hebben, en die een belangrijke rol in dit verhaal spelen zullen.
Edelhart—onder dezen naam alleen was de jager in de prairiën van het
Westen bekend—genoot onder de indiaansche stammen waarmede zijn
avontuurlijke levenswijze hem in aanraking had gebracht, den roem van
bovenmate behendig, edelmoedig en dapper te zijn. Allen eerbiedigden
hem.
De blanke jagers en bevervangers, de Spanjaarden, de Amerikanen van het
Noorden of mestiezen, allen gaven hoog op van zijne ondervinding, en
kwamen dikwijls bij hem om raad en hulp.
Zelfs de roovers der prairiën, allen schelmen en deugnieten, het
uitvaagsel der maatschappij, die slechts van roof en geweld leven,
durfden hem niet aan en kwamen hem zoo min mogelijk in den weg.
Alzoo was het dezen man, alleen door de kracht van zijn verstand en wil
en bijna zonder het te weten, gelukt, een macht en invloed te
verkrijgen, die door al de woeste bewoners dier ver uitgestrekte
wildernissen, werd erkend en geëerbiedigd.
Van die macht bediende hij zich slechts ter bevordering van het
algemeen belang en om allen te ondersteunen, in hun eerlijk pogen om
zich stil en rustig toe te wijden aan de bezigheden, die zij zich
hadden uitgekozen. Niemand wist wie Edelhart was, noch van waar hij
kwam; over zijne eerste levensjaren lag een ondoordringbare sluier
gespreid.
Op zekeren dag, vijftien of twintig jaar geleden—hij was toen nog heel
jong,—hadden eenige jagers hem ontmoet, terwijl hij aan de oevers van
de Arkansas bezig was met bevervallen te zetten. De weinige vragen die
zij over zijn vroeger leven tot hem gericht hadden, waren zonder
antwoord gebleven; de jagers, niet zeer spraakzaam van aard, vermoedden
onder de verlegene antwoorden en het stilzwijgen van den jongeling, het
bestaan van een geheim, dat hij wenschte te bewaren; zij maakten er
eene gewetenszaak van om langer bij hem aan te dringen en vroegen hem
niets meer.
In strijd met de gewoonte der andere jagers en bevervangers in de
prairiën, die allen een of twee makkers hebben, met wie zij zich
vereenigen en die zij nooit verlaten, leefde Edelhart alleen, zonder
vast verblijf, de woestijn in alle richtingen doorkruisende, zonder
ergens zijn tent op te slaan.
Altijd somber en droefgeestig, ontvluchtte hij het gezelschap van zijns
gelijken en toch was hij altijd gereed, om als de gelegenheid zich
aanbood, hun een dienst te bewijzen, ja zelfs om zijn leven voor hen in
gevaar te brengen. Vervolgens, als men hem danken wilde, gaf hij zijn
paard de sporen en ging hij ver weg zijne vallen zetten, ten einde aan
hen, die hij had weten te verplichten, den tijd te geven om de bewezen
dienst te vergeten.
Jaarlijks, omstreeks denzelfden tijd, namelijk tegen het laatst van
October, verdween Edelhart weken lang, zonder dat iemand zelfs maar
gissen kon, waar hij zich bevond; als hij dan terug kwam, stond zijn
gelaat altijd eenige dagen achtereen veel treuriger en somberder dan
gewoonlijk.
Eens, toen hij weder van een dier geheimzinnige tochten terugkeerde,
was hij vergezeld van twee jonge prachtige speurhonden, die van toen af
met hem bleven, en waarvan hij veel scheen te houden. Vijf jaar vóór
het tijdstip, waarop wij den draad van dit verhaal weder in handen
namen, nadat hij op zekeren avond zijne vallen voor den nacht had
uitgezet, bemerkte hij plotseling door de boomen heen, het vuur van een
indiaansch kamp. Een blanke, nauwelijks zeventien jaar oud, was aan een
paal gebonden, en diende tot mikpunt voor de messen der Roodhuiden, die
zich vermaakten met hem te martelen, alvorens hem aan hunne bloedige
wraak op te offeren.
