De woestijn was in een doodsche stilte gehuld. In deze uitgestrekte

wildernissen schijnt de natuur, bij het naderen van den nacht, als het

ware adem te halen, en zich voor te bereiden tot de verborgenheden der

duisternis.

De jagers gingen altijd voort, hunne voorzorgen verdubbelende, en naast

elkander voortkruipende. Eensklaps bleven de honden stilzwijgend staan.

De moedige dieren schenen de waarde der stilte in deze plaats te

beseffen, als begrepen zij, dat één enkele schreeuw hunnen meesters het

leven kon kosten.

Goedsmoeds wierp een doordringenden blik om zich heen. Zijn oog

glinsterde, hij rolde zich als het ware ineen, en met een sprong als

van een panter wierp hij zich op een indiaansch krijgsman, die, geheel

voorover gebogen, een voorgevoel scheen te hebben, dat er een vijand in

aantocht was. De Indiaan werd snel achterover geworpen eer hij een

kreet om hulp uiten kon. Goedsmoeds schroefde hem de keel toe, en zette

hem de knie op de borst. Vervolgens ontblootte de jager met de uiterste

koelbloedigheid zijn mes, en stootte het tot aan het hecht in het hart

van zijn vijand. Zoodra de wilde zag dat hij verloren was, verwaardigde

hij zich niet om een nutteloozen tegenstand te beproeven, maar op den

Canadees een blik van haat en verachting werpende, plooide hij zijne

lippen tot een spotlach, en wachtte hij met onverstoorbare kalmte den

dood af. Goedsmoeds stak het mes weêr in zijn gordel, en het lichaam

ver van zich schoppende, zeide hij: Dat ’s één! En hij kroop weêr

voort.

Edelhart had de bewegingen van zijn vriend met de grootste aandacht

gadegeslagen, gereed om hem in geval van nood bij te springen; toen de

Indiaan dood was volgde hij weêr bedaard het spoor.

Weldra schitterde de glans van een groot vuur tusschen de boomen door,

en de geur van gebraden vleesch bereikte het fijne reukorgaan der

jagers. Zij richtten zich als twee schimmen langs een ontzaglijken

kurk-eik op, en den knoestigen stam omvattende, verborgen zij zich in

zijne takken.

Toen zagen zij om zich heen. Zij hadden het gezicht op het kamp der

Comanchen, dat zich ongeveer tien ellen van hen af bevond.

IV.

DE REIZIGERS.

Ongeveer op hetzelfde uur, dat de pelsjagers de grot verlieten om het

spoor der Comanchen op nieuw te volgen, en omstreeks twintig mijlen ver

van de plaats waar deze zich bevonden, maakte een vrij aanzienlijke

troep blanke reizigers halt aan de boorden der groote Canadasche

rivier, en begonnen aldaar, op een plek die voor verrassing veilig was,

de noodige toebereidselen om gedurende den nacht te kampeeren.

De half-bloed jagers en Gambusinos, die den reizigers tot gidsen

dienden, haastten zich om een twaalftal muilezels, door mexicaansche

Lanceros begeleid, te ontpakken.

Met de pakken vormden zij een ovaalronde omheining, binnen welke zij

vuur ontstaken; en vervolgens, zonder zich meer om hunne reisgenooten

te bekommeren, vereenigden de gidsen zich in een kleine groep, en

maakten hun avondmaal gereed.

Een jeugdig officier van vier of vijf en twintig jaar, met

krijgshaftige houding, fijne en scherpe trekken, naderde eerbiedig een

palankijn (draagstoel) met twee muilezels bespannen, en door twee

ruiters begeleid.

»Waar verlangt Uw Excellentie, dat men de tent der señorita opsla?”

vroeg hij, het hoofd ontblootende.

»Waar gij wilt, kapitein Aguilar, mits het spoedig geschiede; mijn

nicht is doodelijk vermoeid,” antwoordde de ruiter, die zich rechts van

de palankijn bevond.

