waar hij voortdurend in botsing kwam met de bondgenooten van den
Paus, die nog steeds in zijn preeken tot kruistochten tegen den
geëxcommuniceerden opwekte en zich voor geen middel schaamde de
fanatieken tegen den "ongeloovigen vijand van den Godsdienst" en den
"tweeden Nero" op te stoken, in de hoop, dat hij het "addergebroed"
van de Hohenstaufensche vorsten zou kunnen uitroeien. Bedelmonniken,
die door den Paus met goud waren omgekocht, trachtten de Siciliaansche
edelen over te halen den Keizer te vermoorden [379]. Gelukkig evenwel
werd de samenzwering ontdekt en kort daarna (1247) baande Frederik
zich een weg naar Noord-Italië om met zijn zoon Enzio een veldtocht
tegen de republikeinsche steden te ondernemen. Hier leed hij een
verpletterende nederlaag, want gedurende het beleg van Parma, dat
zich heldhaftig verdedigde, namen de belegerden, toen hij op jacht
was, de gelegenheid waar om een uitval te doen, slaagden er in zijn
legerplaats te verwoesten, doodden duizenden van zijn mannen en maakten
vele gevangenen, zoodat hij in een toestand geraakte, die bijna even
beklagenswaardig was als die, waarin Frederik-Barbarossa na den slag
bij Legnano verkeerde, en met groote moeite zijn strijdkrachten in
Cremona verzamelde om den oorlog weder te beginnen. Maar een tweede
slag trof hem. Zijn zoon Enzio werd door de Bologneezen gevangen
genomen en de ongelukkige jongeling bracht het overige van zijn leven,
bijna 23 jaar, in gevangenschap door. [380]
Zooals ook het geval was met grooten Theoderik, werden de laatste
jaren van Frederik niet alleen door rampen, maar ook door sombere
verdenkingen en wreede, onrechtvaardige daden bewolkt. Het lot van
zijn secretaris en raadsman Pier delle Vigne van Capua, die langen
tijd zijn vertrouwen had genoten, is reeds verteld. Het schijnt,
dat Frederik hem te Cremona liet gevangen nemen en misschien ook
blind liet maken, en dat Pier te Pisa zelfmoord heeft gepleegd. In
hetzelfde jaar trok Frederik, door rampen gebroken, zich naar zijn
geliefd Apulië terug en een paar maanden later (1250) stierf hij, na
een korte ziekte, op een van zijn kasteelen (Castel Fiorentino, dicht
bij Lucera), volgens sommigen omringd door zijn trouwe Saracenen,
volgens anderen (zooals ook Gregorovius gelooft) "gekleed in het
gewaad van een Cisterciënser monnik, nadat zijn oprechte vriend,
de aartsbisschop van Palermo, hem absolutie had gegeven".
Laetentur caeli et exsultet terra, schreef Innocentius, de
Hoogepriester van de Christelijke Kerk, aan het Siciliaansche volk,
toen hij den dood van hun koning vernam en tegenover deze ruwe uiting
kunnen wij de woorden van deze koning stellen, toen hij hoorde, dat
zijn groote tegenstander, Paus Gregorius IX gestorven was: de morte
ejus multa compassione conducimur, et licet digno contra eum odio
moveremur [381].
Het eenige levensdoel van Innocentius schijnt geweest te zijn het
addergebroed van de Hohenstaufen-dynastie uit te roeien. Hij haastte
zich dadelijk van Lyon naar Italië, dat hij sinds zes jaren niet
bezocht had en slingerde banbliksems en preekte kruistochten tegen
den jeugdigen Koenraad, den zoon van Frederik, die thans koning van
Duitschland was. Koenraad kwam naar het zuiden om aanspraak te maken
op zijn rechten; maar hij stierf weldra (1254) en liet een nog zeer
jongen zoon na, Conradino (Konradijn), den laatsten wettigen erfgenaam
van het keizerlijk huis der Hohenstaufen [382].
(4) Manfred en Karel van Anjou.
