Waldus). Deze Waldenzen, of les pauvres de Lyon, waren van orthodox
standpunt beschouwd, kwaadaardiger ketters dan de Albigenzen,
want zij ontkenden, dat de Kerk van Rome in den waren zin de Kerk
van Christus was, en gingen, evenals de latere hervormers deden,
van het gezag van den Paus en de overlevering in hooger beroep bij
den Bijbel. Bovendien verwierpen zij, zooals later de dissenters,
de apostolische opvolging en sommige van hen gaven de verkiezing der
geestelijke herders in handen van de leeken.
In Italië zelf maakte de dogmatische ketterij, d. w. z. het verwerpen
van de onfeilbaarheid van Rome in dogmatische aangelegenheden,
een tijdlang slechts weinig vorderingen, maar er was een sterke en
uitgebreide beweging tegen de wereldlijke macht van de Kerk (niet
alleen onder haar staatkundige tegenstanders) en ten gunste van een
krachtige hervorming, met het oog op de weelde en onzedelijkheid van
de geestelijken, terwijl reinheid en zelfs armoede werden toegejuicht
als de eenige middelen, waardoor de Kerk haar geestelijken invloed
kon herwinnen.
Een belangwekkend voorbeeld van deze beweging wordt gegeven door de
Pataria (de wijk der voddenrapers) te Milaan. De Patarini of Paterini
aanvaardden met trots, evenals de Geuzen in den tachtigjarigen oorlog,
de hoonende benaming. In den beginne, gedurende de stormachtige
periode, die volgde op den dood van Aribert, den Aartsbisschop van
Milaan, in 1045, was de Pataria, de anti-keizersgezinde volkspartij
aldaar, in vijandschap met den adel en de hoogere geestelijkheid en om
die reden (maar om geen andere) ook een vijand van de onafhankelijkheid
der Ambrosiaansche kerk, die gesteund werd door de Milaneesche prelaten
en aristocraten. Aldus hebben wij weder een van die merkwaardige
verwikkelingen die in de geschiedenis van Italië zoo herhaaldelijk
voorkomen, een "onrechtzinnige" volkspartij, die op de hand is van
het Pausdom en bedrogen wordt met ijdele beloften van hervorming. Maar
dit duurde niet heel lang. De Patarini, die weldra inzagen, dat Rome
de ware vijand van hun godsdienstige reformatie was, verbraken het
verbond met den Paus en openbaarden zich als een kettersche [433]
sekte, die het voorwerp van hevige aanvallen werd van den kant van
de Pausen en die "honden des Heeren" [434], de Dominicanen.
De opkomst van de Albigenzen is reeds beschreven. Hun vernietiging
vond plaats in het jaar 1205. Paus Benedictus III, die, zooals wij
gezien hebben, er in slaagde bijna alle vorsten van Europa onder
zijn heerschappij te brengen, had besloten geen ketters in het
Westersche Christendom te dulden. Eerst, zegt men, hoopte hij zijn
doel te bereiken door redeneering en zond daarom predikers naar
Languedoc. Bij hen sloot zich de beroemde Dominicus (Domingo van
Calahorra in Oud-Castilië) aan, die na zijn terugkeer van een zending
in Denemarken, in het Zuiden van Frankrijk was gekomen en zich dadelijk
met heilige geestdrift gewijd had aan het werk der bekeering; en toen
Paus Innocentius, die inzag dat zijn verklaring van het Christelijke
evangelie geenerlei uitwerking had, zijn toevlucht besloot te nemen
tot het vuur en het zwaard en zijn Inquisiteurs en gezanten zond,
gewapend met de volmacht om het afschuwelijk gespuis uit te roeien,
werd uit de edelen van Zuid-Frankrijk, zooals Villari zegt, door
deze pauselijke boden een leger van kruisvaarders samengesteld, die,
opgehitst door het opruiende prediken van Dominicus en zijn fanatieke
metgezellen (waaronder zich de ellendige en meedoogenlooze Bisschop
Folquet van Toulouse bevond) en aangevoerd door den bloeddorstigen
Simon de Montfort, zich op de weerlooze bevolking wierpen en vele
van de bloeiendste streken van Provence en Midden-Frankrijk in een
woestijn veranderden.
