De ontwikkeling van de Florentijnsche Republiek werd in den beginne

belemmerd door het ontstaan van verderfelijke veeten. Wij hebben reeds

verhaald, hoe de moord op Buondelmonte, die bij het voetstuk van het

oude standbeeld van Mars werd gedood, de stad in twee verbitterde

partijen verdeelde, die aangevoerd werden door de Donati en de Uberti,

en hoe de keizerlijken gebruik maakten van dezen twist om hun eigen

belangen te bevorderen. Gesteund door den sterken invloed van Keizer

Frederik II slaagde de Ghibellijnsche adel erin de democratische

en pauselijke Welfen-aanvoerders te verjagen. Maar na den dood van

Frederik II werd de Welfsche partij teruggeroepen en in eere hersteld

als een belangrijk deel van de Florentijnsche Republiek onder leiding

van een Capitano del Popolo, en eindelijk, toen in 1259 Ezzelino,

de groote Ghibellijnsche tyran van Noord-Italië, was overweldigd en

gedood, werd de volkspartij in Florence zoo machtig, dat zij op haar

beurt haar tegenstanders verdreef. Derhalve hadden in Florence een

tijdlang de Welfen de overhand en werd de witte lelie rood geverfd

[446]. Maar de verbannen Ghibellijnen verzamelden een groot leger te

Siena, en aangevoerd door Farinata degli Uberti versloegen zij, met

de hulp van de Sieneezen, Pisanen en Manfred's Duitsche ruiterij,

de krijgsmacht, die de Florentijnen tegen hen in het veld hadden

gebracht. De slag vond plaats bij Montaperti, niet ver van Siena,

in 1260 (vijf jaar voor de geboorte van Dante). De slachting,

vooral om de Florentijnschen Carroccio, was zoo verschrikkelijk,

dat de Arbia door het bloed rood werd geverfd, zooals Dante [447]

zegt; en zoo verpletterend was de nederlaag, dat de Welfen naar hun

eigen stad niet durfden terugkeeren, maar naar Lucca vluchtten. Hoe

Florence door de overwinnaars toen werd veroordeeld met den grond

te worden gelijk gemaakt en hoe de stad door Farinata werd gered,

is aan alle lezers van Dante bekend [448].

Zes jaren lang na dezen slag bij Montaperti hadden de Ghibellijnen in

Florence de macht in handen en werd de stad bestuurd door Manfred's

keizerlijken stadhouder, Guido Novello; maar toen Manfred bij Benevento

in 1266 gedood was, kregen de Welfen wederom de overhand. Eerst

onderwierpen zij zich op tamelijk oneervolle wijze aan Paus Clemens

IV en kozen tot hun Podestà Karel van Anjou, die een tijdlang in

Florence door zijn gezanten heerschte. Maar de republikeinsche geest,

die door den ontzaglijken groei van den handel en de welvaart in kracht

toenam, had nu diep wortel geschoten en begon zijn levensvatbaarheid

te bewijzen.

De gilden waren de grondslag van den regeeringsvorm, die thans door de

volkspartij werd aanvaard. Er waren van deze gilden (Arti) zeven groote

en vijf (later veertien) kleinere [449]. Aan het hoofd van elk gild

stond een raad, een voorzitter of Consul en een militaire ambtenaar,

de Gonfaloniere (banierdrager). Deze vormden de voornaamste overheden

van de volksregeering. De consuls maakten evenwel een tijdlang plaats

voor "Anziani" [450] en in het jaar van den Siciliaanschen Vesper

(1282) veranderde die titel in dien van Priori. Drie, later zes

Priori van de groote gilden werden bekleed met het hoogste gezag in

de Republiek en vormden de uitvoerende Signoria. Omstreeks den tijd

van Dante's Prioraat (1300) was een Gonfaloniere della Giustizia met

de Priori verbonden. Deze ambtenaar bezat in tijden van oproer en

onlusten bijna dictatoriale macht en was dus somtijds de gewichtigste

persoon in den staat.

