De herleving van de schilderkunst in 1300 ongeveer oefende een

invloed op de kunst van het mozaïekwerk uit, die haar niet geheel

en al tot voordeel strekte [464]. Hoezeer men ook Giotto's Navicella

moet bewonderen, het is duidelijk, dat wij hier bijna alle trekken van

die plechtige rust hebben verloren, die zoo dikwijls aan het oudere

Romeinsche werk zulk een indrukwekkende waardigheid verleenen. Zonder

twijfel hebben wij in ruil daarvoor iets gekregen, dat ten zeerste

onze bewondering verdient; maar de ruil voldoet toch niet in alle

opzichten [465]. De schilderkunst begon haar rechten te doen gelden

en bekommerde zich niet meer om de rechten van de oude mozaïek-kunst.

Een paar woorden moeten hier gezegd worden over het zeer

belangwekkende, maar tamelijk duistere vraagstuk der Cosmati, in

verband met de Romeinsche kunst van de dertiende eeuw, die eerst

de leiding scheen te zullen nemen in de herleving van de kunst,

wier ontwikkeling evenwel in de kiem werd vernietigd door het

overbrengen van den pauselijken zetel naar Avignon. Aan Vasari, den

zestiende-eeuwschen biograaf van Italiaansche kunstenaars, schijnen

deze Cosmati onbekend geweest te zijn, maar hun namen zijn ontdekt op

talrijke monumenten van een zeer oorspronkelijke en fraaie soort en het

blijkt, dat verschillende kunstenaars (bijv. Lorenzo, Luca, Jacopo en

Giovanni), die tot drie geslachten der Cosmati-familie behoorden, zich

onderscheiden hebben als architecten, mozaïekwerkers en beeldhouwers.

Een bijzonderheid van het zoogenaamde Romeinsche Cosmati-werk (ofschoon

men het ook in Sicilië en elders heeft gevonden) is een kunstig,

decoratief mozaïek, dat bestaat uit kleine, platte en ook kubus-vormige

blokjes [466] van gekleurden steen (porfier, verde antico, pavonazzetto

en ander kostbaar marmer, dat men tusschen de ruïnen van het oude

Rome in overvloed vindt) en versierd is met stukjes verguld en helder

gekleurd glas. Dit inlegwerk gebruikten zij voor de versiering van

altaren, baldakijnen, kansels en zuilen, en in het bijzonder voor

de spiraal-zuilen, die gebruikt werden als standaards voor de groote

Paasch-kaarsen (zie plaat 58). Maar van alle zoogenaamde Cosmati-werken

zijn het meest treffend en belangrijkst de talrijke monumenten van de

jongere Cosmati, waarbij deze versiering is aangewend in vereeniging

met hetgeen overigens in Rome toen blijkbaar bijna onbekend was,

namelijk de Gotische architectuur. De bovenbouw van deze graftomben

zijn zoo zuiver Gotisch van stijl, dat sommige schrijvers zelfs de

meening hebben geuit, dat misschien de jongere Cosmati Frankrijk of

Engeland hebben bezocht en daar Gotische monumenten gecopieerd en

het Gotische lijst-werk hebben gecombineerd met Romeinsch mozaïek en

het eigenaardige inlegwerk. Deze vereeniging voldoet buitengewoon

goed. Er is te Rome niets schooners dan deze Cosmati-monumenten,

zooals de graftombe van Kardinaal Gonsalvo (1299) in de S. Maria

Maggiore, en die van Durand (plaat 59) in de S. Maria sopra Minerva

[467], en die van Kardinaal Matteo d'Aquasparta [468] in de Aracoeli,

welke alle drie waarschijnlijk werken zijn van Giovanni de' Cosmati

(Johannes Cosmas), den kleinzoon van den eersten dezer kunstenaars.

