Koning Pedro van Arragon bezig een veldtocht voor te bereiden,
in naam tegen Tunis, maar zonder twijfel was Sicilië zijn verder
doel. Nadat het hem niet gelukt was Tunis in te nemen, zeilde hij
met zijn vloot naar het noorden. In vijf dagen was hij bij Trapani
en vijf dagen later, den vierden September 1282 te Palermo, waar
hij tot Koning van Sicilië werd uitgeroepen. Karel, verontwaardigd
en woedend, zond een sterk leger naar Sicilië onder aanvoering van
zijn zoon, Karel den Lamme (Carlo lo Zoppo). Maar de "Kreupele van
Jeruzalem", zooals Dante [399] hem noemt, was weldra gedwongen zijn
strijdkracht van het eiland weg te trekken en de admiraal van Pedro,
Loria, bracht de vloot van Karel twee verpletterende nederlagen toe,
eerst bij Malta en daarna in de golf van Napels; bovendien gelukte het
hem lo Zoppo zelf gevangen te nemen. Ook in Calabrië stond het volk
tegen de Franschen op. Karel zag zich genoodzaakt naar het noorden
te trekken en terwijl hij op versterkingen uit Frankrijk wachtte,
stierf hij te Foggia (Januari, 1285).
Zijn jeugdige kleinzoon, Karel Martel [400], werd in plaats van zijn
vader, die in gevangenschap verkeerde, tot koning uitgeroepen; maar
ongeveer vier jaar later werd door den invloed van Koning Eduard I
van Engeland Carlo lo Zoppo in vrijheid gesteld en was gedurende de
volgende twintig jaren Koning van Napels en Zuid-Italië; bovendien
maakte hij aanspraak op den troon van Sicilië, die door een Spaanschen
vorst bezet werd. Deze Spaansche monarch was evenwel niet Pedro
van Arragon en Sicilië, want die was in hetzelfde jaar gestorven
als zijn groote tegenstander, Karel van Anjou, en was in Sicilië
opgevolgd door zijn zoon Jacob (den Rechtvaardige). Jacob en Karel
II (de Lamme) voerden met eenige onderbreking oorlog, doch richtten
weinig uit. In 1290 werd Johan Koning van Arragon, na den dood van
zijn oudsten broeder Alfonso, en zijn jongste broeder, Frederik,
werd de Spaansche onderkoning van Sicilië.
Frederik was met dezen titel evenwel niet tevreden en liet zich in
1296 tot Koning van Sicilië uitroepen. Tusschen de beide broeders
ontstond nu een hevige twist, die nog werd aangewakkerd door de
duivelsche boosaardigheid en eerzucht van Paus Bonifacius, die ten
slotte Constantia, de vrome weduwe van Koning Pedro overreedde naar
Rome te gaan met haar oudsten zoon, Koning Jacob en een schandelijke
overeenkomst te sluiten met den doodvijand van haar jongsten zoon,
Carlo lo Zoppo, waarbij zij hem haar dochter Violante tot gemalin
gaf. De broeder-oorlog werd ondertusschen met groote bitterheid
hernieuwd en de oude Spaansche admiraal, Loria, die Frederik
ontrouw was geworden en de partij der Anjou's had gekozen, bracht de
Siciliaansche vloot een gevoelige nederlaag toe. Eindelijk, in 1302,
ging Bonifacius zelfs zoo ver, dat hij Karel van Valois naar Italië
riep (wij zullen later zien, hoe deze onderneming mislukte); maar de
partijen, die den strijd moede waren, sloten, zeer tot ongenoegen van
Paus Bonifacius, den vrede van Caltabellotta, waarbij het koningschap
over Sicilië aan Frederik voor zijn leven werd toegestaan; doch hij
beloofde Leonore, de dochter van Karel II (lo Zoppo) te trouwen,
onder voorwaarde, dat een eventueele erfgenaam Sardinië of Cyprus
zou krijgen, maar Sicilië aan het geslacht van Anjou zou overgeven,
een voorwaarde, die bij zijn dood in 1337 niet is vervuld, omdat de
Sicilianen weigerden onderdanen te worden van de Fransche vorsten
[401].
