[154] Deze steden waren: Ravenna, Ancona, Bologna, Ferrara

etc. Pepijn's schenking was "aan den Heiligen Petrus, aan de Heilige

Roomsche Republiek en aan alle volgende Pausen." In antwoord aan een

gezantschap uit Constantinopel verklaarde hij, dat hij alleen naar

Italië gekomen was "uit liefde voor den H. Petrus en om vergiffenis

te ontvangen voor zijn zonden." Het document van Pepijn's Donatie

werd bewaard in den "Confessio" van de St. Pieter te Rome en bestond

nog, toen de schrijver van het Leven van Paus Stephanus in den Liber

Pontificalis leefde (c. 850-900?).

[155] In zijn eerste phase wordt het Pausdom gesteund tegen den

Romeinschen adel door de barbaarsche vorsten en de Keizers, die

door donaties zijn onverzadelijke begeerte naar wereldlijke macht

aanmoedigt. Dante gebruikt bittere woorden over die wolvin, die in

haar magerheid met alle begeerten scheen belast (Inferno I, 50.) en

na de voedering meer honger heeft dan te voren. (Inferno. I, 99.) En

nog sterker in zijn Bijbelsch puttaneggiar co' regi (Inferno XIX,

108.). Een van die regi was natuurlijk Karel van Anjou.

[156] In Verona waren de weduwe en de kinderen van Karloman, en ook

Adelchis, de zoon van Desiderius. De eersten werden gevangen genomen en

naar een klooster gestuurd; de laatste ontsnapte naar Constantinopel.

[157] Een legende, die merkwaardige overeenkomst toont met die van

Tarpeia, verhaalt dat een dochter van Desiderius verliefd was op

Karel en 's nachts de poort opende voor de Frankische ruiters, die

bij het binnendringen haar verpletterden.

[158] Het Longobardische Hertogdom Benevento, ofschoon het vermeld

wordt in de Donatie aan de Kerk, schijnt in deze geheele periode

onafhankelijk gebleven te zijn. Het was later een deel van dat

Zuid-Italië, welks geschiedenis zoo geheel anders is dan die van het

overige schiereiland.

[159] In 785 verplaatste Karel vele Saksen naar Frankische landen

en daarop volgde een algemeene bekeering tot het Christendom. In 788

en 791 onderwierp hij de Beieren en de Avaren en lijfde hen bij zijn

Rijk in.

[160] "Where Charlemain with all his peerage fell by Fontarabia."

[161] Zie illustratie. Het is een copie van een stuk van het mozaïek,

dat Leo III in zijn Triclinium (Feestzaal) in het Lateraan liet

opstellen. Het origineel is c. 1740 vernield en copiën gemaakt naar

oude teekeningen werden kort daarna door Benedictus XIV geplaatst onder

de Tribune, die bij de Santa Scala (de marmeren trap van Pilatus huis)

staat, dicht bij het Lateraan-Museum. De H. Petrus, wiens gestalte

herinnert aan het beeld in het Vatikaan, biedt Leo de pauselijke

stola en Karel het vaandel van Rome aan.

[162] Exodus XVII, 11.

[163] Waarschijnlijk is het juister te spreken van het Oostelijk

Keizerrijk, hetgeen een soort van Babylonische ballingschap was van het

oorspronkelijke Keizerrijk, en den titel "Romeinsch" voor dat Imperium

te bewaren, waarvan Rome zelf de hoofdstad was. Zonder twijfel werd

Karel door tijdgenooten als de onmiddellijke opvolger beschouwd van

den ongelukkigen Constantinus VI (de 68e keizer van Augustus af),

maar voor de Italianen was Rome de "Moeder" en Constantinopel slechts

de "Dochter" van het Romeinsche Keizerrijk. Ook in de Lauresheimer

Annales wordt als een krachtig argument voor de verkiezing van Karel

aangevoerd, dat "hij Rome zelf in zijn macht heeft, waar de Caesars

altijd gewoon waren te zetelen." Bovendien zijn er vele bewijzen,

waaruit blijkt dat het Romeinsche volk zichzelf en Rome als den eenigen

oorsprong van het Imperium Romanum beschouwde. Zoo toont b.v. een

bulla uit Leo's tijd de beeltenis van Karel als Imperator en op de

keerzijde een poort van de stad Rome met het opschrift Renovatio Romani

Imperii. Niemand zal ontkennen dat het Oostelijke Keizerrijk dikwijls

werd beschouwd als het Romeinsche Keizerrijk (zie b.v. Justinianus'

