Toch was in den beginne de geestdrift groot. Venetië, Genua en

Florence, waar het republikeinsche gevoel zeer sterk ontwikkeld was,

gromden en lieten hun tanden zien, maar Cremona, Padua, Brescia, Pisa,

Verona, Mantua en andere Ghibellijnsche steden en Signorie zonden

gezanten om hem leenmanschap te beloven en onder groot gejuich en

gejubel werd Hendrik (Januari 1311) in de S. Ambrogio te Milaan met

de IJzeren Kroon gekroond.

Evenwel was deze vreugde van korten duur. Als Pacificator had hij de

Milaneesche Visconti uit de ballingschap teruggeroepen, in de hoop

hen te verzoenen met hun gelukkige Welfsche mededingers, de partij

Della Torre; maar de goed-gemeende tusschenkomst had een uitbarsting

ten gevolge, die hem wel zal ontsteld hebben. Een oproer brak uit en

na veel bloedvergieten werden de Torriani verdreven. Daarop stonden

Cremona, Brescia, en andere steden op en trotseerden Hendrik; deze

was nu genoodzaakt zijn taak als rex pacificus op te geven; hij

plunderde Cremona en liet de muren slechten; Brescia dwong hij te

capituleeren na een beleg van vier maanden, waarbij aan beide kanten

de afschuwelijkste wreedheden werden bedreven.

Een heel jaar was nu voorbijgegaan en nog steeds bevond zich Hendrik

op een grooten afstand van Rome. In October 1311 trok hij met zijn

troepen de vijandig gezinde stad Genua binnen, waar hij eenigen tijd

bleef wegens de ziekte en den dood van zijn gemalin. In Maart 1312

werd hij te Pisa verwelkomd, dat, zooals gewoonlijk, aan de zijde van

keizersgezinden stond uit haat tegen Florence. Te Pisa vernam hij,

dat te Rome de Colonna's en andere imperialisten, die reeds gezanten

gezonden hadden om hem (en ook Paus Clemens) uit te noodigen, ijverig

bezig waren voor zijn kroning, maar dat de Orsini daarentegen Koning

Robert van Napels naar Rome geroepen hadden en dat de Florentijnen

alles deden, wat in hun macht was, om hem tegen te werken; zij kochten

het Fransche hof en den Paus om en brachten een verbond van de Welfsche

steden tot stand om Koning Robert te helpen in alle pogingen, die

hij in het werk zou stellen om den barbaarschen Duitschen vijand

van Italië, lo straniero, il Tedesco, il barbaro nemico d' Italia e

della sua libertà, te verdrijven. Hendrik hoorde ook, dat Robert in

antwoord op dit verzoek en deze uitnoodigingen zijn broeder Jan had

gestuurd met troepen om zich te Rome met de Orsini te verbinden en

dat zij het Vaticaan, den Engelenburg en het Trastevere hadden bezet.

Maar ondanks dit alles, ondanks het hartstochtelijk verzoek van Dante,

om eerst "den adder, die zich tegen zijn eigen moeder richtte, het

schurftige schaap, dat gansch de kudde aanstak, Florence, doodelijk

te treffen [419], marcheerde Hendrik naar het zuiden, trok in Mei

1312 door de Porta del Popolo Rome binnen en vestigde zich in het

Lateraan. Weldra begon den strijd tusschen zijn troepen en die van

Koning Robert. Hendrik bezette het Capitool en trachtte de rivier over

te steken, maar werd met ernstige verliezen teruggeslagen. Eindelijk

moest hij zijn plan, om in de St. Pieter gekroond te worden, opgeven

en zich tevreden stellen met een plechtige kroning in de basiliek

van het Lateraan [420], waar hij de kroon ontving uit de handen van

een pauselijken gezant, daar Paus Clemens het niet gewaagd had naar

Rome te komen [421].