Merkwaardig is het, dat deze Cosmati door Vasari niet worden vermeld;

maar hij spreekt wel over een Romeinsch kunstenaar, Cavallini geheeten,

wiens werken en leven zoo moeilijk te ontdekken zijn, dat sommige hem

voor een hersenschim houden. Vasari verzekert, dat deze Cavallini

den voorgevel en eenige van de mozaïeken van de S. Paolo fuori

(die later door een brand vernield is) heeft uitgevoerd en ook het

fraaie lagere gedeelte van het groote apsis-mozaïek in de S. Maria in

Trastevere, waarvan reeds melding is gemaakt. Sommige gelooven ook,

dat hij heeft meegewerkt aan de Navicella, die men gewoonlijk aan

Giotto toeschrijft. Maar omtrent hem is niets zekers bekend.

Het was echter niet alleen in Rome, dat een nieuwe geest zich begon

kenbaar te maken tegen het einde van de twaalfde eeuw. Op Sicilië,

zooals men zich wel zal herinneren, werden tijdens de regeering

van Koning Roger en Willem den Goede (c. 1130-1190) prachtige

mozaïeken aangebracht in de kerken van Palermo, Monreale, Cefalù en

andere plaatsen; en deze mozaïekwerken toonen, ofschoon zij zonder

twijfel sterk onder Byzantijnschen invloed staan, toch ook eigen

oorspronkelijke trekken. En ofschoon te Venetië de Byzantijnsche

invloeden zeer krachtig waren en lang hebben geduurd en natuurlijk

nog versterkt werden na de verovering van Constantinopel door de

Latijnen in 1204 en de daaropvolgende komst van vele Byzantijnsche

kunstenaars en werklieden, vinden wij daar toch in sommige mozaïeken

van dit tijdperk, in de St. Marcus en te Torcello, een zeer besliste

breuk met de Byzantijnsche traditie en zien wij een verrassende

levendigheid en natuurlijke uitdrukking optreden.

Ook in andere gedeelten van Noord-Italië kon men weldra onmiskenbare

teekenen zien van een ontwaakt leven, dat zich onder het stof van

de eeuwen begon te roeren. Zoo heeft de S. Frediano te Lucca op den

voorgevel een (zeer hersteld) mozaïek van ongeveer 1200, dat een nieuw

karakter vertoont, en in de S. Miniato te Florence hebben wij een

prachtig mozaïek van omstreeks 1280, dat zeker niet Byzantijnsch is;

en als een voorbeeld van nog vroeger datum (c. 1260) kunnen wij de

fresco's beschouwen van het gewelf in het Baptisterium te Parma, die

een wondere kracht en levendigheid vertoonen, engelen, die haastig

wegvluchten, Apostelen en profeten, die hard loopen alsof zij een

wedstrijd houden.

Waar een dergelijk nieuw streven zijn oorsprong neemt, is nooit

gemakkelijk te ontdekken, en misschien is het wel onmogelijk dit

te vinden. Kwam het in dit geval van de andere zijde van de Alpen,

zooals sommige gelooven? Het weinige, dat wij van de kunst der

Noordelijke landen in dit tijdperk weten, geeft ons aanleiding een

dergelijke theorie met eenigen spot te verwerpen. En wat zullen

wij dan antwoorden op de bewering, dat niet alleen ten opzichte

van de beeldhouwkunst en de dichtkunst, maar ook wat betreft het

mozaïekwerk, het nieuwe leven uit het zuiden, uit Apulië en Sicilië

is gekomen? Misschien doen wij het verstandigst zonder ons te laten

overtuigen naar dergelijke theoriën te luisteren en met des te meer

ijver en liefde ons onderzoek door te zetten naar hetgeen groot en

schoon is, in de meening dat het zoeken naar de waarheid dikwijls

van grooter belang is dan een vermeende ontdekking.

(2) Bouwkunst.

