»Neen!” antwoordde de hacendero koel.

Hij zette zich in den zadel en plaatste zijn zoon dwars voor zich.

»Breng dat tweede paard weg,” zeide hij, »dat heb ik niet noodig.”

En zijn paard de sporen gevende rende hij in vollen draf weg.

De mayoral trad weder in huis, treurig het hoofd schuddende.

Zoodra de hacienda achter eene kromte van den weg uit het gezicht

verdwenen was, stond don Ramon stil, haalde een zijden doek uit zijn

zak, bond dien voor de oogen van zijn zoon zonder hem een woord toe te

voegen, en ging weder voort.

Deze rid in de woestijn duurde lang; zij had iets verschrikkelijks, dat

het hart deed bloeden.

Die zwarte ruiter, zwijgend over het zand heendravend, op zijn zadel

een gebonden knaap medevoerende, wiens zenuwachtige trillingen alléén

bewezen dat hij nog leefde, maakte een treurige en vreemde vertooning,

die den dapperste zou hebben doen sidderen.

Vele uren gingen voorbij zonder dat er een woord tusschen vader en zoon

gewisseld werd; de zon begon onder te gaan, er verschenen reeds eenige

sterren aan het sombere blauw des hemels, het paard liep nog altijd.

De woestijn werd van oogenblik tot oogenblik treuriger en somberder;

elk spoor van plantengroei was verdwenen, hier en daar alleen

vertoonden zich in het zand enkele hoopen van door den tijd verbleekte

beenderen; de roofvogels vlogen langzaam boven het hoofd van den

ruiter, en in de geheimzinnige diepte der chaparals (steeneikwouden)

deden de wilde dieren, bij het naderen van den avond, hun dof gebrul

hooren.

In deze gewesten is bijna geen schemering; zoodra de zon ondergaat is

het nacht.

Don Ramon draafde altoos voort.

De zoon had geen enkele bede tot hem gericht, had geen enkele klacht

doen hooren.

Eindelijk, tegen acht uur des avonds hield de ruiter zijn paard in.

Deze koortsachtige rid had tien uren geduurd. Het paard reutelde en

waggelde met iederen stap.

Don Ramon sloeg een blik om zich heen; een glimlach van vergenoegen

plooide zijne lippen. Aan alle kanten vertoonde de woestijn hare

onmetelijke zandvlakten; eensklaps ontplooiden de eerste grenzen van

een maagdelijk woud aan den horizont, hare grillige vormen, op eene

onheilspellende wijze afstekend bij het overige landschap.

Don Ramon stapte af, zette zijn zoon op den grond, ontdeed zijn paard

van het gebit, opdat het vermoeide dier eenig voedsel zou kunnen

gebruiken, dat hij hem gaf; vervolgens, toen hij met de grootste

koelbloedigheid zich van al deze zorgen gekweten had, naderde hij zijn

zoon, en deed hem den blinddoek af.

De knaap bleef onbewegelijk staan, en richtte een diepen, kouden blik

op zijn vader.

»Mijnheer,” zeide don Ramon tot hem, »gij zijt hier meer dan twintig

mijlen van mijne hacienda verwijderd, waarin gij, op straffe des doods,

geen voet meer zult mogen zetten; van dit oogenblik afaan zijt gij

alleen, zonder vader, zonder moeder, zonder familie: omdat gij een wild

dier zijt, veroordeel ik u, om met de wilde dieren te leven; mijn

besluit is onherroepelijk, uwe gebeden zouden ze niet kunnen

veranderen, bespaar die dus.”

»Ik bid niet tot u,” antwoordde het kind op doffen toon; »men bidt niet

tot zijn beul.”