beschrijving van den Romeinschen adelaar in Dante's Paradiso), maar

te Rome heerschte het gevoelen, dat hier omschreven is.

[164] Handelingen IX, 25.

[165] Diploma's (men weet niet volkomen zeker of zij echt zijn) van

Paus Hadrianus' tijd (772-95) geven Karel den titel van Imperator. De

copie van den Bijbel, die Alcwin eenigen tijd voor de kroning,

aan Karel als kerstgeschenk gaf, had tot opschrift: ad splendorem

imperialis potentiae (Greg.).

[166] Hij verklaart, dat hij geen Grieksch kende: quamvis Graecae

linguae nescius. Ep. VII.

[167] Een kleine kamer van het oorspronkelijke paleis is nog over,

en in een kapel de marmeren tafel, waaraan hij dagelijks twaalf arme

menschen spijzigde, en eens, zonder het te bemerken, een engel als

dertiende.

[168] Gregorius zelf vertelt ons, hoe de duivel (of de Booze Geest

van het Arianisme) in een kerk verscheen in de gedaante van een

zwart varken en groote ontsteltenis verwekte. Hij schreef veel over

relieken en mirakels en was een groote autoriteit op het gebied

van het Hellevuur. Sommigen zeggen, dat hij het Purgatorium heeft

uitgevonden. Hij geeft in allen ernst het verhaal, dat Theoderik door

booze geesten in de Etna wordt geworpen. Uit Palestina bracht hij den

arm van den H. Lukas, en dien van den H. Andreas naar Rome en hij

geloofde even stellig in de regen-brengende kracht van het "kleed

van den H. Johannes", dat in tijden van droogte buiten de deur van

het Lateraan werd geschud, als een Kaffer in den hocus-pocus van een

regendokter. Dante-lezers zullen zich de vreemde legende herinneren

van Keizer Trajanus, die na 500 jaren door Gregorius' gebeden in het

leven wordt teruggeroepen om gedoopt te worden.

[169] Evenals Agilulf weigerde Ethelbert de goden van zijn vaderen

te verzaken.

[170] Zie de teekening; beneden zien wij den Doop en verschillende

Heiligen; boven biedt de koningin den Heiligen Johannes een Kroon

aan. Links knielt zij en achter haar zijn drie kronen--een daarvan

is misschien de beroemde ijzeren Kroon (zie fig. 19) en een ander de

kroon van de Koningin, die nog in haar schatkamer te Monza is, waar

ook de Hen en de Kuikens (zie fig. 20), bekers, enz. zijn, hetgeen

men, tegelijk met een voorstelling van het kruis van Gregorius,

kan zien aan den rechterkant op het relief. De figuren op de basis

lijken Romeinsch, waarschijnlijk van een oud monument.

[171] Dante, Purg. X en Par. XX. De legende wordt verteld door Paulus

Diaconus en door Brunetto Latini (Dante's leermeester en vriend,

dien hij in de Hel plaatste!).

[172] Op Leo's Triclinium (p. 216) lezen wij bone boluntatis en

bictoria donas, hetgeen bijna ongeloofelijk schijnt op een werk, dat

zich in een eetzaal van ontwikkelde prelaten bevindt. Opschriften en

munten van 800 en later vertoonen dikwijls een dergelijke spelling

en laten zien hoe snel het Latijn verbasterde.

[173] Voor Phocas en zijn zuil zie fig. 21 en de verklaring.