(8) Rome van 1285 tot 1303. Bonifacius VIII.
In hetzelfde jaar (1285), waarin Karel van Anjou en Pedro van
Arragon overleden, stierf de Fransche Paus Martinus IV aan het
overmatig gebruik van paling en vernaccia-wijn. De vredelievende,
maar jichtige oude kardinaal, die hem opvolgde, Honorius IV, was
een broeder van den Senator van Rome, Pandulf, uit het doorluchtige
geslacht van de Savelli. De beide broeders, de een in het Lateraan
en de ander op het Capitool, oefenden een weldadigen invloed uit, en
beteugelden gedurende twee jaren de woede van de partijen der Orsini
en Colonna, ofschoon beide zoo hevig door de jicht waren aangetast,
dat de Senator niet meer kon loopen en de Paus van een mechanische
uitvinding moest gebruik maken om de Hostie op te heffen. Na den dood
van Honorius was er tien maanden lang geen Paus, hetgeen niet slechts
het gevolg was van de verbittering der partijen maar ook van de pest,
die zes kardinalen ten grave sleepte. Eindelijk werd Nicolaas IV,
de bisschop van Palestrina (den burcht der Orsini) gekozen; deze
was vroeger een vriend geweest van den Paus der Orsini, Nicolaas III
("den zoon van de berin"). Naar aanleiding van deze benoeming brak
de veete tusschen de twee families der Orsini en der Colonna's met
vernieuwde heftigheid uit; zij noemden zich Welfen en Ghibellijnen,
maar deze namen beteekenden slechts, dat degenen, die zoo heetten,
doodvijanden waren en dat beide partijen er naar streefden den
kardinaalshoed en de pauselijke tiara te bemachtigen.
Toen deze Paus stierf (1292), ontstond er zulk een hardnekkige strijd
tusschen de kardinalen, dat er twee jaren lang geen verkiezing
plaats vond, een toestand, waardoor Karel de Lamme in staat werd
gesteld, evenals vroeger zijn vader, zich zulk een machtige positie te
verwerven, alsof hij inderdaad het hoofd van de Kerk was. Eindelijk,
toen de kardinalen te Perugia verzameld waren en er volstrekt geen
voortgang in de zaken kwam, noemde iemand een zekeren kluizenaar,
Pietro geheeten, die in een hol van den berg Morrone leefde, in
de Abruzzi, ongeveer 75 K.M. ten noord-oosten van Rome, waar hij
een godsdienstige Orde had gesticht en beroemd was geworden wegens
zijn visioenen en mirakels [402]. Een kardinaal stelde, misschien
in scherts, voor dezen kluizenaar te kiezen om de moeilijkheden op
te lossen, en met een plotselinge, algemeene geestdrift werd die
oplossing aangenomen. Drie bisschoppen werden afgevaardigd om Pietro
van zijn benoeming in kennis te stellen.
De eenvoudige, oude monnik (hij was twee en zeventig jaar oud)
stond verstomd en weigerde op het voorstel in te gaan. Toen begaf
zich een groote menigte van edelen en prelaten en andere personen,
onder aanvoering van Koning Karel en zijn zoon Karel Martel, naar de
grot en ten slotte liet Pietro da Morronne zich mede voeren, terwijl
de koning en zijn zoon den ezel, waarop hij gekleed in zijn eenvoudig
kluizenaarsgewaad was gezeten, bij de teugels leidden. In een kerk
dicht bij Aquila, blijkbaar de S. Maria di Collemaggio (plaat 49),
die zijn graftombe bevat, werd hij gewijd; de kerk was geheel vol en
omringd, naar men vertelt, door 200.000 menschen.