Don Ramon sidderde; hij deed eenige passen heen en weêr met

koortsachtige aandoening; maar zich bijna onmiddellijk herstellende,

ging hij voort:

»Zie hier, in dezen zak, levensmiddelen voor twee dagen; ik laat u deze

buks met getrokken loop, die in mijne hand nooit haar doel gemist

heeft; ik geef u ook deze pistolen, deze machete (kleine sabel), dit

mes, deze bijl; in deze buffelhorens zijn kruit en kogels; gij zult in

den knapzak een vuurslag vinden en al wat gij noodig hebt om vuur te

maken; ik heb er een bijbel van uwe moeder bijgevoegd. Gij zijt dood

voor de maatschappij, waarin gij niet moogt terugkeeren; de woestijn

ligt voor u; zij behoort u toe; wat mij betreft, ik heb geen zoon meer,

vaarwel! De Heer zij u genadig, tusschen ons is voortaan alles uit: gij

blijft alleen en zonder familie; het is nu uwe zaak een tweede bestaan

te beginnen en in uwe behoeften te voorzien. De Voorzienigheid verlaat

nooit hen, die hun vertrouwen op Haar vestigen; zij alleen zal voortaan

over u waken.”

Na deze woorden te hebben uitgesproken, deed don Ramon met een

onbewogen gelaat, zijn paard het gebit weder aan, gaf zijn zoon de

vrijheid, zette zich in den zadel, en vloog weg als een pijl uit den

boog.

Rafaël richtte zich op de knieën op, boog het hoofd voorover, luisterde

angstig naar den snellen hoefslag van het paard, en volgde met de

oogen, zoo lang hij kon, de noodlottige schaduw, die zwart afstak bij

de heldere stralen der maan; daarna, toen de ruiter eindelijk in de

duisternis verdwenen was, bracht de knaap de hand aan zijne borst, een

onbeschrijfelijke uitdrukking van smart verwrong zijne trekken, en hij

riep:

»Moeder!.... Moeder!....”

Hij viel bezwijmd op het zand neder.

Na een geruimen tijd te zijn voortgereden, verminderde don Ramon

ongemerkt den draf, zijns ondanks het oor leenende aan de verwarde

geluiden der woestijn, angstig luisterende, zonder zich nauwkeurig

rekenschap te geven van de redenen, die hem aldus deden handelen, maar

misschien wel in afwachting van het geroep zijns zoons, om tot hem

weder te keeren. Tweemaal zelfs trok zijne hand werktuigelijk aan den

teugel, als of hij gehoorzaamde aan de geheime stem, die hem gebood

terug te gaan; maar de hoogmoed van zijn geslacht was sterker, en hij

reed door.

De zon ging op, toen don Ramon de hacienda bereikte.

Twee menschen stonden aan de poort zijne terugkomst af te wachten.

De eene was doña Jesusita, de andere de mayoral. Op het zien zijner

vrouw, bleek en ontroerd als zij was, terwijl zij als het beeld der

verlatenheid voor hem stond, voelde de hacendero zijn hart beklemmen,

hij wilde voorbij gaan.

Doña Jesusita deed twee passen en den teugel grijpende, zeide zij op

hartroerenden toon:

»Don Ramon, wat hebt gij met mijn zoon gedaan?” De hacendero antwoordde

niet; de smart zijner vrouw ziende, vroeg hij zich zelven in stilte af,

of hij werkelijk het recht had, om te handelen, gelijk hij gedaan had.

Doña Jesusita wachtte te vergeefs op antwoord. Don Ramon zag zijne

vrouw aan; hij werd bang, toen hij de onuitwischbare sporen van

verdriet op dat eens zoo kalm en rustig gelaat bespeurde. De edele

vrouw was bleek als een doode; hare gelaatstrekken hadden een

onverbiddelijke gestrengheid aangenomen, hare van koorts brandende

oogen waren rood en zonder tranen, twee blauwe, diepe kringen maakten

ze hol en wild; eene breede vlek teekende op hare wangen het spoor, dat

de tranen, wier bron verdroogd was, hadden achtergelaten; zij kon niet

meer schreien, hare stem was rauw en onregelmatig, haar beklemde borst

hijgde onder elke ademhaling.

Na eenige seconden op antwoord gewacht te hebben, herhaalde zij:

»Don Ramon, wat hebt gij met mijn zoon gedaan?”

De hacendero wendde verlegen het hoofd af.

