AIMARD’S Indiaansche Verhalen
DE PELSJAGERS VAN DE ARKANSAS
TAFEREELEN UIT DE WOUDEN EN PRAIRIEN VAN AMERIKA
DOOR
GUSTAVE AIMARD
Naar de elfde Fransche uitgave
MET EENE VOORREDE VAN
J. J. A. GOEVERNEUR
EN 8 ILLUSTRATIEN VAN
CHS. ROCHUSSEN
ZESDE DRUK
ROTTERDAM
UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ „ELSEVIER”
1882
EEN WOORD VOORAF.
Er is in de laatste jaren veel over Amerika en de roodhuiden
geschreven. Tal van schrijvers, onder wie enkele met onbetwistbaar
talent, hebben zich tot taak gesteld, ons in de tot nog toe voor onze
beschaving ontoegankelijke, door wilde volksstammen bewoonde prairiën
en savannen van ’t verre westen rond te leiden. Slechts weinigen hebben
zich echter van hun wegwijzerschap naar eisch gekweten. Den meesten
ontbrak het aan eene grondige, uit eigen ervaring opgedane kennis van
de landen en volksstammen, welker aard en zeden zij ons schilderen
wilden.
De Franschman Gustave Aimard is hierin gelukkiger dan velen zijner
voorgangers geweest. De beschaafde wereld voor jaren vaarwel zeggende,
heeft hij, als aangenomen zoon van een hunner machtigste stammen, onder
en met de Indianen op de gewijde grasvlakten hun zwervend leven
gedeeld, bij de vredespijp aan hunne rust en hunne jachten, na ’t
opgraven der strijdbijl met buks en tomahawk, aan hunne ondernemingen
en tochten zelf deelgenomen.
Een zoodanig leven—de bestendige worsteling met moeiten en vaak
schijnbaar onoverkomelijke bezwaren—heeft een aantrekkelijkheid,
waarvan alleen hij, die het bij ondervinding leerde kennen, zich een
eenigszins helder begrip kan vormen. De mensch staat daar in de
wildernis alleen en komt er als zelfstandig wezen tot bewustheid van
zijne volle kracht. Met God alleen boven zich, oog en oor bestendig op
de wacht, den vinger aan zijn geweertrekker; omringd door gevaren
zonder tal, bedreigd door Indianen en wilde dieren, die achter bosch en
struik, in donkere kloven of in hooge boomtoppen loeren, om zich op hem
te werpen en hem tot hun prooi te maken, gevoelt hij zich in waarheid
eerst heer der schepping, welke hij met al de macht van zijn wil, zijn
verstand, overleg en onverschrokkenheid beheerscht.
Langer dan vijftien jaar hield Aimard dat hier vluchtig aangeduide,
vaak koortsig gejaagde leven vol. Onverschrokken jager, ging hij met de
Sioux en Zwartvoeten in de verst westelijke prairiën op bisons uit. In
’t golvend zand van de onbegrensde Del Norte verdwaald, zwerft hij daar
langer dan eene maand rond, aan de martelingen van honger, dorst en
koorts prijsgegeven. Tot tweemaal toe werd hij door de Apachen aan den
folterpaal gebonden. Twaalf maanden slaaf bij de Patagoniers aan de
Straat van Magellaan, had hij daar gruwelijke kwellingen en tergingen
te verduren en ontsnapte slechts door een wonder aan hunne handen.
Moederziel alleen trok hij de pampas van Buenos-Ayres tot San-Luïs de
Mendoza door en had op dien zwerftocht met panters en jaguars, met
roodhuiden en gaucho’s te kampen. Een dollen inval gehoor gevende,
wilde hij de geheimnissen van Brazilie’s ongerepte wouden doorgronden
en liet zich door geen wilde horden afschrikken, om die in hunne volle
breedte te doorkruisen. Beurtelings squatter, bevervanger,
partijganger, goudzoeker en bergwerker leerde hij Amerika, van de
hoogste Cordillera’s tot aan de stranden van den Oceaan kennen—een kind
van den dag, gelukkig in ’t heden, zonder zorg voor de toekomst,
wakkere voorpost van de beschaving, die in ’t far west van jaar tot
jaar meer veroveringen maakt.
’t Zijn derhalve niet zoo zeer romans, die Aimard na zijne terugkomst
in Frankrijk schreef, als wel gedenkschriften en levensberichten.
Evenals Gabriël Ferry, zijn landsman, als Gerstäcker en Armand
(Strubberg), de Duitschers, vertelt hij van zijn eigen leven, van zijn
eigen ontmoetingen en ervaringen in het vreemde land. De door hem
beschreven zeden en gebruiken waren eens hemzelf eigen, met de door hem
geteekende Indianen heeft hij jaren lang geleefd en geleden, gejaagd en
gevischt, feestgevierd en gevast, in den wigwam of op ’t krijgspad
gelegen; wat hij geeft zijn in meer dan één opzicht photographieën.——
De ondergeteekende vertrouwt dan ook dat deze „Pelsjagers van de
Arkansas” en de verder in deze serie aangekondigde verhalen van Aimard
bij ’t neêrlandsch lezend publiek naast Gerstäcker, Ferry en Armand nog
wel een open plaatsje zullen vinden.
J. J. A. GOEVERNEUR.
INLEIDING.
DE VADERVLOEK.
I.
HERMOSILLO.
De reiziger, die voor de eerste maal den voet zet op den bodem van
zuidelijk Noord-Amerika, ondervindt zijns ondanks een onbeschrijfelijk
gevoel van weemoed.
En inderdaad, de geschiedenis der nieuwe wereld is slechts een
betreurenswaardige martelaars-kroniek, waarin dweeperij en begeerigheid
hand aan hand gaan.
Gouddorst gaf aanleiding tot het ontdekken der nieuwe wereld, het goud
eens gevonden zijnde, was Amerika voor zijne veroveraars niets meer dan
eene stapelplaats, waar deze begeerige gelukzoekers, met den dolk in de
eene en het crucifix in de andere hand, een rijken oogst kwamen
bijeenzamelen van dat zoo gewenscht metaal, om daarna naar hun
vaderland weder te keeren, aldaar met hunne rijkdommen te schitteren en
door de onbeteugelde weelde, die zij ten toon spreidden, nieuwe
landverhuizingen uit te lokken.
Aan deze gedurige afwisseling is het inzonderheid toe te schrijven, dat
Amerika zoo weinig groote gedenkteekenen bezit, die anders in iedere
volkplanting gewoonlijk de plaats aanwijzen, waar de kolonisten zich
het eerst hebben nedergezet, en tevens de richting, in welke zij zich
hebben voortbewogen en uitgebreid.
Doorreis heden dat uitgestrekte vasteland, dat gedurende drie eeuwen
het onbetwiste eigendom der Spanjaarden is geweest, doorloop dat heden,
zeg ik; ter nauwernood zult gij hier en daar op verre afstanden, een
puinhoop zonder naam ontwaren, die u hun doortocht in het geheugen
roept, terwijl de gedenkteekenen, door de Azteken en Incas vele eeuwen
vóór de ontdekking opgericht, nog in al hun majestueuzen eenvoud het
hoofd omhoog heffen als onvergankelijke getuigenissen van hunne
tegenwoordigheid in die landstreek en van hun streven naar beschaving.