In voorafgaande hoofdstukken hebben wij gewezen op eenige

eigenaardigheden van de basilieken, en van de Byzantijnsche en

Romaansche architectuur. Hier zullen eenige opmerkingen volgen over

den oorsprong en den aard van de Italiaansche Gotiek; de vroegste

voorbeelden van dezen stijl dagteekenen uit de eerste jaren van de

dertiende eeuw.

Reeds lang voor de dertiende eeuw werden er in Italië pogingen

aangewend om zekere constructieve moeilijkheden op te lossen door de

uitvinding toe te passen van den spitsboog en de gewelfribben. De

spitsboog wordt aangetroffen in de Sicilisch-Normandische en in

de Saraceensche bouworde, en het oorspronkelijke geribde gewelf,

dat door vele wordt beschouwd als het grondbeginsel [469] van den

Gotischen stijl, en de Gotiek-achtige schachten en pilasters, die

op de pijlers zich verheffen als een steun voor het dak, kan men

zien in de zijbeuken en het schip van de S. Ambrogio te Milaan, die,

naar men zegt, uit 1050 ongeveer dagteekent.

Of deze nieuwe beginselen ontstaan zijn in de landstreken ten

noorden van de Alpen (en misschien zoo Ruskin meende, aanvaard om in

de behoefte aan houten gebouwen te voorzien) en vandaar in Italië

zijn ingevoerd, reeds in deze vroege tijden, of dat die beginselen

in Italië zelf zijn geboren en zijn aangepast aan de eischen van

de Italiaansche bouwkunst, is een vraag, die wellicht niet te

beantwoorden is. Het schijnt mij toe, dat het zeer duidelijk is,

ofschoon die onderscheiding niet altijd even duidelijk wordt gemaakt,

dat er ten minste twee zeer verschillende soorten van Italiaansche

Gotiek zijn, waarvan de eene rechtstreeks is ingevoerd en de andere een

oorspronkelijke, Italiaansche ontwikkeling is van het beginsel van den

gebroken boog, zooals die is toegepast bij de gewelven, zuilenrijen en

vensters. Als een treffend voorbeeld van de rechtstreeks ingevoerde

soort zou ik willen noemen de S. Andrea te Vercelli, die (c. 1220)

misschien gebouwd is door een Engelschen architect en voorzien van

een koepel, westelijke torens en steunbeeren, zooals een Gotische

kerk in het noorden. Een zeer belangwekkend voorbeeld van den

ingevoerden Fransch-Gotischen stijl is de kleine (dikwijls herbouwde)

kerk van S. Maria della Spina te Pisa, die in 1230 gesticht is. Van

de zuivere Italiaansche Gotiek zijn waarschijnlijk de mooiste, oude

voorbeelden de S. Croce en S. Maria Novella en de Duomo te Florence;

want de kathedraal van Siena, wier voorgevel den overgang laat zien

van de Romaansche naar de Gotische bouworde, vertoont uitwendig een

bloemrijken en decoratieven stijl, die zonder twijfel aan noordelijken

invloed moet worden toegeschreven; en de Duomo te Orvieto, die ongeveer

uit denzelfden tijd is (c. 1290-1310) en soms beschreven wordt als het

mooiste voorbeeld van Italiaansche Gotiek, is inderdaad een prachtig

gebouw, maar is, wanneer ik mij niet vergis, evenmin een voorbeeld

van echt Italiaansch-Gotischen bouwstijl als de kathedraal te Milaan.

Het wezenlijke verschil tusschen de Noordelijke en de Italiaansche

Gotiek kan met weinige woorden worden aangeduid.