In hoeverre Dominicus zelf deze gruwelen goedkeurde of er toe aanzette,
of er zelfs een werkzaam aandeel in had, is onzeker; het staat echter
vast, dat de Inquisiteurs van Toulouse hem vereerden met den titel van
"Kettervervolger" [435] en dat de geheele inrichting van de Inquisitie
kort na zijn dood werd toevertrouwd aan de Dominicaner broeders. Maar
of wij het recht hebben om, zooals sommige schrijvers doen, te
verzekeren, dat hij buitengewoon en duivelachtig onmeedoogend was,
dat hij zonder eenige ontroering keek naar de rookende puinhoopen van
Beziers, waar op bevel van den abt Arnold twintig duizend menschelijke
wezens werden vermoord, is in hooge mate twijfelachtig. Hij was
zeker volstrekt niet onbewogen. Zijn gemoed werd waarschijnlijk diep
ontroerd door hetgeen hij de liefde tot God en de menschen noemde, door
een innig verlangen om de zielen van zijn medemenschen te redden van
datgene, wat hij met volkomen oprechtheid even verschrikkelijk achtte
als de hel zelf, vrijheid van gedachte. Laten wij geen inquisitie over
zijn karakter houden, ofschoon wij nauwelijks in staat zijn zonder
te huiveren de Spaansche Kapel of de S. Maria Novella zelf binnen te
treden en een vreemde droefheid ons hart binnendringt, wanneer wij
staan voor Angelico's wondere "Kruisiging" in het klooster S. Marco.
"In de latere jaren van zijn leven", zegt Villari, "had Innocentius
de krachten wel willen beteugelen, die de bijna volkomen verwoesting
van een geheele landstreek hadden bewerkt. Maar het was te laat. Het
bloed had gevloeid en het volk was te gronde gericht. De vluchtelingen
uit Provence overstroomden Italië. Zij wekten medelijden op door de
verhalen van hun ellende, en haat tegen hem, die de eerste oorzaak was
geweest van hun wreed lijden. Aldus droegen ze bij tot de scheiding
tusschen het Pausdom en die klassen, waarmede de Pausen zich vroeger
steeds hadden verbonden in hun strijd tegen de Keizers. Sinds dien
tijd begon de verhouding van het Italiaansche volk jegens het Pausdom
een zeer belangrijke wijziging te ondergaan".
In 1215 werd Dominicus te Rome door den Paus gehuldigd wegens zijn
ijverige werkzaamheid en de instelling van de predikheeren, en
toen kort daarna Innocentius stierf, werd de Dominicaner Orde door
Honorius III plechtig bekrachtigd. Drie jaren later (1219) werd het
centrum van de Orde gevestigd te Bologna en voordat Dominicus daar in
1221 was gestorven, hadden de predikheeren reeds hard gewerkt om de
ketterij in Noord-Italië uit te roeien; maar Italië was bijna even
erg met ketterij besmet als met Languedoc het geval was geweest. De
Patarini waren in Milaan buitengewoon talrijk. In Ferrara, Verona,
Rimini, Florence en andere steden was de vijandige stemming tegen de
geestelijkheid zeer sterk. In Viterbo waren de ketters talrijk genoeg
om hun Graaf te kiezen. In Assisi werd een ketter tot Podestà benoemd.