[174] Vgl. Mothes, Baukunst des Mittelalters in Italien, Rivoira,

Le Origini dell' Architettura Lombarda, Ricci. L'arte dell'

Italia settentrionale en het nieuwe werk van Jackson, Romanesque

Architecture. Voor Ravenna is Ricci's Ravenna bijzonder bruikbaar,

vooral over de mozaïeken van Theoderik.

[175] Ondanks den koepel met de karakteristiek Bizantijnsche hangbogen

ben ik het geheel eens met Ricci, dat Galla Placidia's mausoleum, met

zijn massieve bogen, un' opera della decadenza romana non propriamente

bizantina is.

[176] Romeinsche gewelven en koepels bestonden, met uitzondering van

het Pantheon, uit een vaste massa, samengesteld uit cement of lichte

poreuze steen en gebouwd op een tijdelijk houten geraamte. Aldus

werden het monoliethen, zooals de koepel van Theoderik's mausoleum

in werkelijkheid nog is.

[177] De vestibule narthex, zooals in de S. Marco te Venetië was

een Oostersche merkwaardigheid, voor boetelingen en profani. In de

Westersche basilieken kwam daarvoor het atrium een hal, om de kerk te

beschermen tegen rumoer enz. Het atrium van de oude St. Pieter was

bijzonder ruim en fraai, met een wit-marmeren vloer en een fontein,

waarboven zich het metalen dak met den beroemden bronzen kegel verhief,

dien Dante ook vermeldt. De apsiden waren niet altijd aan de oostzijde.

[178] Zie fig. 4 en 5.

[179] Constantijn's kerken in Jeruzalem zijn p. 34 n. genoemd. De

voornaamste gebouwen van Constantijn in Rome zijn het

Lateraan-Baptisterium, waarin hij, naar men beweerde door Silvester

was gedoopt (een tooneel, dat wordt voorgesteld op Raffael's fresco),

de dikwijls herbouwde Lateraan-basiliek, en de S. Constanza.

[180] Wanneer men bedenkt dat er in Gratianus' tijd (c. 380) 424

heidensche tempels in Rome waren, lijkt het getal Christelijke

basilieken wel verbazend klein.

[181] Sommige schrijvers gebruiken den term "Romaansch" voor alle

bouwstijlen, die het beginsel van den Romeinschen boog en het gewelf

aanvaardden. Ik geef er den voorkeur aan dezen naam te beperken tot

dien stijl, die in Italië ontstond onder den Longobardischen invloed,

die op den klassieken en basiliek-stijl inwerkte.

[182] Volgens een dergelijk plan zijn de S. Lorenzo te Milaan (c. 550)

en de kathedraal van Karel den Groote te Aken gebouwd.

[183] Dit is natuurlijk de cirkel, die de toppen der vier bogen raakt

en zich juist bevindt boven den ingeschreven cirkel van het vierkant,

dat het grondvlak vormt.

[184] B.v. de wijn, visch, duif, pauw, Psyche, Cupido enz. Orpheus

werd in de vroege kunst gebruikt om Christus voor te stellen en een

1000 jaar later riep Dante uit: "O, opperste Jupiter, die voor ons

op aarde werd gekruisigd!"

[185] "De hoofden vertoonen veertien kleurschakeeringen" (Ricci).

[186] Maar zulke herhalingen bereiken in sommige gevallen de waarde van

een rhythmus in de muziek en zijn als decoratief zeer indrukwekkend.

[187] Zie p. 203. In Justinianus' S. Sofia was waarschijnlijk slechts

een groot Kruis van mozaïek, zooals er nog in sommige Oostersche Kerken

bestaan. Alle beelden waren verboden, en eerst werden alleen symbolen

toegelaten. Na het Concilie van Nicaea, door Irene bijeengeroepen

in 787 en vooral na den terugkeer tot den beeldendienst in 860,

werd het maken van beelden een zeer lucratief vak.

[188] Ik bedoel dien artistieken geest, die in Italië inheemsch was

sinds den tijd van de oude Etruskers en de Grieksche kolonies en die,

als het ware, de antiqua mater was van de klassieke Romeinsche kunst,

en ook van alle latere Italiaansche kunst.