Laten wij in de eerste plaats vaststellen, dat het grondbeginsel van

de Grieksche en Romeinsche bouwkunst, zooals dat tot uiting komt

in de colonnade en de architraaf (en ook in den stevigen koepel

van het Pantheon), berust op verticalen druk--een dood gewicht op

een verticalen steun--terwijl het beginsel, dat aan de Gotische

bouworden ten grondslag ligt, het evenwicht is [470]. Door middel

van dit beginsel van evenwicht konden geweldige massa's opgeheven

en in de hoogte worden gehouden en, zooals wij dat kunnen zien in

onze kathedralen in het noorden, werden, om den druk van dergelijke

massa's te weerstaan, de muren, die gewoonlijk niet zeer dik waren en

bovendien verzwakt werden door buitengewoon groote ramen, door zware

uitwendige beeren en luchtbogen gesteund. In het noorden werden van

al deze constructieve hulpmiddelen, zoowel uitwendig als inwendig,

versieringen gemaakt, door middel van pinakels, traceerwerk, menschen-

en dierenkoppen, die als waterspuwers dienst deden, waardoor de

schoonheid van den zuiveren vorm werd verminderd en tegelijkertijd

de echt artistieke decoratie, zooals de mozaïeken en de fresco's,

bijna onmogelijk werd gemaakt, terwijl de Italianen, ofschoon zij den

spitsboog (of gebroken boog) aanvaardden en daaruit de prachtigste

verhoudingen en vormen afleidden (zooals het inwendige van de S. Croce

en de door Giotto ontworpen Campanile, welke beide voorbeelden

zijn van ongeëvenaarde schoonheid van vorm), niet toelieten,

dat de constructieve uitvindingen het gebied van de decoratieve

kunst overweldigden. Zij hielden de schoonheid in de bouworde en de

schoonheid in de versieringen gescheiden. Zoo bestaat de roem van

Giotto's campanile aan den eenen kant in zijn prachtigen bouwstijl

(zoo slank als een lelie) en aan den anderen kant in zijn rijke

marmerversiering, beeldhouwwerk en fijn gietwerk. En eveneens zijn

de volmaakte verhoudingen van het kale en "op een schuur gelijkende"

inwendige van de S. Croce, verlicht door het vroege morgenlicht,

ondanks alle ontsierende monumenten, zoo heerlijk, dat zij (zooals

Dante zegt van Casella's muziek) al de verlangens van een ziel

tot rust brengen; maar dat is nog niet alles, wat de S. Croce ons

aanbiedt: wanneer men de Bardi- of de Peruzzikapel binnentreedt,

bevindt men zich tegenover breede muren, bedekt met de fresco's van

Giotto, waarvoor geen Gotische kathedraal in het noorden gemakkelijk

de geschikte oppervlakte zou kunnen geven [471]. Denk aan de fresco's

van Giotto, te Florence of te Assisi, en tracht u die voor te stellen

in de St. Bavo te Haarlem! [472].

Het lijkt ons wel nuttig hier een lijst te laten volgen van de

voornaamste Italiaansch-Gotische kerken en paleizen. Gotische paleizen

zijn een zeer eigenaardige en indrukwekkende bijzonderheid van vele

Noord-Italiaansche steden. Zij zijn meestal van later dagteekening

dan de vroeg-Gotische kerken en dikwijls betere getuigen van den

Italiaanschen geest dan sommige van de hieronder vermelde kerken. De

Venetiaansche Gotiek was, zooals men zich zal herinneren, ook een

voortbrengsel van later datum en bezit een zeer bijzonder karakter,

daar zij aan vele invloeden, waaronder ongetwijfeld ook oostersche,

onderhevig is geweest.

Kerken. Te Vercelli, S. Andrea (begonnen c. 1220, misschien door

Brighintz, een Engelschman?)

Te Assisi, S. Francesco (c. 1228, door Tedesco van Meran? Ook nog

een hooger kerk, c. 1253, met Gotisch portaal, enz.)

Te Pisa, S. M. della Spina (c. 1230, Fransch-Gotisch), Campo Santo

(c. 1270, door Giovanni Pisano). Ook nog S. Caterina en S. Michele,

voorbeelden van "Pisaansche Gotiek".

Te Siena, Duomo (begonnen c. 1210, koepel 1264, voorgevel 1284-1320).

Te Orvieto, Duomo (c. 1290-1310).