Edelhart, slechts ooren hebbende voor de stem van het medelijden, dat
het slachtoffer hem inboezemde, had zonder te denken aan het vreeselijk
gevaar, waaraan hij zich blootstelde, zich te midden der Indianen
geworpen, en zich vlak voor den gevangene geplaatst, dien hij met zijn
lichaam als een borstwering beschutte.
Deze Indianen waren Comanchen; verbaasd over zóóveel stoutmoedigheid,
en over deze onvoorziene verrassing, waarop zij volstrekt niet waren
voorbereid, bleven zij eenige oogenblikken onbewegelijk staan.
Zonder tijd te verliezen had Edelhart de banden van den gevangene
losgesneden, en hem zijn mes gevende, dat de ander verheugd aannam,
besloten zij beiden, om hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.
De blanken boezemden den Indianen een instinctmatige vrees in. Toen de
Comanchen echter van hunne eerste verwondering bekomen waren, maakten
zij zich gereed om de twee mannen, die hen durfden braveeren, aan te
vallen. Maar het schijnsel van het vuur, dat vlak op het gelaat van den
jager viel, had hem doen herkennen.
De roodhuiden traden eerbiedig terug, onder het gemompel van:
»Edelhart! de groote, bleeke jager!”
De Arendskop, zoo noemde zich het opperhoofd der Indianen, kende den
jager niet; het was voor de eerste maal dat hij zich in de prairiën van
de Arkansas bevond; hij had dus niets van den uitroep der krijgslieden
begrepen. Bovendien haatte hij de blanken van ganscher harte, en had
gezworen hen allen te zullen verdelgen. Verontwaardigd over de
laaghartigheid zijner lieden, was hij alleen Edelhart te gemoet gegaan;
maar toen had er iets zonderlings plaats gehad.
De Comanchen wierpen zich terstond op hun opperhoofd, en ondanks hun
eerbied voor hem, hadden zij hem reeds geheel ontwapend, eer hij tegen
den jager iets kon uitrichten.
Edelhart, na hen bedankt te hebben, gaf zelf aan het opperhoofd de
wapenen terug, die men hem ontnomen had, en die deze schoorvoetend
aannam, niet zonder een onheilspellenden blik op zijn tegenpartij te
werpen. De jager haalde minachtend de schouders op, gelukkig door een
mensch het leven gered te hebben, had hij zich met den gevangene weldra
teruggetrokken.
Edelhart had zich in minder dan tien minuten een onverzoenlijken vijand
en een oprechten vriend verworven.
De geschiedenis van den gevangene was eenvoudig. Met zijn vader uit
Canada vertrokken, om in de prairiën te gaan jagen, waren zij in handen
der Comanchen gevallen; na een wanhopigen tegenstand was zijn vader,
overdekt met wonden, gesneuveld; de Indianen, toornig over dezen dood,
die hun een slachtoffer ontnam, hadden aan den jongeling de grootste
zorgen besteed, opdat hij met eere aan den martelpaal kon verschijnen,
hetgeen stellig gebeurd zou zijn, zonder de onverwachte tusschenkomst
van Edelhart.—Na deze inlichtingen ontvangen te hebben, had de jager
den jongeling gevraagd, wat zijne plannen waren, en of het leergeld dat
hij zoo pas voor het ambt van woudlooper betaald had, hem niet van dit
avontuurlijke leven had afgeschrikt.
»Hemel neen! integendeel,” had de ander geantwoord, »ik voel mij meer
dan ooit geroepen om deze loopbaan te betreden, en bovendien,” liet hij
er op volgen, »wil ik mijn vader wreken.”
»Dat is billijk,” merkte de jager aan.
Hiermede was het gesprek geëindigd.