In de buitengewoon heete maand Augustus verliet Hendrik Rome en

marcheerde naar het noorden met zijn leger, dat door koortsen

veel geleden had; hij was van plan den raad van Dante op te

volgen en Florence te verpletteren. Maar de Florentijnen hadden,

zooals Villani zegt, "een ontelbaar aantal voetknechten" verzameld,

benevens ongeveer 4000 ruiters, en waren besloten hem te trotseeren;

zij sloten de poorten van de stad aan den kant van S. Salvi, waar hij

zijn legerplaats had opgeslagen. Ten slotte, toen hij zag, dat hij

niets kon uitrichten, brak hij gedurende den nacht op en marcheerde

weder naar het zuiden, alsof hij naar Rome wilde terugkeeren, maar

hield halt te Poggibonsi, niet ver van Siena [422]. Hier bleef hij

tot Maart 1313. Toen trok hij terug naar Pisa, waar hij naar lichaam

en geest uitgeput aankwam.

Nadat Hendrik uit Rome was vertrokken, had het volk de overhand

gekregen in een worsteling met den adel en wederom een republikeinschen

regeeringsvorm ingesteld. Zij noodigden hem nu uit terug te komen en

de keizerlijke waardigheid uit hun handen te aanvaarden, terwijl zij

hiermede te kennen wilden geven, dat zij alleen het recht hadden die

te verleenen. Hendrik was geneigd de uitnoodiging aan te nemen. Hij

verlangde er ook zeer naar Koning Robert voor zijn onbeschaamdheid

te straffen en met die bedoeling had hij reeds een verbond gesloten

met Frederik van Sicilië, een daad, die den Paus zoo woedend maakte,

dat hij, hoewel te laat, den banvloek over den Keizer uitsprak.

Hendrik verzamelde een sterk landleger, dat gesteund zou worden

door ongeveer 150 oorlogs-galeien, die door Genua, Pisa en Sicilië

waren geleverd; toen brak hij nog eens naar het zuiden op. Het was

wederom midden in den zomer en zijn manschappen hadden vreeselijk

te lijden van de hitte en de moeraskoorts. Hij had Buonconvento,

ongeveer dertig kilometer ten zuiden van Siena bijna bereikt, toen

hij plotseling stierf, waarschijnlijk aan een aanval van malaria of

aan een bloedvergiftiging, ofschoon men vertelde en algemeen geloofde,

dat het noodlottige vergift hem in de heilige hostie of op een andere

wijze door een Dominicaner priester was toegediend. Zijn lichaam

werd naar Pisa gebracht en in de kathedraal bijgezet. Later werd het

verplaatst naar den Campo Santo (zie plaat 51 en verklaring).

Met den dood van Hendrik van Luxemburg eindigde voor altijd het

middeleeuwsche Duitsch-Italiaansche Romeinsche Keizerrijk, om een

juisten naam voor deze eenigszins fictieve zaak te gebruiken. Wel

trokken er nog andere Keizers met verschillende staatkundige

bedoelingen de Alpen over, maar geen ander kwam, zooals hij, om als

een opvolger van Augustus het Romeinsche Keizerrijk te herstellen op

zijn ouden grondslag, den wil van het Romeinsche volk. Met den dood van

Bonifacius VIII en de verplaatsing van den pauselijken stoel van Rome

naar Avignon eindigde ook het Italiaansche Pausdom van de Middeleeuwen.

Maar die zoogenaamde Middeleeuwen kwamen niet zoo plotseling tot een

einde. Het was een overgangstijd, zooals de tooverachtige schemering

tusschen het eerste ochtendgrauw en het eerste goud van de zon,

of misschien kunnen wij, met terzijdestelling van bedriegelijke

zonne-vergelijkingen, op de litteratuur en de kunst wijzen, die in

dit geval ten minste een juist beeld van dien tijd geven en waardoor

de verschillende trappen van de ontwikkeling van hetgeen gewoonlijk

de Renaissance of de Rinascimento wordt genoemd, het best worden

aangeduid.

