[334] Dante was overtuigd dat hij van Romeinsche afkomst was. Het

is waarschijnlijk, dat zijn geslacht (Alighieri) afstamde van

de Romeinsche Frangipani van later dagen. In de Divina Commedia

(Inferno XV, 61) laat hij zijn ouden leermeester Brunetto Latini met

minachting en haat spreken over de bestie Fiesolane, "dat ondankbaar

en kwaadwillig volk, dat in vroeger dagen van Fiesole nederdaalde" en

twist en andere ellende in Florence bracht. In den Paradiso spreekt

Justinianus over den Romeinschen adelaar, die verderf bracht over

den heuvel, aan welks voet Dante was geboren.

[335] Blijkbaar gebouwd op de plaats van den tempel, misschien door

St. Ambrosius, die zooals bekend is, in 394 de S. Lorenzo gesticht

heeft of door zijn vriend Zenobius of misschien in de zesde eeuw? of

door Theodelinda? Het was de kathedraal tot 1128, toen deze eer

overging op de S. Salvatore (S. Reparata?), het origineel van S. M. del

Fiore. Gedurende veertien eeuwen ongeveer heeft Dante's il mio bel

San Giovanni gediend als het eenige Katholieke baptisterium voor de

Florentijnen. Hier werd Dante, evenals zijn voorvader Cacciaguida,

gelijk hij ons vertelt, gedoopt, en hier hoopte hij, tevergeefs,

eenmaal als dichter gekroond te worden (Paradiso XV, 135).

[336] Paradiso XVI, 145. Men zie ook Inferno XXVIII, 107, waar

Dante het beroemd geworden gezegde van Mosca dei Lamberti aanhaalt:

"Cosa fatta capo ha" d.w.z. wie eenmaal begonnen is, dient door te

zetten. [Vertaler].

[337] Ond' ella (Fiorenza) toglie ancora e terza e nona, Paradiso

XV, 98.

[338] Paradiso XV en XVI.

[339] Disviluppato dal mondo fellace. Par. XV, 146.

[340] Inferno X, 36, come avesse lo inferno in gran dispitto.

[341] Omstreeks dezen tijd stelden de Florentijnen, in plaats van

Consuls, als hun hoogsten magistraat een Podestà aan (een "Macht"

of "Autoriteit", bijna een dictator, oorspronkelijk de naam van

een Duitsch bestuurder, die door den Keizer voor een stad werd

benoemd). Hij was geen Florentijn, maar een vreemdeling en hij mocht

geen Florentijnsche trouwen en ook niet eten of drinken in het huis

van een burger.

[342] Een treffend voorbeeld van deze wijze van bouwen wordt

gegeven door de vijftig (thans dertien) torens van het kleine stadje

S. Gimignano. Zie Plaat 54.

[343] Voor verdere bijzonderheden zie Lijst der Illustraties.

[344] De beginselen, die tot uiting kwamen door den boog, die door

zuilen gedragen wordt, den door hangbogen gedragen koepel en den

spitsboog schijnen te wijzen op de ontwikkeling van een nieuwen

stijl. Ook de Romaansche bouwkunst bezat oorspronkelijkheid.

[345] Het was juist in deze twee eeuwen (800-1000), zooals wij

hebben gezien, dat de Venetianen hun stad met prachtige gebouwen

begonnen te versieren. (De oorspronkelijke S. Marco dateert van 830;

het oorspronkelijk Doge-Paleis en de S. Zaccaria zijn uit dezelfde

periode; de tegenwoordige Torcello-Kathedraal is grootendeels van

864). Maar Venetië stond in nauwe betrekking met de Oostersche en de

Byzantijnsche architectuur en nam geen voornaam deel aan de Romaansche

beweging, ofschoon het eenige zeer schoone voorbeelden van Romaanschen

stijl bezat, zooals de paleizen, die men op Plaat 56 kan zien, en de

apsis (die nu afschuwelijk gerestaureerd is) van Murano's basiliek,

die Ruskin met zoo groote bewondering noemt.