Te Bologna, S. Francesco (c. 1250, met steunbeeren; afschuwelijk

herbouwd), S. Giovanni in Monte en S. Petronio (volgens het ontwerp

van den Duomo te Florence).

Te Verona, S. Anastasia (c. 1261).

Te Florence, S. Maria Novella (begonnen 1278), S. Croce (begonnen

1294), Duomo (Arnolfo Cambio 1296-1301, Giotto 1334-'6, Andrea Pisano

1336-'49), Campanile (begonnen 1334).

Te Rome is de eenige Gotische kerk de S. Maria sopra Minerva (gebouwd

c. 1285, waarschijnlijk door de bouwmeesters van de S. Maria Novella).

Te Venetië, de kerk van de Frari (begonnen c. 1230, geheel herbouwd

c. 1330-1400; een eenvoudige en tamelijk onbeholpen navolging van den

noordelijken stijl), S. Giovanni e Paolo en S. Stefano (1333-'80?) Erg

hersteld; ook een zware en plompe stijl).

Paleizen. Te Siena, waar ongeveer twee en twintig paleizen zijn,

Palazzo pubblico (1289-1305) en Palazzo Buonsignori (c. 1350).

Te Bologna, Palazzo Communale (1290).

Te Florence, Palazzo Vecchio (1298-1314).

Te Pistoia, Palazzo Pretorio (c. 1350).

Te Venetië, waar ongeveer honderd paleizen zijn, Palazzo ducale

(begonnen 1310) en vele andere (Sangredo, Morosini, Cà d'oro,

enz.) van later dagteekening en zuiver Venetiaansch-Gotischen stijl;

de buitengewone schoonheid van deze paleizen is ons allen bekend.

(3) Beeldhouwkunst.

Het belangrijkste feit in verband met de Italiaansche kunst van de

dertiende eeuw is misschien het plotselinge optreden van een nieuwe

sculptuur, en de vraag, vanwaar die zoo onverwachts verscheen,

is een onderwerp, waarover zeer veel geschreven, maar ten opzichte

waarvan nog zeer weinig bewezen is. Wij zullen ons dus ook tot eenige

algemeene indrukken moeten beperken.

Het ruwe en dikwijls stuitend grillig karakter van de middeleeuwsche

Italiaansche beeldhouwkunst, vooral waar zij onder Duitschen

invloed geraakte, is dikwijls aangeduid en in de vorige hoofdstukken

toegelicht.

Sommige zijn overtuigd, dat zij zelfs vóór de dertiende eeuw

kenteekenen van een herleving kunnen aanwijzen en het is inderdaad

vreemd, dat deze kunst, terwijl er nog zoovele prachtige voorbeelden

bestonden van klassieke sculptuur (zooals sarcophagen, reliefs enz.),

evenzeer zou zijn verdwenen, als de schilderkunst; maar zelfs indien de

Romeinsche scholae een vonk van den ouden geest gedurende de Donkere

Eeuwen hebben bewaard, dan schijnen toch alle sporen van haar invloed

uitgewischt te zijn, en ondanks allen lof, die in den laatsten tijd aan

sommige beeldhouwers, zooals Gruamons (c. 1170?) en Antelami (c. 1200)