[189] B.v. zuilen, kapiteelen, snijwerk te Torcello, Toscanella,

Brescia (de oude S. Salvatore), misschien te Grado, Cividale, Napels

(kapiteelen in S. Restituita), en in andere Zuidelijke steden;

bovendien vele prachtige sarcophagen, b.v. in S. Apollinare in Classe

te Ravenna. Sommige van deze overblijfselen zijn misschien klassiek

Romeinsch werk, hetgeen men zich dikwijls toeëigende; maar dikwijls

lijkt het toch ook echt Italiaansch werk in ouden stijl, uit de 7e

of 8e eeuw.

[190] Of Longobarden? En waren de oude Longobardische kerken

gebouwd in een ruwen barbaarschen stijl in navolging van de nog

oudere houten gebouwen in hun Noordelijk vaderland? Het is mogelijk,

dat hun onbeholpen wijze van bouwen de oorzaak is van het volkomen

verdwijnen van bijna al deze primitieve Longobardische kerken.

[191] De verdere geschiedenis van het eiland zal den lezer misschien

interesseeren. In 962 vluchtte Berengarius daarheen, maar werd

verraden. In 1169 werd de colonie uitgeroeid, omdat zij de zijde

van Milaan had gekozen. Het laatste nieuws is, dat de eigenaar een

prospectus heeft uitgegeven, waarin hij de bekoorlijke ligging van

het eiland aanbeveelt voor een hotel en casino!

[192] T. G. Jackson vermoedt dat een "free-mason" oorspronkelijk een

werkman was, die werkte met freestone (zachte zandsteen).

[193] vgl. het groteske Longobardische beeldwerk op den fraaie

Baptisteriumtabernakel te Cividale (c. 740).

[194] Het verkleinwoord danken wij aan een Paus, dien Tuscania had

getrotseerd.

[195] De prachtige kerk te Trier aan de Moezel maakt er aanspraak op

de oudste in Duitschland te zijn, maar is geheel gereconstrueerd. Zij

staat op de overblijfselen van een Romeinsch gebouw, dat reeds in

de 4e eeuw als Christelijke kerk gebruikt is. In 550 ongeveer is zij

afgebrand, maar later herbouwd, blijkbaar in Romeinsch-Longobardischen

stijl, want er zijn bogen en beeldwerk over, die zeer gelijken op

de werken in Noord-Italië uit Theodelinda's tijd. Het is in de

11e eeuw gereconstrueerd en als zoodanig een mooi voorbeeld van

Germaansch-Romaanschen stijl, doch ontsierd door torens en moderne

herstellingen.

[196] Door den Franschen bisschop S. Paulinus, wiens festa nog steeds

te Nola in Juni gevierd wordt.

[197] In dezen tijd had Rome zijn hertog, die het bevel had over het

leger en de burgerlijke macht deelde met de optimates. Het pauselijk

gezag werd tegelijk met de oligarchische en republikeinsche macht

grooter en overtrof het bijna.

[198] De zgn. stoel van Attila (fig. 27) is misschien de sella curulis

van den tribunen van Torcello geweest.

[199] Cassiodorus XII. epist. 24.

[200] Dit heeft betrekking op Heneti, dat eenigszins lijkt op ainetos

(geprezen).

[201] Toen Longimus, de opvolger van Narses, de eilanden bezocht

om van hen als onderdanen van den Keizer hulp te vragen, weigerden

zij dien eisch te erkennen, maar zonden gezanten met Longinus

naar Constantinopel en aanvaardden in ruil voor belangrijke

handelsprivileges als een ijdelen vorm de souvereiniteit van den

Keizer.

[202] Een van deze, Altinum, werd door de inwoners verlaten wegens

een voorteeken, dat hen deed denken aan Attila en Aquileia:--duiven

en andere vogels verlieten de stad en droegen hun jongen mede.

[203] Hiervoor ontving Orso van den Keizer den titel "Hypatos"

(Zijne Hoogheid).