»O, gij hebt hem gedood!” riep zij uit met een hartverscheurenden gil.

»Neen....” antwoordde hij, verschrikt door zooveel smart, voor het

eerst in zijn leven het gezag erkennende van eene moeder, die

rekenschap vraagt van haar kind.

»Wat hebt gij met hem gedaan?” herhaalde zij met meer aandrang.

»Later,” zeide hij, »als gij bedaard zijt, zult gij alles weten.”

»Ik ben bedaard,” antwoordde zij. »Waarom een medelijden geveinsd, dat

gij niet bezit? Mijn zoon is dood, en gij hebt hem vermoord.”

Don Ramon steeg af.

»Jesusita,” zeide hij tot zijne vrouw, haar bij de hand nemende en

teeder aanziende, »bij al wat er heilig is in de wereld zweer ik u, dat

uw zoon leeft: ik heb geen haar van zijn hoofd gekrenkt.”

De arme moeder bleef eenige oogenblikken nadenken.

»Ik geloof u,” zeide zij toen; »wat is er van hem geworden?”

»Welnu,” hernam hij aarzelend, »daar gij alles weten wilt, verneem dan

dat ik uw zoon in de woestijn heb achtergelaten..... maar in het bezit

van alles, wat zijne veiligheid verzekeren en aan zijne behoeften

voldoen kan.”

Doña Jesusita sidderde: een zenuwachtige rilling ging haar door de

leden.

»Gij zijt grootmoedig geweest,” zeide zij met bittere ironie; »gij zijt

grootmoedig geweest jegens een kind van zestien jaar, don Ramon, het

stuitte u tegen de borst om uwe handen in zijn bloed te wasschen; gij

hebt deze taak liever willen overlaten aan de wilde dieren en aan de

woeste Indianen, die alleen deze eenzame vlakten bewonen.”

»Hij was schuldig!” antwoordde de hacendero, op doffen, maar vasten

toon.

»Een kind is nooit schuldig in het oog van haar, die het in haar schoot

gedragen en met hare melk gevoed heeft,” zeide zij; »het is wel, don

Ramon: gij hebt uw zoon veroordeeld, ik zal hem redden!”

»Wat wilt gij doen?” riep de hacendero, verschrikt over de wilskracht,

die hij in het oog zijner vrouw schitteren zag.

»Wat gaat u dat aan, don Ramon? Ik zal mijn plicht vervullen, gelijk

gij gemeend hebt den uwen te vervullen! God zal tusschen ons oordeelen!

Beef voor den dag, waarop hij u rekenschap zal vragen van het bloed van

uw kind!.....”

Don Ramon boog het hoofd onder dit anathema; met een bleek gelaat en

een knagend geweten trad hij langzaam de hacienda binnen. Doña Jesusita

volgde hem een oogenblik met de oogen.

»O, mijn God!” riep zij, »geef dat ik niet te laat kom!”

Toen vertrok zij, gevolgd door nô Eusébio. Twee paarden wachtten hen

achter een klein boschje. Zij zetten zich in den zadel.

»Waarheen, señora?” vroeg de mayoral.

»Naar mijn zoon,” antwoordde zij.

De hoop scheen haar geheel veranderd te hebben. Een levendig inkarnaat

kleurde haar de wangen; hare zwarte oogen flonkerden.

Vier prachtige speurhonden, in dat land rastreros geheeten en afgericht

om sporen te zoeken, werden door nô Eusébio losgemaakt; hij liet hun

een kleed van Rafaël ruiken; de honden vlogen luid blaffende weg; nô

Eusébio en doña Jesusita volgden hen, onder het wisselen van eenige

hoopvolle blikken.

De honden hadden geen moeite om het spoor te volgen; het liep recht,

zonder te kronkelen; ook stonden zij geen oogenblik stil.

Toen doña Jesusita op de plaats, waar Rafaël door zijn vader verlaten

was, aankwam, vond zij er niemand!..... de knaap was verdwenen!