Een onwettige zoon van Frederik, Manfred, Prins van Taranto, was door
zijn vader's laatsten wil aangewezen als onderkoning van Zuid-Italië
onder de souvereiniteit van zijn half-broeder Koenraad. Na den dood
van Koenraad ondersteunde Manfred, die toen twee en twintig jaar oud
was, eerst zeer oprecht den jongen erfgenaam, Conradino, en verzocht
Innocentius hetzelfde te doen. Maar Innocentius eischte volledige
en openlijke onderwerping aan het pauselijk gezag en Manfred gaf de
voorkeur aan openlijke vijandschap; geholpen door zijn trouwe Saracenen
gelukte het hem de pauselijke huurlingen bij Foggia (in Apulië)
te verslaan. Vijf dagen daarna stierf Paus Innocentius te Napels.
De nieuwe Paus, Alexander IV (1254-61), werd in den beginne zeer
belemmerd in zijn bewegingen door den stand van zaken te Rome,
waar onder leiding van een Bologneezer Podestà, Brancaleone
geheeten, een republikeinsche regeeringsvorm tot stand was gekomen
met volksvergadering en gilden (Arti), zooals in de steden van
Noord-Italië; derhalve werd te Rome een tijdlang de zaak van Manfred,
als tegenstander van het Pausdom, begunstigd. Ondanks herhaalde
pauselijke excommunicaties, waarvoor het Christendom langzamerhand
onrustbarend onverschillig werd, begon de partij van Manfred door
deze omstandigheden zoo machtig te worden, dat hij het beter vond
de teugels der regeering uit de handen van een zwak kind te nemen,
vooral toen hij het (valsche) gerucht van Konradijn's dood vernam;
bovendien waren er in Duitschland pretendenten opgetreden, zooals
Richard van Cornwall en Alfonso van Kastilië; Manfred volgde dus het
voorbeeld van Koning Roger en nam de koningskroon aan in de kathedraal
van Palermo (1258).
Manfred had nu niet slechts den Paus tegen zich en de Welfen, maar
ook de legitimisten onder de Ghibellijnen, d.w.z. zij die de rechten
van Konradijn wilden handhaven. In het zuiden hield hij zich staande
door de hulp van zijn Duitsche troepen en zijn trouwe Saracenen;
doch dit vermeerderde zijn populariteit niet en hij verergerde den
wrok door nieuwe contingenten van Mohammedaansche huurlingen uit
Afrika in te voeren.
Ondertusschen had in het noorden de partij der Ghibellijnen,
die toch altijd--ofschoon de groote veete weleens aanleiding gaf
tot onderlinge oneenigheid--als de partij van het leenstelsel en de
vreemde overheersching tegenover de voorstanders van de republikeinsche
vrijheid stond, een ernstige nederlaag geleden door den ondergang van
Ezzelino. Twintig jaren lang had zijn naam in Noord-Italië schrik en
angst verspreid. Hij heerschte als een despoot, ofschoon hij in naam
leenman van den Keizer was, over alle steden tusschen den Lago di
Garda en de Venetiaansche lagunen. Maar de republikeinsche geest kon
niet gedoofd worden. Met de hulp van de Welfsche gemeenten maakten
de onderdrukte steden zich vrij en Ezzelino werd in de gevangenis
geworpen, waar hij, naar men zeide, zich van kant maakte door de
verbanden van zijn wonden af te trekken (1259) [383]. Aldus kreeg een
tijdlang de volkspartij in het noorden de macht in handen, terwijl
in Toskane de Florentijnsche Welfen er in slaagden de Uberti en hun
Ghibellijnsche aanhangers te verdrijven. Maar deze overwinning was
van korten duur, want, zooals wij later zullen zien, de ballingen
verzamelden een leger en brachten hun tegenstanders bij Montaperti
(dicht bij Siena) een verpletterende nederlaag toe, en Florence
zou geplunderd zijn en met den grond gelijk gemaakt, indien niet de
machtige aanvoerder van de Ghibellijnen, Farinata degli Uberti tusschen
beiden was gekomen. In dezen slag, die, zooals Dante zegt, "de Arbia
rood verfde" [384] door het bloed van de Welfen, onderscheidde zich
in het bijzonder de Duitsche ruiterij van Manfred. Dit bevestigde nu
ook zijn gezag in Midden-Italië en zijn stadhouder, Guido Novello,
bestuurde een tijdlang Florence.
