Dit alles is natuurlijk mogelijk; maar het komt mij inderdaad

meer waarschijnlijk voor, dat onze Niccolò te Pisa is geboren en

dat de woorden "Pietri de Apulia" moeten verklaard worden door de

vooronderstelling, dat zijn vader een bezoek heeft gebracht aan

Zuid-Italië en er misschien een tijdlang heeft gewoond; Pisa toch

bezat in dien tijd een groote maritieme macht en stond in voortdurende

verbinding met de havens van Zuid-Italië. En wanneer ik bedenk, dat

het jaartal van den kansel te Ravello zeer zeker 1272 is, dan lijkt

het mij redelijk toe te vooronderstellen, dat Niccolò, indien hij er

eenigzins mee in verband stond, of een leerling van hem, naar Ravello

ontboden is (of naar Napels, waarheen Giotto later geroepen werd)

en het werk heeft ontworpen of misschien zelfs uitgevoerd volgens

hetzelfde plan als dat van den Pisaanschen predikstoel.

Hoe dit ook zij, het staat vast, dat Niccolò de stichter was van

die Toskaansche School van groote beeldhouwers, waarvan Michelangelo

misschien de grootste is geweest.

Met medewerking van zijn zoon Giovanni heeft Niccolò ook (1265-'68)

den prachtigen predikstoel te Siena (plaat 63) vervaardigd en het

relief boven den ingang van den Duomo te Lucca, dat de afneming van het

kruis voorstelt; dit laatste relief wordt door sommige beschouwd als

het beste beeldhouwwerk van de dertiende eeuw. Verscheidene andere

mooie werken worden aan hem of aan Giovanni toegeschreven. (Voor

het beeldwerk op de tombe van St. Dominicus zie men plaat 52 en de

Verklaring der illustraties). Een leerling van Giovanni was Andrea

Pisano (1273-1348), de medewerker van Giotto aan den Campanile en de

maker van een der prachtige deuren van het Florentijnsche Baptisterium.

(4) Schilderkunst.

Het ligt geenzins in mijn bedoeling biografische bijzonderheden te

vermelden, die gevonden kunnen worden in de talrijke boeken over de

vroeg-Toskaansche kunstenaars, en daar de duizend jaren, waarover

in dit werk gesproken wordt, zich niet uitstrekken tot het einde

van Giotto's leven, komt het mij beter voor beschouwingen over den

oorsprong van de Italiaansche schilderkunst uit te stellen, totdat

het werk van Giotto en de latere ontwikkeling daarvan kan behandeld

worden. Wij zullen ons dus beperken tot zekere punten, die samenhangen

met de vraag, of Florence inderdaad de bakermat van deze nieuwe

schilderkunst was of niet, terwijl wij maar aannemen, dat niemand den

moed zal bezitten te ontkennen, dat die kunst in Toskane is geboren.

Dat de herleving van de beeldhouwkunst vooraf is gegaan aan de

nieuwe geboorte van de schilderkunst in Italië, moet men natuurlijk

toeschrijven aan het feit, dat er nog oude standbeelden, sarcophagen

en andere monumenten over waren, en geen antieke schilderstukken,

behalve die te Pompeii en elders, die nog niet opgegraven waren. En

laten wij eerst beslissen, of wij mogen spreken van de nieuwe geboorte

of beter de hernieuwing van de schilderkunst ter onderscheiding

van de herleving van de beeldhouwkunst. Moeten wij aannemen, dat

het leven in de schilderkunst geheel en al verdwenen was? Moeten

wij de Byzantijnsche schilderkunst beschouwen als een schitterende

mummie, die echter niet in staat was eenige levenskrachtige vonken

over te brengen? Moeten wij de vooronderstelling verwerpen, dat de

Romeinsche en Toskaansche mozaïeken den afgrond van meer dan duizend

jaren overbrugden en het voor andere, Cimabue b.v., zeer gemakkelijk

maakten om hun weg te vinden naar de Stad der Schoonheid? Mogen wij

beweren, dat het genie alleen in staat is alle afgronden te overbruggen

en geen hulp noodig heeft, maar volkomen onafhankelijk van de wet

der natuurlijke ontwikkeling, die een afbreking van de continuïteit

verbiedt, de kracht bezit tot artistieke creatie? Ik meen werkelijk,

dat wij dit mogen aannemen.