Het was in de vroegste periode van het Prioraat (in 1284), dat

Florence plotseling tot hooge macht en welvaart steeg door een

verpletterende nederlaag, die haar bondgenoot, Genua, toebracht aan

haar groote mededingster, Pisa, welke stad Florence langen tijd den

toegang tot de zee had belemmerd. De zeeslag werd geleverd bij het

rotsachtige eilandje Meloria, op de hoogte van Livorno. Zoo groot was

de buit en het aantal gevangenen, dat het gezegde ontstond, "hij,

die Pisa wil zien, moet naar Genua gaan." Een van de bevelhebbers

der Pisanen bij Meloria was de Graaf Ugolino della Gheradesca,

aan wiens tragische geschiedenis Dante in zijn "goddelijk" gedicht

aangrijpende en hartstochtelijke verzen heeft gewijd. Na den zeeslag

had hij zich als tyran in Pisa opgeworpen, maar men beschuldigde

hem ervan, dat hij de oorzaak van de nederlaag der Pisaansche vloot

was door verradelijke samenwerking met de Florentijnsche Welfen en

het gelukte zijn tegenstander, den Aartsbisschop Ruggieri, hem te

overvallen en te laten dooden (misschien dood te hongeren met zijn

zonen en kleinzonen in de Torre della Fame), om welke feiten Dante

hen beiden heeft veroordeeld tot het bevroren meer in den diepsten

put van den Inferno [451].

Na den val van Ugolino, kregen in Pisa de Ghibellijnen wederom

de macht in handen. De ramp van Meloria maakte een einde aan de

gelukkige mededinging ter zee met Florence, maar toch bleef Pisa een

hardnekkige staatkundige tegenstander, trouw aan zijn keizersgezinde

beginselen en dikwijls begon het weder den strijd tegen zijn

zegevierende mededingers; een bewijs hiervan wordt geleverd door

den beroemden Campo Santo, waar men niet alleen de graftombe van

den laatsten Romanorum Imperator, Hendrik van Luxemburg, kan zien,

maar ook de kettingen, die eenmaal de haven van Pisa afsloten en in

1362 door Genua en Florence zijn buitgemaakt, maar in onze dagen, als

een bewijs van de eenheid van Italië, zijn teruggegeven (zie plaat 51).

Andere Toskaansche steden, die een tijdlang de anti-republikeinsche

zaak begunstigden, waren Arezzo, Siena en S. Gimignano. De hulp,

die Arezzo aan de verbannen Ghibellijnen verleend had, was voor de

Florentijnen een reden om in 1289 de Aretijnen aan te vallen, en zij

versloegen hen bij Campaldino. Aan dezen slag nam Dante, die toen vier

en twintig jaar oud was, deel, zooals hij ons vertelt [452] in een

fragment van een zijner brieven, dat nog over is. "Ik was daar", zegt

hij, "een nieuweling in de wapenen en eerst beving mij groote vrees,

doch later groote blijdschap". Een stad van nog sterker Ghibellijnsche

gezindheid was in den beginne Siena, dat, zooals wij zagen, zulk

een krachtdadige hulp bracht aan de Florentijnsche bannelingen in

den slag bij Montaperti. Maar tien jaar later verwisselde Siena van

politiek. Door den invloed van Karel van Anjou, die na den dood van

Manfred zich meester maakte van de meeste der Toskaansche steden,

sloot Siena zich aan bij het Welfsche verbond, en het bleef geheel

onafhankelijk en republikeinsch tot veel later tijd, c. 1490, toen

Pandulf zijn Signoria over die stad vestigde. Het lot van S. Gimignano

was geheel anders. Reeds vroeg werd het een volkomen onafhankelijke

Republiek, die neiging vertoonde het republikeinsche Florence te

steunen. Dante bracht het, omstreeks 1300, een bezoek als gezant van

Florence, en heeft, naar men zegt, een redevoering gehouden in de

zaal, die nu Sala di Dante heet; maar ondanks zijn welsprekendheid

werd de democratische vrijheid gefnuikt door de partijtwisten van den

plaatselijken adel, vooral door de veete tusschen de Ghibellijnsche

Salvucci en de Ardinghelle [453]. Ten slotte was Florence omstreeks

1353 in staat, door de medewerking van de Welfsche Ardinghelli,

het protectoraat over S. Gimignano af te kondigen.