Karel liet den nieuwen Paus, Celestinus V, niet naar Rome gaan, maar
nam hem mede naar zijn hof te Napels, om hem voor zijn eigen plannen
te gebruiken. Maar weldra bemerkte hij, dat Celestinus onbruikbaar was
voor zijn doeleinden, en voordat er vier maanden verstreken waren,
trad de arme, oude kluizenaar, voor wien de toestand ondragelijk
was geworden, af; en men zegt, dat hij hiertoe werd aangespoord
door de stemmen van engelen, die zich in zijn slaapkamer lieten
hooren door de vernuftige listen of ventriloquistische bekwaamheden
[403] van een kardinaal, Benedetto geheeten, een afstammeling van
de adelijke familie der Gaetani van Anagni (of, zooals Dante [404]
de stad noemt, Alagna). Deze sluwe, aanmatigende en vermetele man
had, naar men vertelt, reeds geheime bijeenkomsten met Koning Karel
gehouden en hem beloofd zijn politiek te steunen met alle middelen,
die een Paus ten dienste stonden; en tien dagen, nadat Celestinus
was afgetreden (Kerstavond, 1294) werd hij door de vreesachtige
kardinalen gekozen, ofschoon vele van hen blijkbaar overtuigd waren
van de waarheid der mededeelingen, volgens welke hij beschuldigd werd
van de schandelijkste misdaden en de onsterfelijkheid van de ziel, de
goddelijkheid van Christus en zelfs het bestaan van God ontkende. Tien
dagen later hield hij zijn intocht in Rome met een pracht, "die nooit
te voren in Rome was gezien." Koning Karel en zijn zoon, Karel Martel
van Hongarije leidden thans geen nederigen ezel maar het prachtige,
witte, rijk getuigde ros, waarop Benedetto was gezeten met een gouden
kroon op het hoofd; en daarna, toen de schitterende plechtigheid van de
wijding in de St. Pieter was afgeloopen, vergezelden de beide koningen
hem naar het Lateraan en stonden bij het feestmaal achter zijn troon.
De eerste daad van den nieuwen Paus, Bonifacius VIII, was zich meester
te maken van den persoon van zijn voorganger; want er waren velen
die de geldigheid van de nieuwe verkiezing verwierpen; zij beweerden,
dat, ofschoon er wel Pausen waren afgezet (Hendrik III, bijvoorbeeld,
had er drie tegelijk afgezet), geen Paus vrijwillig kon aftreden, en
dat een dergelijke poging niet alleen een zware zonde was tegen den
Heiligen Geest, maar ook alle uitwerking miste [405]. Celestinus was
teruggekeerd naar zijn grot in den Monte Morrone. Toen hij bericht
kreeg van het plan van Bonifacius, besloot hij te vluchten. Na
lang rondzwerven bereikte hij de Adriatische zee en scheepte zich
in om naar Dalmatië te varen; maar een storm sloeg hem terug op de
Italiaansche kust en eenige goede, maar domme menschen begroetten
hem openlijk als Paus en bewerkten aldus dat hij werd ontdekt en
gevangen genomen. Bonifacius zette hem gevangen in het kasteel van
Fumone, welks geweldige Cyclopische muren de stad Alatri, in Latium,
nog beheerschen. Een paar maanden daarna werd hij dood gevonden,
waarschijnlijk vergiftigd, ofschoon eenige monniken van zijn Orde,
de Celestini, beweerden een spijker te bezitten, waarmede Bonifacius
volgens hun verklaring zijn slachtoffer had gedood, zooals Jael
Sisera vermoordde.
Nadat Bonifacius aldus den armen, ouden Celestinus uit den weg
had geruimd en zich in het veilig bezit bevond van de geestelijke
souvereiniteit over het koninkrijk van Karel, dien hij als zijn leenman
beschouwde, wenschte hij vurig ook het Siciliaansche koninkrijk als
pauselijk leen te bemachtigen en zijn mijter met de dubbele kroon
van de Beide Siciliën te versieren. Wij hebben reeds gezien, hoe hij
Koning Jacob van Arragon en zijn vrome moeder Constantia overreedde
een schandelijk verdrag met Karel te sluiten en hoe hij de langdurigen
en wreeden oorlog aanstichtte en aanwakkerde tusschen Jacob en zijn
broeder Frederik, dien de Sicilianen als hun koning hadden aangenomen.