en den iets lateren Guido di Como en zijn zoon Guidetto, is toegekend,

komt het mij toch voor, dat een beschouwing van hun werken te Lucca,

Pistoia, Parma en elders den onbevooroordeelde zal overtuigen, dat

deze voortbrengselen, ofschoon er in enkele figuren (b.v. Antelami's

Ezechiël en Guidetto's Saint Martin te Lucca) eenige waardigheid ligt,

tot dezelfde klasse behooren, als, laten wij zeggen, de Monza-lunette

(p. 227) en dat zij staan aan het einde van een ontwikkeling en niet

aan het begin van een nieuwe, daar zij geenszins voorloopers kunnen

genoemd worden van dien beroemden Pisaanschen kansel, waaruit, gelijk

een oude schrijver zegt, als uit een Ark de groote beeldhouwers van

Toskane te voorschijn kwamen. De reliefs van dezen zeshoekigen kansel

(zie plaat 61) vertoonen de eerste, echt artistieke behandeling van

een Christelijk onderwerp in de beeldhouwkunst, en het plotselinge

zonder aankondiging verschijnen van dit fraai ontworpen werk, dat

getuigt van klassieke kunstvaardigheid in een tijd, toen in Italië

(ten minste in Noord-Italië) de sculptuur in zulk een toestand van

ontaarding verkeerde, is een hoogst merkwaardig feit. Wanneer men voor

den kansel van Niccolò in het Baptisterium te Pisa komt te staan,

nadat men de groteske voortbrengselen van zijn "voorloopers" heeft

beschouwd, b.v. de bronzen deuren van Bonnanno in het zuidelijke

transsept van den Duomo, ondervindt men dezelfde gewaarwording, als

ik eens heb ondervonden, toen ik plotseling op weg naar zee, nadat ik

langen tijd onder wilde stammen in Midden-Afrika in ballingschap had

verkeerd, op het pad een porseleinen scherf zag liggen, misschien een

stuk van een gebroken kop, dien een Arabische of Europeesche karavaan

had laten vallen.

De dagteekening van dit werk van Niccolò Pisano, die c. 1278 stierf,

is 1260. Sommige beweren, dat hij reeds goed bekend stond als

bouwmeester en dat men van zijn diensten als zoodanig heeft gebruik

gemaakt voor den Duomo te Pisa en evenzoo te Siena. Maar hiervoor

schijnt geen voldoend bewijs te bestaan, en het is waarschijnlijk,

dat deze kansel hem het eerst bekend heeft gemaakt. De vraag is,

waar en hoe heeft hij zijn wondere bekwaamheid verworven?