De tijd van Bonifacius VIII en van Hendrik VII was ook de tijd van

Dante en in de Italiaansche letterkunde schijnt de geweldige figuur

van Dante de geheele ruimte tusschen het einde van de Middeleeuwen

en het begin van de nieuwe wetenschap te vullen. Van verschillend

standpunt beschouwd is hij voor ons de eenige groote dichter van de

middeleeuwsche litteratuur en de eerste groote moderne dichter. Hij

staat alleen. Voor hem waren er wel een paar zwakke zangers, die in

de nieuwe Italiaansche taal de zoete en bevallige rijmen der liefde

zongen, maar, om weder tot een zonne-vergelijking terug te keeren,

zij waren als morgensterren, die verbleeken voor het licht van de

zon. En na zijn dood staan wij, als het ware, voor een plotselingen

afgrond; want, ofschoon de levens van Dante en Petrarca gedurende

zeventien jaren samenvallen, bestaat er tusschen hen beiden zulk een

onoverkomelijke kloof, dat zij tot twee geheel verschillende eeuwen

schijnen te behooren. Zoo wordt hier een merkwaardig rustpunt in

de geschiedenis van het Italiaansche volk aangegeven. Het is waar,

dat velen "de Middeleeuwen" tot een aanmerkelijk lateren datum

uitbreiden. Sommigen strekken dit tijdperk uit tot de inneming van

Constantinopel door de Turken in 1453 of zelfs tot de ontdekking

van Amerika in 1492. Maar wij kunnen met recht het groote gedicht

van Dante, dat tusschen 1301 en 1320 geschreven is, als den waren

grenssteen beschouwen tusschen middeleeuwsch en modern Italië,

of misschien juister het Italië van de Renaissance. Wat de kunst

betreft (beeldhouwkunst en schilderkunst) geldt hetzelfde, ofschoon

de verschillende trappen van den overgangstijd niet altijd samenvallen

met de ontwikkelingstrappen der Italiaansche litteratuur. De herleving

der beeldhouwkunst ging, om redenen, die wij later zullen vermelden,

aan die van de schilderkunst vooraf, maar, in het algemeen gesproken,

kunnen wij de Pisani en Giotto toch wel tijdgenooten van Dante noemen,

en, zooals hij zelf, staan ook deze kunstenaars daar bijna zonder

voorgangers en volgt daarop een tijdperk, zooals er komt tusschen

de wilde bloemen van het voorjaar en die van den zomer, een tamelijk

lange en dorre tijd, die niet veel merkwaardigs voortbracht behalve

Orcagna en de Gaddi; doch daarna komt de groote opbloei van kunst

in de dagen van della Quercia, Brunelleschi, Ghiberti, Donatello

en Fra Angelico. Bij het begin van dezen overgangstijd en ongeveer

bij het einde van Dante's leven heb ik besloten dit overzicht van de

geschiedenis van Italië in de Middeleeuwen, een overzicht, dat ruim

duizend jaar heeft omvat, te eindigen.

Aanteekening over Dante en Hendrik VII.

Toen Hendrik in Italië kwam, was Dante reeds ongeveer tien jaren in

ballingschap en misschien onlangs teruggekeerd van zijn zwerftochten,

die hem naar Parijs en Nederland of zelfs naar Engeland [423]

kunnen gebracht hebben. Wellicht was hij er bij tegenwoordig,

toen Hendrik de IJzeren Kroon te Milaan ontving en men zegt, dat

hij bij deze gelegenheid "zijn raad, zoo niet zijn zwaard aan den

Bevrijder van Italië gewijd heeft", terwijl hij hem misschien een

afschrift van de Monarchia aanbood, dat Hendrik zonder twijfel niet

gelezen heeft. Kort daarna zendt de dichter uit het Casentijnsche

(de bovenvallei van den Arno), waarheen hij zich teruggetrokken had,

aan zijn vaderstad een heftigen open brief, die begint met de woorden:

Dantes Allagherius florentinus et exsul immeritus sceleratissimis

Florentinis intrinsecus. Hij is vol sarcasme en schimpscheuten. "Wat

zullen", zoo vraagt hij, "uw gracht, uw muren, uw torens u baten,

wanneer de adelaar, schrikwekkend met zijn gouden vleugels, op u

neerschiet?" En terwijl Hendrik nog te Pisa toefde, stuurde Dante hem

in de lente van 1312 den brief, waarover wij reeds gesproken hebben,

en richt zich tot den zoogenaamden Romeinschen Keizer met merkwaardige

woorden, noemt hem niet alleen een Zonnegod en een Heilig Graf, maar

zelfs het Lam Gods, terwijl hij Florence uitscheldt voor een vos,

een adder, een hydra, een schurftig schaap, dat de geheele kudde

aansteekt enz. Maar, zooals wij reeds zagen, Hendrik nam zijn raad

niet ter harte.

Van veel grooter belang dan deze buitensporige en woedende brieven

is de Monarchia, een verhandeling in drie Boeken, die waarschijnlijk

geschreven is omstreeks den tijd, toen Hendrik naar Italië kwam. Dit

werk geeft duidelijk de hoop weder, die de gedachten van velen vervulde

en is een hartstochtelijk beroep op de goddelijke Rechtvaardigheid

om een "Bode van den hemel" te zenden, zooals de Engel, die in de

Divina Commedia de beide dichters te hulp kwam en met zijn staf de

poort van de vlammende stad van Dis opende [424].

In de Monarchia bewijst Dante zeer uitvoerig, met groote

scherpzinnigheid en geleerdheid, dat de tweevoudige natuur van den

mensch twee verschillende leiders noodig heeft (twee Zonnen, zooals

hij in zijn gedicht [425] zegt), een geestelijken en een wereldlijken,

en hij verklaart, dat de Keizer in wereldlijke aangelegenheden de

hoogste macht heeft. Door een alles omvattend Keizerrijk alleen is

het mogelijk een algemeenen vrede te bereiken, zulk een vrede als voor

de menschheid noodig is om zich te kunnen wijden aan het hoogste doel

van het bestaan. Hij behandelt de vraag, of het Romeinsche volk alleen

het recht heeft iemand met de keizerlijke waardigheid te bekleeden en

haalt bewijzen aan om te toonen, dat het zoo is, dat Rome het eenige,

ware middelpunt van het Christendom en het Keizerrijk is. Daarna

stelt hij de vraag, of het keizerlijke gezag rechtstreeks van God

moet worden afgeleid of door bemiddeling van den Paus wordt verleend

en hij vindt het antwoord in het feit, dat Christus de wereldlijke

macht als verschillend van de geestelijke heeft erkend.

Maar Dante was veel meer dan een middeleeuwsche casuïst en

dialecticus. Hij had inzicht in veel dingen, waarvan de geleerden met

hun philosophie geen vermoeden hadden. Met dit algemeene Keizerrijk

heeft Dante getracht in niet zeer scherpe, maar toch onmiskenbare

omtrekken den denkbeeldigen vorm te schetsen van een volkomen vrede

en broederschap en alles omvattende Federatie, welke sommige van

de grootste en edelste menschen van alle tijden hebben gepoogd op

te roepen van den Limbo van onvervulde verwachtingen naar het licht

van de rede en werkelijkheid, maar die nu weder, evenals Eurydice,

verdwenen is in de sombere duisternis van een oorlog, zooals de wereld

er nog nooit een gekend heeft. [426]. Dante's ontwerp was een evenwicht

van krachten, een bond van steden en volkeren, die vrijheid en eigen

bestuur bezaten, maar onder een hoogst, centraal gezag stonden. Een

dergelijk Imperium, zoo zullen sommige zeggen, is verwezenlijkt in

den tijd van de Antonini, den eenigen tijd, volgens Gibbon, waarin

het leven werkelijk waarde genoeg bezat om geleefd te worden.