Edelhart had den jongeling naar een zijner bergplaatsen gebracht, een
soort van in den grond uitgegraven magazijnen, waar de pelsjagers hunne
rijkdommen bewaren; hij had er al de benoodigdheden van een jager uit
te voorschijn gehaald, een geweer, een mes, pistolen, weitasch en
vallen, en had die aan zijn beschermeling ter hand gesteld.
»Ga,” had hij eenvoudig gezegd, »God helpe u!” De andere zag hem
sprakeloos aan; klaarblijkelijk begreep hij hem niet.
Edelhart glimlachte. »Gij zijt vrij,” hernam hij, »zie hier al wat gij
noodig hebt voor uw nieuw bedrijf, ik geef het u, de prairie ligt voor
u, ik wensch u een goede vangst toe.”
De jongeling schudde het hoofd.
—»Neen,” zeide hij, »ik verlaat u niet, tenzij gij mij wegjaagt; ik ben
alleen, zonder familie, zonder vrienden, gij hebt mij het leven gered,
ik behoor u toe.”
»Ik laat mij de diensten, die ik bewijs, niet betalen;” zeide de jager.
»Gij laat ze al te duur betalen,” antwoordde de ander met vuur, »daar
gij geen dank aanneemt; neem uwe gaven terug, zij zijn mij van geen
nut; ik ben geen bedelaar, dien men een aalmoes toewerpt, ik lever mij
zelven nog liever op nieuw aan de Comanchen over, vaarwel!”
En de Canadees wendde zich met vaste schreden regelrecht naar het kamp
der Indianen.
Edelhart was bewogen; deze jongeling had zulk een vrijen onschuldigen
blik, dat hij in zijne borst iets voor hem voelde kloppen.
»Sta,” zeide hij; en de ander stond.
»Ik leef alleen,” vervolgde de jager; »het leven dat gij met mij leiden
zult, zal treurig zijn; eene groote smart verteert mij. Waarom u aan
een ongelukkige als mij verbonden?”
»Om uw verdriet te deelen, zoo gij mij die eer waardig keurt, en om u
te troosten, bijaldien dat mogelijk is; de mensch, als hij alleen is,
loopt gevaar van tot wanhoop te vervallen; God heeft hem bevolen, zich
bij zijne medemenschen te voegen.”
»Dat is zoo!” mompelde de jager, niet wetende wat hij moest aanvangen.
Edelhart beschouwde hem een oogenblik met aandacht. Zijn arendsoog
scheen zijne geheimste gedachten te willen doorgronden, daarna zonder
twijfel voldaan over zijn onderzoek, zeide hij tot hem:
»Hoe heet gij?”
»Goedsmoeds,” antwoordde de andere, »of zoo gij liever wilt Georges
Talbot, maar men geeft mij gewoonlijk slechts den eersten naam.”
De jager glimlachte.
»Die naam belooft wat goeds,” zeide hij, hem de hand reikende:
»Goedsmoeds,” vervolgde hij, »van dit oogenblik af zijt gij mijn
broeder: voortaan zal alleen de dood ons scheiden.”
Hij gaf hem een kus op de oogen, hierin het heerschende gebruik der
prairiën volgende.
»De dood alleen!” antwoordde de Canadees levendig, met warmte de hem
toegereikte hand drukkende; en op zijne beurt zijnen nieuwen broeder
een kus op de oogen gevende.
Op deze wijze hadden Edelhart en Goedsmoeds elkander leeren kennen.
Sedert vijf jaren had niet het minste wolkje de vriendschap
overschaduwd, die deze twee uitgelezen karakters elkander in de
woestijn, voor het oog van God, hadden toegezworen. Integendeel, nog
dagelijks scheen zij toe te nemen: zij hadden te zamen slechts één
hart, zij waren volkomen van elkander verzekerd, zij raadden elkanders
meest verborgen gedachten; deze twee menschen hadden hunne krachten
zien vertienvoudigen, en zoo groot was hun wederzijdsch vertrouwen, dat
zij voor niets meer terugdeinsden en vaak de vermetelste ondernemingen
waagden, waarvoor tien vastberaden mannen zouden hebben teruggebeefd.