[204] Het oude Malamocco, thans door de golven verzwolgen, lag

ergens aan het tegenwoordige kanaal door den Lido, dat nog Il porto

di Malamocco heet.

[205] Dante, Par. VI, 94. De ali zijn de vleugels van den Keizerlijken

Adelaar, van welk gesternte in den zesden hemel (van de planeet

Jupiter) de ziel van Constantijn den Groote, die hier spreekt, een

van de vijf sterren is, die het oog vormen. Zoowel Karel als zijn

paladijn Orlando worden door Dante in den hemel (in het vlammende

kruis van Mars) geplaatst, als strijders voor het christendom.

[206] Oudtijds "S. M. ad Nives" geheeten, omdat een sneeuwval de

juiste grenzen van haar ligging had bepaald; of "ad Praesepe" wegens

het vermeende bezit van vijf planken van de Kribbe van Bethlehem.

[207] Vgl. de fresco L'incendio del Borgo. Het woord is van

noordelijken oorsprong (burg, burgh) en werd misschien in Rome,

c. 700 eerst gebruikt om de allerminst brandvrije, van houten daken

voorziene stadsgedeelten (scandalicia) aan te duiden van de Engelschen,

Saksen enz. die daar hun scholae hadden gesticht. Vandaar beteekent

het woord in het Italiaansch "voorstad". De Borgo werd ommuurd en

versterkt door Leo IV (c. 852) en kreeg den naam Civitas Leonina.

[208] Eenige bijzonderheden geeft St. Gregorius van Tours volgens

de verhalen, die een zijner diakenen deed na een bezoek aan Rome in

590 ongeveer.

[209] Clerestory of clear-story noemt men de ramen in het bovengedeelte

van het middenschip van een kerk. [Vertaler].

[210] Zie de illustraties. In de eene Confessio is het (vermeende)

hoofd van den Engelschen St. George. Het catacombe-altaar

(waarschijnlijk van 320 ongeveer) heeft het traliewerk en venster

aan de voorzijde, omdat het presbyterium niet verhoogd was.

[211] Plaat 29 laat zien hoe lang de Pausen deze voorstelling lieten

voortleven. Hier biedt Constantijn Silvester een symbolisch beeld

van Rome aan.

[212] Parad. XX. 56 en Inferno XIX. 115.

[213] Orlando Furioso XXXIV. 80.

[214] Dit gebeurde alleen met toestemming van de edelen van het rijk,

terwijl Paus Leo III er niet in gekend werd. Waarschijnlijk had zijn

onbeschaamd gebruik van Constantijn's Donatie en zijn uitlegging van

Pepijn's Donatie Karel geprikkeld. De Keizer zelf zette zijn zoon

de kroon op of verzocht hem misschien die van het altaar te nemen en

op zijn hoofd te plaatsen, "een duidelijke wenk", zegt Gregorovius,

"voor al zijn opvolgers".

[215] De titel, dien de Karolingische en Saksische keizers voerden

was Imp. Aug. met de bijvoeging Rex Francorum et Longobardorum (het

laatste na de kroning met de ijzeren kroon van Lombardije). Later

was het, vóór de kroning met de gouden tiara te Rome, Romanorum Rex

semper Aug., en daarna Romanorum Imp. semper Aug.

[216] Dat er onder Pausen eenige krachtige en verstandige leiders

zijn geweest en een paar werkelijk goede menschen, zal wel blijken,

wanneer wij verder komen; maar geen woorden kunnen krachtig genoeg

verklaren, dat de idealen van de Pausen niet die van den Stichter van

het Christendom waren. De geschiedenis moet het middeleeuwsche Pausdom

beschouwen als een zuiver wereldlijke macht en wel als een macht,

die een oneerlijk voordeel had door haar misbruik van het bijgeloof

der menschheid.