HOOFDSTUK I.

GODSDIENSTIGE STROOMINGEN.

c. 1200-1300.

Veel is reeds gezegd over hetgeen men bij gebrek aan een juistere

benaming gewoonlijk godsdienst of religie noemt; vele toestanden

en invloeden van den godsdienst zijn, zooals wij zagen, in het

ingewikkelde web van de middeleeuwsche Italiaansche geschiedenis

geweven. Wij zullen niet trachten die draden verder te ontwarren,

dan in het verhaal is gedaan, maar hier toch wijzen op de merkwaardige

ontwikkeling van het godsdienstig leven in den loop van de dertiende

eeuw.

In den tijd van de groote ketterij, toen de menschen hun medemenschen

veroordeelden en vermoordden wegens de een of andere ijdele formule,

die het onbegrijpelijke moest bepalen, waren er natuurlijk vele

sekten van de Christelijke Kerk, die met verontwaardiging de meening

verwierpen, dat Rome de eenige bewaarplaats van de orthodoxie was;

en aan den anderen kant vinden wij onder hen, die zich den naam

"Katholiek" aanmatigden, vele, zelfs Keizers en Patriarchen, die de

geestelijke Suprematie van den Paus krachtig verdedigden.

Na de overwinning van het Roomsche Katholicisme in het Westen moesten

de ketters, d. w. z. zij, die een andere dogmatische opvatting

huldigden dan Rome, zich eenige eeuwen lang verborgen houden; maar

weldra hooren wij toch van een steeds toenemende verontwaardiging en

vijandigheid, die veroorzaakt wordt door den groei van de wereldlijke

macht en de onverzadelijke eerzucht van de Pausen. Deze vijandige

stemming was niet het gevolg van ketterij of verschil in godsdienstige

opvattingen, maar van staatkundige beweegredenen; dikwijls ging een

groote eerbied voor den Paus gepaard met een hevigen haat jegens hem

als politieken tegenstander. Zoo klaagt, zelfs in de veertiende eeuw,

Dante bitter over de mishandeling en den dood van zijn grooten vijand,

Bonifacius VIII; bij wijze van profetie zegt hij, daar de handeling

van zijn gedicht drie jaren voor het gebeurde te Anagni plaats grijpt:

"Ik zie, in zijn stedehouder, Christus worden gevangen genomen; ik

zie hem andermaal bespot worden; ik zie, dat edik en gal vernieuwd

worden en dat hij tusschen nieuwe boosdoeners wordt gedood [427]". En

nog vreemder dan deze vereeniging van eerbied en haat was in vele

gevallen de algeheele afwezigheid van de zedelijke waardeering, een

volslagen onvermogen om, zelfs bij een verafschuwden staatkundigen

vijand, in te zien, dat de begeerte naar wereldlijke macht, om niet

te spreken van afzichtelijke ondeugden en misdaden, onvereenigbaar

was met het bezit van en de macht over apostolische gaven en met

de aanspraken van den Paus om op aarde de Vicarius te zijn van den

heiligen en vriendelijken Stichter van het Christendom.