Toen Dante acht en twintig jaar oud was, ongeveer drie jaren na

den dood van Beatrice, verwierf de Florentijnsche staat een zeer

belangrijk voordeel door de openbare bekrachtiging van de Ordinamenti

della Giustizia, die aan alle burgers gelijke rechten tegenover de wet

verleende. Maar ongelukkig werd de kans, die Florence nu had om zich

te ontwikkelen tot een model-republiek, vernietigd door het feit, dat

uit Pistoria, "dat hol van schadelijke beesten", zooals Dante zegt,

een nieuwe veete werd ingevoerd, van de Neri en de Bianchi; aan het

hoofd van de Neri stelde zich in Florence de voorname familie der

Donati, de leiding der Bianchi nam de aanzienlijke familie der Cerchi

op zich. De aanvoerder der Neri, Corso Donati, verbond zich met Paus

Bonifacius VIII en slaagde erin, geholpen door Karel van Anjou, die

in 1301 Florence een bezoek bracht, de Bianchi-Cerchi te verdrijven,

die er van beschuldigd werden, dat zij niet alleen ontrouwe Welfen

maar ook verkapte Ghibellijnen waren. Onder hen, die verjaagd werden,

was ook Dante [454].

Terwijl Dante als balling rondzwierf--waarschijnlijk in dien tijd in

het land van Massa en Carrara, dat naar de oude Etruscische stad Luni,

Lunigiane heet--stond het volk van Florence op tegen de tyrannie

van Corso Donati [455]; en kort daarna stierf Donati, misschien

op gewelddadige wijze, misschien door een ongeluk [456]. Maar deze

gebeurtenis vergunde Dante toch niet naar zijn geboortestad terug

te keeren. Toen hij verbannen was, had hij openlijk de zijde van

de Ghibellijnen gekozen; maar nu had hij, teleurgesteld, hen reeds

verlaten, en besloten, voor zichzelf een partij te vormen [457].

De verdere geschiedenis van Florence was gedurende vele jaren die

van een vrije republiek. Zoo nu en dan werd de stad in opschudding

gebracht door oorlog en volksoproeren, zooals in 1378 door de Ciompi,

maar over het algemeen genoot zij van haar vrijheid en welvaart tot

de opkomst der Signoria van de Medici.

Milaan en andere steden (c. 1200-1320).

Terwijl Florence zich aldus haar weg baande naar de republikeinsche

vrijheid, ondergingen vele Noord-Italiaansche steden het lot, dat wij

beschreven hebben; Venetië en Genua maakten hierop een schitterende

uitzondering. In Verona, de geboortestad van de Montecchi en Capuletti,

vestigde de bloeddorstige Ezzelino, zooals wij hebben gezien, zijn

tyrannie en ook in Padua, Vicenza, Treviso en andere steden. Na zijn

dood (1259) werd Mastino della Scala tot Podestà en tot Capitano

del Popolo voor zijn leven gekozen, en aldus begon de dynastie der

Scaligeri. De bekendste van deze familie is Can Grande, aan wiens

hof Dante een tijdlang een tehuis vond en ondervond,

come sa di sale

Lo pane altrui, e come è duro calle

Lo scendere e il salir per l'altrui scale [458].

Evenzoo vestigden zich de Gonzage in Mantua, de Markiezen van Este

in Ferrara, Modena en Reggio, de Correggi en Visconti in Parma,

de Montefeltri in Urbino, de Malatesta-familie in Rimini en de da

Polenta in Ravenna [459].