Helaas! wat zijn zij heden geworden, die roemrijke veroveringen, door
gansch Europa benijd, waarin het bloed der beulen zich vermengd heeft
met het bloed der slachtoffers, ten gerieve van die andere natie, toen
zoo trotsch op hare dappere veldheeren, op haar vruchtbaar grondgebied
en op haar handel, die geheel de wereld omvatte? De tijd is
voortgegaan, en het Zuiden van Amerika boet op dit oogenblik voor de
misdaden, die het voorgeslacht heeft bedreven. Verbrokkeld door
allerlei partijen, die elkander het bewind van één dag betwisten,
onderdrukt door verkwistende oligarchieën, verlaten door de
vreemdelingen, die er zich hebben vetgemest, verkwijnt het langzaam
onder het wicht zijner trage werkeloosheid, zonder de kracht te
bezitten om het looden doodskleed, waaronder het verstikt, op te
heffen, in het vooruitzicht van niet te ontwaken, voordat een nieuw
geslacht, niet bezoedeld door moord en doodslag en gehoorzaam aan Gods
eeuwige wetten, den arbeid en de vrijheid zal aanbrengen die het leven
der volkeren zijn.
In één woord, het Spaansch-Amerikaansche ras heeft zich voortgeplant in
de domeinen, die het van zijne voorvaderen heeft ontvangen, zonder er
ooit de grenzen van uit te breiden; zijn heldenmoed is met Karel den
Vijfde ten grave gedaald en het heeft van het moederland niets bewaard
dan de gastvrije zeden, de godsdienstige onverdraagzaamheid, de
monniken, de guittareros (straatzangers) en de gewapende bedelaars.
Van alle staten, die den grooten Mexicaanschen bond vormen, is de staat
Sonora de eenige, die, ten gevolge van zijne worsteling met de
onafhankelijke Indiaansche stammen, die het omringen, en van zijne
gedurige wrijving met die volkeren, een afzonderlijk karakter behouden
heeft.
De zeden der inwoners hebben nog een zekere woeste oorspronkelijkheid,
die hen bij den eersten oogopslag van die der meer binnenwaarts gelegen
provinciën onderscheidt.
De Rio Gila kan als de noordelijke grens van dezen staat worden
aangemerkt; van het oosten naar het westen is hij ingesloten tusschen
de Sierra Madre en de golf van Californië.
De Sierra Madre verdeelt zich achter Durango in twee takken, waarvan de
voornaamste in de hoofdrichting van het noorden naar het zuiden loopt,
terwijl de andere zich naar het westen wendt, achter de staten Durango
en Guadalaxara om, en langs de oeverstaten der Stille Zee voortloopt.
Deze tak der Cordilleras vormt de zuidelijke grens van Sonora.
De natuur schijnt er behagen in geschept te hebben, om hare weldaden
met kwistige hand over dit land uit te storten. Het klimaat is
liefelijk, gematigd en gezond; goud, zilver, vruchtbare akkers,
heerlijke vruchten, medicinale kruiden zijn er in overvloed; men vindt
er de krachtigste balsems, de nuttigste insekten voor verfstoffen, de
zeldzaamste marmersoorten, wild en visschen in menigte. Maar ook hebben
in de uitgestrekte wildernissen van de Rio Gila en de Sierra Madre de
onafhankelijke Indianen, de Comanchen, de Pawnies, de Pimas, de Opatas
en de Apachen voor eeuwig den oorlog verklaard aan het blanke ras; door
hunne eindelooze aanvallen doen zij den Mexicanen het bezit van al deze
rijkdommen, die zij eens aan hunne voorvaderen ontroofden, duur genoeg
betalen.
De drie voornaamste steden van Sonora zijn: Guaymas, Hermosillo en
Arispe.
Hermosillo, vroeger Pitic, door de expeditie van den graaf de Raouset
Boulbon beroemd geworden, is de stapelplaats van den Mexicaanschen
handel op de Stille Zuidzee, en telt meer dan 9000 inwoners.
Deze stad, gebouwd op eene bergvlakte, die in noordwestelijke richting
zacht hellend tot aan zee afdaalt, wordt gerugsteund en beschermd door
een heuvel, el Cerro de la Campaña (Klokberg) geheeten, welks top met
ontzaggelijke steenblokken is bezaaid, die, als men er op slaat, een
helderen en zuiveren klank doen hooren.
Overigens is deze Cuidad (stad), evenals hare Amerikaansche zusters,
morsig en van leem gebouwd, en geeft zij aan de verbaasde oogen van den
reiziger een treurige massa puinhoopen van verwaarloosde en verlatene
huizen te aanschouwen, die de ziel met weemoed vervullen.
Op den dag, waarop dit verhaal een aanvang neemt, namelijk op den 17den
Januari 1817, tusschen drie en vier uur in den namiddag, het gewone uur
der siesta (middagrust), bood de stad Hermosillo, anders zoo stil en
rustig, een vreemd schouwspel aan.
Een menigte van Leperos, Gambusinos (mijnwerkers, sluikers) en Rateros
(gauwdieven) verdrong zich al schreeuwend, dreigend en brullend in de
calle del Rosario (Rozelaarstraat). Eenige Spaansche soldaten,—Mexico
had toen het juk van het moederland nog niet afgeschud—trachtten
tevergeefs de orde te herstellen en de menigte uiteen te drijven, door
aan alle kanten met het hout hunner lansen harde slagen uit te deelen
aan ieder, die onder hun bereik kwam.
Maar het rumoer, wel verre van te verminderen, nam gestadig toe en
vooral de Hiaqui-Indianen, die zich onder de menigte bevonden,
schreeuwden en gesticuleerden op een inderdaad schrikwekkende wijze.
De vensters van alle huizen waren gevuld met mannen-en vrouwenhoofden,
die, met hunne blikken op de Cerro de la Campaña gericht, aan welks
voet dikke rookwolken dwarrelend omhoog stegen, een buitengewone
gebeurtenis schenen af te wachten.
Eensklaps hoorde men een vreeselijk geschreeuw, de menigte splitste
zich in tweeën als een overrijpe granaat en ieder week met de
kenteekenen der grootste vrees ter zijde, toen er een jong mensch, of
liever een kind, want hij was ter nauwernood zestien jaar, in een wolk
van stof gehuld, op een half wild paard pijlsnel kwam aanrennen.
»Houdt hem tegen!” riepen sommigen.
»Lasseert [1] hem!” schreeuwden anderen.
»Valgamedios!” mompelden de vrouwen, zich kruisende, »het is de duivel
zelf.”