Tot de voornaamste vijanden van Bonifacius behoorden de Colonna. Hoe
machtiger en aanmatigender hij zelf werd en hoe meer hij de Kerk
plunderde om de invloedrijke partij van de Gaetani te steunen, des te
heviger werd de vijandschap van deze edelen, vooral van den kant der
twee kardinalen van het geslacht Colonna. In 1297 ging Bonifacius
over tot een daad, die nog nooit had plaats gevonden en liet deze
beide prelaten afzetten. Maar de familie der Colonna's aanvaardde
den strijd. Zij verklaarden de verkiezing van Bonifacius nietig en
eischten, dat er een Concilie zou worden bijeengeroepen. Zij hechtten
hun Manifest aan het hoogaltaar in de St. Pieter. Bonifacius sprak
terstond over de ontslagen kardinalen den banvloek uit en kondigde
een Heiligen Oorlog tegen hen af. De Colonna's trokken naar hun
burchten op het land; de sterkste van deze was Palestrina. De
hardnekkige worsteling eindigde met de overweldiging en vernedering
der Colonna's. De geëxcommuniceerde kardinalen en edelen verschenen
voor den zegevierenden paus als smeekelingen, met een touw om
den hals. Men vertelt (het wordt echter ook tegengesproken), dat
Bonifacius den schijn aannam hun vergiffenis te schenken, en aldus
Palestrina in zijn bezit kreeg. Hoe dit ook zij, het staat vast, dat
hij het bemachtigd heeft en dat hij, zooals Sulla vroeger had gedaan,
het geheel en al heeft verwoest; slechts de kathedraal bleef gespaard;
want zijn Bul, die nog over is, beveelt, dat de ploeg over de plaats
[406] moet worden getrokken en in de voren zout moet worden gezaaid,
"zooals met het Afrikaansche Carthago was gedaan". Nadat hij alle
bezittingen van de inwoners had verbeurd verklaard, beval hij hen
een nieuwe stad te bouwen, die hij Civitas Papalis noemde; maar kort
daarna liet hij die in een vlaag van woede afbreken en de menschen
werden verbannen. De Colonna's vluchtten naar vreemde hoven, sommige
zelfs naar Engeland. Dat waren de daden van den Hoogsten Herder van
de Christelijke Kerk, "die een oorlog voerde dicht bij het Lateraan
en niet tegen Saracenen en evenmin tegen Joden" (Inferno XXVII. 86).
De Paus had het jaar 1300 als een jubeljaar van de Kerk
aangekondigd. Hij gebruikte die gelegenheid om pelgrims naar Rome
te lokken en rijkelijke aflaten te beloven aan allen, die de groote
Romeinsche basilieken bezochten. Het was een groote triumf voor
Bonifacius. Op den hoogsten troon van het Christendom gezeten,
werd hij vereerd als de Vicarius van God door twee of drie millioen
vrome geloovigen die uit alle landen van Europa naar Rome stroomden,
ieder om zijn offer te brengen [407]. Onder hen was waarschijnlijk
ook Giotto (zie plaat 50) en Dante; want ofschoon sommige beweren,
dat Dante het volgend jaar Rome het eerst zag bij gelegenheid van
het gewichtig gezantschap [408], waarmede hij belast werd, is de
beroemde beschrijving, waar de dichter twee groepen van verdoemden
in de hel vergelijkt met de twee stroomen, die zich in tegengestelde
richtingen over de brug van het Vaticaan bewegen [409], zoo levendig,
dat deze wel op eigen aanschouwing zal berusten. Er was nog een ander
beroemd schrijver aanwezig, Giovanni Villani, die in dien tijd koopman
was. Hij vertelt ons, dat, hetgeen hij bij die gelegenheid te Rome
zag, hem opwekte tot het schrijven van zijn Kroniek, waaraan hij
in datzelfde jaar begon (het jaar, waarin de handeling der Divina
Commedia valt) bij zijn terugkeer te Florence; dit werk, voortgezet
en voltooid door zijn broeder en zijn neef, werd het grootste der
Italiaansche geschiedwerken [410].