Maar alles gelukte hun. Niets scheen hun onmogelijk te zijn; men zou
gezegd hebben dat zij door een betoovering onkwetsbaar en
onverwinnelijk waren geworden. Hun roem was dan ook wijd en zijd
verspreid, en diegenen, die niet met bewondering hun naam hoorden
noemen, herhaalden hem met schrik.
Nadat Edelhart eenige maanden besteed had om zijn medgezel te
bestudeeren, had hij in ’t vervolg, gedreven door de behoefte die den
ongelukkigen mensch noopt om zijn leed aan een vertrouwd vriend te
klagen, geen geheimen meer voor Goedsmoeds. Dit vertrouwen, waarop de
jongeling met ongeduld gewacht had, zonder het echter op eenigerlei
wijze uit te lokken, had, zoo mogelijk, de banden tusschen deze twee
mannen nog nauwer toegehaald, terwijl het den Canadees de middelen
verschafte, om zijn vriend die vertroosting toe te deelen, die zijn
geschokte ziel behoefde, en die het hem mogelijk maakte om de nog
altijd bloedende wonden aan te raken, zonder ze te beleedigen.
Den dag, waarop wij hen in de prairie ontmoet hebben, waren zij de
slachtoffers geweest van een vermetelen diefstal, bedreven door hun
ouden vijand, de Arendskop, het opperhoofd der Comanchen, wiens haat en
afkeer door den tijd slechts sterker geworden waren.
De Indiaan had, met al de veinzerij die zijn ras kenmerkt, de
beleediging, die hij van de zijnen door toedoen van den blanken jager
ondergaan had, stilzwijgend gedragen, en geduldig het uur der wraak
afgewacht. Hij had onder de voeten zijner vijanden onmerkbaar een
afgrond gegraven, door de Roodhuiden langzamerhand tegen hen op te
zetten, en hen op eene sluwe wijs te belasteren. Ten gevolge van dezen
maatregel was hij er, ten minste zoo dacht hij, eindelijk in geslaagd,
om zelfs de overige blanke jagers en mestiezen van hen af te trekken,
en de twee mannen door al de bewoners der prairie als vijanden te doen
beschouwen.
Zoodra hij dezen uitslag verkregen had, had de Arendskop zich aan het
hoofd geplaatst van een dertigtal vertrouwde krijgslieden, en met het
doel om een strijd uit te lokken, die hen, wier dood hij gezworen had,
ten gronde zou richten, had hij op zekeren nacht al hunne bevervallen
gestolen, wel overtuigd dat zij zulk eene beleediging niet ongewroken
zouden laten.
Het opperhoofd had zich in zijne berekening niet bedrogen; alles was
uitgekomen zooals hij het voorzien had.
Meenende dat zij geen hulp zouden vinden onder de Indianen en jagers,
vleide hij zich met de hoop, van met de hulp der dertig vastberaden
lieden, over wie hij het bevel voerde, zich gemakkelijk van twee jagers
te zullen meester maken, om ze onder afschuwelijke martelingen ter dood
te brengen.
Maar hij had den misslag begaan van het aantal zijner lieden te
verbergen, ten einde de jagers meer vertrouwen in te boezemen.
Deze hadden zich slechts ten halve door deze krijgslist laten
misleiden, en zich sterk genoeg gevoelende om desnoods tegen twintig
Indianen te vechten, hadden zij niemands hulp ingeroepen om zich te
wreken op vijanden, die zij verachtten, en hadden zij, zooals wij
gezien hebben, zonder aarzelen met de vervolging der Comanchen een
begin gemaakt.
Hier sluiten wij deze wel wat langwijlige parenthèse, die tot recht
verstand van het volgende onmisbaar was, om met ons verhaal voort te
gaan, daar, waar wij het op het einde van het voorgaande hoofdstuk
hebben afgebroken.
III.
HET SPOOR.
