[243] Voor bijzonderheden over deze kroning en de onlusten, die daarbij

plaats vonden, zie "Verklaring" van de afbeelding van de keizerskroon,

plaat 19. Kanoet was als pelgrim gekomen. Hij maakte een enthousiaste

beschrijving van Rome voor zijn Engelsche onderdanen. Eenige

jaren later (1050) kwam een ander beroemd persoon van de Britsche

Eilanden als boeteling naar Rome, volgens de kroniekschrijvers,

n.l. Macbeth! (Hij regeerde na de vermoording van Duncan nog acht

jaren.)

[244] Purg. XXVIII-XXXIII. Dante's Matelda is een mysterie. Het lijkt

ongelooflijk, dat zij gravin Mathilde zou zijn.

[245] Toen hij bij deze gelegenheid van Rome naar Cremona vluchtte

(1037), dankte hij zijn leven aan een zonsverduistering, waardoor

de edelen, die gezworen hadden hem bij het altaar te dooden, werden

afgeschrikt. Hij was toen slechts zestien jaar oud, daar hij op zijn

twaalfde jaar den pauselijken troon had bestegen.

[246] Men vertelt, dat hij nooit den diadeem opzette zonder gebiecht

en boete te hebben gedaan, dikwijls door geeseling.

[247] Daar over het huwelijk van den clerus de ban was uitgesproken,

gaf het, zelfs al was het wettig, aanleiding tot misbruiken, die niet

zouden bestaan hebben, indien het als Christelijke instelling was

erkend. Maar Pausen als Hildebrand stonden natuurlijk op het celibaat,

niet om zedelijke, maar om politieke redenen: om zich te verzekeren

van een clerus, die zich alleen om de pauselijke belangen bekommerde.

[248] De ruïnen van Canossa bestaan nog, op een hoogte, ongeveer 23

K.M. ten zuid-westen van Reggio, en een weinig verder van Parma.

[249] Benevento bleef aan de Pausen onderworpen tot 1860.

[250] Daar zijn begraven (de meesten sinds 1900 in nieuwe sarcophagen

in het herstelde gewelf) Koenraad II, Hendrik II, Hendrik IV, Hendrik

V, Philips, Rudolf van Habsburg, Adolf en Albrecht; ook Gisela.

[251] Dante ontmoet hem in het Paradijs (XXI. 121), waar hij heftig

uitvaart tegen de moderni pastori. Zijn uitvoerige werken, in proza

en poëzie, zijn een eigenaardig mengsel van mysticisme, ascetisme

en polemiek.

[252] Bij de Cisterciënsers en St. Bernard was dit minder het geval;

St. Dominicus en St. Franciscus noemen wij hier niet, want het heftige

fanatisme van St. Dominicus was gericht tegen de intellectueele

ketterij en St. Franciscus had meer invloed op de harten dan op de

stelsels van zijn tijd.

[253] Graaf Balzani stelt de geschriften van Gregorius VII op éen

lijn met die van Gregorius den Groote. Hij koestert een buitengewone

bewondering voor Hildebrand's karakter.

[254] Een merkwaardig verhaal teekent de zedelijke kracht van beide

personen. De Paus brak de heilige hostie door en smeekte God hem

terstond met den bliksem te treffen, indien hij zich van eenige

schuld bewust was. Daarna gaf hij de helft aan Hendrik en verzocht

hem hetzelfde te doen. Doch deze waagde dat niet. [Vertaler].

[255] Vgl. aanteekening op blz. 263.

[256] Men zegt, dat zes millioen het roode kruis hebben aangenomen. Een

geweldige menigte volgde Peter en kwam bijna geheel om, voordat het

werkelijke leger van de Kruisvaarders Europa verliet.

[257] De Guelfen en Ghibellijnen leidden hun namen af van deze

Beiersche "Welfen" en van de "Waiblinger" d.w.z. de anti-pauselijke en

(later) keizerlijke familie van de Hohenstaufen, wier stamvader door

Hendrik IV (p. 320), Hertog van Zwaben was gemaakt en die hun naam

hadden ontleend aan hun burcht op den "Hohen Staufer" (2000 voet),

ongeveer twintig K.M. ten oosten van Stuttgart. Zij heetten ook

"Waiblinger" naar het dorp Waiblingen, dat in diezelfde landstreek

ligt.