Een paar maanden waarschijnlijk, voordat Dominicus te Rome
was aangekomen, had een andere beroemde Orde de goedkeuring van
Innocentius verworven [436]. Francesco Bernadone van Assisi en zijn
klein aantal vrome volgelingen werden eerst met eenigen argwaan
aan het pauselijk hof ontvangen en ongetwijfeld ook met een zekere
hoonende vroolijkheid. Franciscus kwam geen toestemming vragen om
ketters te mogen uitroeien, maar hij verzocht slechts, dat het hem
zou worden toegestaan een vereeniging te stichten van menschen, die
zouden trachten te leven naar de voorschriften en het voorbeeld van
Christus. Zulk een fantastisch doel wekte geen belangstelling bij
den Paus en de kardinalen, maar, zooals verhaald wordt, een droom
[437], die te juister tijd kwam, bracht Innocentius tot nadenken en
het nadenken gaf hem de overtuiging, dat hij wellicht dezen vorm van
religieuze geestdrift voor zijn eigen plannen zou kunnen gebruiken. De
geschiedenis van St. Franciscus van Assisi, hoe hij afstand deed van
alle wereldlijke idealen, hoe hij zich wijdde aan de armoede en aan een
nederig en Christelijk leven om de menschheid en alle wezens, groot
en klein te dienen,--de bouw van de kleine kapel, de Portiuncula,
de stichting van de bedelorde, de orde der Clarissen en die der
Minderbroeders, het bezoek aan den Sultan van Egypte, het heerlijke
en rustige heengaan van de heilige ziel--dit alles is uitvoerig en
met gevoel door vele schrijvers verhaald, zoodat het niet noodig is
het hier te herhalen. Evenmin zal het noodig zijn te trachten het
feit te verklaren, dat het doel en de idealen van deze twee menschen,
Franciscus en Dominicus, een zekere uitwendige gelijkenis vertoonen,
daar hun beider stelsels oorspronkelijk het beginsel van armoede
erkennen en zij beiden grooter voorstanders zijn van den omgang met
menschen dan van de afzondering in kloosters. Dat een dergelijke
uitwendige gelijkenis kan bestaan ondanks een diepgaand verschil in
het werkelijke wezen der dingen is een onwankelbare waarheid. In
dit geval wordt het verschil misschien het best aangeduid door de
zeer eenvoudige woorden van Villari: "Domenico andò a predicare la
crociata contro gli Albigesi, infiammando gli animi ad una sanguinosa
persecuzione degli eretice. Francesco invece si sarebbe sottoposto
ad ogni tormento piuttosto che far soffrire una qualunque creatura"
[438]. Terwijl Dominicus den bloedigen en meedoogenloozen kruistocht
tegen de Albigenzen aanmoedigde en leidde, bezocht Franciscus de
ziekenhuizen, verzorgde de melaatschen, hielp steenen aandragen voor
den bouw van kerken, terwijl hij verzen bedacht, die overvloeiden van
liefde voor alle levende wezens en van dankbaarheid voor de pracht
en de schoonheid der natuur [439].
Een aanwijzing van dit grondige verschil wordt verstrekt door het
feit, dat Franciscus, naar men vertelt, toen hij Dominicus te Rome had
ontmoet, geweigerd heeft zijn Orde met die van de Dominicanen samen te
smelten. Ongetwijfeld zag hij maar al te goed in, met welken geest de
stichter van die Orde bezield was. Beide Orden, zooals ook het geval
was met de veel oudere Benedictijner Orde, weken weldra ver van de
Regels van hun stichters [440] af, zoodat vergelijkingen aan later
tijden ontleend geschikt zijn om ons op een dwaalspoor te leiden; maar
het feit, dat de Dominicanen steeds aan de zijde van de wereldlijke
macht hebben gestaan als handlangers van de tyrannie en de vervolging,
schijnt een bewijs te zijn van het essentieele verschil tusschen
den geest van Franciscus en dien van Dominicus. Inderdaad hebben de
volgelingen van St. Franciscus ook zelf vervolgingen ondergaan. Naar
aanleiding van de Christelijke liefde en het menschelijk medegevoel,
dat zij ook jegens de "onrechtzinnigen" aan den dag legden, werden
zij door Paus Gregorius IX van verraad beschuldigd, die, met de hulp
van Frederik II, den vrijdenker en halven Mohammedaan, een krachtigen
kruistocht tegen ketters organiseerde; en eenige van deze "ketters",
die omstreeks het jaar 1225 door de Inquisitie veroordeeld en te Rome
verbrand zijn, waren waarschijnlijk Franciscaner Minderbroeders.
In de zangen XI en XII van den Paradiso laat Dante den grooten
Dominicaner geleerde, Thomas van Aquino, een schitterende lofrede
uitspreken op St. Franciscus, en de Franciscaner Bonaventura beschrijft
het strijdvaardige karakter van St. Dominicus,
de heilige athleet,
zacht voor de zijnen en grimmig voor zijn vijanden,
wiens aanval het krachtigst werd
waar de weerstand het grootst was [441].
De lofrede van den Franciscaner op St. Dominicus schijnt hier en
daar, hoewel deze twaalfde zang overstroomt van heerlijke gedachten,
toch eenigzins gedwongen en aarzelend, terwijl daarentegen de
woorden van Thomas Aquinas, ofschoon hij een Dominicaan en een droge
geleerde was, schijnen te trillen van ontroering, als hij het leven
van St. Franciscus beschrijft, het opkomen, als het ware, van een
roemrijke zon, de bruiloft van Franciscus met zijn bruid, de Armoede
[442], de stichting van de Orde, "het eindelijke zegel", de Stigmata,
het heengaan van de heilige ziel naar haar geboorteland, den Hemel
[443]. In verzen van wondere welluidendheid geeft Dante ons het
eigenaardige verschil tusschen beiden weer:
L'un fu tutto serafico in ardore,
L'altro per sapienza in terra fue
Di cherubica luce uno splendore [444].