In Toskane schijnt in het begin van de dertiende eeuw de Byzantijnsche

stijl overheerschend te zijn geweest. Daar deze stijl zonder

twijfel via Venetië in Noord-Italië is ingevoerd, moeten wij er ons

over verbazen, dat die stijl zich niet verder in Lombardije heeft

verspreid. Maar het is een feit, dat in Lombardije in dien tijd noch

de Byzantijnsche, nog eenige andere stijl de overhand had, daar de

schilderkunst zelf ternauwernood bestond [474]. Te Florence daarentegen

was het aantal kunstenaars zoo groot, dat, toen Dante jong was, daar

meer dan twintig maestri, naar men vertelt, ateliers hadden, waarvan

er misschien vele in de oude Via de' Pittori waren. En dit waren

zonder twijfel allen "Grieken", of anders Italianen, die de techniek

en de tradities van de Byzantijnsche schilderschool hadden bestudeerd;

en wat deze techniek en deze tradities waren, hebben wij reeds gezien.

Tot de leerlingen van een dier schilders [475] behoorde zeer

waarschijnlijk de jonge Giovanni Cenni, die beter bekend is onder

zijn aangenomen naam Cimabue, die "geboren was", zoo Vasari terecht

zegt, "om het eerste licht over de schilderkunst te verspreiden", of,

zooals wij misschien mogen zeggen, om de mummie van de Byzantijnsche

kunst met nieuw leven te bezielen.

Dit nieuwe licht, of nieuwe leven, deze wondere eigenaardigheid, die

zelfs de vroegste pogingen van de nieuwe school onderscheidt van de

schilderstukken van de voorafgaande "Grieksche schilders", kan gevoeld,

zoo niet beschreven worden, door hem, die in een ontvankelijken,

vrijen geestestoestand een half uur in de tegenwoordigheid van de

Madonna Rucellai doorbrengt, nadat hij tevoren eenige Byzantijnsche

figuren heeft beschouwd.

Het onderscheid is misschien niet zoo duidelijk als het verschil, dat

wij opmerken, wanneer wij den Pisaanschen kansel met de reliefs van

Antelami op het Baptisterium te Parma vergelijken, maar het is, naar

mijn meening, even wezenlijk. Het is het onderscheid tusschen hetgeen

leven, of in ieder geval, levenskracht bezit, en hetgeen levenloos is.

Het voornaamste werk van Cimabue stond waarschijnlijk in verband

met de beroemde fresco's te Assisi, waar Giotto het eerst onder zijn

leiding werkte; maar van het werk van den ouden meester kan men weinig

of niets met zekerheid herkennen. Ook van de talrijke altaarstukken,

die Vasari aan hem toeschrijft, zijn nog slechts drie over. Een is in

het Louvre; de twee andere zijn te Florence, namelijk datgene, dat

hij schilderde voor de kerk della Trinità en dat nu in de Accademia

naast een dergelijk werk van Giotto hangt, en de prachtige en edele

Madonna van de Cappella Rucellai, die geschilderd werd voor de S. Maria

Novella en daar nog te zien is.