[346] De vensters van de hoofdbeuk, zie p. 265.

[347] De volgende kerken zijn de voornaamste van vroeg

Duitsch-Romaanschen stijl. De jaartallen wijzen aan, wanneer de

oorspronkelijk Romaansche gedeelten van deze kerken, (waarvan de

meeste nu herbouwd zijn) werden opgericht: Gernrode (960). Keulen,

St. Maria im Capitol en de kerk van de Apostelen (960-1020). Mainz,

Dom (970-1050). Trier, Dom (1016) Spiers, Dom (1030-1100). Worms,

Dom (1120-1200). Laach-Abdij (1100).

[348] Ongeveer 1060 bouwde Robert Guiscard te Salerno en op andere

plaatsen kerken in den Lombardisch-Romaanschen stijl, die door de

koningen der Noormannen later in Sicilië werd ingevoerd.

[349] Het Indisch godsdienstig symbool, dat uit een kruis, met vier

gelijke armen bestaat, wier uiteinden in den vorm eener gamma zijn

omgebogen. [Swastika.]

[350] Dit is de eenige kerk in Rome, die uitwendig duidelijk Romaansche

trekken vertoont b.v. een diep terugwijkende arcade rondom het

bovengedeelte van de apsis, die in de twaalfde eeuw gebouwd is, na

de verwoesting van de oude kerk door de Saracenen van Robert Guiscard

in 1084.

[351] Ruskin in zijn Stones of Venice beschouwt die schacht als een

"versteenden" vorm van de houten opstanden in de oude gebouwen van het

Noorden. "De opstand-pilaar op den pijler van het schip blijft in het

steenen gebouw. In dien vorm brachten de Lombarden het in Italië in

de zevende eeuw en het bestaat nog heden ten dage in de S. Ambrogio

te Milaan en in de S. Michele te Pavia".

[352] Merkwaardig is het kleiner aantal zuilen van de tweede en

vierde rij in de façade en de middelste zuilen van de twee hoogste

rijen boven de middelste bogen van de twee lagere; ook de negentien

bogen van de eerste rij tegen éen en twintig van de tweede. De façade

dagteekent waarschijnlijk uit 1120, ofschoon sommigen het een eeuw

later stellen. Zonder twijfel werd het dikwijls gerestaureerd. Met

den klokketoren werd zeker omstreeks 1175 een begin gemaakt, maar

hij veel later voltooid.

[353] Een zeer interessante kerk te Lucca is de S. Frediano,

oorspronkelijk gesticht, evenals de Duomo, omstreeks 570 door den

Ierschen bisschop Frigidianus. Die kerk werd c. 1120 herbouwd. Zij

heeft de gewone Romaansche colonnade om de buitenzijde van de apsis,

doch met horizontale architraven in plaats van bogen. De vierkante

klokketoren van den Duomo heeft prachtige verhoudingen. De ronde,

Pisaansche campanile met arcaden schijnt geen navolging gevonden

te hebben.

[354] Purgatorio XII, 101. "De kerk, die de goed bestuurde

(d.w.z. slecht bestuurde) stad boven den Ponte di Rubaconta

beheerscht". Zij staat op een heuvel, Monte alle Croci, bij de stad,

aan den zuidelijker oever van den Arno. De brug heet thans Ponte

della Grazie. Volgens Machiavelli was die kerk in 1002 ongeveer door

Hendrik II gesticht. Anderen geven het jaartal 1013.

[355] Volgens sommigen is de façade van de vijftiende eeuw of later;

zonder twijfel is er veel aan gerestaureerd en bijgevoegd, maar

waarschijnlijk is het geheele plan toch van de elfde eeuw.

[356] Zonder twijfel bestaat er meer dan toevallige overeenkomst

tusschen de bouwkunst der Noormannen op Sicilië en in Normandië,

zooals men kan zien bij de kathedraal te Cefalù, die blijkbaar volgens

hetzelfde plan is gebouwd als de groote St.-Etienne te Caen van Willem

den Veroveraar. De kathedraal te Cefalù werd waarschijnlijk gesticht

in 1129 en de St. Etienne werd kort na Willem's dood, die in 1087

plaats vond, voltooid.