Gedurende de laatste helft van de dertiende eeuw verspreidde,
zooals wij in een ander hoofdstuk zullen zien, een nieuw licht van
wetenschap en kunst zonder ophouden zijn glans, totdat de vrijheid
van gedachte en Christelijk gevoel zich zoo ver een weg gebaand had,
dat, na den dood van den "driedubbelen tyran", Paus Bonifacius VIII,
het middeleeuwsche Pausdom een tijdlang bijna geheel als staatkundige
en religieuze macht verdween en als een gewond wild dier gromde in
de sombere holte van het groote pauselijke paleis te Avignon.
Terwijl de oude toestanden veranderen, zien wij vele vreemde
verschijnselen; want ofschoon het nest was opgeruimd, bleek het nog
niet zoo gemakkelijk te zijn het oude bijgeloof uit te roeien. Een
van de zonderlingste verschijnselen van de dertiende eeuw was Keizer
Frederik II, de half-Oostersche vrijdenker, dikwijls door den
banvloek getroffen, die, ofschoon hij een ongeloovige was en aan
zijn Siciliaansch hof niet alleen de wetenschap en de losbandige
zeden, maar ook den godsdienst van de Saracenen aanmoedigde, een
Christelijken kruistocht ondernam tegen de Saracenen van Palestina,
zelfs de kroon van Jeruzalem aanvaardde, en daarna, na zijn terugkeer,
ijverig de ketters in zijn rijk vervolgde en vele van hen aan Gregorius
uitleverde om verbrand te worden.
De merkwaardige toestand van geestelijke opwinding, waarin Italië
gedurende dezen overgangstijd verkeerde, blijkt uit het ontstaan
van talrijke sekten, van welke sommige een tijdlang een zeer
belangrijken invloed uitoefenden, vooral in de vrijsteden van
Noord- en Midden-Italië. Zooals natuurlijk was, kwamen er vele
vreemde buitensporigheden voor. Hieronder moeten wij in de eerste
plaats het optreden der Flagellanten of geeselbroeders rekenen. Een
plotselinge springvloed, als het ware, van religieuze hysterie,
verhief zich te Perugia en verspreidde zich snel over en buiten
geheel Italië. Duizenden en duizenden van waanzinnige, half-naakte
boetelingen, mannen, vrouwen en kinderen, trokken in groote benden
door het geheele land, huilend en klagend, biddend en psalmen zingend
en elkander meedoogenloos geeselend. In elke stad, waar zij kwamen,
spraken zij verwenschingen en smeekbeden uit om te trachten een einde
te maken aan de staatkundige en godsdienstige veeten; zij bezochten
de gevangenissen en poogden de boosdoeners tot berouw te brengen;
zij bevrijdden vele gevangenen. Eindelijk werd het civiele gezag
ongerust en kondigde strenge straffen tegen deze buitensporigheden
af. "De listige regeerders van Milaan", zegt een kroniekschrijver,
"richtten zes honderd galgen op aan hun grenzen en dreigden iederen
Flagellant, die in hun gebied kwam, op te hangen." Na 1260 ongeveer
hooren wij niets meer van hen.
Indien wij zoeken naar de oorzaken, die zulke vreemde gevolgen hadden,
vinden wij, dat deze zonder twijfel gelegen zijn in het feit, dat
de eindelooze ellende van den oorlog en de binnenlandsche veeten de
bevolking tot wanhoop hadden gebracht en zij er bovendien langzamerhand
van overtuigd werden, dat de Kerk als draagster van het Evangelie
van liefde en vrede volkomen schipbreuk had geleden. De eenige
groote prikkel, waardoor de Flagellanten tot dergelijke hysterische
buitensporigheden werden aangezet en die ook de oorzaak was van de
heilige bezieling van St. Franciscus, was het verlangen naar het rijk
van Christelijke liefde op aarde. En hoe algemeen dit verlangen in
Italië was, kan men afleiden uit vele andere pogingen om vrede te
stichten, welke soms van zeer dramatischen en aandoenlijken aard
waren. Eens werden (in 1275) de leiders van de verbitterde partijen
in Florence overgehaald om bij elkander te komen op de zandige oevers
van den Arno en elkander te omhelzen en een eeuwigen vrede te sluiten,
welke maar al te spoedig verbroken is. Bij een andere gelegenheid kwam
in de vlakte bij Verona een geweldige menigte (sommige schrijvers
zeggen 400.000 menschen) bijeen, uit verschillende steden verzameld
door een monnik van Vicenza, en tot tranen toe bewogen door de
welsprekende woorden van de predikheeren, sloegen zij zich op de
borst, jammerden over hun zonden, smeekten om God's genade en legden
plechtige eeden af (welke helaas spoedig volkomen vergeten werden),
dat oorlog en partijtwisten voor altijd zouden worden afgeschaft.