Dit was een hooge gestalte, met harde gelaatstrekken, en een helder,

doordringend oog; zijne haren waren wit als de sneeuw van den

Chimborazzo, en onder zijn wijden mantel, zag men de prachtige, van

borduursel schitterende uniform van een Mexicaansch generaal.

De kapitein verwijderde zich met een buiging, en tot de lanceros

terugkeerende, gelastte hij hun in het midden van de omheining een

fraaie, rood en blauw gestreepte tent op te slaan, die ingepakt op den

rug van een muilezel lag.

Vijf minuten later steeg de generaal af, bood galant de hand aan een

jonge dame, die met een lichten sprong uit de palankijn wipte, en

geleidde haar onder de tent, waar, door de zorg van kapitein Aguilar,

reeds alles in gereedheid was gebracht, om haar zooveel gemak te

verschaffen als de omstandigheden maar toelieten.

Achter den generaal en zijn nicht, traden nog twee personen de tent

binnen.

De eene was een kort, dik man, met een rood vollemaansgezicht, een

groenen bril en een blonde pruik. Het mannetje dreigde te stikken in de

uniform van officier van gezondheid in Mexicaansche dienst. Zijn

ouderdom was een raadsel, maar hij scheen omstreeks vijftig jaar te

zijn; zijn naam, Jerôme Boniface Durieux, duidde den Franschman aan.

Van zijn paard stijgende had hij met zekeren eerbied een groot valies,

dat achter aan den zadel van zijn paard was vastgemaakt en waarvan hij

zich niet scheen te willen scheiden, onder den arm genomen.

De andere was een jong meisje, of liever een kind van vijftien jaar,

met een vroolijk en levendig gelaat, een wipneusje en een trotschen

blik, van het ras der mestiezen. Zij diende als kamermeisje bij de

nicht van den generaal.

Een groote neger, pronkende met den verheven naam van Jupiter, haastte

zich, om, door twee of drie Gambusinos geholpen, het souper gereed te

maken.

»Welnu, doctor,” zeide de generaal glimlachend tot het dikke mannetje,

dat blazende zich op zijn valies nederzette, »hoe vindt gij mijn nicht

van avond?”

»De señorita is altijd even bekoorlijk,” antwoordde de doctor beleefd,

zich het voorhoofd afwisschende; »vindt gij het drukkend warm?”

»Wel neen,” zeide de generaal, »niet warmer dan anders.”

»Dan zal ik het mij verbeeld hebben,” hernam de geneesheer met een

zucht; »waarom lacht gij, leelijkert?” voegde hij er bij, zich tot het

kamermeisje wendende, dat inderdaad bijna stikte van het lachen.

»Let niet op die malle meid, doctor, gij weet wel dat het een kind is;”

zeide de jonge dame met een bekoorlijken glimlach.

»Ik heb u altijd gezegd, doña Luz,” ging de geneesheer voort, zijne

dikke wenkbrauwen fronsende en zijne wangen opblazende, »dat dit meisje

een daemon is, dat gij veel te goed voor haar zijt, en dat zij u den

een of anderen dag nog eens een leelijke poets zal spelen.”

»Ooah! die leelijke steenenzoeker!” zeide de mestieze grijnzend, met

toespeling op de liefhebberij van den doctor om delfstoffen te

verzamelen.

»Kom, kom laat ons den vrede bewaren,” zeide de generaal; »heeft de

reis van heden u vermoeid, lieve nicht?”

»Neen, niet erg,” antwoordde het meisje, een geeuw onderdrukkende;

»sedert een maand bijna, dat wij op reis zijn, begin ik mij aan deze

levenswijze te gewennen, die, ik beken het, in het begin weinig

aantrekkelijks voor mij had.”

De generaal slaakte een zucht, maar antwoordde niet. De doctor was

afgetrokken door de zorg, waarmede hij de planten en steenen sorteerde

die hij in den loop van den dag bijeenverzameld had.

De mestieze fladderde door de tent als een vogel, druk bezig met de

verschillende voorwerpen, die haar meesteres mocht noodig hebben, in

orde te brengen.

Wij zullen ons dit oogenblik van stilte ten nutte maken om de jonge

dame aan onze lezers voor te stellen.