[357] Buiten de Porta Agata en dicht bij het tooneel van den

Siciliaanschen Vesper. Deze kerk werd gesticht door den Engelschen

Aartsbisschop van Palermo, Of a Mill (Offamilio). Wij moeten ook niet

vergeten, dat de Koningin van Sicilië in dezen tijd een Engelsche

prinses was (zie p. 365).

[358] Van de andere zeer talrijke paleizen in en rondom Palermo,

bestaan er nog slechts weinige, zooals de Zisa (door Willem I gebouwd),

de Cuba (door Willem II gebouwd) en de Favara, een Saraceensch kasteel

van de Noormannen, dat later door Frederik II werd gebruikt.

[359] Er wordt verteld dat de Abt Desiderius van Monte Cassino vele

Byzantijnsche kunstenaars c. 1066 naar Italië heeft gehaald.

[360] Desniettegenstaande schijnen dergelijke fraaie mozaïeken, zooals

in de S. Clemente (Rome) en de S. Maria in Trastevere (plaat 57)

tot de twaalfde eeuw te behooren. Of deze en ook de mozaïeken van de

koningen der Noormannen het werk waren van Romeinsche of Byzantijnsche

artisten of van een onafhankelijke Lombardisch-Siciliaansche school

is een punt, dat niet alleen door de techniek en het materiaal, maar

ook door de keuze en behandeling van de onderwerpen en de symboliek

bewezen moet worden.

[361] Zie ook p. 103 (aanteekeningen bij de eerste plaat van de

munten).

[362] Zoo genoemd naar de Zecca, het Muntgebouw te Venetië.

[363] Hij gaf aan hun wraak de stad en vesting Tusculum over; deze stad

(dit moet men toegeven) was langen tijd een nest van "Tusculaansche

Graven" geweest en berucht door dergelijke Pausen als Benedictus IX en

bovendien het republikeinsche Rome een doorn in het oog. Het werd nu

geheel en al verwoest. Zoo verdween dan de stad gesticht door den zoon

van Odysseus en Circe, Telegonus (vgl. Horatius, Oden III. 29.8), de

vaderstad van Cato, het tooneel van Cicero's Tusculanae Disputationes.

[364] In 1192 werd Richard Leeuwenhart door Leopold van Oostenrijk,

dien hij na de inneming van Akko beleedigd had, te Weenen gevangen

genomen en aan Hendrik VI overgeleverd. Deze gevangenneming, zegt men,

was gerechtvaardigd, omdat Richard Leeuwenhart gekomen was om Hendrik

den Leeuw in zijn opstand tegen den Keizer te steunen. In het begin van

1194 werd Richard na betaling van een hoog losgeld weder vrij gelaten.

[365] Zie hier een andere lezing:

Het bericht van dit late moederschap (volgens Villani was Constantia

reeds over de vijftig!) stemde de bevolking van Palermo nog al

sceptisch; men vermoedde, dat een kind onderschoven zou worden. Om die

geruchten den kop in te drukken, bedacht men een eenvoudig middel:

de koningin beviel op een openbaar plein te Palermo, in een groote

tent, waar alleen vrouwen toegang hadden. [Vertaler].

[366] Ook de koning van Engeland, Jan zonder Land (1199-1216). Nadat

hij zich eerst hevig verzet had en Innocentius den banvloek over hem

had uitgesproken, wierp hij zich ten slotte voor de voeten van Pandulf,

den pauselijken gezant, toen deze te Dover landde, en kreeg uit diens

handen, als vazal van den Paus, zijn kroon terug.