[258] Zoo groote ellende heeft de strijd tusschen Welfen en

Ghibellijnen over Italië gebracht, dat men een tijdlang de afleiding

van die namen vergat en de fabel ontstond van twee demonen, Ghibel

en Guelef, die uit de onderwereld zouden ontvlucht zijn en waaraan

de beide partijen haar namen zouden ontleend hebben. [Vertaler].

[259] Verraden en gevangen genomen, werd deze ex-kardinaal in de

straten van Rome vertoond, omgekeerd op een kameel gezeten en gekleed

in een ruig geitenvel. Daarna werd hij weggejaagd en stierf in een

klooster.

[260] In dit verband is het volgende wel van belang. Willem de

Veroveraar beschouwde zich als onafhankelijk hoofd der Engelsche

Kerk. Zoowel de geestelijkheid als de adel moest hem eerbied

betoonen. Geen synode kon zonder zijn goedkeuring een besluit

afkondigen. Hij was de eenige heerscher van zijn tijd, die de

aanspraken van Rome verwierp. Toen Gregorius VII hem verzocht voor

zijn rijk den eed van trouw af te leggen, weigerde hij dien eisch

te erkennen. "Een leeneed", zeide hij, "heb ik nooit afgelegd, en ik

wil dat ook nu niet doen".

[261] Een paar jaren later overreedde Arnold van Brescia de Romeinen

het Capitool weder op te bouwen. Te midden van de verlaten, reusachtige

ruïnes verrees het "Novum Palatium" (Palazzo del Senatore) op de

plaats van het oude Tabularium. In documenten van 1150 wordt dit

nieuwe paleis vermeld als vergaderplaats van den republikeinschen

Senaat. Hier werd Petrarca in 1341 de dichterkroon op het hoofd

gezet. De prachtige trappen van de Piazza del Campidoglio werden

ontworpen door Michel Angelo, die een groot gedeelte van het Capitool

herbouwde en het beroemde ruiterstandbeeld van M. Aurelius hierheen

liet brengen. (p. 300)

[262] Hij was gewijd in de Abdij van Tarfa. Dit invloedrijke klooster

in de Sabijnsche landstreek, een mededinger van Monte Cassino,

was door de Saracenen verwoest, maar weder opgebouwd en werd zoo

berucht om zijn onzedelijkheid, dat Alberik het met geweld trachtte

te hervormen. Nadat Eugenius eenige malen gepoogd had in Rome vasten

voet te krijgen, trok hij naar Frankrijk, preekte daar den kruistocht

en gaf zijn wraak lucht door den banvloek over Arnold uit te spreken.

[263] Zij waren plechtig in 1139 veroordeeld in het Lateraan door

hetzelfde Concilie, dat de veroordeeling van Anacletus door St. Bernard

aanvaardde.

[264] Paradiso, XXII. 88.

[265] Paradiso, XV, 138.

[266] Boeleeren met de koningen, Inferno XIX, 108.

[267] De oorspronkelijke kampioenen voor de vrijheid waren Milaan,

Brescia, Piacenza, Parma en Modena. Aan de andere zijde stonden Pavia,

Como, Lodi en een tijdlang Cremona, Genua en Pisa werden door Frederik

begunstigd, omdat hij hoopte van hun vloten gebruik te kunnen maken.

[268] Men vertelt, dat de belegeraars een aantal gevangen kinderen aan

een belegeringstoren bonden; maar de belegerden verdreven hen, daar

zij liever hun kinderen dan hun vrijheid prijsgaven. (Zie Bertolini,

Medio Evo, p. 589).

[269] Zoowel aan het beleg als aan de barbaarsche verwoesting van

Milaan namen verscheidene Lombardische steden, waaronder Como, tot

haar groote schande, ijverig deel. Weinig kerken werden gespaard. Tot

deze behoorde de S. Ambrogio.