HOOFDSTUK II.
DE REPUBLIEKEN EN "SIGNORIE" [445]
tot c. 1320.
Wij hebben de opkomst en de ontwikkeling van de vrije steden in
Noord-Italië sedert den tijd van Hildebrand en Hendrik IV gevolgd en
wij hebben gezien, hoe de Lombardische stedenbond na zijn overwinning
op Frederik Barbarossa den grondslag legde van hetgeen een groote
republikeinsche confederatie had kunnen worden. Na de verpletterende
nederlaag van den Keizer bij Legnano (1176) en den vrede van Constanz
(1183), toen Frederik zich eindelijk in den toestand schikte, erkende
hij openlijk de rechten en zelfstandigheid van de Noordelijke steden,
en zijn zoon, Hendrik VI, werd zoo volkomen in beslag genomen door zijn
pogingen om zijn aanspraken op den troon van de Beide Siciliën te doen
gelden, dat hij zich weinig inspande om zijn gezag in Lombardije te
handhaven, ofschoon hij het bestuur over Toskane en Umbrië aan zijn
eigen hertogen gaf. Ook zijn zoon, Keizer Frederik II bemoeide zich
voortdurend met zijn zuidelijk gebied en oefende over Noord-Italië
nauwelijks eenig gezag uit, behalve hetgeen hem door de Ghibellijnsche
steden vrijwillig werd toegestaan, omdat zij zich gaarne van de hulp
van den Keizer tegen hun mededingers wilden verzekeren. Aldus maakten
de steden in het noorden zich langzamerhand vrij van het keizerlijke
gezag en werden republikeinsch, terwijl Zuid-Italië en Sicilië in
den macht van den Keizer bleven; en toen de droevige terechtstelling
van Konradijn te Napels in 1268 een einde maakte aan de dynastie der
Hohenstaufen, gingen deze zuidelijke gewesten over in de handen van
de vorsten van Anjou en Arragon, onder wier regeering zij bestemd
waren vele jaren lang te blijven.
Maar behalve de republieken in het noorden en de zuidelijke
koninkrijken was er een Kerkelijke Staat, die bestond uit streken van
Midden-Italië, zooals gedeelten van Latium, Tuscia Romana en Sabina,
waar de Pausen een tamelijk krachtig gezag uitoefenden, een gezag,
dat natuurlijk zeer verschilde van de aanspraken, die zij maakten
op de souvereiniteit over de Beide Siciliën, Toskane, de Pentapolis
(Emilia), de Mark van Ancona, het hertogdom van Spoleto en over
andere streken. Deze Kerkelijke Staat (Stato della Chiesa) droeg
een vaag, niet georganiseerd en onstandvastig karakter. De Keizers
hadden steeds zoowel de bestaande als de denkbeeldige Kerkelijke
Staten als onafscheidelijke deelen van het Keizerrijk beschouwd. Zoo
stelde Hendrik VI zijn broeder, Hertog Philips, als zijn stadhouder in
Toskane aan, en andere van zijn bevelhebbers als gouverneurs in Romagna
en de Marken; ook Frederik II bezette, ondanks zijn vrome beloften,
Romagna en andere streken, waarop de Paus aanspraak maakte; en Manfred,
wiens soldaten de Florentijnsche Ghibellijnen bij Montaperti in 1260
hielpen overwinnen, maakte een van zijn bevelhebbers tot keizerlijk
stadhouder van Florence en had een tijdlang, totdat Karel van Anjou
verscheen, in het pauselijk gebied van Midden-Italië de macht in
handen. In naam begunstigde Karel van Anjou natuurlijk de zaak van de
Pausen, maar inderdaad was ook hij hun meester en deed geen moeite hun
souvereine rechten uit te breiden, zoodat het zeer begrijpelijk was,
dat ten slotte, in 1278, Paus Nicolaas III het verstandig oordeelde
van de pauselijke aanspraken op Romagna, Pentapolis, Ancona en Spoleto
afstand te doen ten behoeve van den Keizer, Rudolf van Habsburg.