Maar allen, wel verre van hem tegen te houden, vloden om het hardst; de
vermetele knaap vervolgde zijn snellen draf met een spottenden glimlach
om de lippen, een verhit gelaat, bliksemende oogen en links en rechts
slagen uitdeelende met zijn chicote (zweep) aan allen, die zich te
dicht in zijne nabijheid waagden, of die ongelukkig verhinderd werden
zich zoo spoedig, als zij wel gewild hadden, te verwijderen.
»He! he! Caspita!” riep, toen de knaap hem onder het voorbijgaan
aanraakte, een vaquero (koeherder) met dom gezicht en forsche
ledematen; »naar den duivel met dien schurk, die mij bijna het onderste
boven smeet! O, maar wacht,” ging hij voort, na een blik op den
jongeling geslagen te hebben, »ik bedrieg mij niet, het is Rafaël, de
zoon van mijn meester! Wacht even, picaro (schelm)!”
Terwijl hij nog bezig was deze alleenspraak tusschen de tanden te
mompelen, ontrolde de vaquero de lasso, die aan zijn gordel hing, en
begon hij den ruiter achterna te hollen.
De menigte, die zijn plan begreep, juichte hem met verrukking toe.
»Bravo! bravo!” riepen allen.
»Mis hem niet, Cornejo!” schreeuwden de vaqueros, hem met handgeklap
aanmoedigende. Cornejo naderde al gaandeweg den knaap, voor wien de
hinderpalen meer en meer toenamen.
Door het geschreeuw der omstanders gewaarschuwd voor het gevaar, dat
hem bedreigde, wendde de ruiter het hoofd om.
Toen zag hij den vaquero.—Een akelige loodkleur overdekte zijn gelaat;
hij begreep, dat hij verloren was.
»Laat mij ontkomen, Cornejo,” riep hij met sidderende stem.
»Neen, neen!” brulde de menigte, »lasseer hem! lasseer hem!”
Het volk vond behagen in die menschenjacht, het vreesde van een zoo
belangwekkend schouwspel beroofd te zullen worden.
»Geef u over!” antwoordde de reus; »anders, ik waarschuw u, lasseer ik
u als een Ciboto!”
»Ik geef mij niet over!” zeide de knaap vastberaden.
De twee sprekers renden altijd voort, de eene te voet, de andere te
paard.—De menigte volgde, brullend van genot. Zoo is het gepeupel
overal, barbaarsch en onmeêdoogend.
»Laat mij gaan, zeg ik u!” riep de knaap, »of ik zweer u bij de
gebenedijde zielen uit het vagevuur, gij komt er slecht af.”
De vaquero grinnikte, en zeide:
»Pas op, Rafaël, voor de laatste maal vraag ik het u, wilt gij u
overgeven?”
»Neen! duizendmaal neen!” riep de knaap woedend.
»In Gods naam dan!” zeide de vaquero en slingerde hem de lasso naar het
hoofd.
Nu had er iets buitengewoons plaats. Rafaël hield plotseling zijn paard
in, zoodat het stokstijf staan bleef, en uit den zadel springende wierp
hij zich als een jaguar op den reus, die door den schok ter aarde viel,
en, voordat iemand het kon verhinderen, stiet hij hem het mes, dat de
Mexicanen altijd bij zich aan den gordel dragen, in de keel.
Een lange bloedstraal spoot in het aangezicht van den knaap; de vaquero
maakte nog eenige stuiptrekkingen en bleef toen onbewegelijk liggen.
Hij was dood!
De menigte slaakte een kreet van schrik en afgrijzen. Snel als de
bliksem had de knaap zich weêr in den zadel geworpen, en zijn mes
zwaaiende, hernieuwde hij met een duivelschen lach zijn wanhopigen rid.
Toen men, nadat het eerste oogenblik van schrik voorbij was, den
moordenaar op nieuw wilde vervolgen, was hij verdwenen.
Niemand wist welken kant hij was opgegaan. Gelijk meestal in dergelijke
omstandigheden, kwam de juez de letras (strafrechter), door een stoet
van alguacils (gerechtsdienaars) omgeven, op de plaats, waar de moord
geschied was, aan, juist toen het te laat was.
De juez de letras, don Inigo tormentos Albaceyte, was een man van
omstreeks 50 jaar, klein en gezet, met een vollemaansgezicht, die een
gouden met diamanten omzette snuifdoos bij zich droeg, en onder
schijnbare goedhartigheid een onverzadigbare geldgierigheid verborg.
De magistraat verontrustte zich, naar het scheen, volstrekt niet over
de vlucht van den moordenaar, hij schudde eenige malen het hoofd, wierp
een blik op de menigte rondom zich en zeide onder het nemen van een
snuifje:
»Arme Cornejo! het zou toch stellig eenmaal zoo met u zijn afgeloopen;
was het van daag niet, dan toch morgen.”
»Ja,” zeide een lepero, »hij is netjes van kant gemaakt.”
»Dat dacht ik al,” hernam de rechter, »de man, die het gedaan heeft, is
een man van het vak.”
»Ha! wel zeker,” antwoordde de lepero, de schouders ophalende, »het is
een kind.”
»Bah!” riep de rechter met geveinsde verwondering en, den man die tot
hem sprak even van onder zijne oogleden aanziende, »een kind!”
»Ten naasten bij,” zeide de lepero, trotsch op de aandacht, die men aan
zijne woorden schonk, »’t is Rafaël: de oudste zoon van don Ramon.”
»Nu, nu!” antwoordde de rechter met stille zelfvoldoening; »maar dat is
immers niet mogelijk; Rafaël is ter nauwernood zestien jaar, hij zal
wel geen twist gezocht hebben met Cornejo, die hem met ééne hand had
kunnen verpletteren.”
»’t Is toch zoo, Excellentie; we hebben het allen gezien; Rafaël heeft
gedobbeld bij don Aquilar; het schijnt dat de kans hem niet gunstig
geweest is; hij heeft al zijn geld verloren; toen is hij woedend
geworden en heeft het huis in brand gestoken.”
»Caspita!” riep de rechter.
»Het is gelijk ik de eer heb u te zeggen; Excellentie; kijk, men kan
den rook nog zien, alhoewel het huis reeds uitgebrand is.”
»Inderdaad,” hernam de rechter, den vinger van den lepero met het oog
volgende, »en toen?”
»Toen,” vervolgde de ander, »heeft hij zich natuurlijk uit de voeten
willen maken; Cornejo trachtte hem tegen te houden...”
»Daar had hij gelijk in!”
»Daar had hij geen gelijk in, daar Rafaël hem gedood heeft.”
»Dat is waar,” zeide de rechter, »maar houd u bedaard, mijne vrienden,
de gerechtigheid zal hem wreken.”
Dit woord werd door de omstanders met een spottenden glimlach
aangehoord.
De magistraat, zonder zich veel over den indruk, dien zijne woorden
gemaakt hadden, te bekommeren, beval aan zijn gevolg, dat den
overledene reeds doorzocht en geplunderd had; het lijk op te nemen en
naar den ingang der naastbijzijnde kerk te brengen; vervolgens trad hij
zijn huis binnen, zich vergenoegd de handen wrijvende.