[367] Zie "Aanteekening over de Byzantijnsche Keizers". De zoogenaamde

vierde Kruistocht, waar Gibbon in hfdst. LX-LXI een schilderachtige

beschrijving van geeft, heeft weinig met de geschiedenis van Italië

te maken, tenzij wat Venetië en Doge Dandolo betreft. Innocentius had

een kruistocht gepreekt, en een groot aantal Franschen en Vlamingen

verzamelden zich in Noord-Italië en huurden Venetiaansche schepen;

maar, toen zij niet in staat waren te betalen, haalden de Venetianen

hen over om hen te helpen Zara, in Dalmatië, dat vroeger aan Venetië

had behoord, te veroveren. Zara werd genomen. Toen overreedden

de Venetianen de kruisvaarders Constantinopel aan te vallen en

den verdreven Keizer op zijn troon te brengen, daar de Pisanen, de

groote mededingers van Venetië in het Oosten, begunstigd werden door

den usurpator. De Keizer werd in zijn waardigheid hersteld; maar er

ontstonden twisten en wederom bestormden de Kruisvaarders en Venetianen

Constantinopel en plunderden het op de meest barbaarsche wijze. Daarna

plaatsten zij Boudewijn van Vlaanderen op den keizerlijken troon

(1204), den eersten van de zes Latijnsche Keizers van het Oosten.

[368] Een vergelijking, die ook door Dante aan het einde van zijn de

Monarchia wordt gebruikt, ofschoon hij in den Purgatorio (XVI, 106)

juister van twee zonnen spreekt:

Soleva Roma, che il buon mondo feo

due soli aver.

[369] Dit schijnt niet in overeenstemming te zijn met zijn haat

tegen de Duitschers en de keizerlijke maneschijn van p. 414; maar

de belooning was hoog, en Innocentius was er zeer op gesteld, dat de

jonge Frederik in ieder geval zou blijven en geen Keizer zou worden.

[370] In zijn strijd tegen zijn edelen en tegen Frankrijk werd hij

krachtig geholpen door Koning Jan van Engeland (Jan zonder Land):

een gevolg van deze nederlaag bij Bouvines was de Magna Charta (1215).

[371] Zie blz. 320. Frederik baande zich niet met wapengeweld

een weg naar Jeruzalem. Voordat hij Italië verliet, had hij door

handig diplomatiek optreden er voor gezorgd, dat de stad zou worden

overgeleverd door den Sultan van Egypte, dien hij beloofd had te

zullen helpen tegen zijn mededinger, den Sultan van Damascus. Door de

aanneming van de kroon schond Frederik de rechten van zijn schoonvader,

Jean de Brienne, die in 1228 Keizer van het Oosten werd en zich

aansloot bij het bonte leger van den Paus tegen Frederik.

[372] Gregorius was naar Rome teruggeroepen door de burgers, die

hevig verschrikt waren door een groote overstrooming van den Tiber,

waardoor, naar men vertelt, duizenden waren verdronken en de Pons

Aemilius (Senatorum) gebroken was. De overblijfselen van deze brug,

die nog erger vernield is door de overstrooming van 1598, vormen den

welbekenden Ponte Rotto.

[373] Paus Gregorius evenwel weigerde terug te keeren naar Rome,

"dat leger van brullende wilde beesten." Hij bleef nog twee jaren in

ballingschap en hield in 1237 een roemrijken intocht, terwijl Frederik

in een strijd met de Lombardische steden gewikkeld was.

[374] Inferno XII, 109

e quella fronte, c' ha il pel cosí nero,

è Azzolino.

Men vertelde, dat hij zeer behaard was. Op zijn voorhoofd, juist

boven zijn neus, had hij een lang zwart haar, dat rechtop ging staan,

wanneer hij toornig werd. Pietro di Dante, de zoon van den dichter,

verhaalt, dat zijn moeder voor de geboorte van Ezzelino droomde dat

zij een brandende fakkel voortbracht. Dante noemt hem una facella

(Paradiso IX, 29). (Vgl. een dergelijke legende van Hecuba voor de

geboorte van Paris). De oude kroniekschrijvers hebben uitvoerige

verhalen over zijn wreedheid; Villani zegt: fu uno grande flagello

al suo tempo [Vertaler].

[375] Inferno XIII, 58.

Io son colui, che tenni ambo le chiavi

del cor di Federico.