Sceptici van later dagen, voornamelijk Duitschers, hebben beweerd, dat

Cimabue geen van deze drie stukken heeft geschilderd en op grond van

een oud document, dat een opdracht vermeldt, die door de monniken van

de S. Maria Novella aan den Sieneeschen schilder Duccio wordt gegeven,

dringen zij er op aan, dat wij zullen gelooven, dat Duccio deze Madonna

van de Cappella Rucellai heeft geschilderd. Het is onmogelijk om hier

mijn meening met bewijzen te staven. Ik kan alleen mijn overtuiging

mededeelen. Duccio's groote "Ancona" met de zes en twintig tafereelen

uit het leven van Christus vertoont, ofschoon het houterig en slap van

uitvoering is, toch in zijn pogingen om levendigheid in de uitdrukking

te bereiken zonder twijfel den invloed van den nieuwen stijl (meer

van Giotto dan van Cimabue); maar deze "Ancona", zooals een dergelijk

altaarstuk wordt genoemd, werd niet voor 1311 ongeveer geschilderd,

en vroegere schilderstukken van dezen meester, die men in de Galerij

te Siena kan zien, wijzen erop, dat hij zich toen nog geenszins had

bevrijd van de kluisters der Byzantijnsche kunst. Men kan er niet

aan twijfelen, dat er ook te Siena aan het einde van de dertiende

eeuw eenige schilders, zooals Guido en Duccio leefden, die onder den

invloed van de nieuwe beweging waren gekomen; maar het komt mij voor,

dat wij zonder aarzeling kunnen ontkennen, dat wij door de kracht der

bewijzen gedwongen zijn Siena, en niet Florence, als de bakermat van

de nieuwe schilderkunst te beschouwen.

VERBETERINGEN.

Blz. 2, regel 9 v. o.: Galerius' zoon stierf later. Lees: Galerius

stierf kort daarna.

Blz. 14, regel 12 v. b.: Majorianus. Lees: Marjorianus.

Blz. 40, aanteekening 1: bij de stichting. Lees: door de stichting.

Blz. 49, aanteekening 1: domkerk. Lees: koepelkerk.

Blz. 49, regel 7 v. b.: Valentianus. Lees: Valentinianus.

Blz. 137, tusschen regel 17 en 18: Voeg in: IV. De Byzantijnsche

Overheersching.

Blz. 220, regel 6 v. o.: en dat. Lees: dat.

Blz. 241, regel 11 v. b.: (fig. 10). Lees: (plaat 10).

Blz. 244, tusschen regel 13 en 14: (Vroeg-Rom.). Lees:

(Vroeg-Romaansch).

Blz. 274, regel 12 v. o.: 1222-24. Lees: 1202-04.

Blz. 288, aanteekening 2: pl. 283. Lees: p. 283.

AANTEEKENINGEN

[1] Maar de Karolinger Lodewijk II had het recht aan zijn kant, toen

hij, in antwoord op een hooghartig schrijven van den Byzantijnschen

Keizer Basilius, verklaarde dat de "Keizers" van het Oosten geen

Imperatores Romanorum waren.

[2] Thou nameles column with the buried base, Byron, Childe Harold's

Pilgrimage IV, 110, 2.

[3] In dit verband kan ik niet nalaten te wijzen op de doorwrochte

studie van E. Meyer (Kleine Schriften) Die Sklaverei im

Altertum. (Vertaler).

[4] Een van de meest interessante forten lag bij Kaiseraugst

(Colonia Augusta) bijna 20 K.M. stroomopwaarts van Basel, gebouwd

in 27 v. Chr. Het was voorzien van een ruim en stevig theater, dat

onlangs volledig is uitgegraven en gerestaureerd.

[5] De Noordsche Mythologie van het Walhalla is zeker veel bekender

in haar Skandinavischen dan in haar Germaanschen vorm en schijnt te

wijzen op Skandinavië als haar oorsprong. Maar dit moet men misschien

toeschrijven aan het feit dat het heidendom veel langer in Skandinavië

heeft bestaan en zich ontwikkeld heeft in een prachtige litteratuur,

de Edda's.

[6] Jordanes (zie Index) verzekert, dat Gepidae beteekent "treuzelaars"

en dat het schip, hetwelk dit deel van het volk over de Oostzee bracht,

"achteraan kwam".

[7] Hermanric = Leger-man-vorst. Het woord ric, rik, rick dat men

vind in Alaric, Theodoric etc. beteekent "rijk, machtig". Het woord

Recke (een vorst of held, tegenwoordig beteekent het reus) in het

Nibelungenlied hangt daar blijkbaar mee samen en misschien ook het

Latijnsche rex.

[8] Men zegt dat hij de boeken van Samuel en de Koningen niet wilde

vertalen, uit vrees, dat zij tot den oorlog zouden opwekken. Daar

hij tot 380 leefde, was hij waarschijnlijk onder de vluchtelingen,

die den Donau overstaken in 378.