[217] Eenige jaren later (871) werd "Keizer" Lodewijk II, met zijn

gemalin en gevolg, gevangen genomen door den Hertog van Benevento,

die hem een maand vasthield en liet zweren zijn hertogdom nooit weder

te betreden. Deze "ongehoorde profanatie" van de heiligheid van de

Keizerlijke waardigheid (zooals Gregorovius zegt), schijnt niet weinig

vroolijkheid en boosaardig gejubel onder de vele Italiaansche vijanden

van het Frankisch-Romeinsche Keizerrijk verwekt te hebben. Het is

de moeite waard op te merken, dat deze "profanatie" plaats vond,

nadat Lodewijk juist een brief van den Oostelijken "Keizer", die

hem weigerde te erkennen, beantwoord had met een heftigen aanval

op de aanspraken van de Byzantijnsche "Romeinsche Keizers" en een

krachtige verdediging van zijn eigen rechten. "Weet", schrijft hij,

"dat Wij, indien Wij niet Imperator Romanorum waren, niet Imperator

Francorum konden zijn; want van de Romeinen hebben wij dezen naam en

deze waardigheid ontvangen."

[218] Portus, aan den noordelijken mond van den Tiber, had reeds

lang geleden het oude Ostia aan den zuidelijken arm overvleugeld,

maar de toegang tot de zee was verzand en Ostia was weder in gebruik

genomen. Gregorius' Nieuw-Ostia ligt achter de ruïnen van de oude

stad. De Portus-monding werd in 1612 heropend en Ostia werd wederom

verlaten; maar Porto is nu 2 1/2 K.M. van het strand af, waar de

deftige badplaats Fiumicino ligt.

[219] Een jaar ongeveer na deze paniek werd de algemeene verslagenheid

verergerd door een aardbeving en daarna door den grooten Incendio del

Borgo, die de houten woningen van de Saksen en Longobarden vernietigde

en den portico van de St. Pieter verwoestte. De brand werd gestuit

door Leo, dien men op het Raffael-fresco het teeken van het Kruis

ziet maken.

[220] Paus Johannes VIII trachtte Leo IV te evenaren door muren te

bouwen, om de S. Paolo fuori le mura te beschermen; hij noemde de

wijk Johannipolis, maar de muren en de naam verdwenen weldra.

[221] Friuli (i. e. Forum Julii), in het noord-oosten van Italië,

was door Albion tot een Longobardisch hertogdom gemaakt met Cividale

als hoofdstad. Karel de Groote maakte er een mark (markiezaat) van

en breidde het uit tot de Adige.

[222] Het was geen bewijs van bijzondere dankbaarheid, dat hij een paar

jaren later hun legerplaats op den Garigliano verwoestte. (zie p. 283).

[223] Het is de moeite waard op te merken, dat Berengar in den beginne

de aanspraken van Arnulf op de kroon van Italië erkende.

[224] Zie voor deze Magyaren en Hongaren p. 29 n. De tegenwoordige

Hongaren stammen van hen af en niet van de Hunnen.

[225] Hij was vroeg opgestaan om de Mis bij te wonen in een kerk dicht

bij zijn paleis, waarschijnlijk de kleine kerk van SS. Siro e Libera,

die nog bij de overblijfselen van Theoderik's paleis staat.

[226] Dat het Pausdom, als wereldlijke macht beschouwd, dikwijls

een groot voordeel bezat door de erkenning van zijn voorrechten

op geestelijk gebied, kan zelfs niet door hen ontkend worden, die

de overdracht van geestelijke voorrechten onaannemelijk vinden in

verband met de afschuwelijke misdaden en schandelijke ondeugden,

de pazza bestialità (Villari) van vele Pausen, die van het Lateraan

een hol van moordenaars en bloedschenders maakten, een toestand,

die met eenige onderbreking eeuwen lang heeft geduurd.

[227] Men vertelt, dat Ermengard Rudolf betooverd had en hem had

veranderd in een klagenden aanbidder; als een nieuwe Circe nam zij

hem met een minachtend lachen de Longobardische kroon van het hoofd

en gaf die aan haar stiefmoeder.

[228] Het staat vast, dat Stephanus VI en Johannes X zijn geworgd.

[229] Hij stortte met opzet een beker water of wijn over den koning

uit.