Van bijzonder gewicht zijn de annalen van Milaan. De geschiedenis van

deze stad tot 1200 ongeveer is reeds verhaald. Nadat zij weder verrezen

was op de puinhoopen, waarin Frederik Barbarossa haar veranderd had,

en door den slag bij Legnano en den vrede van Constanz zich bevrijd

had van de Duitsche overheersching, had de stad een tijdlang een

merkwaardigen drieledigen regeeringsvorm. Het machtigste van de

drie politieke lichamen was de Credenza van den H. Ambrosius, die de

volkspartij vertegenwoordigde. De Molta vertegenwoordigde de lageren

adel en de Credenza van de Consuls den hoogeren adel. Elk van deze

lichamen had zijn eigen overheden en vormde een soort republiek op zich

zelf. Deze stand van zaken gaf natuurlijk aanleiding tot oneenigheid

en, zooals gewoonlijk, de oneenigheid leidde tot het optreden van een

dictator. Zoo sloten omstreeks 1250 de Torriani (het geslacht della

Torre) zich bij de volkspartij aan en kregen de macht in handen. Maar

zij gedroegen zich zoo despotisch, dat de Aartsbisschop Otto, die

behoorde tot de familie van hun mededingers, de Visconti, zich aan

het hoofd van de aristocratische (Ghibellijnsche) partij plaatste en

in staat was hen in 1277 te verdrijven; hij regeerde gedurende langen

tijd in Milaan. Otto werd opgevolgd door Matteo, die, ofschoon hij voor

eenige jaren uit de stad verbannen werd door de Torriani, door Hendrik

VII hersteld werd, toen "die vredestichter" in 1311 te Milaan kwam om

de ijzeren Kroon te aanvaarden [460]; en met Duitsche hulp richtte hij

een bloedbad onder zijn mededingers aan en roeide hen bijna geheel uit;

hij was de stichter van de beroemde dynastie der Milaneesche Visconti.

Een merkwaardige, hoewel kortstondige Signoria, was die van Guglielmo

Spadalunga (Langzwaard), Markies van Monteferrato. Ongeveer 1270 maakte

hij zich meester van een groot aantal Lombardische steden, waartoe

Novara, Vercelli, Asti en Pavia behoorden. Maar zijn denkbeeldig rijk

viel terstond uiteen, toen hij omstreeks 1290 overweldigd werd door

een coalitie van eenige der steden, die hij had onderworpen.

Het is van belang op te merken, dat het leger dezer steden aangevoerd

werd door een van de voorvaderen van den tegenwoordigen Koning van

Italië, nl. door Amedeo van Savoye. De oudste, bekende voorvader van

het Huis van Savoye was een zekere Graaf Umberto, met den bijnaam

Biancamano, die uit de bergen van Savoye in de Po-vlakte afdaalde,

in Piemonte door gevechten en listige verbonden vasten voet kreeg en

in 1033 Koenraad II hielp om Bourgondië te veroveren. In 1310 hooren

wij, dat een anderen Graaf van Savoye, Luigi, tot Senator van Rome

verkozen wordt. Gedurende vele eeuwen heeft dit geslacht zich door zijn

dapperheid en energie voor de hooge stelling, die het zou bekleeden,

waardig getoond.

Genua en Venetië (c. 1200-1320).