Later werd hij, volgens Dante ten onrechte, beschuldigd de

staatsgeheimen verraden te hebben en op bevel van Frederik gevangen

genomen en misschien van het gezicht beroofd; daarop pleegde hij

zelfmoord. In den Inferno woont zijn ziel in een bloedenden boom

(in het Bosch van de Zelfmoordenaars); op verzoek van Vergilius

breekt Dante een twijg van dien boom af om hem zijn geschiedenis

"in bloed en woorden" te laten vertellen.

[376] Fere centenarius, zegt een Engelsch kroniekschrijver. Toen hij

in 1227 tot Paus werd gewijd, was hij reeds meer dan tachtig jaar oud.

[377] Hij meldde zich bij de hoven van Arragon, Frankrijk en Engeland

aan, maar "zij verzochten hem beleefd hun de eer van een bezoek te

sparen" (Gregorius).

[378] Soleva Roma . . . Duo Soli aver . . . L'un l'altro ha spento

ed è giunta la spada Col pasturale, Rome bezat vroeger twee zonnen;

de eene heeft nu de andere gedoofd en het zwaard is vereenigd met de

herderstaf (Purgatorio XVI, 106).

[379] Er zijn nog brieven van Innocentius IV over, waarin hij de

samenzweerders "roemruchtige zonen van de Kerk" noemt.

[380] Waarschijnlijk in den (thans herstelden) Palazzo del Rè Enzio

te Bologna. Men zegt, dat hij in zijn gevangenschap getroost werd

door de liefde van de schoone Lucia Viadagola, van wie de Bentivogli

beweren af te stammen.

[381] En toch had Paus Gregorius hem dikwijls een godslasteraar, een

beest en nog erger genoemd. Maar, ofschoon Frederik een ongeloovige

was, had hij toch genoeg Christelijk en ridderlijk gevoel om de edele

woorden van Odysseus tot de zijne te maken: "Het is een goddelooze

daad te juichen over de dooden". (Odyss XXII 412). Frederik was

een van die ingewikkelde en rijk begaafde naturen, die onmogelijk

te analyseeren zijn. Zijn voortreffelijkste eigenschappen had

hij aan zijn moeder Constantia, de dochter van Roger, koning der

Noormannen, te danken. Bréholles heeft een uitvoerige biografie van

hem geschreven. Hij tracht te bewijzen, dat Frederik zich beschouwde

als een soort Messias, maar de Bijbelsche uitdrukkingen, die Frederik

gebruikt, (b.v. wanneer hij zijn geboorteplaats "Bethlehem" noemt en

Pier delle Vigne beveelt "zijn schapen te weiden") kan men door de

gewoonte van die tijden wel verklaren. Zonder twijfel was hij een

vrijdenker, een cosmopoliet op godsdienstig gebied, met een sterke

voorliefde voor Oostersche gedachtevormen en Oostersche gewoonten,

zooals het concubinaat; en wij kunnen er van overtuigd zijn, dat hij

gewoon was over Mozes, Christus en Mohammed te spreken als over drie

teleurgestelde bedriegers, wier godsdienstige stelsels hij wel kon

verbeteren; en wij behoeven er ons niet over te verbazen, dat Dante

hem als ketteraanvoerder in zijn Inferno tot een vlammende graftombe

heeft veroordeeld. (Infern. X, 119). Maar hetgeen verwondering wekt,

is, dat Frederik zelf streng Katholiek was en een ijverig vervolger

van degenen, die niet orthodox waren, en zelfs, wanneer Dante geen

onwaarheid spreekt, een zeer wreede marteling en doodstraf voor

dergelijke ketters uitvond. Het doet denken aan Poggio's geschiedenis

van een boef, die vele moorden op zijn geweten had, maar met gevaar

voor zijn leven in een stad kwam om absolutie te vragen, daar hij in

den vastentijd een paar druppels melk had gedronken.