Doña Luz de Bermudez was de dochter der jongste zuster van den

generaal. Het was een bekoorlijk kind van nauwelijks zestien jaar. Hare

groote zwarte oogen, overschaduwd door donkere wenkbrauwen, die scherp

afstaken bij haar zuiver blank voorhoofd, verborgen hun verblindenden

glans achter lange, fluweelen oogharen; haar klein mondje met

ivoorwitte tanden versierd, was begrensd door twee koraalroode lippen,

haar fijn vel had nog dat zachte dons van rijpe vruchten, en hare

zwarte haarvlechten met blauwen weêrschijn vormden, wanneer ze

loshingen, een sluier, die haar geheel lichaam onzichtbaar maakte.

Hare gestalte was fijn en buigzaam; zij bezat in de hoogste mate die

bevallig golvende beweging, die de Amerikaansche vrouwen onderscheidt;

hare handen en voeten waren buitengewoon klein; haar gang had die losse

zachtheid der kreolen, die zoozeer door bevalligheid uitmunt.

In ’t kort, in dit jonge meisje waren alle vrouwelijke volmaaktheden

vereenigd.

Onwetend, even als hare landgenooten, was zij vroolijk en lachziek, met

de minste nietigheid zich vermakende, en van het leven alleen de

aangename zijde kennende.

Maar dit schoone beeld leefde niet; het was Pandora, voordat Prometheus

voor haar het vuur van den hemel gestolen had; en om onze mythologische

vergelijking voort te zetten, de liefde had haar nog met geen vleugel

aangeraakt, hare wenkbrauwen hadden zich nog niet gefronst onder den

invloed van het nadenken, en haar hart had nog niet geklopt onder den

prikkel der begeerte.

Door de zorg van den generaal in een bijna kloosterachtige afzondering

opgevoed, had zij deze slechts verlaten, om hem te volgen op den tocht,

dien hij in de prairiën ondernomen had.

Waartoe die tocht en waarom had hij zoo vurig verlangd, dat zij mede

zou gaan? Daar bekommerde het meisje zich niet om.

Gelukkig dat zij in de open lucht kon leven, onophoudelijk nieuwe

landen kon zien, vrij kon zijn, ten minste in vergelijking met het

leven dat zij tot dusverre geleid had, had zij niet verder onderzocht

en ook niet gepoogd haar oom met onbescheiden vragen lastig te vallen.

Op het tijdstip, dat wij haar ontmoeten, was doña Luz een gelukkig

kind, dat bij den dag leefde, zich in het heden gelukkig gevoelde, en

nimmer aan de toekomst dacht.

De kapitein Aguilar trad binnen, gevolgd door Jupiter, die het eten

bracht. De tafel werd gedekt door Phebe, het kamermeisje. Het maal

bestond uit ingelegde vruchten en een gebraden hertenbout. Vier

personen namen rondom de tafel plaats: de generaal, zijne nicht, de

kapitein en de doctor. Jupiter en Phebe dienden. Het gesprek bleef

onder het eerste gerecht kwijnende, maar toen de eetlust der gasten

bedaard was, richtte het meisje, dat er genoegen in schepte om den

doctor te plagen, tot dezen het woord:

»Hebt gij vandaag een rijken oogst gehad, doctor?” vroeg zij.

»’t Heeft niet over, Señorita,” antwoordde hij.

»Nu,” zeide zij glimlachend, »het schijnt mij toe dat er steenen in

overvloed zijn op onzen weg, en dat het slechts aan u gelegen heeft, om

er een muilezel mede te beladen.”

»Gij moest wel in uw schik zijn over uwe reis, zij biedt u de ruimste

gelegenheid aan om u geheel aan uw hartstocht over te geven en allerlei

planten bijeen te garen,” zeide de generaal.

»Ik moet u bekennen, generaal, dat het mij niet medevalt; de prairie is

niet zoo rijk als ik gedacht heb, en zoo ik niet hoopte eindelijk een

plant te zullen ontdekken, welker eigenschappen van groot belang zijn

voor de wetenschap, dan zou ik bijna mijn huisje te Guadeloupe

betreuren, waar mijn leven kalm en rustig voorbij ging.”