Wij hebben reeds gehoord van het belangrijk aandeel, dat Genua in

vroeger tijden heeft genomen in de worsteling tegen de Saracenen

en hoe, nadat in 936 de stad genomen en geplunderd was door de

Saraceensche zeeroovers, zij haar maritieme macht herwon en als

kampioen van de Ligurische steden en bondgenoot van Pisa de zeeën met

haar galeien schoon veegde. Wij hebben ook gezien, hoe de Genueezen

zich bij den eersten kruistocht aansloten en hun steun verleenden

om Boudewijn op den troon van Jeruzalem te plaatsen en hoe zij een

belangrijke commercieele en koloniale macht werden in het oostelijk

gedeelte van de Middellandsche zee. De aanwezigheid van buitenlandsche

vijanden, eerst van de Saracenen en later van de machtige heeren van

Ligurië, had een verbond van de volkspartij met den lageren adel

ten gevolge. Dit verbond heette de Compagna, en de verkiezing van

Guglielmo Boccanegra als Capitano del Popolo in 1257, of misschien

de eindelijke overwinning van de volkspartij in 1270, kan beschouwd

worden als het begin van de Genueesche Republiek en van haar groote

maritieme macht en commercieele welvaart. In 1284 verpletterde Genua,

zooals wij gezien hebben, haar mededingster, Pisa, in den zeeslag bij

Meloria. Ongeveer veertien jaar later (1298) vernielde het de vloot

van Venetië volkomen bij Curzola. Omstreeks acht duizend Venetianen

werden gevangen genomen, onder wie de reiziger Marco Polo, die in de

gevangenis zijn beroemd werk, Milione, schreef. Wij nemen dus afscheid

van Genua, wanneer zij op het toppunt van haar grootheid staat, want

niet lang daarna werd haar zeemacht lam geslagen door een ernstige

nederlaag op de hoogte van Chioggia. Daarna, door de overwinningen

van Doge Andrea Dandolo, omstreeks 1350, en door de verovering van de

Genueesche vloot in de Lagunen in 1380, werd de maritieme heerschappij

van Venetië over haar groote mededingster blijvend gevestigd.

De geschiedenis van Venetië van haar eerste begin tot ongeveer 1200

is reeds in het kort verteld. Haar politieke en kunst-geschiedenis

in de dertiende eeuw geeft bij voortduring vele belangwekkende

eigenaardigheden te zien, die afwijken van die der overige Italiaansche

republieken.

Ten eerste had, wat haar inwendige, staatkundige geschiedenis betreft,

de ontwikkeling van die stad in oligarchische richting plaats, en wel

in de richting, die wij misschien eerder mogen noemen een patricische

dan een democratische. De oude Venetiaansche families bestonden voor

het grootste gedeelte niet, zooals in andere Noord-Italiaansche steden,

uit een feudalen Duitschen adel, maar stamden van de oude Romeinen af,

daar Venetië met haar eilanden in vroegere tijden een geliefkoosde

verblijfplaats was van de vermogende Romeinen. De nauwe betrekkingen

bovendien, die er tusschen Venetië en Byzantium bestonden, hadden

ten gevolge, dat in deze stad rijkdom en weelde en Oostersche ideeën,

die de democratie niet in de hand werkten, hun intrede deden.

In de oudste tijden werd de Doge gekozen met de algemeene stemmen

van het volk, dat zijn wil te kennen gaf door middel van de

volksvergadering (de Arengo). De doges evenwel verschilden wezenlijk

van de Gonfalonieri en Capitani en Priori der andere steden, omdat

zij geen tijdelijke presidenten waren, maar voor hun leven werden

gekozen. En ofschoon het volk gebruik maakte van zijn rechten en de

macht van den Doge beperkte door middel van een Raad en een Senaat

(Maggior Consiglio en Pregadi), werd de democratische winst toch

vernietigd door het feit, dat deze Raad werd gekozen uit de vermogende

klassen en dat elke nieuwe hervorming meer en meer het aantal van hen

verminderde, die tot raadsleden konden worden verkozen, zoodat in den

loop der tijden het streven naar een oligarchischen regeeringsvorm

niet meer kon worden geremd. Bijna in denzelfden tijd, dat Florence de

Ordinamenti della Giustizia vaststelde, die den adel van de regeering

uitsloten en gelijkheid voor de wet aan alle Florentijnen gaven, namen

de Venetianen de gewichtige Serratura (sluiting) van hun Grooten Raad

aan, waardoor alle gewone burgers van de verkiezing voor dat lichaam

werden uitgesloten en de candidatuur tot een betrekkelijk klein aantal

adelijke families werd beperkt [461].

Maar vele van de Venetiaansche edelen van dit tijdperk hadden hun

vermogen en rang door den handel verworven, en de oude adelijke

families, uit hun bezittingen gedrongen door deze plutocraten,

werden ten slotte zoo ontevreden, dat zij, aangevoerd door Baiamonte

Tiepolo, een krachtige, maar ijdele poging ondernamen om de gevestigde

regeering omver te werpen (1310). De commissie, die ingesteld werd om

de aanleggers van deze samenzwering op te sporen, behield haar ambt

gedurende een reeks van jaren en eindelijk werd zij door een besluit,

dat in 1335 werd aangenomen, permanent verklaard. Dit was de beruchte

en gevreesde Raad van Tien, waarvan men in later tijd zooveel hoort.