[9] Toen Radegast op een van zijn veldtochten Rome bijna bereikt had,

beloofde hij de Romeinsche senatoren aan eenige Noordsche Goden te

zullen offeren--aan Thor en Wodan misschien.

[10] De Sueven stichtten een Koninkrijk in het tegenwoordige Portugal.

[11] De huidige Hongaren, die ten onrechte hun afkomst van de Hunnen

afleiden, zijn Magyaren, die c. 900 n. Chr. de oudere bewoners van

Hongarije, waarschijnlijk Avaren, verjoegen. De naam Hungaar of Ongar,

door de Slaven aan de nieuwaangekomenen gegeven, heeft waarschijnlijk

niets te maken met "Hun", maar beteekent Ugraan of Ograan.

[12] "Tartaar" is een incorrecte vorm voor "Tatar" ontstaan uit het

woord Tartarus (Hel).

[13] Sommigen denken dat dit de ronde Kerk van de Opstanding is, die in

1808 bijna geheel afgebrand is. Anderen gelooven, dat de "Dom van de

Rots" (Moskee van Omar), die naar men zegt op de plaats van Salomo's

tempel staat, oorspronkelijk de Constantijnsche Kerk van het Heilige

Graf is; maar het tegenwoordige gebouw dateert van de 7e eeuw en is

waarschijnlijk van Mohammedaanschen oorsprong, en staat op de rots,

van welke Mohammed naar den hemel opsteeg. Men kan het herkennen op

Raffael's Sposalizio en andere schilderijen.

[14] Door sommigen verklaard als een phenomeen van zonnestralen.

Misschien was ook het labarum-monogram [Figuur] oorspronkelijk een

zonne-symbool, b.v. [Figuur]

[15] Zie Plaat 2 en de verklaring.

[16] Het labarum, het Kruis en het monogram vindt men op de munten

van de Christelijke Keizers en soms ook de bekende woorden In hoc

signo vinces of vincas.

[17] In één van zijn Orationes ad Sanctos beroept hij zich op de

4e Ecloga van Vergilius, waar de heidensche dichter blijkbaar een

profetie geeft van den komenden Messias. Het is zeer wel mogelijk

dat Vergilius de Sibyllijnsche Boeken heeft ingezien, waarvan er

2000 werden verbrand door Augustus en die wellicht o.a. uittreksels

van Joodsche profetiën bevatten. St. Augustinus en anderen van de

eerste Christelijke schrijvers halen de Sibyllae met eerbied aan. In

de Italiaansche kunst worden zij dikwijls afgebeeld met de Joodsche

profeten of met engelen, zooals in de Sixtijnsche Kapel en op een

fresco van Raffael in S. Maria della Pace te Rome.

[18] Gedurende vele eeuwen werd de eeredienst van den zonne-god verward

met dien van Jehovah en van Christus, vgl. Grieksch: Helios met het

Joodsche El, Elias etc. Zelfs tegenwoordig verwart de Grieksche

eilander Helios met Elias. In Ierland moest St. Patrick preeken

tegen zonne-vereering.

[19] Op de munten van Constantijn wordt de zon genoemd "den

onoverwonnen bondgenoot" een uitdrukking van den cultus van Mithras,

den zonnegod, en een toespeling op den jaarlijkschen terugkeer van

de kracht van de zon na den zonnestilstand.

[20] Deze groote spijkers, die voor de kruisiging gebruikt waren,

had volgens de overlevering Helena gevonden. Constantijn zou er een

voor een gebit van zijn krijgsros gebruikt hebben; doch dit lijkt

ongelooflijk.

[21] Merkwaardig is de heftigheid, waarmee de interne twisten weer

losbreken, nadat het Christendom door Jovianus hersteld is.

[22] Jovianus vereerde Athanasius bijna als een god.

[23] Men moet hierbij opmerken, dat door de stichting van

Constantinopel, waar Constantijn veertien belangrijke kerken oprichtte

en zijn nieuwe gebouwen versierde met vele oude kunstwerken van

Griekenland, Rome zich niet alleen ontzet voelde uit haar positie

als politieke metropolis, maar ook, als de zetel van de opvolgers van

den Heiligen Petrus, gekrenkt was door het mededingende patriarchaat

en nog meer door de poging van Constantijn om zichzelf Hoofd van de

Kerk te maken.