Tien sterk gewapende alguacils wachtten hem te paard aan de deur op;
een bediende hield een prachtigen, zwarten hengst, die van ongeduld
stampvoette, bij den toom. Don Inigo zette zich in den zadel, plaatste
zich aan het hoofd zijner manschappen en de troep verwijderde zich.
»Nu, nu,” zeiden de nieuwsgierigen, die in de buurt op den drempel
hunner woningen post hadden gevat, »juez Albaceyte begeeft zich naar
don Ramon Garillas, wij zullen morgen wat nieuws hebben.” »Caspita!”
antwoordden anderen, »dat lieve zoontje van hem heeft den strop,
waaraan hij zal opgehangen worden, niet gestolen; hij heeft hem eerlijk
verdiend.”
»Hm!” zeide een lepero met een spijtigen glimlach, »het zou jammer
wezen, de schelm belooft wat te zullen worden, op mijn woord! De
cuchillada (snede), die hij Cornejo heeft toegebracht, is heerlijk. De
arme duivel is op een onberispelijke wijze van kant gemaakt.”
De rechter vervolgde ondertusschen zijn weg en bevond zich weldra in
het veld.
Toen, zich in zijn mantel wikkelende, vroeg hij:
»Zijn de wapens geladen?”
»Ja, Excellentie,” antwoordde de hoofdman der alguacils.
»Goed! naar de hacienda (hoeve) van don Ramon Garillas, en in een
goeden draf; wij moeten er voor het aanbreken van den nacht zijn.”
De troep zette zich in galop.
II.
DE HACIENDA DEL MILAGRO.
De omstreken van Hermosillo zijn ware woestijnen. De weg, die van deze
stad naar de hacienda del Milagro (Wonderhoeve) voert, is vooral somber
en dor.
Slechts bij lange tusschenpoozen ziet men hier en daar eenige
gomboomen, Peruboomen, konzenieljes en cactussen, de eenigste planten,
die groeien kunnen op een door de loodrecht nedervallende stralen der
zon verschroeiden bodem.
Op geregelde afstanden vertoonen zich, als om den reiziger te
bespotten, de lange houten balansen der regenbakken, met een verwrongen
en hard geworden lederzak aan het eene en met steenen aan het andere
eind; maar de regenbakken zijn uitgedroogd en op den bodem is niets
meer dan een zwarte en modderige korst, waarin zich een tallooze
menigte van ongedierte beweegt; wolken van fijn en alles doordringend
stof, door de minste beweging in de lucht opgejaagd, dringen den
vermoeiden reiziger in de keel en onder elke uitgedroogde grashalm
roepen de krekels woedend den weldadigen nachtelijken dauw in.
Maar als men na een lange worsteling met allerlei moeielijkheden, zes
mijlen in deze verzengde woestijnen heeft afgelegd, vestigt het oog
zich met wellust op een prachtige oase, die eensklaps als uit den
schoot van het dorre zand schijnt omhoog ie rijzen.
Dat Eden is de Hacienda del Milagro.
Op het tijdstip, waarin ons verhaal ons verplaatst, bestond deze
hacienda, een der rijkste en uitgestrektste der provincie, in een
gebouw van twee verdiepingen, met muren van tapia en adobes (klei met
stroo) en met een rieten dak.
Men bereikte de hacienda door middel van een ontzaggelijk erf, welks
ingang, een gewelfd portaal, verzekerd was met zware slagdeuren, aan
welker eene zijde zich een sluippoort bevond. Aan de voorzijde telde
men vier kamers, welker vensters met vergulde ijzeren spijlen en van
binnen met jalousieën versierd waren; de ramen waren van glas, een
ongehoorde weelde in dat land en in dien tijd; aan iedere zijde van het
erf of patio bevonden zich de gemeenschappelijke woningen voor de
peones (arbeiders), de kinderen enz.
Gelijkvloers bestond het hoofdgebouw uit drie deelen. Eerst had men een
soort van groote vestibule, met antieke leunstoelen en canapé’s met
zittingen van cordova-leder, een konzenielje-houten tafel en eenige
tabouretten; aan de muren hingen in vergulde lijsten verscheidene oude
portretten, die de leden der familie levensgroot voorstelden; de zolder
was met een menigte van reliëfs versierd.
Een paar vleugeldeuren gaven toegang tot de zaal; recht tegenover het
patio, was er langs den geheelen muur eene verhevenheid van een voet
hoogte aangebracht; deze was met een tapijt bedekt en pronkte met eene
rij kunstig gesneden en rijk geborduurde lage tabouretten, voor ieder
waarvan een kussen om de voeten op te leggen; er was ook een klein
vierkant tafeltje, achttien duim hoog, dat tot werktafeltje diende. Dit
gedeelte van de zaal is bestemd voor de dames, die er zich op de wijze
der Mooren met gekruiste beenen nederzetten; aan den anderen kant der
zaal bevinden zich stoelen, met zittingen evenzoo geborduurd als de
tabouretten en kussens; tegenover den ingang der zaal was een andere
deur, waardoor men in de voornaamste slaapkamer kwam; hier zag men een
alcove, waarin op eene verhevenheid een paradebed was geplaatst,
versierd met eene menigte verguldsels en gordijnen van gebloemde zijde.
De lakens en sloopen waren van het fijnste linnen en met breede kant
omzoomd.
Achter het hoofdgebouw bevond zich een tweede patio, waar de keukens en
het corral (hoenderhok) geplaatst waren; daarachter was een groote
tuin, geheel ommuurd en meer dan honderd roeden lang, op engelsche
wijze aangelegd, rijk aan allerlei vreemde boomen en planten.
De hacienda vierde feest.
Het was de tijd van de matanza del ganado (slacht): de peones
(arbeiders) hadden op eenige schreden afstands een omheining gemaakt,
binnen welke zij de magere runderen van de vette afzonderden; de vetten
werden een voor een weder naar buiten gejaagd, en door een vaquero, die
met een snijdend werktuig gewapend aan den ingang stond, met één slag
afgemaakt. Zoo deze bij ongeluk missloeg, hetgeen somwijlen gebeurde,
was er een andere vaquero, die te paard het arme dier in galop
vervolgde, de lasso om zijne horens sloeg en het vasthield, totdat de
eerste het had gedood.
Achteloos tegen de gaanderij der hacienda aangeleund, stond een man van
omstreeks veertig jaar, in de rijke kleeding van een landedelman, de
schouders bedekt met een veelkleurige zarape (wollen shawl) en het
hoofd beveiligd voor de laatste stralen der ondergaande zon door een
hoed van fijn Panama-stroo, die, onder het rooken van een maïs-cigaar,
het opzicht scheen te houden over dit tooneel.