Ten opzichte van de ontwikkeling naar buiten gedurende de veertiende

eeuw ondergingen de macht ter zee en de handel van Venetië een zeer

gunstigen invloed door haar gelukkige ligging, die haar in staat

stelde dienst te doen als stapelplaats voor den handel tusschen het

Oosten en de noord-westelijke streken van Europa. Aan de inneming

en schandelijke plundering van Constantinopel door de zgn. Latijnen

(Franschen, Vlamingen en anderen) tijdens den zoogenaamden vierden

kruistocht namen de Venetianen een werkzaam aandeel en zij werden

beloond door een geweldige uitbreiding van hun handelsbetrekkingen

in het oosten, waar hun kooplieden vele privileges genoten. Het

gevolg hiervan in Venetië zelf was een duidelijke herleving van den

Byzantijnschen invloed, vooral merkbaar in de bouwkunst en mozaïeken

[462]. Deze Byzantijnsche invloed duurde in Venetië langen tijd en

overleefde en werkte sterk op den Venetiaansch-Romaanschen stijl,

waarop wij reeds gewezen hebben en wederom zullen moeten wijzen

(zie p. 390 en plaat 56).

Zooals wij hebben gezien, leden de Venetianen een verpletterende

nederlaag in 1298 door de Genueesche vloot. Gedurende de volgende

halve eeuw en nog langer ontwikkelde Genua een werkzaamheid, die

zeer nadeelig was voor den Venetiaanschen handel en maakte zich

ook meester van eenige Venetiaansche bezittingen in het Oosten,

en het was niet voor het einde der veertiende eeuw, dat Venetië

onbetwistbaar de Koningin van de Adriatische Zee werd en haar

heerschappij over haar mededingsters in de Levant vestigde. Wanneer

wij de opkomst van de Italiaansche Gotiek bespreken, zullen wij zien,

dat eerst in een tamelijk laat tijdperk die stijl van architectuur

in Venetië ingang vond. Hier behoeven wij er slechts op te wijzen,

dat deze Venetiaansche Gotiek bijzondere en fraaie kenmerken bezit,

daar zij niet slechts onder plaatselijke maar ook onder Oostersche

invloeden stond, waarbij, zooals Ruskin heeft aangetoond, ook de

Saraceensche invloed soms herkenbaar is.

HOOFDSTUK III.

KUNST.

(c. 1200-c. 1320).

Het was in dit werk onmogelijk om de kunstgeschiedenis volledig of

samenhangend te behandelen, en ofschoon wij nu gekomen zijn aan een

tijdperk, waarin een zeer gewichtige en belangrijke ontwikkeling

haar oorsprong nam, zal ik mij er toe moeten bepalen een paar

feiten uit te kiezen, die het best dat nieuwe streven schijnen te

verduidelijken; en ik zal eenvoudig melding maken van mijn eigen

indrukken en gevolgtrekkingen, in plaats van den lezer lastig te

vallen met theoriën en critiek en met een ontelbaar aantal namen van

kunstenaars en hun werken, waarvan toch vele bij hem geen herinnering

zullen wakker roepen aan hetgeen groot en mooi is.

(1) Mozaïeken.

Wat dit onderwerp betreft, zal het noodig zijn eenige feiten in het

kort te herhalen. In een vorig hoofdstuk hebben wij de ontwikkeling

gevolgd van de Christelijke mozaïeken en het verschil opgemerkt

tusschen den edelen Romeinschen en den schitterenden en meer

decoratieven stijl van de Byzantijnsche school, die ongetwijfeld

toch niet zulk een artistieke waarde bezit. Dit verschil wordt goed

aangegeven door de prachtige Romeinsche en Byzantijnsche mozaïeken te

Ravenna, terwijl wij in Rome zelf een mooie reeks van werken vinden,

die den Romeinschen stijl toelichten.