[24] De vervolging van de "Katholieken" door Gaiserik en zijn opvolgers

was verschrikkelijk. De naam "Katholiek" waarop de Trinitariers

aanspraak maakten, is pas gerechtvaardigd na het verdwijnen van

het Arianisme.

[25] Al de ketterijen, waartegen de Athanasische orthodoxie heeft

gestreden, hier op te noemen is onmogelijk. Alexandrië was voortdurend

het strijdperk van bloedige conflicten. Men denke aan Hypatia en haar

moordenaar, den patriarch Cyrillus.

[26] In het voorbijgaan moet opgemerkt worden dat niet eerder dan in de

10e of 11e eeuw de Götterdämmerung nacht is geworden en de Olympische

Goden naar de duistere onderwereld zijn afgedaald. Toen eerst breide

het Christendom zich uit over zulke landen als Bulgarije, Hongarije,

Saksen, Denemarken, Skandinavië en Rusland. Iersch en Britsch--en

zelfs Anglikaansch--Christendom bestond reeds veel vroeger.

[27] Plotinus wilde niet dat men een afbeelding van hem zou maken,

daar deze de herinnering aan zijn betreurenswaardig lichaam zou

bestendigen en vermeed elke vermelding van den dag of plaats zijner

geboorte, als dingen die te duister en ellendig waren om aan te denken.

[28] Mede-studenten van Julianus te Athene waren St. Basilius en de

geleerde, welsprekende Gregorius van Nazianzus (in Cappadocië), later

patriarch van Constantinopel, wiens vernietigend verslag van Julianus'

karakter zeker moet worden toegeschreven aan den afval des keizers.

[29] De ceremonie van het afscheren van den philosophen-baard en het

verwisselen van het Socratische kleed met de militaire en koninklijke

uitrusting amuseerde een paar dagen lang het wufte hof.

[30] Fragmenten van Julianus' Verhandeling tegen de Christenen,

opgesteld tijdens zijn toebereidselen voor den Perzischen oorlog,

zijn nog over.

[31] De prachtige en verwijfde Aziatische kleederdracht, de krullen en

het blanketsel, de sieraden aan hals en arm, dat alles, zoo belachelijk

bij Constantijn, werd door den philosoof Julianus verworpen. Men zegt,

dat hij gewoonlijk op den grond sliep, zelfs in het prachtige paleis

te Constantinopel. Zijn afkeer om het zich gemakkelijk te maken,

leidde dikwijls tot het niet in acht nemen van de voorschriften der

reinheid. In zijn Misopogon (de baard-hater d.i. de philosophen-hater,

een satire tegen het volk van Antiochia dat zijn gewoonten en slordig

uiterlijk had bespot) spreekt hij met genoegen en trots over zijn lange

nagels en zijn zwarte handen en zijn ruigen "dichtbevolkten" baard.

[32] In zijn brieven aan den Senaat volgt hij Caesar's stijl

na en Libanius zegt dat hij, zooals Caesar, een verhaal heeft

geschreven van zijn Gallische oorlogen. Zijn meeste werken zijn in

't Grieksch. Onze kennis van zijn Gallische en Perzische veldtochten

danken wij voornamelijk aan het Latijnsche werk van Ammianus.

[33] Hij was reeds een gekroonde Koning voor zijn geboorte, daar de

Magiërs den kroon plaatsten op het lichaam van zijn moeder.

[34] Bijgeloovige vrees voor hekserij en magische boeken schijnt in

dezen tijd de Romeinsche wereld te vervullen. Hieraan is het verdwijnen

van menig philosophisch werk te wijten.

[35] Hij verwekt eerst opschudding door het ambt van Pontifex

te weigeren. Zijn ijver om tempels en beelden af te breken werd

waarschijnlijk aangevuurd door de Gallische heiligen, Hilarius van

Poitiers en Martinus van Tours.

[36] Misschien in de ronde koepelkerk van St. George, de oudste

wellicht van alle bestaande prae-Byzantijnsche Kerken, dateerend van

400 of iets vroeger.