[230] Wij vernemen niets meer van haar en evenmin van eenig verzoek

van Hugo om haar vrij te laten.

[231] Het Gerechtshof hield dikwijls zijn zittingen in de Aula ad

Lupam van het Lateraan, die zoo heette naar de Capitolijnsche Wolvin,

die in dezen tijd daar werd bewaard.

[232] De meeste Benediktijner-kloosters waren nu "holen van ondeugden"

geworden en zooals Benedictus tot Dante zegt, het overschrijven van

den ouden Regel was slechts "papier verkwisten". De hervormers van

Cluny brachten wel iets tot stand, doch de algemeene hervorming

geschiedde niet vóór de stichting van de Camaldulenzer-orde van

de Witte Benediktijnen door Romualdo, ongeveer 1010. Alberik wilde

verandering brengen in de ontzaglijke rijkdom en het territoriale

gezag van deze vorstelijke abten, evenzeer als in hun zeden.

[233] Vgl. het verhaal van Liudprand, Bisschop van Cremona, in Graaf

Balzani's Cronache italiane. Liudprand (c. 920-970) is de voornaamste

bron voor dit tijdperk. Hij schreef, behalve andere werken over de

periode 888-962, een Historia Ottonis.

[234] Dat beeld stond toen bij het Lateraan, thans op het Capitool. Het

heette in de Middeleeuwen "het paard van Constantijn". (zie p. 303).

[235] Hij bleef daar 120 dagen en werd zeer smadelijk behandeld, als

wij alles mogen gelooven, wat hij vertelt in zijn "Verslag van het

gezantschap naar Constantinopel". Phocas was vooral verontwaardigd,

omdat de Paus hem "Imperator Graecorum" noemde.

[236] Otto de Groote wordt, nog meer dan zijn vader Hendrik, beschouwd

als de stichter van het Duitsche Keizerrijk en van alles, wat deutsch

is, ook literatuur. Tijdens zijn regeering werden de Germanen het

eerst officieel het Deutsche d.w.z. het [uitverkoren] volk. Zie p. 143

n. De cultuur van het zuiden drong in deze periode snel in Duitschland

door. Zelfs schoolmeisjes leerden Vergilius en Terentius lezen.

[237] St. Bartholomaeus, zegt men, is in zijn marmeren sarcophaag

van Indië naar de Liparische eilanden gereisd, waar de Saracenen zijn

lichaam wegwierpen; maar het kwam toch veilig te Benevento, vanwaar

Otto het naar Rome trachtte te brengen. De bewoners van Benevento

echter bedrogen hem en gaven hem het gebeente van St. Paulinus. Toch

noemden de Romeinen de kerk op de Isola Tiberina naar St. Bartholomaeus

en beweerden dat zijn reliquieën daar waren. Deze kerk werd door Otto

op de plaats van den ouden tempel van Aesculapius gebouwd en eerst

gewijd aan St. Adalbert.

[238] Tot deze familie behoorde Benedictus IX, misschien wel de

onrechtvaardigste van alle Pausen.

[239] B.v. Venetië, Florence, Pisa, Genua. De twee laatste waren

machtig ter zee en hadden met goeden uitslag gestreden tegen de

Saracenen van Sardinië en Spanje. Milaan en Pavia moesten lang

worstelen om zich van de Duitsche overheersching te bevrijden. In het

zuiden werd de republikeinsche geestdrift gedoofd door de Byzantijnen,

Saracenen en Noormannen.

[240] Dergelijke oproeren vonden in het vervolg bijna altijd plaats bij

de kroning van een Duitscher als Keizer; het werd steeds op dezelfde

barbaarsche wijze gestraft.

[241] Zie over de Noormannen hoofdstuk II van dit deel.

[242] De prachtige architectuur, die in deze periode in de noordelijke

steden optreedt, en een weinig later in het gebied der Noormannen, is

een merkwaardig bewijs van den vooruitgang van beschaving en kunst,

waar burgertwisten een dergelijke ontwikkeling niet verhinderden,

zooals dat in Rome het geval was.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 45 / 48 段