[270] De Bond bestond in den beginne (December 1167) uit zestien

groote steden. In 1168 sloot zelfs Como er zich bij aan. Wat dezen

Bond en de opkomst van de Noord-Italiaansche Republieken betreft,

zie men Sismondi, Histoire des républiques italiennes.

[271] Thomas Becket schreef Paus Alexander een gelukwensch met "het

lot van Sennacherib (Sanherib)".

[272] De groote gracht, die in 1157 gegraven en in 1162 onbruikbaar

was gemaakt, werd nu wederom in orde gebracht. Dit kostte minder

tijd dan het bouwen van een muur en Milaan vertrouwde, nadat de oude

Romeinsche muren waren verdwenen, voornamelijk op zijn gracht.

[273] De Aartsbisschop van Salerno. De bronzen paarden bij den

ingang werden 27 jaar later uit Constantinopel gebracht. De meeste

van de tegenwoordige uitwendige mozaïeken zijn moderne kunstwerken

van weinig waarde.

[274] Maar bij zijn dood in 1181 braken de oude veeten weder uit,

en de volgende drie Pausen brachten het grootste deel van hun leven

in ballingschap door.

[275] Het is de moeite waard op te merken, dat Richard op zijn tocht

te Ostia kwam, maar weigerde Rome te bezoeken, omdat het pauselijk

hof zoo verdorven was.

[276] Purgat. XVIII. 119 "de goede Barbarossa, van wien Milaan nog

met droefenis praat".

[277] De oude handschriften, die de monniken hebben vernield om het

perkament te gebruiken voor theologische en vrome geschriften waren

waarschijnlijk zeer veel talrijker dan al degene, die door barbaarsche

indringers of door de Turken zijn verwoest.

[278] In hun noordelijke landen begunstigden de Karolingers de

wetenschap en men zegt, dat Lotharius in vele steden van Noord-Italië

scholen heeft gesticht.

[279] Paulus Diaconus (725-799), die langen tijd aan het hof van

Karel den Groote was en zijn laatste twaalf jaren op Monte Cassino

doorbracht, schreef een uitstekende Geschiedenis der Lombarden, en

hij spreekt over de "luisterrijke en bewonderenswaardige dichters"

op Monte Cassino; maar te oordeelen naar hetgeen van hen over is,

schreven zij zeer slechte verzen in slecht Latijn. Gedurende ruim

twee eeuwen is, behalve de kroniekschrijvers van de kloosters, de

eenige schrijver, die vermelding verdient, Liudprand (zie Index).

[280] In het zuiden brachten de Noormannen in dezen tijd ongeveer

een bouwkunst, die volstrekt niet lager stond; doch vanwaar die kwam,

is lastig te zeggen.

[281] Een grillig mozaïek bij de tombe van Otto II († 983) in de crypte

van de St. Pieter is een van de vroegste voorbeelden van een zwakke

herleving dier kunst na een stilstand van ongeveer 150 jaren. In 896

werd de Lateraan-kerk, die door een aardbeving was verwoest herbouwd,

maar in het algemeen werd in deze periode weinig ondernomen en bijna

alles ging te gronde, toen Robert Guiscard in 1084 Rome plunderde. De

prachtige Romeinsche campanili ontstonden, op weinige uitzonderingen

na, niet voor ongeveer 1100.

[282] Men heeft er veel over gestreden, in hoeverre het geloof,

dat de wereld in het jaar 1000 n. Chr. zou vergaan, invloed heeft

uitgeoefend op de algemeene ontaarding.

[283] Avicenna leefde van 980-1037; Averroës, che 'l gran comento feo,

(Infern. IV, 144) van c. 1126 tot 1198.

[284] De lingua vulgaris was bezig het klassieke Latijn snel te

bederven. Maar Keizer Michael beschouwde het Latijn zelf misschien

als een barbaarsch jargon, want in het antwoord van den Paus wordt

hoonend gesproken van een "Romeinsch" Keizer, die geen Latijn kent.