De sporen van zijn verblijf waren duidelijk zichtbaar. Een vuur dat

bijna uitgebrand was, bewees dat Rafaël nauwelijks een uur geleden deze

plek verlaten had.

»Wat te doen?” vroeg nô Eusébio angstig.

»Voorwaarts!” antwoordde doña Jesusita vastberaden, haar paard de

sporen gevende, dat hinnikend van woede zijn loop vervolgde.

Nô Eusébio volgde haar.

Des avonds van dien zelfden dag heerschten op de hacienda del Milagro

de grootste schrik en ontsteltenis. Doña Jesusita en nô Eusébio waren

niet teruggekomen.

Don Ramon liet zijne manschappen opzitten. De peones en vaqueros, van

toortsen voorzien, zochten overal rond naar hunne meesteres en naar den

mayoral. De geheele nacht verliep, zonder eenige voldoende uitkomst te

geven. Bij het aanbreken van den dag werd het paard van doña Jesusita

half verscheurd in de woestijn terug gevonden. Het tuig ontbrak er aan.

Het terrein rondom het doode paard scheen aan een woedend gevecht tot

tooneel gediend te hebben. Don Ramon gaf wanhopig bevel om terug te

keeren.

»Mijn God!” riep hij bij het binnentreden der hacienda uit, »begint

mijne straf reeds nu?”

Dagen en weken, maanden en jaren verliepen zonder dat de geheimzinnige

sluier, die deze treurige gebeurtenissen bedekte, ook maar even werd

opgelicht: men kwam niets te weten van het lot van Rafaël, noch van dat

zijner moeder of van nô Eusébio.

EINDE VAN DE INLEIDING.

I.

EDELHART.

I.

DE PRAIRIE.

Ten westen van de Vereenigde Staten, strekt zich over een afstand van

honderden mijlen, aan gene zijde van de Mississippi een onmetelijk

grondgebied uit, dat tot op dezen dag onbekend en onbebouwd ligt, en

waar noch het huis van den blanke, noch de hut van den Indiaan zich

verheft. Deze uitgestrekte woestenij,—eene aaneenschakeling van sombere

wouden, met ongebaande wegen, die er allengs door het voetspoor der

wilde dieren werden gevormd, afgewisseld door onafzienbare groene

prairiën met hoog en dicht gras, dat het minste windje doet

golven,—wordt door ontzaglijke stroomen besproeid, waarvan de groote

Canada-Rivier, de Arkansas en de Roode Rivier de voornaamste zijn.

Op deze in plantengroei zoo rijke gronden zwerven tallooze kudden van

wilde paarden, buffels, elands en langhorens rond, alsmede die

duizenderlei soorten van dieren, welke de beschaving der overige deelen

van Amerika van dag tot dag verder voortdrijft, en die in deze weiden

hunne vroegere vrijheid wedervinden.

Ook hebben de machtigste stammen der Indianen in deze landstreek hun

jachtverblijf gevestigd. De Delawaren, de Cricks, de Osagen

overschrijden de grenzen der woestijn in den omtrek der Amerikaansche

koloniën, waarmede eenige zwakke banden van beschaving hen beginnen te

vereenigen, worstelend tegen de horden der Pawnies, Zwartvoeten,

Assiniboinen en Comanchen, onbedwongen volksstammen, zwervende inwoners

der prairiën of der bergen die in alle richtingen deze wildernis

doorkruisen, waarvan niemand hunner zich het bezit durft toeëigenen,

maar die zij, met onderling goedvinden als het ware, verwoesten, zich

in grooten getale tot de jacht vereenigend, alsof het een oorlog gold.

En inderdaad, de vijanden, aan wier ontmoeting men in deze woestijn

blootgesteld is, zijn velerlei; zonder hier nog van de wilde dieren te

spreken, zijn er bovendien de jagers, de bevervangers of pelsjagers en

de partijgangers, die voor de Indianen niet minder geducht zijn dan

voor hunne landgenooten. Ook is de prairie het droevig tooneel van

onophoudelijke en verschrikkelijke gevechten, inderdaad weinig meer dan

een uitgestrekte doodsakker, waar ieder jaar, duizenden van

onverschrokken mannen, in een guerrilla oorlog zonder genade, spoorloos

verdwijnen.

