomen, juist op het oogenblik, dat het dreigend gevaar op

het punt stond hen allen te verslinden, en die toch onder alles even

kalm en bedaard bleef, als bezat hij de macht om het onheil, dat hen

met reuzenschreden naderde, met een enkel woord te bezweren. Het meisje

kon niet nalaten haar blikken op hem te vestigen; zij voelde zich

onbewust tot dien onbekenden redder getrokken, wiens stem en gebaren,

wiens geheele persoonlijkheid een magtigen indruk op haar maakte.

Toen het gras en de planten waren uitgeroeid met dien koortsachtigen

spoed, die door het dreigend doodsgevaar werd aangewakkerd, glimlachte

de jager even.

»Nu,” zeide hij, zich tot de Mexicanen richtende, »nu gaat het overige

mijn vriend en mij aan: laat ons nu handelen; wat u betreft, wikkelt u

allen in natgemaakte kleederen.”—Ieder volgde zijn raad. De vreemdeling

wierp een blik om zich heen, en vervolgens zijn makker een teeken

gevende, liep hij het vuur te gemoet.

»Ik verlaat u niet,” zeide de generaal.

»Kom dan,” antwoordde de vreemdeling.

Aan het einde der ruimte gekomen, waarop het gras uitgerukt was, maakte

de jager een bundel van planten en droge takken, wierp er een weinig

kruit in, en stak er den brand in.

»Wat doet gij daar?” riep de generaal verschrikt uit.

»Dat ziet gij: ik bestrijd het vuur met het vuur,” antwoordde de jager

eenvoudig.

Zijn makker had aan den tegenovergestelden kant hetzelfde gedaan.

Snel verhief zich een gordijn van vlammen, en gedurende eenige

oogenblikken was het kamp bijna onder een gewelf van vuur begraven. Er

verliep een kwartier van verschrikkelijken angst, en van gespannen

verwachting. Langzamerhand werden de vlammen minder dik en de lucht

zuiverde, de rook verdunde zich en het geloei van den brand nam af.

Eindelijk kon men in dien vreeselijken chaos elkander weder herkennen.

Een kreet van verrukking ging uit aller mond op. Het kamp was gered!

De brand, waarvan het geloei hoe langer hoe doffer werd, ging, door den

jager overwonnen, in andere richtingen zijn verwoestingen verspreiden.

Allen liepen op den vreemdeling toe, om hun dank te betuigen.

»Gij hebt mijne nicht het leven gered,” zeide de generaal, »hoe zal ik

ooit mijn schuld aan u betalen?”

»Gij zijt mij niets schuldig, mijnheer,” antwoordde de jager met edele

eenvoudigheid; »in de prairie zijn alle menschen broeders; ik heb niets

dan mijn plicht gedaan.”

Toen het eerste oogenblik van vreugd voorbij was, en men de orde in het

kamp een weinig hersteld had, begon ieder naar rust te verlangen,

hetgeen na de verschrikkingen en vermoeienissen van dien nacht zeer

natuurlijk was.

De twee vreemdelingen, die beleefd maar standvastig alle voordeelen

hadden van de hand gewezen, hun door den generaal aangeboden, hadden

zich onbezorgd op de balen uitgestrekt, om eenige uren te rusten. Even

voordat de zon opging, stonden zij op.

»De grond moet al koud zijn,” zeide de een, »laat ons heen gaan, eer

die menschen ontwaken; zij zouden misschien ons zoo niet laten

vertrekken.”

»Ja, laten wij gaan,” antwoordde de ander.

Toen zij het kamp verlieten, werd de schouder van den eerste licht

aangeraakt; hij keerde zich om. Doña Luz stond voor hem. De twee mannen

bleven staan, en groetten de jonge dame eerbiedig.

»Gaat gij ons verlaten?” vroeg zij met een zachte, welluidende stem.

»Het moet, señorita,” antwoordde een der jagers.

»Ik begrijp u,” zeide zij met een bekoorlijken glimlach. »Thans, nu

wij, dank zij uwe hulp, gered zijn, hebt gij hier niets meer te doen,

niet waar?”

De twee mannen bogen, zonder te antwoorden.

»Sta mij een gunst toe,” zeide zij.

»Spreek, mevrouw.”

Zij nam een klein crucifix, met diamanten ingelegd, dat zij op de borst

droeg.

»Bewaar dit ter herinnering aan mij.”

De jager aarzelde.

»Ik bid er u om,” prevelde zij met tranen in de oogen.