Een ontzaglijke massa geld stroomde bijeen door de offers
van de geloovigen, die zoo rijkelijk schonken, dat, zooals een
ooggetuige zegt, "dag en nacht twee priesters bij het altaar van den
H. Paulus stonden met harken in hun handen, waarmede zij het geld
opharkten." Een deel van dit geld werd door Bonifacius gebruikt om
den onrechtvaardigen oorlog weer aan te wakkeren en door te zetten
tusschen Jacob van Arragon en zijn broeder, Frederik van Sicilië, en
ook om de plannen van Karel II (lo Zoppo) te bevorderen, zooals hij
beloofd had te zullen doen. Maar het geld, dat met zulke schandelijke
bedoelingen was verworven en werd uitgegeven, bracht weinig voordeel
aan. Hierover verontwaardigd wendde Bonifacius zich, evenals Urbanus IV
had gedaan, tot het Fransche hof en noodigde den jongsten broeder van
den Franschen koning, Karel van Valois, den achterneef van Karel van
Anjou, uit naar Italië te komen. Toen de Fransche prins te Anagni,
de geboortestad en de geliefde verblijfplaats van Bonifacius was
gekomen, werd hij benoemd tot Kapitein-Generaal van de Kerk en
Vrede-stichter van Toskane. Hij werd door den Paus naar Florence
gezonden om daar den vrede te herstellen, maar hij bewerkte slechts,
dat de twisten nog in hevigheid toenamen en dat alle Ghibellijnen
en afvallige Welfen, waaronder zich ook Dante [411] bevond, werden
verbannen. Karel van Valois bereikte in het zuiden niet veel meer,
en nadat door den vrede van Caltabellotta een einde was gemaakt aan
den broeder-oorlog tusschen Jacob en Frederik, moesten de vorsten
van Anjou en de Paus alle hoop opgeven om Sicilië te heroveren.
Deze tegenspoed had natuurlijk oneenigheid tusschen Bonifacius en
Karel van Valois ten gevolge en maakte den Paus aan het Fransche
hof gehaat. En Frankrijk was in de laatste jaren tot hooge macht
gestegen. Het had een onafhankelijkheid en nationale zelfbewustheid
ontwikkeld, zooals in dien tijd nergens in Europa bestond [412]. Koning
Philips IV, de Schoone, wist, dat hij het geheele volk achter zich
had en toen hij geld noodig had voor zijn oorlogen tegen Engeland
en later tegen de Vlamingen, vooral na den slag bij Kortrijk (1302),
legde hij de geestelijken en de kloosters belastingen op; Bonifacius,
ofschoon woedend, stond hier machteloos tegenover, want Philips werd
gesteund door de publieke meening in Frankrijk, en zoowel de leeken
als ook de geestelijken kozen de zijde van hun vorst en toonden zich
ook op godsdienstig gebied onafhankelijk. De gezant, die in 1302
een aanmatigende Bul van den verbitterden Paus bracht, werd gevangen
gezet en daarna weggejaagd en de Bul werd in het openbaar verbrand in
de Notre Dame, een daad, die zeker, ofschoon de uitwerking daarvan
niet zulke een verre strekking heeft gehad als het verbranden van
de Bul te Wittenberg, toch een diepen indruk moet gemaakt hebben,
vooral, toen kort daarna de Staten-Generaal van Frankrijk voor de
eerste maal bijeenkwamen en de handeling van den Koning door alle
drie staten van zijn rijk bekrachtigd werd.