[285] Deze pelgrimstochten, met hun aanhang van misdadigers en

onbeschermde, dikwijls zwakke, vrouwen, waren een bron van groot

kwaad. Men vertelt, dat vele steden door deze bedevaarten ruimschoots

voorzien werden van gevallen vrouwen, en dat daaronder zoovele

Engelsche waren, dat het een schande werd voor de Anglikaansche Kerk.

[286] Een marmeren steen in S. Prassede (Rome) vermeldt, dat door Paus

Paschalis in 817 de lijken van 2300 martelaren van de begraafplaatsen

naar deze kerk werden overgebracht.

[287] Zelfs al is het verhaal niet waar, dan toont het toch aan,

wat men voor mogelijk hield. Men verzekerde, dat hij 120 jaar leefde

en dat ongeveer vierhonderd jaar na zijn dood dus in 1446 zijn lijk

nog niet vergaan was; maar het werd toen gestolen en terstond tot

stof verbrokkeld!

[288] Door Clemens VIII werd er een buste van Paus Zacharias van

gemaakt.

[289] Voor schrijvers over dit onderwerp zie men Gregorovius, V,

hoofdst. III. Men verzekert, dat tot het einde van de vijftiende eeuw

de "aangewezen" Paus een onderzoek moest ondergaan, om het gevaar

van een tweede Papessa te vermijden!

[290] Vgl. p. 293.

[291] De ware beweegreden was natuurlijk van politieken en persoonlijke

aard, maar men had beschuldigingen, die op de kerk betrekking hadden,

uitgevonden. De voornaamste van deze was, dat Formosus, die Bisschop

van Porto was geweest, inbreuk had gemaakt op een ouden en feitelijk

in ongebruik geraakten regel, dat geen bisschop met de pauselijke

waardigheid mocht worden gekleed.

[292] De verhalen verschillen een weinig. Hier is Gregorovius gevolgd.

[293] Paus Sergius III, die behoorde tot de partij van Stephanus

VI en in 897 door die partij tot Paus was gekozen, maar die door

de aanhangers van Formosus was verdreven, gaf later, toen hij den

pauselijken stoel besteeg (904), een tombe in de St. Pieter aan

Stephanus en voorzag die van een grafschrift, waarin hij vertelt,

dat Stephanus geworgd is en waarin hij Formosus uitscheldt.

[294] Zie p. 305.

[295] Vooral voor een volk, dat er aanspraak op maakt van de Noormannen

af te stammen.

[296] In 897 slaagde Alfred er in de Deensche Noormannen, voor eenigen

tijd, uit Engeland te verdrijven.

[297] Hun eigen taal, de lingua Danica, zooals kroniekschrijvers die

noemen, werd, zegt men, na het jaar 970 ongeveer niet meer begrepen

te Rouaan. Die taal hield nog het langst stand te Bayeux. Willem de

Veroveraar gebruikte de lingua Danica met voorliefde. Overblijfselen

vindt men nog in eenige namen, zooals Bec (= beck, Bach, beek),

Caudebec, enz.

[298] Gibbon, die geen melding maakt van het beleg van Salerno, maar

een schilderachtige beschrijving geeft van het andere voorval, noemt

Melus "een vreemdeling met een Grieksch uiterlijk, die zich weldra

bekend maakte als een opstandeling en doodvijand van het Grieksche

Keizerrijk". Andere schrijvers zeggen, dat hij van Lombardische afkomst

was, en dat was Guaimar misschien ook, wanneer men ten minste naar zijn

naam (Weimar) oordeelt. Wanneer dat zoo is, werd de overeenstemming

ongetwijfeld vergemakkelijkt door de gemeenschappelijke noorsche

afstamming. Hoe de pelgrims bij den Gargano kwamen en of dit voor of

na den strijd voor Salerno plaats vond, is moeilijk te verklaren.

[299] Zie Gibbon, hfdst. LVI.

