[406] In den Inferno (zang XXVII) vertelt Guido di Montefeltro,

die door den dichter gezet wordt bij hen die wegens het geven

van een slechten raad door vlammen geteisterd worden, hoe hij

een groot aanvoerder der Ghibellijnen was tegen Karel van Anjou

(hij maakte te Forli van de Franschen een bloedigen stapel), hoe

hij Franciskaner monnik te Assisi werd, hoe Bonifacius hem onder

zijn invloed kreeg en hem het verraderlijke plan afdwong, waardoor

Palestrina werd veroverd; naar aanleiding daarvan werd zijn ziel,

die St. Franciscus kwam oproepen, naar den hel gesleurd door een

zwarten cherubijn. Palestrina, het oude Praeneste, ligt ongeveer 30

K.M. ten Zuid-Oosten van Rome. Het was beroemd om zijn tempel van

Fortuna (door Sulla verwoest), die zich hoog op groote terrassen

verhief. Hiervan bestaan nog overblijfselen. In het kasteel heeft

Konradijn gevangen gezeten. Door de Colonna's werd de stad weder

opgebouwd, en nog eens verwoest door een Paus in 1436. Sinds 1630

was het wederom in de macht van het geslacht Colonna.

[407] Het is merkwaardig, dat er geen vorsten schijnen gekomen te zijn,

een beteekenisvol feit. Gregorovius zegt, dat Karel van Hongarije de

eenige uitzondering was. Maar aangezien deze in 1295 is gestorven,

en Dante hem op 1 April 1300 in den hemel zag, is dat zeker een

vergissing.

[408] Bij gelegenheid van dit gezantschap zou hij, volgens Boccaccio,

de beroemde woorden gesproken hebben: Si io vo' chi resta? e si

io resto chi va? Als ik ga, wie blijft er? Als ik blijf, wie gaat

er? [Vertaler].

[409] Inferno XVIII, 25-33.

[410] De laatste datum, die door den oudsten Villani wordt vermeld,

is 11 April 1348; hij spreekt dan over de groote pest van dat jaar,

die door Boccaccio in zijn Introduzione van de Decamerone wordt

beschreven. "Deze pest duurde tot..." zegt Villani en was van plan

den datum later in te vullen: maar dit heeft hij nooit kunnen doen;

want hij is er zelf aan gestorven.

[411] Hij werd door de Florentijnen als gezant naar Bonifacius

gezonden. Hij kwam te Rome en zag Florence niet weder.

[412] Duitschland geeft hierin een groote tegenstelling. Ofschoon

Albrecht van Habsburg (en Oostenrijk) zijn mededinger Adolf van Nassau

overwonnen had, werd zijn gezag toch niet door een nationaal gevoel

gesteund. Dante beschuldigt er hem van, dat hij Italië verwaarloosde,

maar hij werd te zeer bezig gehouden door oneenigheden in zijn eigen

rijk en opstanden, zooals dien van de Zwitsers (Wilhelm Tell!); en

Bonifacius had niet geheel en al ongelijk, toen hij toornig tot de

gezanten van Albert uitriep: "Imperator! Imperator sum ego!"

[413] Tot de bezittingen van de Gaetani behoorde ook de beroemde

Tombe van Caecilia Metella, waar Bonifacius, naar men zeide, de

borstweringen had opgericht.

[414] Sommige schrijvers, zooals de Engelschman Walsingham (c. 1400)

hebben de behandeling van Bonifacius zeer overdreven voorgesteld. Het

is echter zeer merkwaardig, dat Dante, "die zijn vijand Bonifacius

rondom de muren van de vlammende stad van Dis sleurt, zooals Hector

rondom Troje werd gesleept", van verontwaardiging trilt over de

heiligschendende behandeling van denzelfden Paus door dien modernen

Pilatus, die Pest van Frankrijk (il mal di Francia, Purgator. VII,

109; XX, 91), zooals bij Philips den Schoone noemt (zie ook: Inferno

XIX. 52-84, waar Dante Bonifacius hevig aanvalt en Paradiso XXVII,

19-30, waar de H. Petrus van hem zegt: "hij heeft van mijn rustplaats

een cloaca van bloed en stank gemaakt" (fatto ha del cimitero mio

cloaca del sangue e della puzza).

[415] Dante beschrijft Philips en Clemens als een reus en zijn

minnares; zij kusten elkander, maar wanneer la puttana de oogen naar

den dichter wendt, sleept de reus haar een bosch in; met ziet hierin

gewoonlijk een toespeling op de Babylonische gevangenschap (Purgatorio

XXII, 148-160). Dante werpt zooals wij zagen Clemens ook voorover in

een hol in den Inferno, met Bonifacius en Nicolaas III (Inferno XIX,

52). Un pastor senza legge heet hij iets verder (83).