Maar zijn gelukster ging nu tanen. Paus Alexander stierf in 1261 en
de kardinalen kozen, na maanden lang geaarzeld te hebben, den zoon
van een schoenmaker van Troyes, die geklommen was tot de waardigheid
van patriarch van Jeruzalem. De verkiezing van dezen Franschen
Paus, Urbanus IV, had weldra belangrijke gevolgen. Toen hij zag,
dat Hendrik III van Engeland door zijn edelen werd bezig gehouden,
bood hij de kroon van Sicilië, die door Innocentius reeds aan den
jongen Engelschen prins was gegeven, Karel van Anjou, den broeder
van Lodewijk IX (den Heilige) van Frankrijk, aan. En dit aanbod werd,
ongelukkig genoeg, aanvaard.
Karel, Graaf van Anjou en door zijn gemalin ook Graaf van Provence,
had zich met zijn koninklijken broeder bij den zevenden kruistocht
onderscheiden en was onlangs door de Romeinen tot Senator gekozen. Door
zijn eerzuchtigen, vermetelen, gewetenloozen en wreeden aard en zijn
buitengewoon geluk vond hij weldra gelegenheid, zooals wij zullen
zien, om rampen over Italië en Sicilië te brengen. Dit bracht hij
voornamelijk tot stand door de hulp van het Pausdom. Toen de Fransche
Paus was gestorven (1265), werd een Provençaal, een onderdaan en
bewonderaar van Karel, gekozen. Deze Paus, Clemens IV, kon den broeder
van Karel, den Franschen Koning, gemakkelijk overreden, toe te staan,
dat er in Frankrijk een kruistocht gepreekt werd tegen Manfred en
zoo werd er een groot leger geworven door middel van de bijdragen der
vromen en door pauselijke aflaten. Manfred, van zijn kant, verzamelde
te Capua zijn Duitsche en Saraceensche strijdkrachten, die hoonend de
aankomst van den Franschen avonturier afwachten, terwijl een vloot
van Siciliaansche en Pisaansche schepen langs de kusten kruiste om
te verhinderen, dat de indringer een landing zou doen.
Maar de vermetele Karel vertrouwde op zijn geluk. Hij voer met slechts
duizend ruiters van Marseille weg. Zijn armada van zeventig kleine
schepen werd door de winden verstrooid, maar hij verbrak de blokkade
met drie schepen en bereikte in een boot veilig het strand, dicht
bij Ostia. Door zijn Romeinsche vrienden werd hij met geestdrift
ontvangen en hij mocht zijn manschappen legeren in het klooster
van S. Paolo fuori le mura. Twee dagen later kwam de rest van zijn
schepen, daar de storm den vijand had verdreven. Toen hield hij
een plechtigen intocht in Rome (21 Mei, 1265, de maand en het jaar,
waarin Dante werd geboren). Hier moest hij acht maanden wachten op
zijn landleger. Ondertusschen, ofschoon hij door geldgebrek dikwijls
in groote verlegenheid zat, vermaakte hij zich door de rol van Senator
te spelen, de Universiteit van Rome te stichten en liet zich ook tot
Koning van de Beide Siciliën kronen, welke plechtige handeling door
de kardinalen werd verricht [385], daar Paus Clemens het niet gewaagd
had naar Rome te komen, maar nog steeds te Perugia vertoefde.