De Arendskop, die door zijne vijanden ontdekt wilde zijn, had geen
voorzorgen genomen om zijn spoor te verbergen. Het was volmaakt
zichtbaar in het hooge gras, en zoo het hier of daar scheen te
verdwijnen, hadden de jagers slechts even te bukken, om dadelijk den
indruk zijner voeten te vinden.
Nooit had men in de prairie een vijand aldus kunnen vervolgen. Dit
moest Edelhart des te zonderlinger voorkomen, daar deze sinds lang al
de listen der Indianen kende en wist met welk een talent zij, wanneer
zij het noodig oordeelen, de geringste blijken van hun doortocht weten
te doen verdwijnen.
Dit bracht hem tot nadenken. Naardien de Comanchen zoo weinig
maatregelen van voorzorg hadden genomen, moesten zij zich wel zeer
sterk gevoelen, of anders een hinderlaag hebben gelegd, waarin zij
hoopten hunne al te lichtgeloovige vijanden te verschalken.
De twee jagers gingen voort, van tijd tot tijd een blik rechts of links
werpende, ten einde zeker te zijn van zich niet te vergissen, maar het
spoor liep altijd in een rechte lijn voort, zonder afwijkingen noch
omwegen van welken aard ook. Zelfs Goedsmoeds begon het vreemd te
vinden en er zich ernstig over te verontrusten.
Maar zoo de Comanchen zich de moeite niet hadden willen geven van hun
pad te verbergen, de jagers deden anders, en gingen niet voort dan met
gedurige uitwissching van ieder spoor, dat de richting die zij volgden
kon verraden.
Zij kwamen eindelijk aan den oever van een vrij breede beek, de
Kopergroen geheeten, een tak van de groote Canadasche rivier. Alvorens
zij deze overstaken, maakte Edelhart halt, aan zijn medgezel een teeken
gevende om hem te volgen. Beiden stegen van hunne paarden af, en deze
bij den toom voortleidende, trokken zij zich in de schaduw van een
boschje terug, om niet opgemerkt te worden, zoo bij toeval een
indiaansche schildwacht hunne aankomst stond af te wachten.
Zoodra zij achter de takken verborgen waren, legde Edelhart zijn vinger
op den mond, om zijn makker voorzichtigheid aan te bevelen, en met de
lippen diens oor aanrakende, zeide hij hem met een bijkans onhoorbare
stem: »Voordat wij verder gaan, moeten wij eerst nauwkeurig
beraadslagen, wat wij doen zullen.”
Goedsmoeds knikte ten teeken van goedkeuring.
»Ik vermoed eenig verraad,” hernam de jager; »de Indianen zijn te
bedreven krijgslieden, en te ervaren in het leven der prairiën, om
zonder gewichtige redenen aldus te handelen.”
»Het is zoo,” antwoordde de Canadees overtuigd; »dit spoor is te mooi
en te duidelijk aangewezen, om niet een valstrik te verbergen.”
»Ja, maar zij hebben te slim willen zijn, hunne listigheid is te ver
gegaan, op die wijze kan men geen oude jagers zooals wij misleiden. Wij
moeten dus onze waakzaamheid verdubbelen; ieder blad en iederen
grashalm onderzoeken, eer wij ons te dicht bij het kamp der Indianen
wagen.”
»Laat ons beter doen,” zeide Goedsmoeds, een blik om zich heen
werpende; »laten wij onze paarden op een veilige plaats verbergen, en
vervolgens te voet de stelling en het aantal van hen, die wij wenschen
te overvallen, gaan opnemen.”
»Gij hebt gelijk, Goedsmoeds,” zeide Edelhart, »uw raad is uitmuntend,
wij gaan hem dadelijk in toepassing brengen.”
»Ik geloof, dat wij ons dan zullen moeten haasten.”
»Waartoe? laten wij ons juist niet haasten; de Indianen, als ze ons
niet zien verschijnen, zullen zich op hunne wachten verlaten, en wij
zullen van hunne zorgeloosheid gebruik maken, om hen te overvallen,
zoolang wij genoodzaakt worden om tot dit uiterste middel onze
toevlucht te nemen; overigens zou het beter zijn om den nacht af te
wachten voor onze onderneming.”