[416] Purgat. VI, 97-117, verwijt Dante in scherpe bewoordingen

Albrecht, dat hij niet naar Italië is gekomen, om het weerspannige

en lastige veulen te temmen.

Vieni a veder la tua Roma che piagne,

vedova e sola e dì en notte chiama:

"Cesare mio, perchè non m'accompagne!"

[417] Karel II van Anjou was in 1309 gestorven en Robert, zijn derde

zoon, werd door Clemens V te Lyon als koning der Beide Siciliën

gekroond (Karel Martel was in naam Koning van Hongarije en een tweede

zoon van Karel II was geestelijke geworden).

[418] Dante behoorde tot de Bianchi (Witten), meer gematigden.

[419] Zie Henri Hauvette, Inleiding tot de studie van de Divina

Commedia, p. 167. Dit uitstekend werk over Dante is verschenen in de

Wereldbibliotheek [Vertaler].

[420] Men zal zich herinneren, dat de oude basiliek van het Lateraan

in 896 was ingestort, niet lang nadat het lijk van Paus Formosus voor

een Synode ter verantwoording geroepen was. Het nieuwe gebouw was in

1308 verbrand en nu weder opgebouwd en misschien reeds versierd met

de fresco's van Giotto.

[421] De gezant en de kardinalen weigerden eerst deze handeling

te verrichten, maar het volk van Rome dreigde hen met den dood,

terwijl zij uitriepen, dat zij, en niet de Paus het recht hadden de

keizerlijke waardigheid te schenken. Misschien heeft Dante gedacht

aan de mislukking van het plan om in de St. Pieter gekroond te worden,

toen hij beschreef, hoe op een ledigen troon een kroon lag te wachten

op de aankomst van Hendrik in den hoogsten hemel (Paradiso XXX, 134).

[422] Nog dichter bij S. Gimignano (Plaat 42 en 54) en Certaldo,

de woonplaats van Boccaccio, wiens vader een handelsman van dat

stadje was. Boccaccio werd in ditzelfde jaar geboren (1313), maar

waarschijnlijk te Parijs.

[423] William Gladstone beweerde, dat Dante Engeland bezocht

had. [Vertaler].

[424] Inferno IX, 73-91.

[425] Purgator. XVI, 107.

[426] De Limbo is het voorportaal van de hel, het verblijf der reine

zielen, die niet in Christus geloofd hebben, hetzij omdat zij te vroeg

geboren werden, hetzij omdat zij zijn wet niet gekend hebben; daar zijn

ook de kinderen, die sterven zonder den doop te hebben ontvangen. "Zij

leven in verlangen zonder hoop." Inferno IV. 42. [Vertaler].

[427] Purgatorio XX, 86-90.

[428] Zooals wij reeds dikwijls gezien hebben, zochten de Pausen,

ofschoon zij de natuurlijke vijanden van vrijheid en vooruitgang waren,

toch dikwijls een verbond met de Republieken, een feit, dat ons wel

tot nadenken brengt, wanneer wij zien, dat juist door de vrijheid en

den vooruitgang het afschuwelijke inwendige bederf van het Pausdom

aan het licht kwam.

[429] Paradiso XII. 140.

[430] Een Joodsche sekte, ontstaan in de tweede eeuw v. Chr.

[431] Mani, de stichter van het manichaeïsmus, was afkomstig uit een

voorname Perzische familie. Zijn leer berust op die van Zoroaster.

[432] De leer van het werkelijke bestaan van het Kwaad als

een handelend beginsel, is natuurlijk, evenals de leer van de

zielsverhuizing en het vagevuur, een zeer geschikte oplossing van

zekere intellectueele moeilijkheden en kan lastig door diegenen als

ketterij veroordeeld worden, die den Bijbelschen Duivel aannemen.

[433] Het woord paterino is in het Italiaansch synoniem geworden met

eretico, kettersch.

[434] Domini canes.

[435] Marteau des hérétiques. (Sabatier).

[436] Zooals ook het geval was met de Dominicanen, werd de

bekrachtiging van de Franciscaner Orde door den dood van den Paus

uitgesteld. Zij ontving, zooals Dante (Paradiso XI. 93) zegt, haar

"eerste zegel" van Innocentius in 1214 en werd "met een tweede kroon

gekroond" (IX. 97) door Honorius in 1223.

[437] Hij zag een armen man, die met zijn schouders de Kerk van het

Lateraan, die dreigde in te storten, ondersteunde. Vgl. het fresco

van Giotto in de groote kerk van Assisi. [Vertaler].