Indien Manfred in deze omstandigheden het gewaagd had Rome te
overvallen en den Franschen avonturier gevangen te nemen, zou de
geschiedenis van Italië geheel anders zijn dan zij nu is. Maar hij
kon zijn edelen niet vertrouwen, en terwijl hij aarzelde, baande het
landleger van Karel, waarbij zich vierhonderd Florentijnsche ballingen
hadden aangesloten, zich een weg naar Rome. Manfred stelde zich bij
Benevento op en daar viel Karel hem aan. De slag, waarvan de afloop
lang twijfelachtig scheen, werd beslist, toen Manfred's edelen hem in
den steek lieten; daarop wierp hij zich midden in de vijanden en werd
gedood. Onder de duizenden van de gevallenen werd eindelijk zijn lijk
gevonden en de soldaten richtten daar een steenhoop als gedenkteeken
op om hun dapperen vijand te eeren; maar de Aartsbisschop van Cosenza
liet het op bevel van Paus Clemens weghalen en "met uitgedoofde
kaarsen" [386] buiten de grenzen van het koninkrijk brengen, naar de
"oevers van de Verde" (waarmede misschien de Liris wordt bedoeld),
waar het lijk werd neergeworpen ten prooi van den winden, den regen,
de roofvogels en andere dieren [387]. Karel koelde zijn woede ook
aan de jonge vrouw en vier van de kinderen van Manfred, die allen de
rest van hun leven, sommige langer dan dertig jaar, in gevangenschap
moesten doorbrengen. Een ontsnapte en werd later Koningin van Sicilië;
aan haar, zijn bella figlia, la buona Costanza, zendt Manfred van
den Louteringsberg zijn groeten door tusschenkomst van Dante.
De val van Manfred had natuurlijk een krachtige herleving van de
Welfsche heerschappij in de noordelijke steden ten gevolge. Florence
verjoeg de ambtenaren van Manfred en de Welfsche regeeringsvorm werd
op een hechten grondslag gevestigd.
(5) Konradijn en Karel van Anjou.
Het heerschzuchtige en wreede optreden van Karel verwekte al spoedig
wrok en opstand, zoowel in Sicilië, waar hij zich bijzonder gehaat
maakte door ondragelijke afpersingen en zijn plan om Napels in plaats
van Palermo tot hoofdstad van zijn koninkrijk te maken, als ook in het
noorden, waar de Ghibellijnen, aangevoerd door Pisa en Siena, weder
krachtig begonnen te worden en hun blikken richtten naar Duitschland,
want de jonge Duitsche koning, Konradijn, die nu veertien jaar oud
was, scheen neiging te gevoelen zijn krijgskans tegen den Franschen
overweldiger te beproeven.
Het was een vreemde stand van zaken, een goed voorbeeld van de
ingewikkeldheid der Italiaansche geschiedenis. Hier zien wij, hoe de
helft van de bewoners van Italië zich tot een Duitschen jongeling richt
om hen te helpen, daar zij zuchten onder de zweep van den Franschen
tyran, die hun is opgedrongen door den Paus, den hoogsten beschermer
van hun zedelijke en geestelijke welvaart; wij zien, hoe de Paus dezen
vreemden overweldiger aanhitst en tegelijkertijd krachtig de zaak
van de republikeinsche vrijheid begunstigt, om zich bondgenooten te
verschaffen tegen het "addergebroed" van Duitsche vorsten; wij zien,
dat sommige van de zoogenaamde republieken de zaak van de vrijheid
ontrouw worden alleen om zich te wreken op politieke mededingers,
een verbond sluiten met het Pausdom en op verzoek van den Paus zich
verlagen om Karel van Anjou als heer en meester te erkennen, ja zelfs
hem tot Podestà kiezen, zooals Florence deed, tot haar eeuwige schande.