[300] Het schijnt dat hij door den ban was getroffen, omdat hij Monte

Cassino had genomen en de monniken had weg gejaagd. Men vertelt,

dat hij het klooster veroverde door een list; hij liet zich als een

doode op een lijkbaar naar binnen dragen. (Zijn naam Guiscard draagt

hij dan men eere). Dante plaatst Robert Guiscard in het groote Roode

Kruis van Mars in het Paradijs, blijkbaar omdat hij zich later aan

de Kerk heeft onderworpen en zoo dapper heeft gestreden tegen de

Saracenen op Sicilië.

[301] Het schijnt werkelijk, alsof Robert Guiscard het eerzuchtige

plan koesterde in zijn persoon het verdeelde Keizerrijk der Romeinen

weder te vereenigen.

[302] Zijn lange regeering verdient vermelding wegens de vele

prachtige marmeren beelden, waarmede hij de onlangs herbouwde

St. Marcus versierde.

[303] Hij werd begraven te Venusia, de geboorteplaats van Horatius,

waar men zijn graftombe nog kan zien in de abdij-kerk van S. Trinità.

[304] Zijn handteekening was soms Siciliae et Italiae Rex. De

uitdrukking "de Beide Siciliën" schijnt van later datum te zijn.

[305] Het verdient opgemerkt te worden, dat het koningschap over het

gebied op het vasteland niet vermeld wordt.

[306] Het Normandisch-Fransch bleef ongetwijfeld een tijdlang de

moedertaal, misschien de hoftaal, van de vorsten en de veteranen. Maar

de Noormannen waren begiftigd met een merkwaardig aanpassingsvermogen,

zooals blijkt uit het snelle verdwijnen van de lingua Danica in

Normandië. Ook was in dezen tijd het Siciliaansch-Italiaansch

waarschijnlijk reeds in gebruik als een lingua volgare.

[307] Hedschra, de vlucht van Mohammed, 15 Juli 622.

[308] Men moet er zich telkens weer over verbazen, dat deze Noorsche

vorsten zich er om bekommerden leenmannen van den Paus te zijn;

en hoe de Pausen hun fictief recht om de investituur te verleenen

handhaafden, is ook een raadsel.

[309] Paradiso XX, 62. De op sterren gelijkende zielen van Willem den

Goede, van Rhipeus den Trojaan, Hiskia (Ezechias) den koning van Juda,

Trajanus en Constantijn den Groote vormen den kring van het oog van den

Adelaar, terwijl in het midden van het oog de ziel van David schittert.

[310] In verband hiermede verdient het volgende volkslied vermeld

te worden:

Rex Gulielmus abiit, non obiit,

Rex ille magnificus, pacificus.

Cuius vita placuit Deo et hominibus,

Eius spiritus Deo vivat coelitus.

Op zijn graf stond: Hic situs est bonus rex Gulielmus, welke woorden

later door minder eenvoudige zijn vervangen. [Vertaler].

[311] Volgens een oud verhaal werd zij in een klooster gebracht,

omdat zij lam en scheel was. [Vertaler].

[312] Of, zooals Dante het uitdrukt (Paradiso III, 119), om voor den

tweeden stormwind van Zwaben (Hendrik VI) de derde en laatste macht

(van die dynastie, Frederik II) voort te brengen.

[313] Wat betreft de kerken en paleizen te Palermo tijdens de

heerschappij der Noormannen zie men hoofdstuk IV van dit Deel. De

edele en voortreffelijke karaktertrekken had Frederik waarschijnlijk

aan zijn moeder te danken. Een verovering door de Noormannen zou voor

Italië misschien gedaan hebben, wat het voor Engeland is geweest.

[314] Met het Pausdom, een staatkundige macht, die om zoo te zeggen

over "tooverwapens" beschikte, kan uit de Grieksche geschiedenis niets

vergeleken worden, ofschoon de listen van de Delphische priesters

dikwijls grooten invloed hadden. Wat betreft de ellendige inwendige

twisten en het verraderlijke heulen met buitenlandsche vijanden,

Perzen, Macedoniërs, Saracenen, Duitschers, geven Griekenland en

Italië elkander weinig toe.