[438] Dominicus ging den kruistocht prediken tegen de Albigenzen

en hitste de gemoederen op tot een bloedige vervolging van de

ketters. Franciscus daarentegen zou zich liever aan elke marteling

onderworpen hebben, dan eenig wezen, hoedanig ook, te doen lijden.

[439] Vgl. de heerlijke hymne aan de zon, Cantico delle Creature of

Cantico del Sole.

[Vertaler].

[440] De lage kerk te Assisi, waaraan men kort na den dood van

Franciscus begonnen is, daar hij zijn volgelingen verzocht geen

groote kerken te bouwen, en de prachtige S. Maria degli Angeli,

die in veel later tijd gebouwd is op de overblijfselen van de kleine

Portiuncula, zijn een treffend bewijs hiervan. Zooals Dante (Paradiso,

XII, 117) zegt, traden de latere volgelingen van St. Franciscus in

zijn voetsporen, maar "de teenen op de hielen zettend" d.w.z. in

omgekeerde richting.

[441] Paradiso XII, 56, 57 en 101, 102.

[442] Na zijn bekeering bestond de geheele bezitting van St. Franciscus

in éen stel monnikskleeren.

[443] "De éen was gansch van serafijnen-aard in zijn (weldadigen)

gloed, de ander door wijsheid op aarde een glans van het licht der

cherubijnen." Seraphim wordt verklaard door calefaciens, verwarmend,

en cherubim door copia cognitionis, overvloed van kennis.

[444] Ik kan niet nalaten een paar woorden aan te halen uit

het met zooveel gevoel geschreven werk van Paul Sabatier over

St. Franciscus. "Son humilité est d'une sincérité qui s'impose; elle

est absolue, sans que l'on songe à la trouver exagérée." [Vertaler].

[445] Zie p. 473.

[446] Dante, Parad. XVI, 153. Het oude vaandel der Florentijnen (en

Ghibellijnen) droeg een witte lelie op een rood veld; de Welfen namen

een roode lelie op een wit veld. Dante's woorden "werd vermiljoen

gemaakt" hebben waarschijnlijk betrekking op het bloedbad. Zijn groote

stamvader, Cacciaguida, was keizersgezind; de van hem afstammende

Alighieri, de onmiddellijke voorvaderen van Dante, waren trouwe Welfen.

[447] Inferno X. Farinata, die uit zijn vurige graftombe met trotsche,

kalme waardigheid verrijst, "alsof hij de Hel in groote minachting had"

is een van de grootste en levendigste figuren in de Divina Commedia.

[448] Inferno X, 86.

[449] Dante liet zich inschrijven in het groote gilde van de

geneesheeren en apothekers (Medici e Speziali, la sesta arte, zegt

Zingarelli). Van de ontelbare werken over het leven en de werken van

Dante noem ik in het bijzonder Nicola Zingarelli, Vita di Dante,

con un' analisi della Divina Commedia, Henri Hauvette, Dante,

Inleiding tot de studie van de Divina Commedia (Wereldbibliotheek)

en Karl Federn, Dante, van welk laatste werk de Italiaansche uitgave

buitengewoon fraai geïllustreerd is. [Vertaler].

[450] Zie Dante, Inferno XXI, 38: Un degli anzian di Santa Zita,

i. e. van Lucca. De Anziani van Lucca en Pisa beantwoordden aan de

Florentijnsche Priori.

[451] Inferno XXXIII. Er zijn weinig plaatsen in de Commedia, die

een zoo schitterende getuigenis afleggen van het buitengewone genie

van dezen dichter. Beestachtig is de wraak van Ugolino op zijn beul

Ruggieri, in wiens nek hij zijn tanden zet, die hij daarna afveegt

aan de haren van het hoofd, waaraan hij knaagt. Maar ons afgrijzen

verandert in diep medelijden, wanneer wij dan in hartverscheurende

bewoordingen lezen, hoe de vader de machtelooze getuige was van het

langzame sterven zijner kinderen.

"Nadat wij aan den vierden dag waren gekomen, wierp Gaddo zich

uitgestrekt voor mijn voeten, zeggende: ""Mijn vader, waarom helpt gij

mij niet?"" Daar stierf hij; en zooals gij mij hier ziet, zoo waar

zag ik hen alle drie, éen voor éen, vallen, tusschen den vijfden en

den zesden dag. Twee lange dagen nog tastte ik, reeds blind, naar hen

rond en riep hen; daarna deed de honger wat de smart niet vermocht".