Het was een lang man, van verheven gestalte, welgevormd, met scherpe
maar schoone gelaatstrekken, die eerlijkheid en moed, maar vooral een
ijzeren wil verraadden. Zijne groote, zwarte oogen, door zware
wenkbrauwen overschaduwd, hadden een onvergelijkelijk zachte
uitdrukking; maar, als wrevel zijn bruine gelaatskleur met een rooden
gloed overtoog, nam zijn blik eene onverzettelijkheid en eene kracht
aan, die niemand kon weerstaan en die den dapperste deden aarzelen en
beven.
Hij had bovendien dat aristocratisch uiterlijk, waaraan men bij den
eersten oogopslag den afstammeling van een zuiver en edel castiliaansch
geslacht herkent.
En inderdaad, deze man was don Ramon Garillas de Sevedar, de eigenaar
van de hacienda del Milagro, die wij zoo pas beschreven hebben.
Don Ramon Garillas stamde af van een spaansch geslacht, welks stamvader
een der voornaamste luitenants van Cortes was geweest en dat zich in
Mexico gevestigd had, na de wonderbare verovering van dat land door
dien fortuinzoeker.
In het bezit van een vorstelijk vermogen, maar wegens zijn huwelijk met
eene vrouw van gemengd Aztekisch ras door de spaansche aristocratie
verstooten, had hij zich geheel en al aan het bebouwen van zijn land en
aan de verbetering zijner uitgestrekte goederen overgegeven.
Na zeventien jaar gehuwd te zijn geweest, was hij thans het hoofd van
een talrijk huisgezin, bestaande uit zes jongens en drie meisjes, in
het geheel negen kinderen, waarvan Rafaël, dien wij straks ontmoet
hebben, toen hij den vaquero zoo knaphandig afmaakte, de oudste was.
Het huwelijk van don Ramon en doña Jesusita was een huwelijk geweest
uit speculatie, alleen met het oog op het geld gesloten, maar dat
beiden toch betrekkelijk gelukkig maakte; wij zeggen betrekkelijk, want
daar het meisje het klooster verlaten had om te trouwen, had er nimmer
liefde tusschen hen bestaan, maar was deze vervangen geworden door eene
teedere en oprechte genegenheid.
Doña Jesusita bracht haar tijd door met te midden van hare indiaansche
vrouwen voor hare kinderen te zorgen; haar echtgenoot van zijn kant was
den geheelen dag bezig met zijne vaqueros, peones en jagers en zag
zijne vrouw slechts enkele oogenblikken gedurende den maaltijd, terwijl
hij soms maanden achtereen uitbleef om een jachtpartij aan de oevers
van de Rio Gila bij te wonen. Wij moeten er echter bijvoegen, dat,
afwezig of niet, don Ramon steeds met de grootste nauwkeurigheid zorg
droeg, dat er niets ontbrak aan het welzijn van zijne vrouw en dat aan
hare minste grillen werd voldaan, terwijl hij noch geld, noch moeite
spaarde om haar alles te bezorgen, wat zij scheen te verlangen.
Doña Jesusita was betooverend schoon en van een engelachtig humeur; zij
scheen, zoo niet met blijdschap, dan toch zonder al te veel verdriet de
levenswijze aangenomen te hebben, waarin haar man haar genoodzaakt had
zich te schikken; maar uit de diepte van haar groot, zwart, kwijnend
oog, uit de bleekheid van hare trekken en vooral uit de wolk van
droefheid, die voortdurend haar schoon voorhoofd met een matte
bleekheid overtrok, was het niet moeilijk op te maken, dat er in dat
verleidelijk marmerbeeld eene gloeiende ziel was opgesloten en dat dat
hart, dat zich zelf niet kende, al zijne gedachten gericht had op hare
kinderen, waaraan zij hing met al de kracht der moederlijke liefde.
Wat don Ramon betreft, altijd even goed en voorkomend voor zijne vrouw,
die hij zich nooit de moeite had gegeven om te besturen, veel min te
regeeren, hij had het recht om haar voor het gelukkigste schepsel van
de wereld te houden; en zij was het inderdaad, sedert zij moeder werd.
De zon was voor eenige oogenblikken ondergegaan; de lucht verloor
langzamerhand haar purpertint en werd hoe langer hoe donkerder; onder
het gewelf des hemels begonnen reeds eenige sterren te schitteren en de
avondwind verhief zich met eene kracht, die tegen den nacht een van die
vreeselijke onweders voorspelde, welke in deze gewesten zoo dikwijls
losbarsten.
De mayoral (hofmeester), na met zorg het overblijvende ganado (vee)
binnen de omheining te hebben doen opsluiten, verzamelde de vaqueros en
peones en allen richtten zich naar de hacienda, waar de avondmaalsklok
hen waarschuwde, dat het uur der rust eindelijk was aangebroken.
Toen de mayoral het laatst binnentrad en een buiging maakte voor zijn
meester, vroeg deze hem:
»Nu, nô Eusébio, hoeveel koppen hebben wij dit jaar?”
»Vierhonderd vijftig mi amo (mijn meester),” antwoordde de mayoral, een
groot, ernstig, mager man, met grijzende haren en een gezicht zoo geel
en uitgedroogd als een stuk oud perkament, terwijl hij zijn paard
inhield en zijn hoed afnam, »dat is te zeggen: vijf en zeventig meer
dan verleden jaar; onze buren de jaguars en de Apachen hebben ons van
’t jaar niet veel schade berokkend.”
»Dank zij uwer waakzaamheid, nô Eusébio,” hernam don Ramon; »ik zal
haar niet onbeloond laten.”
»Mijn beste belooning is het goede woord, dat Uw Genade mij ten beste
geeft,” antwoordde de mayoral, wiens ruw gelaat eensklaps ophelderde;
»is het niet mijn plicht voor al het uwe met dezelfde zorgvuldigheid te
waken, alsof het het mijne ware?”
»Ik dank u,” zeide de edelman bewogen en de hand zijns dienaars
drukkende, »ik weet, dat gij u geheel aan mij hebt toegewijd.”
»In leven en in sterven, meester; mijne moeder heeft u gezoogd, ik
behoor u en de uwen toe.”
»Kom, kom! nô Eusébio,” zeide de hacendero opgeruimd, »het souper is
gereed, de señora is zeker reeds aan tafel, laten wij haar niet langer
laten wachten.”
Daarop traden beiden binnen het patio en nô Eusébio, zooals don Ramon
hem genoemd had, maakte zich gereed om de deuren te sluiten.
Ondertusschen trad don Ramon de eetzaal der hacienda binnen, waar al de
vaqueros en peones reeds bijeen waren.
Deze eetzaal bevatte een ontzaglijk groote tafel, die geheel het
middenvak besloeg; daaromheen waren banken geplaatst met lederen
zittingen en twee gebeeldhouwde leunstoelen voor don Ramon en de
señora. Achter de leunstoelen hing aan den muur een ivoren
Christusbeeld van vier voet hoogte, midden tusschen twee schilderijen,
waarvan de eene Jezus in Gethsemané en de andere de prediking op den
berg voorstelde. Hier en daar grijnsden u van de gewitte muren
jaguars-, buffels-, of hertenkoppen tegen, die de hacendero (eigenaar
der hacienda) op de jacht gedood had.