Het oudste, nog bestaande voorbeeld van Christelijk Romeinsch

glasmozaïek (c. 320) is het mozaïekwerk, dat het mausoleum van

de dochter van Constantijn den Groote te Rome (thans de kerk van

S. Costanza fuori le mura) versiert. Het is misschien juister

dit een overgang te noemen van de oude kunst naar de Christelijke

want de oudere gedeelten zijn, wat het onderwerp en de behandeling

(beschermgeesten, wijnranken enz.) betreft, zuiver heidensch en de

Christelijke onderwerpen zijn op de oude decoratieve wijze behandeld

[463].

Van de vroeg-Romeinsche mozaïeken, die zuiver Christelijk zijn, is het

schoonste (c. 350) het mozaïekwerk in de apsis van de S. Pudenziana

(plaat 24). Een ander grootsch en prachtig werk van eenigszins

latere dagteekening (c. 530) kan men zien in de kerk van S.S. Cosma

en Damiano, in oude tijden een tempel, die op het Forum uitzag. Een

voorbeeld van nog lateren datum (c. 825) is het mooie mozaïek in de

S. Prassede (plaat 24), dat echter door zijn onartistieke figuren en

al te druk decoratief reeds een neiging vertoont tot "Byzantijnsche

leelijkheid". Wanneer men evenwel een blik werpt op de photographiën

van deze vijf werken van vroeg-Italiaansche (Romeinsche) kunstenaars,

zal men zien, dat de kunst van het mozaïek-decoratief te Rome gedurende

vijfhonderd jaar ongeveer op dezelfde hoogte is gebleven en over het

algemeen zich kenmerkte door een waardigheid van stijl, die zoo nu

en dan tot verhevenheid steeg.

Daarna, omstreeks het jaar 900, schijnt deze Romeinsche kunst geheel en

al uitgestorven te zijn. Ongeveer twee eeuwen lang (900-1100) vernemen

wij niets; wij ontdekken in dezen tijd slechts ruwe pogingen in een

stijl, die blijkbaar onder ontaarden Byzantijnschen invloed staat. Aan

het einde van de twaalfde eeuw, omstreeks den tijd van Innocentius

III, heeft de Byzantijnsche invloed opgehouden te bestaan en komt er,

om zoo te zeggen, een nieuwe loot uit den ouden stam te voorschijn. In

Rome vinden wij voorbeelden van hetgeen wij kunnen beschouwen als oud

Romeinsch mozaïekwerk in een nieuwen geest opgevat. Een van de vroegste

en fraaiste voorbeelden van dezen nieuwen stijl, dien wij misschien

"Romaansch" kunnen noemen, is het groote mozaïek (van 1180 ongeveer) in

de kerk van S. Maria in Trastevere (plaat 57, I). Meerdere voorbeelden

van deze herleefde kunst kan men aantreffen in de S. Clemente (twaalfde

eeuw) en S. Paolo fuori; een gedeelte van de groote mozaïeken in de

apsis van deze laatste kerk, die van omstreeks 1220 dagteekenen, is

ontkomen aan den brand van 1823. Een nog later en zeer mooi voorbeeld

is het mozaïek van Torriti, de kroning van de Heilige Maagd, in de

apsis van de S. Maria Maggiore. Vervolgens hebben wij omstreeks het

eind van de dertiende eeuw het bewonderenswaardige lagere gedeelte van

het groote apsis-mozaïek in de S. Maria in Trastevere, misschien het

werk van Cavallini (over wien wij later uitvoeriger zullen spreken),

en ten slotte, de beroemde Navicella (plaat 57, II), waarschijnlijk

van Giotto, die omstreeks 1298-1300 te Rome was.

Aldus zijn wij in staat de opkomst, het verdwijnen en de herleving

van de Romeinsch-Christelijke mozaïek-kunst in Rome doorloopend te

volgen tot de dagen van Giotto.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 41 / 48 段