Maar ofschoon dit zonderlinge, bijgeloovige gevoel ten opzichte van

het Pausdom gedurende langen tijd onuitroeibaar scheen te zijn,

had er toch een groote, zij het ook langzame, verandering in den

stand van zaken plaats door de opkomst van de republieken en de

verlichting, die dergelijke middelpunten van wetenschap verspreidden

als de Universiteiten van Bologna, Salerno en Parijs [428]. De Donkere

Eeuwen van bijgeloof, waarin men, zonder acht te slaan op het vraagstuk

der zedelijkheid, zooals sommigen nu nog doen, eerbied betoonde aan

het traditioneele religieuze gezag, begonnen langzamerhand plaats

te maken voor het licht van de rede en een juister begrip van de

leer van Christus; het Christendom begon zich in zedelijken zin te

ontwikkelen; en toen de Roomsche Kerk haar handen begon te bezoedelen

met het bloed van hen, die zich aan haar doctrinaire leiding wilden

onttrekken, bleef de vijandschap tegen het Pausdom niet langer op

politieke gronden rusten, maar werd nu ook gesteund door de moreele

verontwaardiging. "Het edelste gevoel van de menschheid", zegt

Gregorovius, "kwam in opstand tegen de afschuwelijke schanddaden,

die in naam van den Christelijken godsdienst werden gepleegd, en

diep was de ontroering en het medelijden met hen, die leden door de

heldhaftige verdediging van hun gewetensvrijheid." Ook Green, die een

vernietigend verslag geeft van den toestand van de Anglikaansche Kerk

en het gebruik, dat Rome daarvan in dit tijdperk maakt, vertelt ons,

dat "de oude eerbied voor den Heiligen Stoel langzamerhand verdween

voor een algemeen gevoel van wrok". Maar zulke uitdrukkingen zijn veel

te zwak om de algemeene stemming weer te geven, die er in Italië in

dit opzicht heerschte na den kruistocht van Paus Innocentius tegen

de Albigenzen.

De ontaarding van het geestelijke, wanneer het in aanraking komt met

het stoffelijke, wordt ons door alle groote dichters en wijsgeeren in

levendige beeldspraak duidelijk gemaakt. De meest treffende illustratie

van een dergelijke ontaarding in de geschiedenis der menschheid

wordt gegeven door de tegenstelling tusschen het leven en de leer

van Christus en het zoogenaamde Christendom van later dagen. Maar

in de menschelijke natuur gloeit een onuitbluschbaar deeltje van

het goddelijke vuur, of iets, dat als een spiegel de stralen van het

hemelsche licht opvangt, en te midden van de grillige maskerade en de

afschuwelijke vertooning van een wereld van vleesch en duivel, die ons

voorbijtrekt, wanneer wij de kronieken van de middeleeuwsche kerk van

Rome lezen, ontdekken wij hier en daar in den eindeloozen en woeligen

optocht eenige menschelijke gezichten, waarop het geloof schittert

aan Christus' eigen Evangelie van reinheid en zelfverloochenende

liefde. Zonder twijfel werden vele van hen, die den moed bezaten om

zoo te handelen als zij voelden, door hun geestdrift en overdrijving

op gevaarlijke wegen geleid en dan volgde er dikwijls een grove

ontaarding van hun verheven leeringen. Maar dat was onvermijdelijk.

Dat de schaamtelooze losbandigheid en hebzucht van de geestelijken

en het pauselijke hof, en ook andere schandelijke ondeugden, reeds in

vroege tijden bij een zekere sekte van de Kerk verontwaardiging wekten,

blijkt uit vele gegevens. Een van de eerste algemeene protesten tegen

deze misbruiken werd geuit door de monniken van de Fransche Abdij van

Cluny, die in 910 door Fra Berno gesticht is. Deze poging tot inwendige

hervorming was eerst alleen gericht tegen de slechte levenswijze van

den clerus, vooral van de ontaarde Benedictijner monniken, en ofschoon

het misschien onverstandig was het coelibaat der geestelijkheid als

een der voornaamste beginselen aan te nemen, heeft de hervorming van

Cluny toch zeer zeker een buitengewoon goeden invloed uitgeoefend,

niet alleen in de provincies, maar ook te Rome, waar Odo, de leerling

van Berno, begunstigd werd door den republikeinschen leider Alberik

en in staat werd gesteld verschillende kloosters te hervormen. Maar

de Pausen, die (evenals later het geval was met de Franciskaner Orde)