[37] St. Augustinus, die nu 33 jaar oud was, en onlangs door

St. Ambrosius was bekeerd, werd juist in dit jaar 387 door hem in

Milaan gedoopt.

[38] Zie Plaat 4 en verklaring.

[39] Het Ambrosiaansche gezang wordt nog gehandhaafd in de Kerk

van Milaan.

[40] Of slechts Van Dijk's schilderij in de "National Gallery" te

Londen, of Rubens' prachtig schilderij te Weenen.

[41] Deze brief bestaat nog (Ep. Ambr. 951). Wij zouden wenschen dat

hij bij deze gelegenheid het buiten een visioen had kunnen stellen.

[42] Dit gebeurde waarschijnlijk in het prachtige atrium, dat nog

voor een gedeelte bestaat, voor de portico van de boetelingen. Anderen

verplaatsen de handeling naar de oude Basilica Porziana (S. Vittore).

[43] Dit leger, gedeeltelijk aangevoerd door den beroemden Stilicho,

was bij deze gelegenheid zeer versterkt met West-Goten en Oosterlingen,

die met wederzijdsche verbazing naar elkander keken.

[44] B.v. de oorspronkelijke gebouwen van het Lateraan (S. Giovanni

in Fonte, waar Constantijn, naar men geloofde, gedoopt was door

Silvester); de oude basiliek van S. Pietro in Vaticano (waar Karel

de Groote werd gekroond in 800) gebouwd op de plaats van den grooten

circus, waar men zegt dat Petrus gekruisigd is; de basiliek van

S. Paolo fuori le mura, gebouwd op de plek, waar Paulus misschien

geleden heeft, nabij de Via Appia; S. Croce in Gerusalemne, naar

men zeide gebouwd door Helena om het ware kruis te bewaren, dat

zij te Jeruzalem had gevonden (het opschrift bestaat nog onder de

vele reliquieën in deze Kerk). Van zeer vroegen datum is S. Maria

Antiqua, oorspronkelijk de bibliotheek in het paleis van Augustus,

en onlangs opgegraven.

[45] Dit verklaart waarschijnlijk het feit, dat, ofschoon vele Kerken

gebouwd zijn op de plaatsen van afgebroken tempels, in Rome slechts

weinige tempels (vele in Syrië en andere provinciën) in Kerken zijn

veranderd. Het Pantheon, nu het eenige ongeschonden oude gebouw in

Rome, stond jarenlang ongebruikt. Het werd door Phocas aan den Paus

gegeven en aan alle Heiligen gewijd in 609 onder den naam van S. Maria

ad Martyres.

[46] Een van de meest belangrijke van deze was, en is nog, het voetstuk

van den drievoet, die door de Grieken na den slag bij Plataeae te

Delphi is gewijd. De Athene Parthenos van Phidias werd ook hierheen

gebracht. Het is vernield door de Kruisvaarders in 1204, die erger

barbaren bleken te zijn dan de Vandalen of de Hunnen.

[47] De algemeene opinie, die aan de vroege Kerk de roekelooze

verwoesting van oude monumenten toeschrijft, is allerminst

gerechtvaardigd. De meeste van de tempels waren nog lang in gebruik

na de erkenning van het Christendom, en toen zij ten slotte werden

gesloten, zijn zij nog lang onderhouden op kosten van een Christelijke

Kerk. Gregorovius evenwel, een gezaghebbend schrijver, geeft, wanneer

hij over Gregorius den Groote spreekt, den Christelijken fanatieken

de meeste schuld.

[48] Waarschijnlijk was geen van beiden de oorspronkelijk bibliotheek

van de Ptolemaeën. Eén werd er door de Arabieren in 651 verbrand.

[49] Van Brittannië kwam St. Patrick, aan wien de bekeering van Ierland

gewoonlijk wordt toegeschreven. Hij was in Noord-Brittannië geboren,

gevangen genomen door Iersche zeeroovers, en zes jaar slaaf in Ierland;

hij ontsnapte naar Gallië, waar hij blijkbaar bij St. Martinus

van Tours was, en keerde (c. 432) over Brittannië naar Ierland

terug. Men moet opmerken, dat noch de oude Iersche noch de Britsche

Kerk gevestigd is door de pauselijke Roomsche Kerk. Waarschijnlijk

bestond het christendom in Ierland reeds vóór St. Patrick.