De tafel was rijkelijk voorzien met lahua (een dikke soep van gekookt
maïsmeel met vleesch), puchero of olla podrida en pépian; op gelijke
afstanden stonden flesschen met mezkal en karaffen met water.
Op een gegeven teeken van den hacendero nam het maal een aanvang.
Weldra barstte het onweder los. De regen viel bij stroomen neder, elk
oogenblik deden felle bliksemstralen de lichten in de zaal verbleeken
en zware donderslagen den grond dreunen.
Tegen het einde van het maal klom de orkaan tot zulk eene hevigheid,
dat het gedruisch der elementen het spreken onmogelijk maakte.
De donder ratelde met eene ontzettende kracht; een rukwind drong met
geweld de zaal binnen, verbrijzelde een venster en doofde al de lichten
uit; allen die tegenwoordig waren kruisten zich al bevend.
Tegelijk weergalmde de bel van de poort der hacienda en eene stem, die
niets menschelijks had, riep tweemaal achtereen:
»Help!... help!.....”
»Jezus Christus!” riep don Ramon uit, terwijl hij met één sprong de
zaal uit was, »er wordt iemand op de vlakte vermoord.”
Er werden op hetzelfde oogenblik twee geweerschoten gehoord, een
akelige gil doorsneed de lucht en daarna verviel alles in een sombere
stilte.
Eensklaps verlichtte eene heldere bliksemstraal de duisternis, de
donder ratelde met veel geweld en don Ramon vertoonde zich wederom op
den drempel der zaal, met een man, die in onmacht gevallen was, in
zijne armen.
De vreemdeling werd op een bank gelegd, men verdrong zich om hem heen.
Het gezicht van dien man had niets buitengewoons, evenmin als zijne
kleeding, en toch, toen hij hem bemerkte, kon Rafaël, de oudste zoon
van don Ramon, een gebaar van schrik niet weêrhouden en zijn gelaat
werd bleek als dat van een doode.
»O!” mompelde hij zacht, »de juez de letras!...”
Inderdaad, het was de waardige rechter, dien wij met een zoo sierlijk
gevolg Hermosillo zagen verlaten. Zijne lange, natte haren vielen op
zijn borst, zijne kleederen waren in wanorde geraakt, op menige plaats
gescheurd en met bloed bevlekt. Zijne rechterhand hield de kolf van een
afgeschoten pistool stijf omklemd.
Don Ramon had den juez de letras ook herkend en onwillekeurig een blik
op zijn zoon geworpen, dien deze niet kon doorstaan.
De rechter, dank zij der zorgen hem door doña Jesusita en hare vrouwen
bewezen, kwam spoedig weder bij, slaakte een diepen zucht, opende een
paar woeste oogen, die hij over de omstanders liet gaan zonder nog iets
te zien, en herkreeg langzamerhand zijn bewustzijn.
Eensklaps deed een levendig rood zijn even te voren zoo bleek voorhoofd
kleuren; zijne oogen schitterden, terwijl hij op Rafaël een blik wierp,
die dezen aan den grond vastnagelde en aan een onverwinnelijke vrees
ten prooi liet.
Daarna hief hij zich met moeite op, trad naar den jongeling die hem zag
aankomen, zonder hem te durven ontwijken, legde hem ruw de hand op den
schouder, en vervolgens zich tot de verschrikte peones wendende, die
van dit alles niets begrepen, zeide hij op plechtigen toon:
»Ik, don Inigo tormentos d’ Albaceyte, juez de letras der stad
Hermosillo, arresteer in naam des Konings dezen man, overtuigd van
moord!....”
»Genade!” riep Rafaël, zich op de knieën werpende en wanhopig de handen
vouwende.
»Wee mij!”—gilde de arme moeder in zwijm vallende.
III.
HET VONNIS.
Den volgenden dag rees de zon prachtig aan de kimmen. Het onweder van
dien nacht had den bewolkten horizont schoongeveegd; de vogels
fladderden en zongen onder de bladeren verborgen; geheel de natuur had
haar gewoon feestelijk aanzien herkregen.
De klok van de hacienda del Milagro liet hare heldere slagen hooren; de
peones begonnen zich in alle richtingen te verspreiden, deze om de
paarden te laten grazen, gene om het rundvee naar de kunstmatige weiden
te voeren, andere wederom, die zich naar den akker begaven, terwijl nog
anderen zich in het patio onledig hielden met het melken der koeien en
het herstellen der door het onweder veroorzaakte schade.
De eenige sporen, van den nachtelijken storm overgebleven, waren twee
prachtige jaguars, die dood voor de deur lagen uitgestrekt, niet ver
van het half verscheurde lijk van een paard.
Nô Eusébio, die in het patio heen en weer wandelde en een wakend oog
hield over allen, die daar aan het werk waren, liet het rijke tuig van
het doode paard wegnemen en schoonmaken en gaf bevel om de jaguars het
vel af te stroopen. Zijn bevel werd in een oogwenk volbracht.
Desniettemin was nô Eusébio niet op zijn gemak; don Ramon, gewoonlijk
het eerst op in de hacienda, was nog niet verschenen.
Den vorigen avond, na de verpletterende aanklacht door den juez de
letras tegen den oudsten zoon van den hacendero uitgebracht, had deze
zijne dienaars gelast zich te verwijderen en na zelf, ondanks de tranen
en gebeden zijner vrouw, zijn zoon stevig gekneveld te hebben, had hij
don Inigo d’ Albaceyte in eene achterkamer der hoeve gebracht, waar
beiden tot laat in den nacht hun verblijf hielden.
Wat was er voorgevallen gedurende dat onderhoud, dat beslist moest
hebben over het lot van Rafaël? Niemand wist het, nô Eusébio evenmin
als de anderen.
Na vervolgens don Inigo naar zijn slaapvertrek geleid en hem een goeden
nacht gewenscht te hebben, had don Ramon zich bij zijn zoon vervoegd,
bij wien de arme moeder nog altijd zat te schreien. Zonder een woord te
spreken had hij den knaap in zijne armen genomen en in zijne slaapkamer
gebracht, waar hij hem op den grond naast zijn ledikant had
nedergelegd, vervolgens had de hacendero de deur op het nachtslot
gedaan en was hij gaan liggen, met twee pistolen naast zijn
hoofdkussen. Op die wijze was de nacht voorbijgegaan, terwijl vader en
zoon in het donker elkander met woeste, vurige blikken lagen aan te
staren en de arme moeder neergeknield lag op den drempel der kamer,
waartoe haar de ingang was ontzegd, in stilte weenende om haar
eerstgeborene, die, gelijk haar voorgevoel haar zeide, haar eerlang
voor altijd zou ontnomen worden.
»Hm!” mompelde de mayoral, »wat moet er van dat alles komen? Don Ramon
is geen man om iets door de vingers te zien, hij zal geen verdrag
sluiten met zijne eer. Zal hij zijn zoon aan het gerecht overleveren?