Niets is grootscher en majestueuzer dan de aanblik van die prairiën,

waarover de Voorzienigheid met kwistige hand ontelbare rijkdommen heeft

uitgestort; niets is bekoorlijker dan die groene weiden, die dichte

bosschen, die breede stroomen; het droefgeestig murmelen van het water

tegen het oeverzand, het gezang der duizende vogels onder het

gebladerte verscholen, de sprongen der dieren tusschen het hooge

gras,—alles bekoort, alles trekt den verbaasden reiziger aan, en sleept

hem mede, tot hij weldra, als slachtoffer zijner verrukking, in een

dier tallooze strikken valt, te midden der bloemen onder zijne voeten

gespannen, en zijne onvoorzichtige nieuwsgierigheid met het leven boet.

Tegen het einde van het jaar 1837, in de laatste dagen van de maand

September, door de Indianen Maan der vallende bladeren,—Inaqui

Quisis—genaamd, zat een jong mensch, dien men aan zijne gelaatskleur,

ondanks zijn volkomen Indiaansch kostuum, gemakkelijk voor een blanke

herkende, een uur na zonsondergang, nabij een vuur, waaraan de behoefte

in dit jaargetijde zich begon te doen gevoelen, op een der meest

onbekende plaatsen van de prairie, die wij zooeven beschreven hebben.

Deze man was hoogstens vijf- of zes en dertig jaren oud, ofschoon

eenige diepe rimpels op zijn breed maar bleek voorhoofd, een hoogeren

ouderdom schenen aan te duiden.

Zijne gelaatstrekken waren schoon en edel, en droegen het stempel van

dien trots en van die wilskracht, welke het leven in de woestijn

schenkt. Zijne zwarte oogen, door dikke wenkbrauwen overschaduwd,

hadden een zachte en droefgeestige uitdrukking, die hun gloed en

levendigheid eenigermate temperde; het onderste gedeelte van zijn

gelaat verdween achter een langen dichten baard, welks blauwachtige

tint scherp afstak bij de bleekheid zijner trekken.

Zijne gestalte was rijzig, slank en welgevormd; zijne gespierde

ledematen toonden, dat hij met ongemeene kracht begaafd was. Zijn

geheele persoonlijkheid eindelijk boezemde dien eerbied in, dien de

physieke schoonheid in deze streken eerder verwekt, dan in onze

maatschappij, waar zij bijna altijd met ruwheid en onbeschoftheid

gepaard gaat.

Zijn kostuum was eenvoudig, en bestond uit een mitasse,—een soort van

nauwe broek—die tot aan de enkels reikte en met een lederen gordel aan

de heupen was bevestigd, en uit een jachtkiel van gebleekt katoen, met

wol van verschillende kleuren geborduurd, die hem tot halverwege de

beenen kwam. Deze kiel, van voren open, liet zijn bruine borst zien,

waarover een zwart fluweelen schoudermantel hing, die door een dunne

stalen ketting werd vastgehouden. Laarzen van ongelooid hertsleder

beschutten hem tegen slangebeten, en reikten hem tot aan de knieën; een

muts van bevervel, waaraan men den staart had gelaten, die naar

achteren afhing, bedekte zijn hoofd, terwijl lange lokken van weelderig

zwart haar, dat hier en daar reeds begon te grijzen, over zijne breede

schouders golfden.

Die man was een jager.

Een prachtige buks met getrokken loop, vóór hem geplaatst onder het

bereik zijner hand, de weitasch die hij aan een bandelier om zijne

schouders droeg en de twee buffelhorens, die met kruit en kogels gevuld

aan zijn gordel hingen, lieten te dezen opzichte geen twijfel meer

over. Twee lange dubbele pistolen waren achteloos bij zijn karabijn

neêrgeworpen.