Derhalve was het maar een betrekkelijk klein gebied, waar de Paus
zijn souvereine rechten uitoefende, rechten, die hij bovendien nog
dikwijls moest deelen met de republikeinsche regeering te Rome; en hij
was afhankelijk van de eenigszins onzekere trouw van zijn legaten en
zijn onderdanen, en door opstanden, zoowel van de democraten als van
de aristocraten, verloor hij dikwijls zijn macht over verschillende
steden, zooals Perugia en Viterbo. En eindelijk, toen Clemens V den
pauselijken Stoel naar Avignon (1309) overbracht, werd het gezag van
de Pausen in Midden-Italië niet meer dan een schaduw van macht.
Aldus hebben wij met een paar trekken een ruwe schets gegeven van
den toestand van Italië gedurende het tijdperk, toen de voornaamste
noordelijke steden hun hoogste ontwikkeling in commercieele welvaart
en republikeinsche onafhankelijkheid bereikten en daarna, sommige
ten minste, hetzelfde lot ondergingen, dat in vroeger tijden niet
weinige van de oude Grieksche republieken trof; in de Grieksche staten
toch gebeurde het zoo dikwijls, dat de een of ander voortreffelijke
staatkundige leider, of het hoofd van een partij, de gunst en het
vertrouwen van het volk won en misbruikte om zichzelf als "tyran" op
te werpen. Deze loop der gebeurtenissen heeft zich in de geschiedenis
menigmaal herhaald. Eerst komen het volk en de feudale edelen in
botsing. Daarna, wanneer de handel en de algemeene welvaart toeneemt,
ontstaat er een nog veel heviger botsing tusschen het kapitaal en
den arbeid, tusschen de nouveaux riches en den arbeidenden stand. Dan
sluiten de oude en armere edelen een verbond met het volk. Ten slotte
verwerft een stoutmoedige en begaafde aanvoerder van den adel den
onvoorwaardelijken steun van de volkspartij en maakt zich door een
coup d'état meester van de regeering. Zoo ontstonden de Grieksche
Tyrannides en evenzoo de Italiaansche Signorie.
De belangwekkende en leerzame geschiedenis van de opkomst en de
lotgevallen van de Italiaansche Republieken is, met volledige verslagen
over de voornaamste van deze steden, verhaald door vele schrijvers
van den tijd van Dino Compagni en Giovanni Villani (c. 1300) tot de
Istorie fiorentine van Machiavelli (c. 1500) en verder door Sismondi
en ontelbare politici, letterkundigen en begaafde schrijvers van onze
dagen. Hier moeten wij er ons toe bepalen, eenige feiten te vermelden
in verband met sommige van deze steden, en voor dat doel zullen wij
wederom Florence, Milaan en Venetië kiezen, wier geschiedenis wij
reeds hebben gevolgd tot omstreeks 1200; en er zal iets bijgevoegd
worden over Verona, Bologna en andere steden.
Florence (c. 1200-1320).
Van de vroegste geschiedenis van Florence hebben wij reeds een
schets gegeven. Het had zich altijd verzet tegen de aanmatigende
overheersching van de Duitsche keizers en edelen en men kan aannemen,
dat de onafhankelijkheid van deze stad is ingetreden bij den dood
van Gravin Mathilde in 1115, toen zij voor het eerst haar eigen
Consuls koos. Maar ofschoon zij bestemd was de belangrijkste van de
Italiaansche Republieken te worden, ontwikkelde zij zich langzaam. Het
grootste gedeelte van Toskane bleef nog lang onder den invloed van
den keizer, nadat de Lombardische steden zich vrij hadden gemaakt,
en er waren Toskaansche steden, zooals Pisa en Arezzo, die, zelfs
nog na den tijd van Dante en Hendrik van Luxemburg, steunpunten van
de Ghibellijnsche partij bleven, terwijl Florence langzamerhand,
met horten en stooten, de republikeinsche vrijheid verwierf, die zij
heeft gehandhaafd tot de opkomst der Medici in de vijftiende eeuw.