»Ik neem het aan, mevrouw,” zeide de jager bewogen, het kruis op zijne

borst bij zijn scapulier plaatsende; »het zal mij een talisman zijn bij

die, welke mijne moeder mij gegeven heeft.”

»Ik dank u,” antwoordde het meisje verheugd; »nog eene vraag!”

»Spreek!”

»Hoe zijn uwe namen?”

»Mijn makker heet Goedsmoeds.”

»Maar gij?”

»Edelhart.”

Na nog eenmaal gebogen te hebben, verwijderden de beide jagers zich

haastig, en waren spoedig in de duisternis verdwenen. Doña Luz volgde

hen zoolang zij kon met de oogen; vervolgens keerde zij langzaam naar

de tent terug, half luid prevelende: »Edelhart!... O, ik zal het niet

vergeten!...”

VII.

DE VERRASSING.

De Vereenigde Staten hebben van Engeland dat systeem van voortdurende

uitbreiding en inbezitneming overgeërfd, dat een der meest kenmerkende

eigenschappen van het Angel-Saksische ras is.

Nauwelijks was Noord-Amerika onafhankelijk en de vrede met het

moederland gesloten, of dezelfde menschen die zoo hard over

dwingelandij en verdrukking geschreeuwd en die zich verzet hadden tegen

de schending van het volkenrecht, waarvan zij, zooals zij zeiden, de

slachtoffers waren geweest, regelden met die onverbiddelijke

koelbloedigheid, die aan hun geslacht eigen is, eene jacht op de

Indianen, niet alleen op hun eigen grondgebied, maar over de gansche

uitgestrektheid van Amerika’s vasteland. Niet tevreden met de

onmetelijke gewesten, die zij reeds bezitten en welks onrustige

bevolking, ondanks haar ijver om van alles voordeel te trekken, nog

altijd ontoereikend is, willen zij zich meester maken van de beide

oceanen, die Amerika bespoelen, en dringen zij voortdurend de

inlandsche stammen terug, om deze volgens de profetische en bittere

woorden van een Indiaansch opperhoofd, door middel van allerlei verraad

en trouweloosheid, eindelijk in de Stille Zuidzee te verdrinken.

In de Vereenigde Staten, dat land waarover de denkbeelden wel beginnen

te veranderen, ofschoon bevooroordeelde of slecht ingelichte lieden het

nog altijd als den klassieken grond der vrijheid blijven voorstellen,

ontmoet men overal de blijken van die hatelijke onrechtvaardigheid, die

twee menschenrassen heeft geplunderd en van alles beroofd ten voordeele

van een derde, dat zich het recht van leven en dood over hen aanmatigt,

en ze niet anders dan als slachtvee beschouwt. Deze twee rassen, de

belangstelling van alle weldenkenden zoo overwaardig, zijn het zwarte

en het roode ras.

Het is aan den anderen kant waar, dat de Vereenigde Staten, om te

toonen hoe philanthropisch zij zijn, in het jaar 1795 een verbond van

vrede en vriendschap gesloten hebben met de Barbarijsche staten, die

hun onvergelijkelijk meer voordeelen aanboden dan de orde van Malta,

die ook met hen onderhandelen wilde.

Dit verbond is gewaarborgd door de gouvernementen van Algiers en van

Tripoli, en het luidde uitdrukkelijk, dat de regeering der Vereenigde

Staten geenszins gebaseerd is op de Christelijke Godsdienst. Aan hen,

wien deze bepaling doeltreffend toeschijnt, moeten wij doen opmerken

dat de Amerikanen in hun dagelijksch leven maar één God schijnen te

erkennen: den God Dollar! die ten allen tijde de eenige is geweest, tot

welken de roovers van alle gewesten gebeden hebben.

Men make zelf de gevolgtrekking!

De Squatters, menschen zonder recht en wet, door alle natiën veracht,

de schande en het uitvaagsel der bevolking van Noord-Amerika, dringen

altijd naar het Westen voort, en trachten door onafgebroken

landontginningen de Indiaansche stammen uit hun laatste schuilhoeken te

verdrijven.

Achter de squatters komen vier of vijf soldaten, een tamboer, een

trompetter of een officier met een vaandel met sterren.

Deze soldaten bouwen een fort van enkel boomstammen, planten hun

vaandel er op, en maken openlijk bekend, dat de grenzen van het

Staten-Verbond zich tot daar uitstrekken.