De jager, gewapend met een machete, een korte, rechte sabel, die nooit

de zijde van een prairie-bewoner verlaat, was bezig met zorgvuldig een

bever te villen, tevens het oog houdende op een hertenbout, die over

het vuur hing te braden, en aandachtig luisterende naar elk gerucht,

dat zich in de prairiën hooren deed. De plaats waar deze man zich

bevond, was uitmuntend gekozen voor een halt van eenige uren.

Het was een opene plek op den top van een vrij hoogen heuvel, die door

zijne ligging te midden van eene groote vlakte, een onverwachten

overval onmogelijk maakte. Op eenige schreden afstand van de plaats,

waar de jager zijn bivak had opgeslagen, stroomde een beek, die naar

beneden stortende een kleinen maar schoonen waterval vormde. Het hooge

en overvloedige gras bood een uitmuntende pasto (weide) voor twee

trotsche paarden, met wilde en fonkelende oogen, die aan een blok

gebonden eenige schreden van daar hun voedsel zochten. Het houtvuur,

van drie kanten door eene rots beschermd, liet slechts eene dunne, op

eenigen afstand onzichtbare rookwolk ontsnappen, en een gordijn van

eeuwen oude boomen verborg het kamp voor de onbescheiden blikken van

hen, die waarschijnlijk in den omtrek in hinderlaag gelegen waren.

Kortom, al deze voorzorgen, zoo noodzakelijk voor de veiligheid van den

jager, waren met eene behoedzaamheid gekozen, die eene diepe kennis

verraadt van het leven der woudloopers.

De roodachtige gloed van de ondergaande zon kleurde de toppen der hooge

boomen: de zon was op het punt van achter de bergen, die den horizont

begrensden, te verdwijnen, toen de paarden plotseling hun maaltijd

afbraken, de koppen opstaken en de ooren spitsten: alles teekenen van

ongerustheid, die den jager niet ontgingen.

Ofschoon hij geen enkel verdacht geluid hoorde, en alles in den omtrek

rustig scheen te zijn, haastte hij zich toch om de beverhuid voor het

vuur over twee kruiselings geplaatste stokken te spannen, en zonder op

te staan strekte hij de hand naar zijn karabijn uit.

Driemaal achtereen, telkens met gelijke tusschenpoozen, deed zich het

geschreeuw van den ekster hooren; de jager plaatste zijn karabijn

lachend naast zich, en ging voort met voor het avondmaal te zorgen;

bijna op hetzelfde oogenblik ontstond er beweging in de grashalmen en

struiken, en twee prachtige speurhonden kwamen zich springend voor den

jager neêrwerpen, die hen even streelde en veel moeite scheen te

hebben, om zich van hunne liefkozingen te ontslaan.

De paarden hadden onbezorgd hun afgebroken maaltijd voortgezet.

Deze honden waren de voorloopers van een tweeden jager, die bijna te

gelijkertijd op den heuveltop te voorschijn trad.

Deze nieuwe personaadje, veel jonger dan de eerste, want hij scheen

niet ouder dan twee en twintig jaar, was een groot, slank, vlug mensch,

met gespierde vormen, een rond hoofd, twee grijze, verstandige oogen en

een open en edel uiterlijk, waaraan zijne lange, blonde haren iets

kinderlijks gaven. Hij was eveneens gekleed als zijn medgezel, en

zoodra hij aankwam, wierp hij naast het vuur een rist vogels neder, die

hij op zijne schouders droeg.

De twee jagers begonnen toen, zonder een woord te wisselen, een van die

soupers te bereiden, die door honger en vermoeidheid altijd uitmuntend

worden gekruid.

Het was geheel nacht geworden, de woestijn begon langzamerhand te

leven; het gehuil der wilde dieren weêrklonk reeds in de prairie.

Na smakelijk gesoupeerd te hebben, staken de jagers hunne pijpen op, en

zich met den rug naar het vuur plaatsende, om door het schijnsel der

vlammen niet verhinderd te worden de nadering van verdachte bezoekers

te onderscheiden, die de duisternis hun kon aanbrengen, rookten zij met

het stille genot van lieden, die na een langen en moeielijken dag, een

oogenblik rust hebben, dat zij misschien in langen tijd niet zullen

wedervinden.