In het jaar 1267 trok de jonge, dappere Konradijn de Alpen over. Hij
werd te Pavia en Pisa en in de andere Ghibellijnsche steden met
geestdrift ontvangen. De zwakke banbliksem, die door den Paus uit
Viterbo geslingerd werd, had geen uitwerking en in het midden van den
zomer 1268 was de jonge koning te Rome, waar hij, op het Capitool door
de wispelturige menigte tot Keizer werd uitgeroepen. Daar hij er zeer
naar verlangde zijn vijand te ontmoeten, trok hij, misschien wat al te
vroeg, met zijn troepen uit. Hij vond Karel niet ver van Tagliacozza,
in de nabijheid van den Lago di Fucino. In den beginne was het geluk
hem gunstig; maar zijn troepen sloegen aan het plunderen en werden
toen plotseling aangevallen en verslagen door een sterke reserve van
ruiterij onder aanvoering van Karel zelf en Valéry, connétable van
Champagne. Konradijn ontsnapte met vijfhonderd ruiters en bereikte
Rome; doch daar ontving men hem aarzelend en hij besloot met een
klein aantal getrouwen te vluchten. Zij trokken naar het zuiden,
naar de Pontijnsche moerassen, zooals eenmaal Caius Marius en Cicero
hadden gedaan. Te Astura, dat toen een klein visschersdorp was,
vond hij een schip en ging aan boord, in de hoop Pisa te zullen
bereiken, maar de eigenaar van het nabijzijnde kasteel [388], een
van de Frangipani, maakte jacht op hem, nam hem gevangen en gaf hem
aan zijn vervolgers over.
Karel had de meeste van zijn aanzienlijke gevangenen laten
afmaken; velen liet hij de handen en voeten afhakken, maar toen
dit te omslachtig en onaangenaam was, liet hij de overigen in
een houten gebouw opsluiten en dit in brand steken. Hij vond het
evenwel verstandig Konradijn voor een schijn-rechtbank te laten
veroordeelen. Van de rechters, die door Karel waren benoemd om het
vonnis, dat hij wenschte, uit te spreken, gaf slechts éen zijn stem
daarvoor; éen waagde, evenals Socrates, zijn leven door er tegen te
stemmen; de overigen zwegen. Toen sprak Karel, die dit zwijgen als
instemming opvatte, het doodvonnis over den jongen koning en twaalf
van zijn strijdmakkers uit. Konradijn ontving dit bericht, terwijl
hij met zijn bloedverwant en medeslachtoffer, Hertog Frederik van
Baden, een partij schaak speelde. Op den 29en October 1268 vond de
droevige terechtstelling plaats te Napels, op de Piazza del Mercato,
die toen uitzicht had op de zee [389]. Konradijn, die slechts zestien
jaar oud was, toonde, naar men vertelt, geen vrees, maar omarmde
zijn makkers en den beul, legde zijn hoofd op het blok en riep uit:
"O, mijn moeder, welk een verdriet heb ik u berokkend!"
(6) Karel van Anjou en de Siciliaansche Vesper.
Een maand later stierf Paus Clemens, die het niet meer gewaagd had
naar Rome terug te keeren, te Viterbo. Hij had, naar aanleiding van de
bloedige en ruwe daad van Karel, op geenerlei wijze zijn afgrijzen te
kennen gegeven. Integendeel, hij juichte over de verdelging van het
gehate "addergebroed" van de Hohenstaufen. Maar het begon hem zonder
twijfel wel duidelijk te worden, dat Karel zijn meester was, dat hij
een boozen geest had opgeroepen, dien hij niet kon bezweren. En dat
Karel de macht volkomen in handen had, blijkt wel uit het feit, dat
ongeveer drie jaren lang geen Paus werd gekozen, daar de Kardinalen
verlamd waren door de onbeschaamdheid van de Fransche prelaten en
beambten. En hij was ook niet tevreden met de heerschappij over de
Beide Siciliën, Rome en het grootste deel van Italië. Hij droomde van
een veel grooter rijk. Nadat hij zijn broeder, Lodewijk den Heilige,
had overreed een kruistocht te ondernemen tegen Tunis (waar Lodewijk
aan de pest stierf) trachtte hij zijn heerschappij in diens gebied te
vestigen en uit te te breiden. Daarna richtte hij zijn blikken naar
het oosten en verloofde zijn dochter met den zoon en erfgenaam van den
verbannen Latijnschen Keizer van Byzantium, Boudewijn van Courtenay,
die hem de provincie Thessalonica aanbood, wanneer hij den troon
weder zou hebben bestegen; op die wijze hoopte Karel een dynastie te
grondvesten, die over het vereenigde Keizerrijk van het Oosten en het
Westen zou heerschen. Maar Boudewijn, die door Michael Palaeologus werd
verdreven, bracht de rest van zijn leven door met hulp te vragen aan de
vorsten van Europa en aldus werd de hoop van Karel de bodem ingeslagen.