[315] Sommigen hebben getracht de Italiaansche republiek in verband te

brengen met het Romeinsche municipium, anderen met het volkselement

in het Longobardische regeeringsstelsel; maar de ware bron moet men

zonder twijfel in den menschelijken aard zoeken.

[316] Amalfi, dat nu een visschersdorp is, gelegen tusschen de steile

rotsen, die de Baai van Salerno insluiten, was in die dagen een stad

van 50.000 inwoners. Onder zijn Dogen en later onder het bestuur van

de Noormannen strekte het zijn handel uit tot Egypte, Syrië en Arabië

en bracht een belangrijk gedeelte van de eerste Kruisvaarders naar het

Oosten. Een bewijs van zijn macht ter zee zijn de Tavole Amalfitane,

een maritieme code, die langs de geheele Middellandsche zee gebruikt

werd. Naar een stichting, die door een rijk koopman uit Amalfi te

Jeruzalem gegrondvest was, droegen de Hospitaalridders (Johanniters)

hun naam. Het lage gedeelte van de stad Amalfi is door overstroomingen

weggespoeld.

[317] De Saracenen hadden tot nog toe Sardinië, Corsica, de Balearen en

een groot gedeelte van Spanje en Noord-Afrika in hun macht gehad. Zij

hadden zelfs Genua geplunderd (936) en staken een deel van de stad

der Pisanen in brand en breidden hun rooftochten uit tot Ostia. Op

Sicilië heerschten zij, totdat zij door de Noormannen werden overwonnen

(1070-1090).

[318] Na de verovering van Sardinië en Corsica versloegen de Pisanen

de Saracenen bij Tunis en in 1063 vernielden zij een sterke vloot van

de Muzelmannen op de hoogte van Palermo. In 1114 veroverden zij de

Balearen. Het hoogtepunt van de macht van Pisa ter zee kan men wellicht

het jaar 1203 noemen, toen zij de drie en vijftig scheepsladingen

aarde van Jeruzalem naar hun stad voerden om hun Campo Santo te

maken. Tachtig jaar later werd hun door de Genueezen en Florentijnen

een verpletterende nederlaag toegebracht bij het rotseilandje Meloria

(bij Livorno).

[319] Zij leenden b.v. dikwijls schepen aan Frederik I en Hendrik

VI. De gunst van den Keizer bekrachtigde wel is waar vele van

hun rechten en hielp hen tegen mededingers, maar deze hardnekkige

Ghibellijnen en boosaardige republikeinen zijn toch een schandelijk

verschijnsel, waarop men liever terugziet als een achtergrond voor de

verroeste ketenen, die nu op den Campo Santo hangen, oude zegeteekenen,

die Genua en Florence aan Pisa hebben teruggegeven in de negentiende

eeuw, toen Italië het waard bleek te zijn een natie te worden.

[320] Het schijnt, dat Ravenna zich op een afstand hield en

imperialistisch gezind was. Het stond onder keizerlijke Podestà en

later onder de Polenta. Ferrara werd bestuurd door de Markiezen van

Este sinds den tijd van Hendrik IV tot de dagen van Tasso, meer dan

vijfhonderd jaar. Bologna werd door Hendrik V tot een vrije stad

gemaakt in 1112 en sloot zich bij den Bond aan; maar eerst in 1228

verjoeg het zijn edelen en aanvaardde een volledigen republikeinschen

regeeringsvorm, zooals die van Florence.

[321] Na den dood van Gravin Mathilde in 1115 verwierf Siena de

onafhankelijkheid en kort daarna nam het, tenzij de stad reeds lang

geleden daartoe het recht had gekregen van Karel of Otto den Groote,

zooals de overlevering beweert, als zijn banier een witten leeuw

op een rood veld aan met het woord Libertà. Omstreeks dezen tijd

bracht Siena dien grooten en gelukkigen tegenstander van Frederik,

Paus Alexander III voort. Later kregen de edelen weder de overhand en

het was door de hulp van Siena, dat de Florentijnsche Ghibellijnsche

ballingen den bloedigen slag bij Montaperti aan de Arbia wonnen

(1260). S. Gimignano, dat het eerst vermeld wordt in de 10e eeuw

en langen tijd aan Volterra onderworpen was, verwierf zijn vrijheid

reeds voor 1200 en had zijn eigen consuls en gemeenteraad.