Dit tooneel in den Inferno, dat ons nu nog doet trillen van

ontroering, is wel een van de treffendste illustraties van de wet

der wedervergelding (il taglione, ius talionis). Wel zijn hierop

van toepassing de woorden van Ugolino: "En als gij nu niet weent,

waarover pleegt gij dan te weenen?" [Vertaler].

[452] Zie ook Inferno XXII, 4 en Purgat. V, 92. In het volgend jaar

was Dante aanwezig bij de capitulatie van Caprona, een vesting aan

den Arno, die de Pisanen bezet hadden. Inferno XXI, 94, vergelijkt

hij zich, wanneer de duivels, ofschoon zij hem niet mogen aanraken,

hem van alle kanten bedreigen, met de krijgsknechten, die uit Caprona

wegtrokken en bang werden, toen zij zich tusschen zoovele vijanden

zagen.

[453] Dertien van de meer dan vijftig (?) torens, die door de edelen

van S. Gimignano gebouwd zijn, verleenen nog steeds een merkwaardig

uiterlijk aan deze città della belle torre. Zie plaat 54.

[454] Voor de feiten, die in verband staan met Dante's ballingschap

zie men p. 445. Tien jaar tevoren was hij met Gemma getrouwd,

waarschijnlijk een zuster van Corso Donati, den leider van

de Ultra-Welfen. Ofschoon Dante den naam van zijn vrouw nergens

vermeldt, koesterde hij blijkbaar groote genegenheid voor Piccarda,

Corso's zuster die hij in het Paradijs ontmoet en ook voor Forese,

den broeder van Corso, ofschoon hij hem wegens zijn gulzigheid in

het Purgatorium verschrikkelijk straft. "Om de oogen waren allen hol,

en donkerbleek van gezicht en zoo uitgehongerd, dat de huid zich naar

hun knoken scheen gevormd te hebben". Purgat. XXIII, 22-24.

[455] Hij geleek, zegt Dino Compagni, op den Romein Catilina,

maar hij was wreeder, schoon van uiterlijk, edel van afkomst, een

innemend spreker, scherp van geest en steeds geneigd om het kwade te

doen. [Vertaler].

[456] Dante schijnt het verhaal te bevestigen, dat hij, waarschijnlijk

bij een worsteling, in het Casentijnsche van zijn paard werd geworpen

en aan den stijgbeugel werd voortgesleurd. Forese voorspelt Dante,

dat Corso "aan de staart van een dier naar dat dal wordt gesleept, waar

men nooit vergiffenis voor zijn zonden krijgt." Purgat. XXIV, 83, 84.

[457] Paradiso XVII, 69.

[458] (Zoo zult gij proeven) hoe zout smaakt andermans brood, en hoe

harde weg het is op- en afgaan van een andermans trappen. (Paradiso

XVII, 58-60).

[459] Guido da Polenta was Dante's vriend aan het einde van zijn

leven. Te Ravenna zag de dichter zonder twijfel dikwijls de kleine

Francesca, de dochter of nicht van Guido, die later gehuwd is met

Giancotto Malatesta en door hem is gedood. Ieder lezer van Dante kent

de geschiedenis, hoe Francesca en Paolo den roman van Lancelot lezen,

hoe de liefde zich van hen meester maakt; "toen wij lazen, hoe het

begeerde lachje gekust werd door zoo grooten minnaar, kuste hij, die

nooit van mij gescheiden moge worden, mij gansch sidderend den mond;

Galeotto was het boek en die het geschreven had; dien dag hebben wij

niet verder gelezen". Inferno V, 133-138.

[460] Men zal zich herinneren, dat Hendrik VII zich tot rex pacificus

liet uitroepen, maar het een militaire noodzakelijkheid vond een

aandeel te nemen in de staatkundige woelingen van Italië.

[461] In 1315, zegt Villari, werd de eerste lijst van deze families

gepubliceerd. In later tijden (in de zestiende eeuw) kreeg het register

den naam van "het Gouden Boek" (Libro d'oro).

[462] Bijv. de oude mozaïekwerken van de voorhal van de

St. Marcus. Vele prachtige marmeren standbeelden en andere schatten,

waartoe ook de beroemde bronzen paarden behoorden, werden uit

Constantinopel meegebracht door den "blinden ouden Dandolo" en zijn

krijgers (c. 1204).

[463] Men zal zich herinneren, dat ook de vijfde-eeuwsche mozaïeken

van de S. Maria Maggiore een zeer merkwaardige, heidensche behandeling

van de Christelijke onderwerpen vertoonen (zie p. 240).