»Welnu?” zeide de eerste jager, lakoniek tusschen twee rookwolken in.

»Gij hadt gelijk,” was het antwoord.

»O, zoo!”

»Ja, wij zijn te veel rechts afgegaan, dat heeft ons het spoor doen

verliezen.”

»Ik was er zeker van,” hernam de eerste; »ziet gij, Goedsmoeds, gij

vertrouwt te veel op uw Canadasche gewoonten; de Indianen, waarmede wij

hier te doen hebben, hebben niets gemeen met de Irokeezen, die de

jachtgronden van uw land doorkruisen.” Goedsmoeds boog het hoofd ten

teeken van toestemming.

»Overigens,” hernam de ander, »is dit op het oogenblik van weinig

belang; het voornaamste is, te weten wie de dieven zijn, die ons

bestolen hebben.”

»Ik weet het.”

»Goed zoo!” zeide de ander, met levendigheid zijn pijp uit den mond

halende; »en wie zijn de Indianen die de vallen [2], met mijn teeken

gemerkt, hebben durven stelen?”

»De Comanchen.”

»Ik dacht het wel! Tien onzer beste vallen des nachts gestolen! Ik

zweer u, Goedsmoeds, dat zij ze duur zullen betalen!.... En waar

bevinden zich de Comanchen op het oogenblik?”

»Hoogstens op twee mijlen afstands. Het is een troep plunderaars van

twaalf man; volgens de richting, die zij nemen, gaan zij naar hunne

bergen terug.”

»Zij zullen er niet alle komen,” zeide de jager, een blik op zijn buks

werpende.

»Voor den duivel!” zeide Goedsmoeds met eenen ruwen lach, »zij zullen

slechts hun verdiend loon krijgen; ik laat het aan u over, Edelhart, om

ze voor hunne onbeschaamdheid te straffen; maar gij zult in uw besluit

om u te wreken nog wel versterkt worden, als gij weet wie hen

aanvoert.”

»Zoo, zoo! Gij kent dus hun opperhoofd?”

»Zoo wat,” zeide Goedsmoeds glimlachend, »het is Nehunutah

(Arendskop.)”

»De Arendskop!” riep Edelhart opspringende, »o ja, dien ken ik maar al

te goed, en God geve dat ik ditmaal met hem moge afrekenen. Zijne

Mocksens (halve laarzen) hebben mij lang genoeg in den weg geloopen.”

Na deze woorden te hebben uitgesproken, met een uitdrukking van haat,

die Goedsmoeds deed sidderen, nam de jager, nadat hij aan den toorn die

hem beheerschte lucht had gegeven, zijn pijp weder op en begon weder

met schijnbare onbezorgdheid te rooken, waardoor zijn medgezel zich

echter volstrekt niet verschalken liet.

Het gesprek werd afgebroken. De twee jagers schenen in ernstig gepeins

verdiept, en rookten in stilte naast elkander voort.

Ten laatste wendde Goedsmoeds zich tot zijn medgezel met de vraag: »Zal

ik waken?”

»Neen,” antwoordde Edelhart zachtjes, »slaap gij maar, ik zal wel voor

u en voor mij de wacht houden.”

Goedsmoeds legde zich, zonder de minste aanmerking te maken, bij het

vuur neder, en was eenige minuten later in een gerusten slaap.

Toen de leeuwerik zijn morgenlied deed hooren, wekte Edelhart, die den

geheelen nacht onbewegelijk als een marmerblok op wacht had gezeten,

zijn makker wederom op.

»Het is tijd,” zeide hij.

»Goed!” antwoordde Goedsmoeds, die dadelijk opstond. De jagers zadelden

hunne paarden, klommen behoedzaam van den heuvel naar beneden, en

volgden het spoor der Comanchen.

Op hetzelfde oogenblik verscheen de zon aan de kimmen, verdreef de

nevels en wierp haar prachtig licht over de prairie.

II.

DE JAGERS.

De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika · 第 2 / 21 段