»Bah!” viel de kapitein hem in de rede, »wij zijn pas op de grenzen der

prairie; gij zult eens zien, als wij er maar eerst wat dieper zijn

ingedrongen, kunt gij onmogelijk al de schatten bijeen verzamelen, die

gij op uw weg zult ontmoeten.”

»God geve het, kapitein,” zeide de geleerde met een zucht; »als ik de

plant, die ik zoek, maar terugvind, zal ik tevreden zijn.”

»Dat is dan wel eene kostbare plant,” vroeg doña Luz.

»Kostbaar, Señorita?” riep de dikke doctor, die blijkbaar in vuur

geraakte; »een plant die Linnaeus heeft beschreven en geclassificeerd,

maar die niemand sedert teruggevonden heeft; een plant die mij beroemd

kan maken, vraagt gij nog of die kostbaar is?”

»Waartoe dient zij dan?” zeide het meisje nieuwsgierig.

»Waartoe zij dient?”

»Ja.”

»Tot niets!” antwoordde de geleerde onschuldig.

Doña Luz barstte in een luid gelach los, op een toon die een nachtegaal

jaloersch zou gemaakt hebben.

»En noemt gij dat een kostbare plant?”

»Ja, wegens hare zeldzaamheid.”

»Ha!.... ja wel.”

»Wij willen hopen dat gij haar vinden zult, doctor,” zeide de generaal,

die hen met elkander verzoenen wilde; »Jupiter, roep den overste der

gidsen eens.”

De neger vertrok, en kwam weldra, door een gambusino gevolgd, weder

binnen. Deze laatste was een man van een veertig jaar, en sterk

gebouwd; zijn gelaat was niet leelijk, maar had toch iets

terugstootends, waarvan men zich moeielijk rekenschap kon geven; zijne

vaalgrijze, loensche oogen, diep in hunne kassen verborgen, schitterden

met een woesten glans; zijn laag voorhoofd, zijn kroeshaar en zijn

kopertint vormden een geheel, dat niet zeer aantrekkelijk was. Hij

droeg het costuum der woudloopers, was koel, stug en terughoudend, en

antwoordde op den naam van Babbelaar, dien de Indianen, of zijne

makkers zelven, hem zeker bij wijze van tegenstelling gegeven hadden.

»Hier, mijn dappere,” zeide de generaal, terwijl hij hem een glas

overreikte, tot den rand toe gevuld met een soort van brandewijn,

Mezcal geheeten, naar de plaats waar zij gestookt wordt, »drink dat

uit.”

De jager boog zich en ledigde het glas, dat bijna een kan inhield, in

een enkelen teug: toen zijn snor met de hand afvegende, bleef hij staan

wachten.

»Ik denk eenige dagen op een veilige plaats te blijven vertoeven,”

zeide de generaal, »ten einde mij zonder kommer of ongerustheid aan

eenige nasporingen te kunnen wijden; zouden wij hier in veiligheid

zijn?”

Het oog van den gids tintelde; hij sloeg een gloeienden blik op den

generaal, en antwoordde: »Neen.”

»Waarom niet?”

»Te veel Indianen en wilde beesten.”

»Kent ge een betere plaats?”

»Ja.”

»Is zij ver?”

»Neen.”

»Hoe ver?”

»Veertig mijlen.”

»Hoeveel dagen hebben wij noodig, om er te komen?”

»Drie.”

»Goed, gij zult er ons brengen; morgen bij het opgaan der zon zullen

wij ons op weg begeven.”

»Is dat alles?”

»Dat is alles.”

»Goeden nacht.”

En de gids vertrok.

»Één ding prijs ik in den Babbelaar, namelijk dat zijne gesprekken niet

vervelend zijn,” zeide de kapitein glimlachend.

»Ik wilde liever, dat hij wat meer sprak,” zeide de doctor, het hoofd

schuddende; »ik vertrouw die menschen niet, die altijd vreezen te veel

te zeggen: het komt gewoonlijk, omdat zij iets te verbergen hebben.”

