De Paus, die aldus in naam regent over de "Beide Siciliën" werd

(want dit was het eenige rijk, waarop Constantia, als erfgenaam van

de Koningen der Noormannen, aanspraak kon maken) was Innocentius III,

de zoon van een Lombardischen Graaf van Segni en van een Romeinsche

moeder. Op den leeftijd van zeven en dertig jaar besteeg hij den

pauselijken troon, ongeveer drie maanden na den dood van Hendrik

VI. Hij was van alle pausen misschien de bekwaamste, zeer zeker de

eerzuchtigste en door een geweldige begeerte tot heerschen bezield;

en ten slotte slaagde hij erin een tijdlang zijn droom van een

pauselijk rijk verwerkelijkt te zien en alle monarchen [366] van

Europa aan zich te onderwerpen, terwijl hij hun koninkrijken tot

leengoederen van het Pausdom maakte. "Zulk een schouwspel", zegt

een schrijver uit den tegenwoordigen tijd, "had men sinds Karel

den Groote niet meer gezien; en men zou het niet wederzien voor de

komst van Napoleon". En zijn veroveringen bepaalden zich niet tot de

koninkrijken van het Westen; ook over het Oosten was hij leenheer;

want toen (1202-1204) Constantinopel werd veroverd en op schandelijke

wijze [367] door Fransche, zoogenaamde Kruisvaarders en de Venetianen

werd geplunderd, bekende hij eerst wel, dat dit feit ook op hem een

smet wierp, maar weldra troostte hij zich er mede, dat de Paus te

Rome door de nieuwe Latijnsche dynastie der Byzantijnsche Keizers

erkend werd; de eerste Keizer aanvaardde het keizerlijk purper uit

de handen van den gezant van Innocentius en de derde werd gekroond en

ingehuldigd in de St. Pieter te Rome door den opvolger van Innocentius,

Honorius. Inderdaad was geen ijdele bluf gelegen in de woorden, die

aan Innocentius worden toegeschreven, dat een Keizer slechts een maan

was, die haar licht ontleende aan de zon van het Pausdom [368].

Een andere overwinning van Innocentius werd door een nog schandelijker

kruistocht behaald en door middelen, die nog afschuwelijker waren dan

de plundering van Constantinopel. De geschiedenis van de uitroeiing der

Albigenzen en de verwoesting van een groot gedeelte van Zuid-Frankrijk

zou te veel ruimte innemen, indien het uitvoerig verteld werd; het

staat echter niet in rechtstreeksch verband met ons onderwerp en de

korte opmerkingen, die hierover gemaakt kunnen worden, zullen in een

later hoofdstuk volgen, zoodat die hier het verhaal niet behoeven

te onderbreken.

In één opzicht echter faalden de plannen van Innocentius. Niet alleen

Rome, waar, zooals gewoonlijk, tusschen het volk en den adel twisten

heerschten, maar ook vele steden van Noord- en Midden-Italië waren,

sommige meer andere minder openlijk, in opstand tegen het Duitsche

gezag. Innocentius wakkerde deze ontevredenheid aan, daar hij hoopte

bij die steden zelf de plaats van den Keizer te zullen innemen. Doch

hierin bedroog hij zich. Al mochten ook keizers en koningen hun kronen

uit de handen van den opvolger van den H. Petrus ontvangen, steden,

die zoo hevig gestreden hadden om hun rechten te verwerven, waren niet

van plan hun dienstbaarheid aan een Duitschen Keizer te verwisselen

met de onderdanigheid aan den Paus te Rome. De bond der Welfen, die in

1197 door de steden van Toskane gesloten werd, weigerde het werktuig

te worden van een eerzuchtigen priester, hoezeer hij hun ook mocht

verzekeren, dat zij denzelfden vijand, den Duitschen Keizer, haatten.