[382] Hendrik, de zoon van Frederik en Isabella van Engeland, was

onderkoning van Sicilië geworden. Hij stierf omstreeks denzelfden

tijd als zijn vader. Paus Innocentius bood (!) Karel van Anjou en

Richard van Cornwall de kroon van Sicilië aan, die er beiden voor

bedankten. Daarna haalde hij Hendrik III van Engeland over zijn

jongen zoon, Edmund van Lancaster, acht jaar oud, dien titel te laten

aannemen. Maar Hendrik toonde geen lust, op het verzoek in te gaan,

toen de Pausen hem opriepen om de rechten van zijn zoon met wapengeweld

te handhaven en Sicilië te veroveren.

[383] Er is nog een grafschrift op hem over, dat de stemming van het

volk voortreffelijk weergeeft:

Hic jacet Suncini tumulus canis et Ezzelini

quem lacerant manes tartareique canes.

[Vertaler].

[384] Inferno X, 86. che fece l'Arbia colorato in rosso.

[385] Dit was de eerste maal, dat iemand, die geen Keizer of Paus

was, in de St. Pieter werd gekroond. Bij zijn aankomst had Karel

het Lateraan als zijn woning betrokken, maar hij ontving een zeer

verontwaardigd schrijven van den Paus en moest het Lateraan ontruimen.

[386] Als een geëxcommuniceerde, sine cruce et luce.

[387] Het zal wel niet noodig zijn de lezers van Dante te wijzen op

den prachtigen derden zang van den Purgatorio, waar Manfred zelf dit

alles aan den dichter verhaalt.

Biondo era e bello e di gentile aspetto

ma l'un de' cigli un colpo avea diviso.

"Blond was hij, schoon en edel van gezicht, maar een houw had een

zijner wenkbrauwen gespleten." Deze beschrijving brengt de verschijning

van Prins Edward in herinnering, zooals hij zich aan zijn moordenaar,

Clarence, vertoont:

"Then came wandering by

A shadow like an angel, with bright hair

Dabbled in blood;"

(Shakespeare, Richard III Act I Scene IV).

[388] Astura, waar Cicero een villa had en het eerst op zijn vlucht

aankwam, is nu een eiland van ruïnen midden in moerassen. Er bestaan

nog muren van het Frangipani-kasteel en nog een enkele toren. Op

verren afstand ziet men vaag de Circejische kaap.

[389] In de dichtbijzijnde kerk van S. Croce is een porfieren zuil,

die, naar men zegt, op de plaats stond, waar Konradijn werd onthoofd.

[390] Dante (Inferno XII, 120) maakt een toespeling op het feit, dat

het hart van Hendrik in een gouden vaas naar Engeland werd gestuurd

en "nog aan den oever van de Theems vereerd wordt" (le cor, che in

sul Tamigi ancor si cola). Men zegt, dat de vaas geplaatst is op de

graftombe van Koning Eduard, den Belijder, in de Westminster-Abdij.

[391] Purgatorio VII, 113.

[392] Paradiso VIII, 55, zegt Karel Martel: assai m'amasti, ed avesti

bene onde.

"Gij hield veel van mij en gij hadt daar wel reden voor".

[393] Ook door Dante (Purgat. VII, 94) wordt hij Imperador genoemd,

ofschoon hij nooit door den Paus is gekroond. Op een afgelegen plaats

van den Louteringsberg zit Rudolf, droevig en eenzaam, als een "die

verzuimd heeft te doen, wat zijn plicht was", n.l. zich te bemoeien

met Italië en zich te Rome laten kronen. Niet ver daarvandaan,

in aangenaam gezelschap, bevindt zich Hendrik III van Engeland,

"de koning van eenvoudige levenswijze" en Karel van Anjou, die met

zijn doodvijand, Pedro van Arragon, samen hymnen zingt (door "zijn

manlijken neus"). Zie plaat 48 en de verklaring der illustraties.

[394] Ofschoon Florence Welfsch was, werkte het den Paus zoo tegen,

dat hij het interdict over de stad uitsprak; toen hij door een

overstrooming gedwongen was een Florentijnsche brug over den Arno

over te gaan, hief hij den ban voor slechts enkele uren op, totdat

hij de stad was doorgetrokken. De termen Welfsch en Ghibellijnsch

hebben in dezen tijd hun oorspronkelijke beteekenis van pausgezind

en keizersgezind geheel verloren. Hier zien wij, dat de Pausen den

Duitschen Keizer steunen en den Florentijnschen Welfen vijandig gezind

zijn. De pauselijke politiek was natuurlijk nooit op de hand van de

republikeinsche vrijheid.