de populairiteit van deze neiging tot hervormen weldra bemerkten,

veroverden, om zoo te zeggen, Cluny en gebruikten de hervormers van

Cluny als hun zendelingen om de leer van de geestelijke suprematie en

de wereldlijke macht van het Pausdom te verbreiden. Zoo was Hildebrand,

de latere Paus Gregorius VII (1073-1080), de groote tegenstander van

Hendrik IV, een Cluniacenser monnik; en de moreele geestdrift, waarmee

de eerste stichters van Cluny waren bezield, ontaardde in sekte-geest

en partijhaat, zooals men kan waarnemen bij den beroemden St. Bernard

van Clairvaux, die het ascetische kloosterleven weder opwekte, maar

die, ofschoon hij zelf een oprecht hervormer van zedelijke misbruiken

was, zich fanatiek verzette tegen alle onderwijs in de Heilige Schrift;

en hij gaf niet alleen zijn stem ten gunste van den zwakken Innocentius

II tegen den Cluniacenser Paus, Anacletus, maar vervolgde ook heftig

Abelard, den philosophischen reformator van Parijs en zijn leerling,

den ongelukkigen Arnold van Brescia, die te Rome op bevel van den

Engelschen Paus Hadrianus werd opgehangen en verbrand.

Een treffend bewijs van het verlangen, dat ook bij de geestelijken zelf

en in het algemeen bij het volk bestond, om terug te keeren tot den

eenvoud en de bezieling van het vroege Christendom is de buitengewone

populariteit, die verschillende boeken hebben verworven, die een

werkelijk Christelijke levenswijze voorschreven en het aanbreken

van een tijdperk van vrede en broederschap voorspelden. Het boek de

Imitatione Christi, of misschien het oorspronkelijke, volgens hetwelk

Thomas à Kempis in de vijftiende eeuw zijn boek geschreven heeft,

moet volgens E. Renan en eenige anderen in dezen tijd (c. 1200)

ontstaan zijn. Een dergelijk werk, zeer zeker van deze periode,

was het Evangelium aeternum van den abt Joachim [429] van Floris in

Calabrië († 1202). Het boek bevatte commentaren op de Apocalypsis en

andere gedeelten van den Bijbel; de schrijver trachtte het Oude en

het Nieuwe Testament met elkander in overeenstemming te brengen en

haalt de Heilige Schrift aan om de aanstaande komst (in het jaar 1260)

van het rijk des Geestes te bewijzen.

Gelijktijdig met deze pogingen tot inwendige hervorming waren

verschillende bewegingen van minder rechtzinnigen aard. Er was een

sekte van Bulgaarsche Christenen, die zich de Katharoi, d. w. z. de

reinen of Puriteinen noemden. Zij schijnen de gewoonten van de Essaeërs

[430] verbonden te hebben met een Oostersch of Manichaeësch [431]

geloof in twee elkander beoorlogende beginselen, den geest van het

Kwade en den geest van het Goede, de macht van het Licht en de macht

van de Duisternis, Ormuzd en Ahriman van Zoroaster of Zarathustra

[432]. Dergelijke stelsels, gepaard met een krachtige opwekking

tot reinheid en armoede, drongen in Provence en Midden-Frankrijk

door en werden door velen met geestdrift ontvangen, in het bijzonder

door de Albigenzen, de bewoners en naburen van Albi, een stad aan de

Tarn. Deze Albigenzen of Albigeois had men waarschijnlijk ongemoeid

gelaten, indien zij alleen het geestelijke leven hadden gepreekt en

uitgeoefend, zelfs al grensden hun theoriën in verband met de leer

over de macht der Duisternis aan hetorodoxie; maar zij verklaarden,

hetgeen zeer begrijpelijk doch misschien onverstandig was, den oorlog

aan de verdorvenheid en de weelde van de Roomsche geestelijken en het

pauselijke hof, en richtten aldus zooals wij zullen zien, zichzelf

te gronde.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 39 / 48 段