Ondertusschen wekte Bonifacius te Rome hevige verontwaardiging op
door groote massa's geld bijeen te schrapen en zich veel land toe te
eigenen. Een groot gedeelte van deze schandelijk verworven rijkdommen
werd gebruikt om zijn bloedverwanten, de Gaetani, te verrijken, die
aldus in het bezit kwamen van een groot aantal kasteelen en prachtige
landgoederen in Latium [413], waarvan sommige nu nog het eigendom zijn
van den Hertog van Sermoneta en de familie der Gaetani; zoo kreeg de
Paus een machtigen aanhang, die zeer veel aan hem verplicht was. Dit
alles werd door de verdreven Colonna's aan het Fransche hof verteld en
tevens kwam het bericht, dat de Paus van plan was den banvloek over
Philips uit te spreken; de algemeene verontwaardiging in Frankrijk
bereikte naar aanleiding hiervan zulk een hoogte, dat er een bond
van kruisvaarders werd gevormd om het Christendom te bevrijden
van den ellendeling, dien zij beschouwden als een pseudo-Paus en
een openlijken atheïst, verslaafd aan de schandelijkste ondeugden
en een handlanger van den Duivel; Koning Philips stelde zich zelf
aan het hoofd van de samenzwering; de uitvoering van het plan werd
opgedragen aan Sciarra Colonna en Guillaume de Nogaret, een bekwaam
rechtsgeleerde en een krachtig verdediger van de rechten van de kroon
en het burgerlijke gezag.
In den nacht van den zevenden September 1303 drongen de samenzweerders,
begeleid door een sterke troep gewapenden, Anagni binnen en na
een hevig gevecht, baanden zij zich, nadat het pauselijk paleis en
de aangrenzende kathedraal in brand waren gestoken, een weg naar
Bonifacius zelf, dien zij op zijn troon gezeten aantroffen, de tiara
met dubbele kroon op het hoofd en in zijn handen de sleutels en een
gouden kruis. Sciarra greep, naar men vertelt, den Paus bij een
arm, sleurde hem van zijn troon en trachtte hem met zijn dolk te
dooden (Nogaret ontkende dit en Villani bevestigt het niet). Nadat
Bonifacius drie dagen lang gevangen had gezeten en uit vrees voor
vergiftiging alle voedsel had geweigerd, werd hij door het volk van
Anagni bevrijd en namen de samenzweerders de vlucht. Daarna werd hij
door twee kardinalen uit het geslacht Orsini en een troep van 400
gewapenden naar Rome geleid. Toen hij een bezoek aan de St. Pieter
had gebracht en het volk hem vriendelijk had begroet, verbeeldde hij
zich waarschijnlijk in veiligheid te zijn, daar hij wist, dat de
Orsini doodvijanden waren van de Colonna's en hij ook hulp hoopte
te ontvangen van Karel II (lo Zoppo). Maar hij begreep weldra, dat
zijn brieven onderschept werden en dat hij nauwkeurig werd bewaakt;
want de Orsini hadden den Engelenburg en den Borgo met hun gewapende
mannen bezet. Ongeveer vier weken later, October 1303 vond men hem
dood. Men vertelde, dat hij in een vlaag van woede met zijn hoofd
tegen den muur van zijn kamer was geloopen en zich aldus van het
leven had beroofd [414].
(9) Hendrik VII van Luxemburg.
De volgende Paus, Benedictus XI, schijnt een achtenswaardig en
dapper man geweest te zijn. Twee dagen voordat hij werd aangevallen,
had Bonifacius het besluit genomen den banvloek over Koning Philips
af te kondigen van denzelfden kansel in de kathedraal te Anagni,
vanwaar de banbliksem was geslingerd tegen Frederik I Barbarossa
en Frederik II. De nieuwe paus voerde het besluit van Bonifacius
niet uit, maar bevrijdde de Colonna's van den ban, met uitzondering
van Sciarra; hij beval, dat alles, wat aan de Kerk ontstolen was,
moest worden teruggegeven; hij veroordeelde en vernietigde openlijk
verschillende onrechtvaardige daden van Bonifacius; hij veroordeelde
ook in het openbaar de beleediging, die den vorigen Paus te Anagni
was aangedaan en sprak over de voornaamste schuldigen den banvloek
uit. Het was zonder twijfel een ramp voor de Kerk, dat hij na acht
maanden stierf; en het was een nog grooter ramp, dat tot zijn opvolger
de Aartsbisschop van Bordeaux werd gekozen, die den naam Clemens V
aannam. Hij was een handlanger geweest van Bonifacius, maar nu was hij,
om gekozen te worden, een slaafsche dienaar van Koning Philips geworden
[415]. Hij werd te Lyon gewijd, in tegenwoordigheid van het Fransche
hof, en nadat hij ongeveer drie jaren (1305-1308) in Frankrijk had
geresideerd, verplaatste hij den zetel van het Pausdom naar Avignon,
aan de Beneden-Rhône, waar de Pausen juist zeventig jaar gevestigd
bleven (de jaren van de zoogenaamde Babylonische ballingschap) en waar
zij het geweldige gebouw, le Palais des Papes oprichtten, dat nu nog
de stad en de groote rivier als een machtige donderwolk beheerscht.