De gids, toen hij de tent verlaten had, voegde zich weêr bij zijne

makkers, met wie hij fluisterend begon te praten.

’t Was een schoone nacht. De reizigers zaten voor de tent, en spraken

te zamen onder het rooken van een sigaar. Doña Luz zong een dier

bekoorlijke kreoolsche liederen, vol zoete melodieën. Eensklaps

verscheen er een roodachtige gloed aan den horizont; met ieder

oogenblik nam die toe, en een dof, aanhoudend geluid, aan het rollen

van een verren donder gelijk, liet zich hooren.

»Wat is dat?” riep de generaal, haastig opstaande.

»Dat is de prairie, die in brand staat,” antwoordde de Babbelaar

bedaard.

Bij deze vreeselijke aankondiging, op zoo kalmen toon uitgesproken,

geraakte alles in het kamp in beweging. Men moest in alle haast

vluchten, wilde men geen gevaar loopen van levend verbrand te worden.

Een der Gambusinos, van de wanorde gebruik makende, gleed tusschen de

pakken door, en verdween in de vlakte, na een geheimzinnig teeken met

den Babbelaar gewisseld te hebben.

V.

DE COMANCHEN.

Edelhart en Goedsmoeds, tusschen de takken van den kurkeik verborgen,

bespiedden de Comanchen.

De Indianen rekenden op de waakzaamheid hunner wachten. Wel verre van

te vermoeden dat hunne vijanden zich zoo dicht bij hen bevonden en

hunne minste bewegingen gadesloegen, zaten of lagen zij onbekommerd

rondom de vuren te eten en te rooken.

Deze wilden, ten naasten bij 25 man sterk, waren gekleed in bisonvellen

en op de meest verschillende en fantastische wijze uitgedoscht. De

meesten waren geheel met vermiljoen besmeerd, anderen waren van top tot

teen zwart en prijkten met een lange witte streep op iedere wang; zij

droegen hun schild, boog en pijlen op den rug; naast hen lag hun

geweer. Overigens zag men spoedig aan het groot aantal wolvenstaarten,

die, aan hunne mocksens vastgemaakt, hen achterna sleepten, dat het

allen uitgelezen krijgslieden waren, die den roem van hun stam

uitmaakten.

Op eenigen afstand van hen stond de Arendskop onbewegelijk tegen een

boom geleund. Met de armen over elkander, en het lichaam een weinig

voorover gebogen, scheen hij te luisteren naar eenige onbekende

geluiden, die alleen zijn oor bereiken konden.

De Arendskop behoorde tot den stam der Osagen; nog heel jong zijnde,

hadden de Comanchen hem onder zich opgenomen, maar hij had altijd de

kleeding en de zeden zijner natie bewaard.

Het was een man van nauwelijks acht en twintig jaar; hij was bijna zes

voet lang; zijn grove, sterk gespierde ledematen, duidden buitengewone

kracht aan. Anders dan zijn makkers, droeg hij een kleed, dat alleen

zijne heupen bedekte, ten einde zijne borst en armen beter te doen

uitkomen: de uitdrukking van zijn gelaat was schoon en edel: zijne

zwarte, levendige oogen, zijn kromme neus, zijn wel wat groote mond

deden hem eenigszins op een roofvogel gelijken. Al zijn haar was

afgeschoren, behalve een enkele smalle streep, midden op zijn hoofd,

die aan een helmbos deed denken, en een lange vlecht, die naar achteren

viel en met een menigte arendsvederen versierd was. Zijn gezicht was

met vier kleuren besmeerd, met blauw, wit, zwart en rood; de wonden,

die hij aan zijne vijanden had toegebracht, had hij met blauwe verf op

zijn naakte borst gemerkt. Mocksens van ongelooid hertenleêr reikten

hem tot boven de knieën, en een aantal wolvenstaarten waren aan zijne

hielen vastgemaakt.

Gelukkig voor de jagers, waren de Indianen ten strijde uitgetogen en

niet ter jacht, zoodat zij geen honden bij zich hadden; anders waren

zij reeds lang verraden geworden, en zouden zij niet straffeloos het

kamp zijn genaderd.