Neen! dat niet.—Maar wat zal hij dan doen?”
De waardige mayoral was zoover met zijne overdenkingen gekomen, toen
don Inigo d’Albaceyte en don Ramon in het patio verschenen.
Het gelaat der twee mannen was ernstig, dat van den hacendero vooral
was somber als de nacht.
»Nô Eusébio,” zeide don Ramon, »laat een paard zadelen en een geleide
van vier man opzitten om dezen heer naar Hermosillo te brengen.”
De mayoral boog eerbiedig en gaf onmiddellijk de noodige bevelen.
»Ik bedank u duizendmaal,” ging don Ramon voort, zich tot den rechter
wendende, »gij redt de eer van mijn huis.”
»Wees mij niet zoo dankbaar, mijnheer,” antwoordde don Inigo, »ik zweer
u, dat, toen ik gisteren avond de stad verliet, ik geen ander doel had
dan u welgevallig te zijn.”
De hacendero maakte eene beweging met zijn hand.
»Stel u in mijne plaats, ik ben vóór alles strafrechter; men vermoordt
iemand, een slechten knaap, dat stem ik u toe, maar toch een mensch,
alhoewel van de minste soort; de moordenaar is bekend, hij rijdt in
galop door de stad op klaarlichten dag, voor aller oogen, met een
ongeloofelijke onbeschaamdheid; wat moest ik doen? Natuurlijk hem
vervolgen. Ik heb dan ook niet geaarzeld dit te doen.”
»Dat is zoo,” mompelde don Ramon, het hoofd latende hangen.
»En ’t is mij slecht bekomen; de schelmen die mij vergezelden hebben
mij, toen het onweder het zwaarst was, als lafaards verlaten, om zich,
ik weet niet waar, te verbergen; tot overmaat van smart begonnen twee
jaguars, overigens prachtige dieren, mij te vervolgen; zij kwamen mij
zóó nabij, dat ik vóór uwe deur van mijn paard ben gevallen; één heb ik
er wel is waar gedood, maar de andere stond juist op het punt mij te
verscheuren, toen gij mij te hulp kwaamt. Mocht ik daarna den zoon
arresteeren van den man, die mij het leven had gered op gevaar van het
zijne te verliezen? Dat zou de zwartste ondankbaarheid geweest zijn.”
»Nogmaals dank daarvoor!”
»Geen dank, wij hebben afgerekend, dat is alles. Ik spreek niet van
eenige duizenden piasters, die gij mij gegeven hebt, omdat zij dienen
zullen om mijne lieden den mond te stoppen; maar geloof mij, don Ramon,
bewaak uw zoon; zoo hij eens weder in mijne handen viel, zou ik hem
niet kunnen redden.”
»Wees gerust, don Inigo, mijn zoon zal niet weder in uwe handen
vallen.”
De hacendero sprak deze woorden op een zoo somberen toon uit, dat de
rechter zich sidderend omwendde.
»Wees voorzichtig en bedenk wat gij doen gaat!” zeide hij.
»O, vrees niets,” antwoordde don Ramon; »maar daar ik niet verkies, dat
mijn zoon op het schavot komt en mijn naam door het slijk sleurt, zoo
zal ik er orde op weten te stellen.”
Op dit oogenblik werd het paard voorgebracht.—De juez de letras zette
zich in den zadel.
»Nu, vaarwel! don Ramon,” zeide hij op een genadigen toon, »wees
voorzichtig, dat jonge mensch kan zich verbeteren, hij heeft maar wat
vurig bloed in de aderen, dat is alles.”
»Vaarwel, don Inigo d’Albaceyte,” antwoordde de hacendero kortaf.
De rechter schudde het hoofd, en nu zijn paard de sporen gevende, reed
hij op een draf weg, gevolgd door zijn escorte. De hacendero volgde hem
met de oogen, zoolang hij kon, toen trad hij de hacienda wederom
binnen.
»Nô Eusébio,” zeide hij tot den mayoral, »luid de klok om de peones en
de overige bedienden der hacienda bijeen te roepen.”
De mayoral, na zijn meester verbaasd te hebben aangestaard, haastte
zich, het ontvangen bevel ten uitvoer te brengen.
»Wat beteekent dat alles!” zeide hij.
Op het gelui der klok, kwamen al de lieden der hacienda aanloopen, niet
wetende waaraan zij de buitengewone oproeping moesten toeschrijven.
Weldra waren zij vereenigd in de groote zaal, die tot eetzaal had
gediend. Er heerschte onder hen een volmaakte stilte. Een bange vrees
beklemde hun hart. Zij hadden een voorgevoel, dat er iets vreeselijks
gebeuren zou.
Na eenige minuten gewacht te hebben, trad doña Jesusita omringd van
hare kinderen met uitzondering van Rafaël binnen en nam plaats op eene
verhevenheid aan het einde der zaal.
Haar aangezicht was bleek, hare roode oogen toonden, dat zij geweend
had.
Don Ramon verscheen.
Hij droeg een zwart fluweelen kleed, zonder borduursel, op zijn borst
hing een zware gouden keten; een zwart vilten hoed met breeden rand,
versierd met een arendsveder, bedekte zijn hoofd; een lange degen met
ijzeren gevest hing aan zijne linkerzijde.
Zijn voorhoofd was gerimpeld, zijne wenkbrauwen waren gefronst boven
zijne zwarte, vlammenschietende oogen.
Eene siddering doorliep de reien der omstanders.—Don Ramon Garillas
verscheen als rechter.
»Zou er recht gesproken worden? Maar over wien?”
Toen don Ramon rechts van zijne vrouw plaats genomen had, gaf hij een
teeken.
De mayoral verwijderde zich en kwam een oogenblik later met Rafaël
weder binnen.
De jongeling was blootshoofds; zijne handen waren achter op zijn rug
gebonden.
Met neêrgeslagen oogen en verbleekt gelaat, plaatste hij zich voor zijn
vader, dien hij eerbiedig groette.
In den tijd, waarin dit verhaal ons verplaatst, vooral in de landen,
die ver van eenige hoofdplaats verwijderd en blootgesteld waren aan de
gedurige invallen der Indianen, hadden de hoofden der huisgezinnen nog
in al zijne zuiverheid dat patriarchale gezag bewaard, dat onder den
invloed der beschaving hoe langer hoe meer begint te verdwijnen.
Een vader was souverein in zijn huis; zijne vonnissen waren zonder
appél en werden steeds zonder tegenstand uitgevoerd.
Die lieden der hacienda kenden het vaste karakter en den
onverzettelijken wil van hun meester; zij wisten dat hij nooit vergaf,
dat zijn eer hem dierbaarder was dan zijn leven; het was daarom met een
onbeschrijfelijk gevoel van angst, dat zij zich gereed maakten om
tegenwoordig te zijn bij het vreeselijk drama, dat er tusschen vader en
zoon zou gespeeld worden.