In 1271 eindelijk waagden de kardinalen het te Viterbo bijeen te
komen om een Paus te kiezen; maar de Fransche prelaten trachtten dit
voortdurend te verhinderen, totdat ten slotte het volk van Viterbo het
dak van het gebouw, waarin de kardinalen waren opgesloten afbrak, om
hun beslissing te bespoedigen. Terwijl dit alles gebeurde, verscheen
Karel, die juist van Tunis was teruggekeerd, op het tooneel. Ook Guy
de Montfort die nu zijn stadhouder in Toskane was, kwam met hem. Hij
was de kleinzoon van den verschrikkelijken Simon de Montfort, die
de Albigenzen heeft uitgeroeid. Zijn vader, Earl Simon of Leicester
was gedood (1265) in den slag van Evesham en zijn lijk was smadelijk
behandeld.
Met Karel was uit Tunis gekomen een Engelschen prins, een verwant van
Guy, Hendrik van Cornwall, die een neef van Hendrik III van Engeland,
den verbitterden vijand van de Montforts was. De aanblik van dien
jeugdigen Hendrik maakte Guy de Montfort zoo razend van woede,
dat hij hem gedurende de mis, in tegenwoordigheid van Karel en de
kardinalen, bij het hoogaltaar doodde en hem bij zijn haren uit
de kerk sleurde. Guy vluchtte; doch Karel nam geen maatregelen om
zijn stadhouder voor deze afschuwelijke daad te straffen, een feit,
dat een somber licht werpt op zijn schrikbewind. Maar Dante heeft
den moordenaar gestraft en in het diepste gedeelte van de Rivier
van Bloed geplaatst [390]. Waarom hij Karel van Anjou niet tot een
soortgelijke straf heeft veroordeeld, maar hem een aangename plaats in
het Antipurgatorium heeft aangewezen [391], is moeilijk te begrijpen,
maar moet waarschijnlijk worden toegeschreven aan het feit, dat de
dichter een warme vriendschap gevoelde voor zijn kleinzoon, Karel
Martel [392].
De kardinalen kozen eindelijk, blijkbaar als protest tegen dezen moord
en tegen Karel en zijn Fransche ambtenaren, een Italiaanschen diaken,
die in Palestina in dienst was van Prins Eduard van Engeland. Deze
Gregorius X toonde zich, dadelijk nadat hij te Brindisi geland was,
een verstandigen, maar beslisten tegenstander van Karel, en toen in
October 1273 Rudolf van Habsburg tot Duitsch Koning of liever Duitsch
Keizer [393] was gekozen, hechtte hij aan die verkiezing zijn volkomen
goedkeuring, een daad, die natuurlijk den toorn van Karel opwekte,
want de nieuwe Duitsche Keizer begon weldra den Duitschen invloed in
Noord-Italië en in Toskane te herstellen. Bovendien deed Gregorius,
in tegenstelling met de politiek van bloedige onderdrukking, die Karel
uitoefende, moeite de partijen met elkander te verzoenen. Hij slaagde
hierin tot op zekere hoogte te Bologna en Milaan, maar zijn pogingen
leden schipbreuk te Florence, waar de Welfsche partij de overhand
had gekregen, doch waar de belangen van de Welfen of republikeinen
geenszins dezelfde waren als die van den Paus [394]. Gregorius
stelde zich ook tegenover Karel van Anjou door Michael Palaeologus te
begunstigen en bovendien weigerde hij den verbannen Keizer Boudewijn
te ontvangen; toen hij nu in 1275 er werkelijk toe overging met Rudolf
een samenkomst te houden te Lausanne, waarbij hij beloofde hem tot
Keizer te kronen, moest er wel een openlijke vijandschap uitbreken.