»Laten wij eerst onze paarden in veiligheid brengen, dan zullen wij
zien.”
De jagers verlieten met de uiterste behoedzaamheid hun schuilhoek. In
plaats van de rivier over te steken gingen zij terug, en volgden
eenigen tijd denzelfden weg dien zij reeds gegaan waren; vervolgens
gingen zij links af, een hollen weg langs, waarin zij weldra te midden
van het hooge gras verdwenen.
»Ik geef mij aan uw geleide over, Goedsmoeds,” zeide Edelhart, »ik weet
waarlijk niet waarheen ge ons brengt.”
»Verlaat u op mij; ik heb bij toeval op twee geweerschoten afstands van
hier eene soort van vesting ontdekt, waar onze paarden een
onverbeterlijk verblijf zullen hebben, en waar wij, desnoods, een
geregeld beleg zouden kunnen doorstaan.”
»Caramba!” riep de jager met zijn gewonen vloek, die zijne spaansche
afkomst verried, »hoe hebt gij deze kostelijke ontdekking gemaakt?”
»Mijn hemel!” zeide Goedsmoeds, »op de eenvoudigste wijze; ik was bezig
mijne vallen te zetten, toen ik bij het beklimmen van gindschen berg,
niet ver van den top, tusschen de takken den ruigen muil van een beer
gewaar werd.”
»Ha, ha; maar ik ben met dat voorval zoo wat bekend; gij hebt mij dien
dag, zoo ik mij niet vergis, niet één, maar twee zwarte beerenvellen
medegebracht.”
»Juist! er waren twee van die liefhebbers, een mannetje en een wijfje;
gij begrijpt, dat, zoodra ik hen zag, mijn jager-instinct wakker werd,
en ik, mijne vermoeidheid vergetende, mijn buks laadde, om hen te
vervolgen. Gij kunt nu zelf de sterkte zien, welke zij hadden
ingenomen,” vervolgde hij van zijn paard afstijgende, in welke beweging
zijn makker hem volgde.
Voor hen verhief zich amphitheatersgewijze een massa rotsen, van de
zonderlingste en grilligste vormen; eenige weinige kruiden groeiden
hier en daar in de openingen, kruipende planten kroonden de toppen der
rotsen en gaven aan deze massa, die meer dan zeshonderd el boven de
prairie uitstak, het aanzien van een dier antieke ruïnen uit de
middeleeuwen, welke men aan de oevers der groote Europeesche rivieren
aanschouwt.
Deze plaats werd door de jagers in die streken »De witte Kasteelen”
genaamd, wegens de kleur der granietblokken waaruit zij was
samengesteld.
»Wij kunnen daar met onze paarden nooit tegen op komen,” zeide
Edelhart, na een oogenblik zorgvuldig de ruimte, die zij beklimmen
moesten, bestudeerd te hebben.
»Laten wij het beproeven,” zeide Goedsmoeds, zijn paard bij den toom
grijpende.
De helling was ruw, en geen andere paarden dan die der jagers zouden
deze taak hebben kunnen volbrengen.
Men moest zorgvuldig de plaats kiezen, waar men den voet zou
nederzetten, vervolgens zich met een sprong opgeven, en altijd met
kromme lijnen en omwegen voortgaan, om den opgang wat hellend te maken.
Na een half uur van ongehoorde moeielijkheden, bereikten zij een soort
van vlak, dat hoogstens tien ellen breedte had.
»Hier is het,” zeide Goedsmoeds stilstaande.
»Hoe, hier,” antwoordde Edelhart, aan alle kanten om zich heen ziende
zonder een opening te ontdekken.
Goedsmoeds glimlachte.
»Kom,” zeide hij.
En altijd zijn paard voorttrekkende, ging hij achter een rotsblok om;
de jager volgde hem nieuwsgierig.