Het is eenigzins bevreemdend, dat Clemens, ofschoon hij in andere
opzichten blijkbaar het willige werktuig van Koning Philips was,
hardnekkig zou hebben weerstand geboden aan het verlangen van dien
monarch om voor zichzelf of voor zijn broeder Karel van Valois de
keizerskroon te verwerven. Misschien gevoelde de koning inderdaad
weinig lust om te vechten voor een ijdelen titel, omdat hij den
onafhankelijken en vijandigen geest van de Italianen kende en zich
herinnerde, hoe slecht het in Italië met Karel was afgeloopen; wellicht
bedacht Clemens, dat met een Franschen Keizer het Pausdom zijn volkomen
ondergang zou te gemoet gaan. Hoe dit ook zij, hij begunstigde eerst in
het geheim en steunde daarna openlijk de aanspraken van Hendrik VII,
die tot Duitsch koning was gekozen en ook tot Koning der Romeinen,
waardoor hij niet alleen als Keizer van Duitschland werd beschouwd,
maar ook als aangewezen Keizer, die recht had op de wettige
bekrachtiging van zijn titel door het Romeinsche volk en den Paus.
Hendrik VII, die als graaf van Luxemburg zelf geen regierender
Fürst was geweest en geen gewapende leenmannen tot zijn beschikking
had gehad, was op den troon gekomen te midden van de woelingen,
die volgden op de vermoording van Keizer Albrecht door zijn neef,
Johan van Zwaben. Sinds de dagen van Frederik II was geen Duitsche
monarch de Alpen overgetrokken om in Italië de gouden kroon te
ontvangen [416]. Maar Hendrik koesterde hooger idealen. Zijn grootste
eerzucht was het Duitsch-Italiaansche Keizerrijk te herstellen en in
Rome gekroond te worden. De meeste van de Duitsche edelen weigerden
hem te volgen, maar in 1310 verzamelde hij een paar duizend man te
Lausanne, trok den Mont Cenis over en werd met groot gejuich door de
Ghibellijnsche, en zelfs door eenige afvallige Welfsche steden van
Noord-Italië ontvangen; en zijn leger werd aanmerkelijk vermeerderd
door sterke contingenten, die verscheidene machtige edelen hem
zonden. Doch er moesten ernstige moeilijkheden overwonnen worden:
ten eerste de vijandschap van den Koning van Napels, thans Robert van
Calabrië [417]; ten tweede de haat van de oude Welfen, zooals de partij
der Neri (Zwarten) en Donati te Florence, die zoowel de Ghibellijnen
als de afvallige Welfen, en met hen ook Dante [418], had verbannen;
ten derde, hetgeen het voornaamste was, de verontwaardiging van hen,
die hem met zoo groote geestdrift hadden ingehaald, doch bitter
teleurgesteld waren, omdat deze rex pacificus, zooals hij zichzelf
noemde, alle plaatselijke partijen trachtte te vereenigen voor zijn
imperialistisch doel, en de persoonlijke veeten, die de namen Welfsch
en Ghibellijnsch hadden gekregen, niet in aanmerking nam, alsof deze
te onbeteekenend waren en zijn aandacht niet verdienden.