Dan worden er rondom het fort eenige hutten gebouwd, een gemengde

bevolking van blanken, zwarten en roodhuiden vestigt er zich, en

ziedaar eene stad in het aanzijn geroepen, waaraan men een verheven

naam, bijv. Utica, of Syracuse, of Rome, of Carthago geeft; en eenige

jaren later, als deze stad twee of driehonderd steenen huizen bezit,

wordt zij rechtens de hoofdstad van een nieuwen Staat, die eigenlijk

nog moet geboren worden. Zoo gaat het in dat land toe; men ziet het is

een zeer eenvoudige wijze van handelen.

Eenige dagen na de in ons vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen, had

er een vreemd voorval plaats, in een nauwelijks sedert twee jaar

bestaande bezitting, aan den oever der groote Canadeesche rivier en aan

den voet van een altijd groenen heuvel.

Deze bezitting bestond uit een twintigtal hutten, grillig naast

elkander geplaatst en beschermd door een fortje, dat met vier kanonnen

bewapend den loop der rivier bestreek.

Dit dorp, hoe nieuw het ook zijn mocht, had ten gevolge der onvermoeide

Amerikaansche bedrijvigheid, reeds al het aanzien eener stad verkregen.

Twee kroegen waren altijd vol drinkers, drie kerken van verschillende

genootschappen dienden tot vergaderplaats voor de geloovigen. De

bewoners kwamen en gingen met die driftige haast, die gewoonlijk lieden

kenmerkt, welke met lust arbeiden en veel zaken te doen hebben.

Tallooze kano’s bedekten de rivier, en karren, met koopwaren beladen,

reden in alle richtingen, knarsten op hun ongesmeerde wielen, en lieten

diepe sporen in den grond achter.

Doch ondanks al die bewegelijkheid, misschien wel ten gevolge daarvan,

viel het niet moeielijk te ontdekken, dat er zekere ongerustheid in het

dorp heerschte.

De bewoners ondervroegen elkander; er vormden zich groepen voor de

huizen, en verscheidene mannen, op krachtvolle paarden gezeten, reden

naar alle zijden op verkenning uit, nadat zij van den kommandant van

het fort, die in groot uniform, met een verrekijker in de hand, op den

muur der sterkte rondliep, de noodige bevelen ontvangen hadden.

Langzaam naderden de kano’s den oever, de karren werden uitgespannen,

de lastdieren in de parken opgesloten, en de geheele bevolking

vereenigde zich op het plein van het dorp.

De zon was bijna onder, de avond zou weldra gevallen zijn, de

uitgezonden verspieders waren allen terug.

»Gij ziet het,” zeide de kapitein tot de inwoners, »wij hebben niets te

vreezen, het was slechts een valsch alarm, gij kunt rustig naar uwe

woningen terugkeeren, men heeft op twintig mijlen in den omtrek geen

spoor van Indianen gevonden.”

»Hm!” zeide een oud jager van gemengd ras, die op zijn geweer leunde,

»twintig mijlen zijn spoedig afgelegd door de Indianen.”

»’t Is mogelijk, Wit-Oog,” antwoordde de kommandant, »maar wees

overtuigd dat ik met geen ander doel aldus gehandeld heb, dan om de

bevolking de verzekering te geven, dat de Indianen zich niet zullen

durven wreken.”

»De Indianen wreken zich altoos, kapitein,” zei de oude jager met

nadruk.

»Gij hebt te veel whiskey gedronken, Wit-Oog, zij is u naar het hoofd

gestegen, gij droomt wakend.”

»God geve dat gij gelijk hebt, kapitein, maar ik heb mijn gansche leven

met het ontginnen van woeste streken doorgebracht; ik ken de gebruiken

der Roodhuiden, terwijl gij u slechts sedert twee jaar op de grenzen

bevindt.”

»Dat is meer dan genoeg.”

»Maar met goedvinden, de Indianen zijn mannen, en de twee Comanchen,

die hier verraderlijk vermoord zijn, in spijt van het volkenrecht,

waren krijgslieden, daar hun stam trotsch op was.”

»Wit-Oog, gij zijt een halfbloed, gij zijt maar al te zeer aan het

roode ras verwant.”

»Het roode ras,” antwoordde de jager trotsch, »is edelmoedig; het

vermoordt niemand uit lust tot bloedvergieten, gelijk gij voor vier

dagen met die twee krijgslieden, die weerloos in hunne kano’s

voorbijvoeren, gedaan hebt, onder voorwendsel van een nieuw geweer te

probeeren dat gij uit Akropolis ontvangen hadt.”

»’t Is wel! ’t Is genoeg! schenk mij uwe verklaring, Wit-Oog, ik wil

van u geen aanmerkingen hooren.”

De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika · 第 5 / 21 段