Vasari vertelt, dat Nicola (Niccolò) als leerjongen in dienst was

bij zekere scultori Greci, aan wie de versiering van den Pisaanschen

Dom en het Baptisterium was opgedragen en dat hij zijn bekwaamheid

heeft verworven door het bestudeeren van de Grieksche sarcophagen

en monumenten, die in of bij deze gebouwen stonden, of in de muren

werden gebouwd [473]; en dat hij in het bijzonder figuren bestudeerde

en copieerde van "de jacht van Meleager op het wilde zwijn", die op

een sarcophaag was gebeeldhouwd, "die door de Pisanen geplaatst was in

den voorgevel van den Duomo en gebruikt was als tombe van de moeder

van Gravin Mathilde". Er is in den Campo Santo een oude Romeinsche

sarcophaag met zulk een relief, maar het vertoont geen inscriptie,

zooals die, welke Vasari aanhaalt, en evenmin is er aan den kansel iets

te zien, dat aan dit relief herinnert. Een andere sarcophaag (plaat

31) evenwel, die op de eene helft een relief heeft van Phaedra en

Hippolytus, en op de andere helft de jacht op het wilde zwijn, draagt

een inscriptie, die vermeldt, dat het de graftombe was van Gravin

Beatrice, de moeder van Mathilde; en het vertoont figuren, waardoor

Niccolò zonder twijfel geïnspireerd is. Er bestaat ook een groote en

prachtige Grieksche vaas van Parisch marmer met een Bacchus-optocht,

die zeer zeker in verschillende opzichten invloed op hem heeft

uitgeoefend, vooral wat betreft zijn Hoogepriester. Maar het wondere

relief van Niccolò bevat geen rechtstreeksche navolging. Desalniettemin

zal iedereen, die de onbeschrijfelijke bevalligheid en waardigheid

van de antieke sculptuur voelt, dadelijk denzelfden geest herkennen,

misschien niet wat betreft de artistieke compositie, hetgeen zulk

een merkwaardige karaktertrek van het beste oude relief is, maar

wel ten opzichte van de schoonheid, de waarheid, de krachtige vormen

en de edele uitdrukking. Door een zekere wonderlijke, vernieuwende

kracht worden de goddelijke, engelachtige en heilige personae

van de Christelijke hiërarchie aan ons voorgesteld als waarachtige

Grieksche godheden, helden en heldinnen, en niet, zooals wij soms op

oude mozaïeken zien, in een vermomming van klassieke wapenrusting of

opschik. De Madonna, die blijkbaar onder den invloed van de Phaedra

op de sarcophaag is gebeeldhouwd, heeft het koninklijke gelaat en

de houding van Juno. Gabriel gelijkt op een herboren Mercurius en de

Magiërs herinneren ons aan Minos of den ouden koning Priamus. Zelfs

de paarden van de Magiërs doen aan Phidias denken.

Indien men er over begint te denken, hoe het mogelijk is dit alles

tot stand te brengen door een eenvoudige bestudeering van zekere oude

reliefs en beeldhouwwerken, is men geneigd die schrijvers gelijk te

geven, die verzekeren, dat een scherp criticus over een dergelijke

bewering moet lachen. Maar er zijn mogelijkheden in de sfeer van den

menschelijken geest, waar dergelijke philosophen niet van droomen, en

ofschoon de volgende theorie zeer vernuftig is bedacht, meen ik toch,

dat men de gunstige ontvangst van deze theorie in sommige kringen

moet toeschrijven aan de geestdrift, die altijd gepaard gaat met de

ontdekking van iets, wat later een ongerijmdheid blijkt te zijn.

Men leert ons, dat Niccolò van Pisa (op den kansel heet hij "Pisanus")

van afkomst een Apuliër was. Een oud document noemt hem "Nicolaus

Pietri de Apulia" en verzekert aldus vrij onduidelijk, dat of hij of

zijn vader Petrus uit het zuiden kwam, of misschien dien bijnaam heeft

gekregen, omdat een van beiden Apulië had bezocht. Men kan zich zeer

goed bereid verklaren een van deze vier mogelijkheden te aanvaarden;

maar wanneer men ons vertelt, dat Niccolò zijn buitengewone bekwaamheid

als beeldhouwer heeft verworven in Zuid-Italië, vraagt men natuurlijk,

welk bewijs er bestaat, dat de beeldhouwkunst in die streken en in dien

tijd zoo ver gevorderd was, dat men deze mogelijkheid kan aannemen. Men

herinnert zich de Siciliaansche mozaïeken en bronzen deuren, die zeer

zeker onder Byzantijnschen invloed zijn vervaardigd, en een of twee

keurig uitgevoerde reliefs en eenige belangwekkende voorbeelden van

architectuur, maar verder niets behalve een enkelen kansel; en op dien

kansel te Ravello (plaat 62) gronden deze schrijvers blijkbaar hun

theorie dat Apulië de fons et origo was van de Toskaansche sculptuur.

Zonder twijfel bestaat er een zekere overeenkomst tusschen den kansel

te Ravello en den Pisaanschen kansel, en de gedachte om de zuilen

op leeuwen te laten rusten wijst in beide gevallen op Lombardischen

invloed. Maar er is te Ravello, behalve eenige goed uitgevoerde

borstbeelden, niets, dat eenige gelijkenis bezit met de Pisaansche

beeldhouwwerken, en dit is toch juist het belangrijke punt.

Volgens de inscriptie op den kansel te Ravello heeft Nicolaus de

Fogia Marmorarius dit werk gemaakt (hoc opus fecit) en men vertelt

ons, dat deze Nicolaus nu Niccolò, de zoon van Bartolomeo van Foggia

in Apulië (een geliefkoosde verblijfplaats van Frederik II) was, en

dat hij ongetwijfeld een bloedverwant van dien Niccolò was, die naar

Noord-Italië verhuisde en een dergelijken kansel te Pisa vervaardigde.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 42 / 48 段