Don Ramon richtte zich op, liet een somberen blik over de vergadering
gaan, en zijn hoed op den grond werpende, zeide hij langzaam en met den
klemtoon op iedere lettergreep.
»Luistert allen; ik ben van een oud christelijk geslacht; mijne
voorouders hebben zich nooit vergrepen; de eer is in mijn huis altijd
beschouwd geworden als het hoogste goed; die eer, die mijne vaderen mij
zonder smet hebben overgeleverd en die ik getracht heb zuiver te
bewaren, is door mijn oudsten zoon, den erfgenaam van mijn naam,
onuitwischbaar geschandvlekt. Gisteren te Hermosillo, heeft hij,
tengevolge van een twist in een speelhuis, een huis in brand gestoken,
op gevaar af van de geheele stad aan de vlammen prijs te geven, en een
man, die zich tegen zijne vlucht wilde verzetten, met een dolkstoot
vermoord. Wat moet ik denken van een knaap, die zóó jong het karakter
van een wild dier toont te hebben? Er moet recht gedaan worden en, zoo
waarachtig als God leeft, ik zal gestreng zijn!”
Na deze woorden kruiste don Ramon de armen over zijne borst en scheen
dieper adem te halen.
Niemand waagde het een woord uit te spreken ten gunste van den
beschuldigde; aller oog was ter aarde geslagen, aller borst hijgde.
Rafaël was bemind door al de bedienden van zijn vader wegens zijne
onverschrokkenheid, die geen palen kende; wegens zijne behendigheid in
het behandelen van paard en wapenen; en meer dan dit alles, wegens de
rondborstigheid en de goedheid, die de hoofdtrekken van zijn karakter
waren. In dit land vooral, waar het leven van een mensch zoo weinig
geteld wordt, was ieder innig geneigd om den knaap te verontschuldigen
en om in de gepleegde misdaad slechts een gevolg te zien van verhit
bloed en opgewekten toorn.
Doña Jesusita richtte zich op; zij had zich altijd zonder morren
gebogen voor den wil van haar man, dien zij sedert lange jaren gewoon
was te eerbiedigen; het denkbeeld alleen van hem weêrstand te bieden,
verschrikte haar en deed haar een huivering door de leden gaan; maar al
de kracht van hare liefde had zich in haar hart op één punt vereenigd:
zij aanbad hare kinderen, bovenal Rafaël die wegens zijn ontembaar
karakter, meer dan de anderen, de zorgen eener moeder noodig had.
»Mijnheer,” zeide zij tot haar echtgenoot met een bedrukte stem,
»bedenk dat Rafaël uw eerstgeborene is, dat zijn misdrijf, hoe zwaar in
uwe oogen, niet geheel zonder verontschuldiging zijn kan, dat gij zijn
vader zijt, en dat ik!—ik! riep zij uit, op de knieën vallende, de
handen vouwende en in tranen uitbarstende,—dat ik uw medelijden inroep;
genade, mijnheer! genade voor mijn zoon!”
Don Ramon richtte zijn vrouw met koele plechtstatigheid op en dwong
haar om weder plaats te nemen.
»Het is vooral als vader,” zeide hij, »dat mijn hart zonder medelijden
zijn moet!... Rafaël is een moordenaar en een brandstichter, hij is
mijn zoon niet meer!”
»Wat wilt gij met hem doen?” riep doña Jesusita angstig uit.
»Wat gaat het u aan, mevrouw?” antwoordde don Ramon heftig, »de zorg
voor mijne eer betreft mij alléén; het zij u genoeg te weten dat dit
misdrijf het laatste is dat uw zoon begaan zal.”
»O,” riep zij met schrik, »wilt gij dan zijn beul zijn?...”
»Ik ben zijn rechter,” hernam de onverzoenlijke edelman op vreeselijken
toon. »Nô Eusébio, zadel twee paarden!”
»God, mijn God!” gilde de arme vrouw, naar haar zoon ijlende, dien zij
met haar armen omklemde, »zal dan niemand mij te hulp komen!”
Al de omstanders waren bewogen. Don Ramon zelf kon een traan niet
weêrhouden.
»O,” riep de moeder verheugd, »hij is gered! God heeft het hart van
dezen ijzeren man vermurwd!”
»Gij vergist u, mevrouw,” viel don Ramon haar in de rede, haar norsch
terugstootende; »uw zoon behoort niet aan mij, maar aan mijne
gerechtigheid!”
Toen op zijn zoon een blik werpende, koud als het lemmer van zijn
zwaard, zeide hij op een toon, die den knaap zijns ondanks deed
sidderen.
»Don Rafaël, van dezen oogenblik afaan maakt gij geen deel meer uit van
deze maatschappij, die gij tot een schrik zijt geweest; ik veroordeel u
om met de wilde dieren te leven en te sterven.”
Bij dit verschrikkelijk vonnis deed doña Jesusita eenige wankelende
stappen, en viel toen voorover op den grond in zwijm.
Rafaël had tot nu toe met veel moeite in zijn hart de aandoeningen
onderdrukt, die hem bewogen, maar nu kon hij zich niet langer
weêrhouden; hij vloog naar zijne moeder in tranen wegsmeltende, en een
hartverscheurenden gil uitstootende, riep hij: »Moeder! Moeder!”
»Kom!” zeide don Ramon, hem de hand op den schouder leggende.
De knaap waggelde als een beschonken mensch.
»Zie toch, mijnheer! maar zie dan toch!” riep hij snikkend uit, »mijne
moeder sterft!”
»Gij zijt het die haar gedood hebt,” antwoordde de hacendero koel.
Rafaël keerde zich om alsof een slang hem gebeten had; hij sloeg op
zijn vader een vreemdsoortigen blik, en met op elkander gesloten
tanden, en bleek voorhoofd zeide hij tot hem:
»Dood mij, mijnheer, want ik zweer u, dat evenals gij zonder medelijden
voor mijne moeder en voor mij zijt geweest, ik zoo lang ik leef zonder
medelijden voor u zal zijn!”
Don Ramon wierp hem een verachtelijken blik toe.
»Laat ons gaan,” zeide hij.
»Laat ons gaan,” herhaalde de knaap, op vasten toon. Doña Jesusita, die
begon te herleven, werd als in een droom het vertrek van haren zoon
gewaar.
»Rafaël! Rafaël!” riep zij op zielroerenden toon uit.
De jongeling aarzelde een seconde, toen kwam hij met één sprong bij
haar, omhelsde haar teeder, en daarop tot zijn vader gaande, zeide hij:
»Nu kan ik sterven, ik heb mijne moeder vaarwel gezegd!”
Zij vertrokken.
De omstanders gingen uiteen zonder elkander hunne gedachten te durven
mededeelen, maar ter prooi aan eene diepe smart.
Onder de omhelzingen van haar zoon had de moeder op nieuw hare kennis
verloren.
IV.
DE MOEDER.
Twee paarden, door nô Eusébio bij den toom gehouden, wachtten aan de
deur der hacienda.
»Zal ik uwe genade vergezellen?” vroeg de mayoral.