Maar in het begin van 1276 stierf Gregorius X te Arezzo, waar in
den Duomo zijn graftombe is. Gedurende de volgende achttien maanden
verschenen er drie Pausen op het tooneel en verdwenen wederom. Daarna
werd, na verloop van zes maanden, Nicolaas III, uit het geslacht der
Orsini, tot Paus gekozen [395]. Men vertelde, dat hij zijn nicht met
Karel wilde laten trouwen, en dat hij, toen dit voorstel smadelijk
werd afgewezen, niet alleen Gregorius' anti-Fransche politiek heeft
voortgezet, maar ook den opstand heeft aangestookt, die eindigde met
den Siciliaanschen Vesper.
In het noorden van Italië nam de invloed van Rudolf en de
Ghibellijnsche edelen snel toe. In Milaan kregen de Visconti de
overhand; in Verona de Scaligeri; bijna overal werd de haat tegen Karel
en de Franschen heviger, behalve in Florence, waar de handel van de
Arti (gilden) door zijn politiek begunstigd werd. De storm kwam met
vaart opzetten; maar het was uit het zuiden, dat de noodlottige vlaag
zou komen.
Voordat Konradijn zijn hoofd op het blok legde, wierp hij, naar
men vertelt, zijn handschoen onder de menigte. Deze handschoen
werd gebracht aan Pedro van Arragon, een Spaanschen prins, die
met de dochter van Manfred, Constantia, gehuwd was en later (1276)
Koning van Arragon en Catalonië werd; hij had Valencia en Majorca
reeds op de Mooren veroverd en zich aldus een vrijen toegang tot
Sicilië verschaft. Aangespoord door zijn gemalin, gaf hij gehoor
aan de smeekbeden der Sicilianen, die tot wanhoop waren gedreven
door de tyrannie van Karel en zijn Fransche ambtenaren en aan de
raadgevingen van Giovanni da Procida, een geleerden geneeskundige,
die na den slag bij Tagliacozzo naar Spanje was gevlucht en reeds
tien jaar lang Pedro had aangezet om zijn rechten op de kroon van
de Beide Siciliën, als erfgenaam van Manfred, te laten gelden. En nu
wachtte Pedro op het gunstige oogenblik, dat weldra kwam.
Toen Paus Nicolaas in 1280 gestorven was, kwamen de kardinalen
wederom te Viterbo bijeen en ook Karel begaf zich daarheen, omdat
hij vast besloten was ditmaal een geschikten Paus te laten kiezen;
de Franschman, die gekozen werd, Martinus IV, keurde alles, wat
Karel wenschte, goed en steunde zijn despotisch bestuur krachtig,
totdat hij, een paar jaren later, overleed aan het overmatig gebruik
van Bolsena-paling en Vernaccia-wijn, zooals Dante verhaalt [396],
die hem op den Louteringsberg ontmoet, waar hij boete doet voor
zijn gulzigheid.
Het gebeurde op den Dinsdag na Paschen in 1282, toen Karel juist,
vertrouwend op zijn pauselijken bondgenoot, weder plannen maakte
om het Keizerrijk in het Oosten te veroveren, dat een beleediging,
die een Fransche soldaat een Siciliaansche bruid had aangedaan, een
verschrikkelijke uitbarsting ten gevolge had. Geheel Palermo stond op,
schreeuwde "sterf, sterf", zooals Dante zegt, en bijna alle Franschen
op Sicilië werden vermoord [397].
(7) Van den Siciliaanschen Vesper tot den vrede van Caltabellotta.
De geschiedenis van Italië gedurende dit tijdperk (1282-1302)
wordt beheerscht en verduisterd door de verwarring van den langen
en hardnekkigen strijd tusschen de Fransche vorsten van Anjou en de
Spaansche vorsten van Arragon over het bezit van Sicilië. Ofschoon zij
natuurlijk voor de toekomst van Italië van groot belang was, staat
deze worsteling tusschen de vreemde overweldigers niet rechtstreeks
in verband met de geschiedenis van dit land. Derhalve zal hier slechts
een kort verslag van dezen strijd gegeven worden en zullen wij daarna
overgaan tot de bespreking der toestanden in Rome en andere steden
gedurende het Pontificaat van den vorst der nieuwe Farizeeërs, zooals
Dante Paus Bonifacius VIII noemt [398].