[395] Indien hij zijn plannen had kunnen verwezelijken, zegt

Gregorovius, had hij zijn kleinzonen koningen van Toskane en

Lombardije gemaakt. "In waarheid was ik een berenkind, zoo begeerig

om de berenwelpen (Orsatti) vooruit te brengen, dat ik hier boven

rijkdommen en hier mijzelf in den buidel stak." Zoo beschrijft

hij zichzelf (Inferno XIX, 70) bij Dante, die hem, als Simonist,

in Malebolge plaatst, met het hoofd naar beneden in een kuil,

terwijl hij rusteloos met zijn voeten, die eruit steken en branden,

kwispelt. Wanneer hij Dante Italiaansch hoort spreken, roept hij

uit: "Zijt gij daar reeds, Bonifacius?", daar hij meende, dat het

Paus Bonifacius VIII was, die in 1303 in hetzelfde gat voorover zou

geworpen worden en later zou gevolgd worden door Clemens V, die den

zetel van het Pausdom naar Avignon heeft verplaatst. (e farà quel d'

Alagna esser piú giuso, Parad. XXX. 148).

[396] Purgator. XXIV, 24. Hij liet den paling in melk bewaren en in

wijn koken. Daarom verscheen na zijn dood het volgende spotvers:

Gaudent anguillae, quod mortuus est homo ille

qui quasi morte reas excruciabat eas.

[Vertaler].

[397] Paradiso VIII, 75.

[398] Inferno XXVII, 85. lo principe de' nuovi farisei.

[399] Paradiso XIX, 126. Dante zegt, dat men zijn goede eigenschappen

met een I (éen) en zijn slechte met een M (duizend) zal aangewezen

zien.

[400] Karel Martel was door zijn moeder, Maria van Hongarije, ook

erfgenaam van den Hongaarschen troon. Hij huwde Clemenza, de dochter

van Rudolf van Habsburg en stierf in 1295, veertien jaar voor den

dood van zijn vader. (la bella Clemenza van Parad. IX, 1, zal wel

de dochter van Karel Martel zijn). Zijn broeder Robert van Calabrië

besteeg den troon van Napels. Karel Martel had innige vriendschap

met Dante gesloten, die hem te Florence had ontmoet (Parad. VIII).

[401] Het huis Anjou in Napels en Zuid-Italië eindigde in 1442, toen

le bon roi René werd onttroond door den Spaanschen koning Alfonso,

die aldus Koning van de Beide Siciliën werd. Caltabelotta ligt in het

Westen van Sicilië, niet ver van de reusachtige ruïnes van Selinus. Het

(Saraceensche) woord beteekent "Kasteel van de Kurk-eiken."

[402] Toen hij Gregorius X te Lyon bezocht om bekrachtiging van

zijn nieuwe Orde te verkrijgen, verbaasde hij dien Paus door zijn

monnikskap aan een zonnestraal op te hangen. Frescos te Aquila stellen

zijn mirakelen voor.

[403] Dante geloofde dit ten minste, want hij beschuldigt Bonifacius

ervan, dat hij door bedrog la bella donna (de Kerk) verschalkt heeft

(Inferno XIX, 57).

[404] Purgatorio XX, 86.

[405] Zooals bekend is, brandmerkt Dante Celestinus (want zonder

twijfel wordt deze Paus bedoeld, ofschoon hij niet genoemd wordt)

als dengene, die uit lafheid de groote weigering had gedaan en plaatst

hem onder de groote menigte van onedele zielen die nooit levend waren

(che mai non fûr vivi) en veroordeeld zijn te rennen achter een banier

over een donker plein bij den Acheron, terwijl zij door muggen en

wespen worden gestoken. (Inferno III).

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 47 / 48 段