Na vijf minuten in een soort van loopgraaf, die nauwelijks drie voet
breed was, te zijn voortgegaan, bevonden de avonturiers zich eensklaps
voor de opening van een groot hol.
Deze weg, gevormd door een van die vreeselijke uitbarstingen die in
deze streken zoo veelvuldig voorkomen, was zóó goed achter rotsen en
steenen verborgen, dat het onmogelijk was die anders dan door een
toeval te ontdekken.
De jagers gingen naar binnen. Alvorens naar boven te gaan, had
Goedsmoeds een grooten voorraad van droog hout mede genomen; hij stak
twee toortsen aan, gaf er een aan zijn makker, en hield de ander zelf.
Toen vertoonde de grot zich aan hen, in al hare woeste majesteit. Hare
wanden waren hoog en met schitterenden druipsteen beladen, die het
licht tienvoudig weerkaatste, en een tooverachtigen glans rondom zich
verspreidde.
»De grot,” zeide Goedsmoeds, »is zonder twijfel een der wonderen van de
prairie; deze galerij die zachthellend naar beneden daalt, loopt onder
de Kopergroen door, en komt aan de andere zijde, omstreeks een mijl van
den oever verwijderd, in de vlakte uit. Behalve de galerij, door welke
wij zijn binnengekomen, en die, welke wij voor ons hebben, zijn er nog
vier andere, die allen op verschillende plaatsen een uitgang hebben.
Gij ziet, dat wij hier geen gevaar loopen van gezien te worden, en dat
deze ruime kamers ons een volgreeks van vertrekken aanbieden, die den
president der Vereenigde Staten zelven jaloersch zoude maken.”
Edelhart, verrukt over de ontdekking van deze schuilplaats, wilde haar
tot in de minste bijzonderheden onderzoeken, en hoewel zeer
stilzwijgend van aard, kon de jager herhaalde malen zijne bewondering
niet inhouden.
»Waarom hebt gij mij niet eer daarvan gesproken?” vroeg hij aan
Goedsmoeds.
»Ik wachtte op een goede gelegenheid,” antwoordde deze.
De jagers plaatsten hunne paarden met de noodige levensmiddelen in een
der vertrekken van de grot, waar het daglicht door haast onmerkbare
scheuren binnendrong; vervolgens, toen zij zich verzekerd hadden, dat
het den edelen dieren gedurende hunne afwezigheid aan niets zou
ontbreken, en dat zij niet konden ontsnappen, wierpen zij hun buks over
den schouder, floten de honden, en begaven zich met groote schreden op
weg, langs de galerij die onder de rivier doorliep.
Weldra werd de atmosfeer rondom hen vochtig, een dof en aanhoudend
gedruisch deed zich boven hen hooren, zij gingen onder de Kopergroen
door; maar door middel van een soort van lantaarn, gevormd door eene
holle rots, die als een schilderhuis in het midden van den stroom
stond, was er licht genoeg om hen te geleiden.
Na een half uur loopens, kwamen zij in de prairie door een opening, die
achter takken en kruipende planten van buiten onzichtbaar was.
Zij waren lang in de grot gebleven. Eerst hadden zij haar nauwkeurig
onderzocht, als menschen, die voorzagen dat zij er den een of anderen
dag eene schuilplaats zouden moeten zoeken; vervolgens hadden zij een
soort van stal voor hunne paarden gemaakt, en eindelijk hadden zij
zelven iets gebruikt, zoodat de zon op het punt was van onder te gaan,
toen zij op nieuw het spoor der Comanchen begonnen te volgen.
Toen nam de werkelijke vervolging der Indianen een aanvang. De twee
jagers, hunne honden vooruit zendende, slopen stilzwijgend over de
sporen voort, te midden van het hooge gras op handen en voeten
kruipende, met een waakzaam oog en gespitste ooren, hun adem
inhoudende, en nu en dan stilstaande om de lucht in te ademen en die
duizenden geluiden der prairie te ondervragen, die de jagers met
ongeloofelijk gemak weten te onderscheiden, en oogenblikkelijk te
verklaren.