[322] Geheel herbouwd en met Grieksche mozaïeken voorzien door Doge

Selvo in 1073 en op een andere plaats gebouwd in 1322.

[323] Dit paleis is in 976 afgebrand en herbouwd in 1025, en daarna

is het dikwijls veranderd.

[324] Een geschenk van Leo, den keizer van het Oosten. De tegenwoordige

kerk, die omstreeks 1470 op dezelfde plaats is gebouwd, ten oosten

van het hertogelijk paleis, bevat geen gedeelten, waarvan bewezen is,

dat zij van het oorspronkelijk gebouw zijn.

[325] Zie p. 374, noot. De liefde van Selvo voor Byzantijnsche

bouwkunst en mozaïekwerk werd ongetwijfeld aangewakkerd door zijn

echtgenoote, een Grieksche prinses, di tanta delicatezza, dat zij

gewoon was zich in dauw te baden en een gouden vork in plaats van

haar handen gebruikte om het voedsel naar haar mond te brengen.

[326] Naar aanleiding hiervan wijs ik op een bijzonder bruikbaar boekje

op dit gebied: "De Heiligen in de Kunst" door M. E. Tabor [Vertaler].

[327] Het aantal lichamen van heiligen, die genoemd worden in verband

met de geschiedenis van Venetië, is verbazingwekkend. Wij lezen

b.v. van het lichaam van den H. Stephanus, dat uit Constantinopel

gestolen is; van een hand van Johannes den Dooper en het lichaam van

zijn vader, die beide door Keizers van het Oosten ten geschenke zijn

gegeven; van de lichamen van den H. Isidorus en den H. Donatus; de

aanwinst van deze twee laatste werd als een grooter triomf beschouwd

dan de inneming van Tyrus of van Jeruzalem.

[328] Voor bijzonderheden zie men Ruskin's St. Mark's Rest en ook

Venice, in Mediaeval Towns. Een vreemde toelichting op de verklaringen

van de schrijvers, zoowel van oude als van moderne, ten opzichte van de

reusachtige welvaart van Venetië in deze periode is de mededeeling van

anderen, dat gedurende de regeering van Doge Vitale Falieri (1085-96)

twee derde van de burgerij omkwam door hongersnood en aardbeving.

[329] De Schrijver vindt het onnoodig aan te teekenen, waar dit vers

bij Byron voorkomt. Bedoeld wordt: Childe Harold's Pilgrimage IV. 12

"Oh, for one hour of blind old Dandolo!" [Vertaler].

[330] De blindheid van Dandolo is een van de raadsels in de

geschiedenis. De kroniekschrijvers verschillen hopeloos op dit

punt. Een van hen, die voortdurend in zijn gezelschap was, zegt,

dat hij volstrekt niets kon zien. Anderen zwijgen over dit onderwerp.

[331] Goten, Longobarden, Franken, Saksers, Hohenstaufen, de Visconti,

Sforza's, Lodewijk XII, Frans I, Karel V, Philips van Spanje,

Oostenrijkers, Napoleon, daarna weder Oostenrijkers. De Franschen

veroverden Milaan viermaal.

[332] In navolging van de S. Vitale te Ravenna. Er zijn verscheidene

Romaansche kerken (Simpliciano, Sepolcro en andere), die door de

latere ramp van 1162 niet verwoest zijn.

[333] Ook door de Engelschen in 1138 nagevolgd. Bij Montaperti in

1260 boden de Florentijnsche Welfen het laatst wanhopig weerstand

rondom hun Carroccio. Deze Florentijnsche Welfsche Carroccio was rood

geverfd, zooals hun giglio vermiglio, dien Dante (Parad. XVI. 154)

vermeldt. Hun bel heette, volgens Machiavelli, de Martinella.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 46 / 48 段