[50] In het voorbijgaan kan gewezen worden op een herleving van het

oude bijgeloof, zooals b.v. het zgn. kleed van den Heiligen Johannes,

dat buiten de deur van het Lateraan werd geschud om in tijden van

droogte regen te brengen--misschien met hetzelfde succes, dat de

lapis manalis van het oude Rome had, of de tegenwoordige regendokter

in Afrika bereikt.

[51] Ook in praehistorische Kretische graven zijn zulke fetischen

gevonden, die wijzen op een geloof in wonder-genezingen, zooals

modellen van handen, voeten enz.--blijkbaar dankoffers, zooals men

nu nog in de Roomsch-Katholieke Kerken kan zien. In de Grieksche

geschiedenis vinden wij veel van dien aard, in verband met de Orphische

en andere mysteriën.

[52] Ongeveer 750, zegt Gregorovius, brachten lange reeksen van

wagens voortdurend van de Campagna en de Catacomben geweldige

massa's schedels en skeletten naar Rome, die de Pausen sorteerden,

etiquetteerden en voor uitvoer verkochten. De plundering van graftomben

en het in stukken deelen van geraamten echter voor export en verkoop

aan pelgrims was nog weinig en vogue in Rome vóór de 8e eeuw. De

oudste Kerken werden gebouwd over de tomben van martelaren en men

droeg er groote zorg voor het graf niet te schenden, dat dikwijls

zichtbaar was door een traliewerk in het altaar--het "venster van de

belijdenis." Zakdoeken etc. die men met de graftomben in aanraking

bracht, verkregen de wonderkracht van echte reliquieën. Zij werden

"brandea" genoemd en uitgevoerd.

In het grootste werk over de oude Christelijke Kerk, de Civitate Dei,

verzekert St. Augustinus, dat ontelbare mirakels tot stand kwamen

door zulke "brandea" van de tombe van St. Stephanus, wiens lijk bij

Jeruzalem was ontdekt (in een visioen). In zijn eigen diocese hadden

volgens zijn verklaring meer dan zeventig mirakels plaats op die wijze,

waaronder drie verrijzenissen uit den dood; ook de handel in heilige

olie (van de lampen, die vóór de tomben der Heiligen brandden) was

zeer groot. Meer dan zeventig fleschjes (ampullae) van wonderdadige

olie werden door Theodelinda voor haar Monza-Kathedraal gekocht en

eenige zijn er nog van over.

[53] Abyssinische kloosters staan nog onder wetten, die zeer veel

gelijken op die van Pachomius en Antonius.

[54] Bij dezen inval nam Alarik Athene in, maar plunderde het niet,

ofschoon hij waarschijnlijk den beroemden tempel te Eleusis in

brand stak.

[55] Constantijn vaardigde in het jaar van het Concilie te Nicaea een

edict uit, waarin hij deze schouwspelen afkeurde, in "vredestijd". Ook

dit is een bewijs van een groote verandering in zijn gevoelens, want

voordat hij het Christendom aannam, had hij in de arena te Trèves

(Trier) zooveel gevangen barbaren laten optreden, dat zij door hun

aantal den razenden wilden beesten te talrijk waren. Cicero vertelt

ons, dat zulke vertooningen in zijn dagen zelfs sommigen menschen

wreed en onmenschelijk leken, maar hij verdedigt het, zooals velen

tegenwoordig den oorlog verdedigen, als een uitstekende school voor

tucht en dapperheid.

[56] Gevechten tusschen wilde beesten duurden nog voort, maar schijnen

afgeschaft te zijn door den "barbaar" Theoderik en andere Gotische,

Lombardische en Frankische veroveraars, die daarvoor tournooien in

de plaats hebben gesteld. In 't Oosten werden wilde-beesten-gevechten

door een Concilie in het jaar 700 ongeveer verboden. Stierengevechten

zijn de meest weerzinwekkende en verachtelijke overblijfselen van

zulke wreedheden.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 43 / 48 段