[464] De herleving van de schilderkunst had ook invloed op de kunst

van het bronsrelief, een feit, dat zeer goed waarneembaar is, wanneer

men het werk van Andrea Pisano van het Florentijnsche baptisterium

vergelijkt met het buitengewoon mooie, maar al te "schilderachtige"

werk van Ghiberti.

[465] Het is de moeite waard den nieuwen, schilderachtigen en

levendigen stijl van Giotto's Navicella te vergelijken met de

indrukwekkende waardigheid van het mozaïek-werk (Christus en de

H. Johannes) van zijn meester Cimabue in de apsis van de Pisaansche

Kathedraal.

[466] Ook de prachtige ingelegde vloeren (opus Alexandrinum), die

men in vele oude Romeinsche kerken ziet, zooals in de S. Maria

Maggiore en S. Maria in Trastevere, worden door sommigen aan de

Cosmati toegeschreven.

[467] De eenige oude Gotische kerk in Rome, nu afschuwelijk bedorven,

maar nog altijd belangwekkend om haar gewelven.

[468] Wordt vermeld door Dante. In de Aracoeli is ook een prachtige

Cosmati-graftombe (van de Savelli) van omstreeks 1280.

[469] De moeilijkheid om langwerpige en andere ruimten, waar de hoogten

van de bogen verschillend zijn, te overwelven, wordt opgelost door

het gebruik van een spitsboog of beter gezegd, een gebroken boog,

d.w.z. twee gelijke bogen, die onder een hoek zijn geplaatst, die

kleiner is dan de boog van een cirkel.

[470] Zie de opmerkingen over Romeinsche architectuur, p. 393.

[471] Een gevolg van deze voorliefde voor oppervlakte is de grootere

breedte van de Italiaansch-Gotische bogen, die maken, dat een schip,

zooals b.v. in den Florentijnschen Duomo, korter lijkt dan het is,

terwijl de Engelsche en Fransche Gotische schepen met hun spitser en

talrijker bogen den indruk van veel grooter lengte geven. En laten

wij er hier nog eens op wijzen, dat een Noord-Gotische kathedraal,

welke aanspraken op bewondering zij ook moge hebben, bijeengehouden

door uitwendige steunbeeren, toch niet die idee van een geheel schijnt

te bezitten, die de eigenschap moet zijn van een kunstwerk, want,

indien men er binnen is, zijn deze steunbeeren, waardoor het gebouw

tegen instorting wordt gevrijwaard, onzichtbaar, zoodat men zich met

eenige inspanning moet voorstellen, dat zij bestaan, en zich van een

gevoel van angst moet bevrijden. Bij de Italiaansch-Gotische bouworde

ondervindt men een dergelijke gewaarwording niet.

[472] In het oorspronkelijke werk stond "the Westminster

Abbey". [Vertaler].

[473] De Campo Santo werd, ofschoon hij sinds 1203 als begraafplaats

werd gebruikt, eerst in 1270 met de Gotische arcaden omringd, door

Giovanni Pisano, den zoon van Niccolò en toen Niccolò zijn kansel

vervaardigde (1260), waren deze sarcophagen en monumenten, zegt Vasari,

niet in de arcades geplaatst. Inderdaad werd de sarcophaag van Beatrice

eerst in 1810 daarheen gebracht.

[474] Zoo ook in Duitschland. In een vroeger tijdperk had Karel de

Groote in Aken mozaïeken geplaatst, die uit Ravenna waren gestolen

en in zijn kasteel te Ingelheim, tusschen Mainz en Bingen, waren

groote fresco's, die beroemde personen, zooals Romulus, Hannibal

Karel Martel enz. voorstelden; maar dit alles is verdwenen en de

overblijfselen van c. 1150-1250 toonen slechts ruw geschetste en

geverfde muurschilderingen, die blijkbaar onder Byzantijnschen

invloed zijn vervaardigd. (De beroemde gobelins van Quedlinburg,

c. 1200, zijn een raadselachtige uitzondering). Er kan terloops op

gewezen worden, dat na 1200, twee eeuwen lang (dus tot den tijd van

de Van Eyck's) de Duitsche schilderkunst zeer belemmerd is door den

overheerschenden invloed van het Gotisch beginsel van constructieve

versiering, dat den kunstenaar niet slechts beperkte tot altaarstukken,

maar zijn schilderstukken binnen enge oppervlakten drong, zooals de

zwaar-omlijste triptieken.

[475] Vasari zegt, dat de jonge Cimabue het werk van "Grieksche

schilders", die in de S. Maria Novella bezig waren, gadesloeg. Maar die

kerk werd gesticht in 1278 toen Cimabue acht en dertig jaar oud was!

End of Project Gutenberg's Italië in de Middeleeuwen, by H. B. Cotterill

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 48 / 48 段