Hoe onbewegelijk het opperhoofd daar ook stond, schitterde toch zijn

oog met onrustigen blik; zijne neusgaten trilden; hij hief

werktuigelijk de rechterhand op, als om aan zijne krijgslieden het

zwijgen op te leggen.

»Wij zijn ontdekt,” mompelde Edelhart, zoo zacht dat zijn makker het

nauwelijks hooren kon.

»Wat nu te doen?” antwoordde Goedsmoeds.

»Handelen,” zeide de pelsjager kortweg.

Beiden slopen toen onhoorbaar van tak tot tak, van boom tot boom,

zonder een voet op den grond te zetten, totdat zij zich vlak tegenover

het kamp bevonden, juist boven de plaats, waar de paarden der Comanchen

aan de boomen waren vastgemaakt. Goedsmoeds klom zachtjes naar beneden

en sneed de touwen, die hen vasthielden, door. De paarden, aangevuurd

door de zweepslagen der jagers, renden hinnikend en snuivend in alle

richtingen voort.

De Indianen stonden in verwarring op, en liepen schreeuwend weg, om

hunne paarden op te zoeken. De Arendskop alleen, als had hij de plaats

geraden, waar zijne vijanden in hinderlaag lagen, liep recht op hen

toe, zich zoo goed mogelijk achter de boomen, die zich op zijn weg

bevonden, beschuttende.

De jagers gingen voet voor voet achteruit, een waakzaam oog houdende op

den omtrek, ten einde zich niet te laten verschalken.

Het geschreeuw der Indianen verdween reeds in de verte; zij dachten aan

niets dan hunne paarden. Het opperhoofd was nu alleen in de

tegenwoordigheid van de twee vrienden. Bij een boom gekomen, waarvan de

dikke stam hem volkomen beveiligde, achtte hij het beneden zich om zijn

geweer te gebruiken, en zijn kans schoon ziende, legde hij een pijl op

zijn boog, maar hoe voorzichtig en behendig hij ook te werk ging, kon

hij niet aanleggen zonder zich een weinig bloot te geven. Edelhart

legde zijn geweer aan, het schot ging af, de kogel floot, het

opperhoofd sprong met een woedend gebrul op en viel op den grond. Zijn

arm was doorschoten. De twee jagers waren vlak bij hem.

»Maak geen de minste beweging, Roodhuid,” zeide Edelhart, »of gij zijt

dood!”

De Indiaan verroerde zich niet; schijnbaar kalm en bedaard bedwong hij

zijn toorn.

»Ik zou u kunnen dooden,” ging de jager voort, »maar dat wil ik niet;

dit is nu de tweede maal, hoofdman, dat ik u het leven schenk, maar het

zal ook de laatste maal zijn; vertoon u niet wederom op mijn weg, en

vooral steel mijne vallen niet meer, anders, ik zweer het u, zal ik u

geen genade schenken.”

»De Arendskop is een beroemd opperhoofd onder de mannen van zijn stam,”

antwoordde de Indiaan trotsch, »hij vreest den dood niet; de blanke

jager kan hem dooden, hij zal geen enkele klacht hooren.”

»Neen, ik zal u niet dooden, hoofdman: mijn God verbiedt het noodeloos

bloedvergieten.”

»Ooah!” zeide de Indiaan met een spottenden lach, »mijn broeder is een

zendeling.”

»Neen, ik ben een eerlijk pelsjager; maar ik wil u niet vermoorden.”

»Mijn broeder redeneert als een oude vrouw,” hernam de Indiaan;

»Nehunutah vergeeft niet, hij wreekt zich!”

»Gij kunt doen, wat gij verkiest, hoofdman;” antwoordde de jager,

minachtend de schouders ophalend, »ik ben niet van plan uw natuur te

veranderen, maar gij zijt gewaarschuwd; vaarwel!”

»De duivel hale u!” voegde Goedsmoeds er bij, hem verachtelijk een

schop gevende.

De hoofdman scheen bij deze nieuwe beleediging ongevoelig te blijven,

alleen zijne wenkbrauwen fronsten zich; hij bewoog zich niet, maar

volgde met een blik vol haat zijne beide vijanden, die, zonder zich

meer om hem te bekommeren, in het woud verdwenen.

»Het zij zoo,” zeide Goedsmoeds naderhand, »maar gij hebt verkeerd

gedaan, Edelhart; gij hadt hem moeten dooden.”

»Bah! Waarom?” antwoordde de jager onbezorgd.

»Cascaras! Waarom? wel dat was een ongedierte minder geweest in de

prairie.”

»Er zijn er zooveel,” zeide de ander, »dat het er op een niet aankomt.”

»Dat is waar!” antwoordde Goedsmoeds, overtuigd; »maar waar zullen wij

nu heengaan?”

»Onze vallen opzoeken, Caramba! meent gij dat ik die kwijt wil zijn?”

»Waarachtig, dat is een goed denkbeeld.”

De jagers gingen werkelijk in de richting van het kamp voort, maar op

de wijze der Indianen, dat is door middel van tallooze omwegen, ten

einde de Comanchen van spoor te brengen.

Na twintig minuten loopens bereikten zij het kamp. De Indianen waren

nog niet teruggekeerd, maar naar alle waarschijnlijkheid zou het niet

lang meer duren. Al hun bagage lag hier en daar verspreid. Twee of drie

paarden die geen instinct genoeg bezaten om te vluchten, stonden

bedaard te weiden. Zonder een oogenblik tijd te verliezen raapten de

jagers hunne vallen bijeen, hetgeen spoedig genoeg gedaan was; zij

namen er ieder vijf voor hunne rekening, en zonder dralen namen zij den

terugweg aan naar de grot, waar hunne paarden stonden. Ondanks de zware

vracht die zij droegen, liepen zij snel voort, verrukt over den goeden

uitslag hunner onderneming en lachende over den fraaien trek, dien zij

den Indianen gespeeld hadden.

Zoo waren zij een geruimen tijd op weg; reeds hoorden zij in de verte

het dof gemurmel der rivier, toen eensklaps het hinniken van een paard

hun oor bereikte.

»Men vervolgt ons,” zeide Edelhart, stilstaande.

»Hm!” antwoordde Goedsmoeds, »het is misschien een wild paard.”

»Neen, een wild paard hinnikt anders; het zijn de Comanchen. Maar wij

zullen er wel achter komen.” En zich op den grond uitstrekkende,

luisterde hij aandachtig. Dadelijk stond hij weder op.

»Ik wist het wel,” zeide hij, »het zijn de Comanchen; maar zij zijn

niet zeker van ons spoor, zij aarzelen.”

»Of misschien worden zij opgehouden door de wond van den Arendskop.”

»Dat is mogelijk! O, o! meenen zij dan waarlijk in staat te zijn ons te

bereiken, als wij hen willen ontsnappen?”

»Als wij maar niet zoo zwaar beladen waren, dan was het spoedig uit.”

Edelhart dacht even na.

»Kom,” zeide hij, »wij hebben een half uur voor ons; dat is meer dan

genoeg.”

Dicht bij hem stroomde een beek; de jager stapte er in, zoowel als zijn

vriend, die in alles zijne bewegingen volgde. In het midden van den

stroom gekomen, wikkelde Edelhart de vallen zorgvuldig in een

buffelhuid, om ze voor nat te bewaren, en liet ze toen op den bodem van

het water zinken. Dezen maatregel genomen hebbende, gingen zij naar de

overzijde van de beek; daarna een valsch spoor van omstreeks

tweehonderd passen makende, en behoedzaam op hunne schreden

terugkomende, opdat niets hun terugkeer zou verraden, begaven zij zich

in het bosch naar de paarden, na vooraf, met eene lichte beweging met

de hand, de honden weggezonden te hebben.

De verstandige dieren begrepen waarheen zij zich te wenden hadden, en

verdwenen weldra in de duisternis.

De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika · 第 4 / 21 段