En de republieken hadden redenen genoeg om Innocentius te wantrouwen,

zooals weldra bleek, toen de toestanden in Duitschland zoodanig waren

geworden, dat hij het noodig vond zijn haat tegen de Duitschers te

verbergen. De oude twisten tusschen de Welfen en Waiblingen (zie

p. 323) waren wederom ontbrand en twee mededingers waren gekroond

(de een te Aken, de ander te Mainz), Otto van Brunswijk, een zoon van

den oproerigen Hendrik den Leeuw en neef van Richard Leeuwenhart, en

Philips, zoon van Barbarossa en broeder van den overleden Keizer. Tien

jaren lang werd het land door den burgeroorlog geteisterd. Ten slotte

werd Philips vermoord en Otto alleen als Keizer door de keurvorsten

te Frankfurt uitgeroepen; deze trachtte de gunst van Innocentius te

winnen door hem de souvereiniteit te beloven over het gebied (de

nalatenschap) van Mathilde en andere streken in Noord-Italië. De

poging gelukte en in 1208 werd Otto door den Paus te Rome gekroond

[369]. Maar de bevolking van Rome, die den Paus reeds lang wegens

zijn heerschzuchtige plannen vijandig gezind was, werd door dit

huichelachtig optreden en door het feit, dat hij aan een vreemden

vorst zonder hun toestemming de keizerlijke waardigheid had opgedragen,

nog meer op hem verbitterd. Er ontstonden ernstige onlusten, toen Otto

van het Vatikaan den Tiber trachtte over te trekken en een duizendtal

van zijn Duitschers werden gedood. Woedend marcheerde hij noordwaarts,

bezette wederom het gebied van Mathilde, en stelde in de steden, die

hij beloofd had aan het Pausdom af te staan, zijn Podestà aan. Doch dit

was niet voldoende om zijn toorn tot bedaren te brengen. Hij kwam met

een groote legermacht terug en viel het land van de Kerk en het rijk

van Frederik aan. Daarop (1210) sprak Innocentius den banvloek over

hem uit, en gelijk zoo dikwijls het geval was geweest, had de daad

van den heerzuchtigen priester een merkwaardig gevolg. De banbliksem

scheen de macht van Otto te vernietigen. Hij week naar Duitschland

terug en weldra werd hij, nadat hij bij Bouvines een verpletterende

nederlaag had geleden tegen Philips II August van Frankrijk, door

zijn edelen onttroond [370].

(3) Frederik II.

Reeds twee jaren, voordat deze slag geleverd werd, hadden de Duitsche

edelen Frederik uitgenoodigd de Alpen over te steken. Dit deed hij,

en in 1215 werd hij te Aken als Koning gekroond. Als kind was hij,

eveneens te Aken tot "Koning der Romeinen" uitgeroepen en thans werd

deze titel, waardoor hij tevens als Keizer werd aangewezen, plechtig

bevestigd door een groot Concilie, dat in het Lateraan gehouden werd

en waarbij meer dan 1500 prelaten en vele edelen aanwezig waren. Maar

ofschoon aldus erkend werd, dat hij Otto in diens waardigheden was

opgevolgd, werd hij toch door Innocentius niet uitgenoodigd om als

Keizer gekroond te worden. De sluwe en eerzuchtige Paus achtte het

blijkbaar veiliger om deze plechtigheid nog uit te stellen, misschien

wegens het feit, dat Otto nog in leven was.

Op zijn tocht van Palermo naar Duitschland had Frederik Rome bezocht

en Paus Innocentius, dien hij toen voor het eerst ontmoette. De

edele en impulsieve jongeling, niet ouder dan achttien jaar, schijnt

zeer vriendelijk jegens zijn vroegeren voogd geweest te zijn en

gaf blijk van zijn innige dankbaarheid, daar hij de rechten van den

Paus op het gebied, waar de Kerk aanspraak op maakte, bevestigde,

en hem verzekerde een kruistocht te zullen ondernemen en ook zelfs

beloofde zijn zuidelijke koninkrijken af te staan als een leen van

het Pausdom onder het bestuur van zijn jongen zoon Hendrik, zoodra

hij de keizerskroon zou ontvangen. Doch gelukkig is deze laatste

belofte nooit vervuld. Reeds voor den dood van Innocentius, die in

1216 plaats vond, had Frederik berouw van zijn belofte en herriep die,

en weldra zou hij zich een even heftigen tegenstander van het Pausdom

toonen als Otto was geweest. En Frederik was niet de eenige, die zoo

snel van front veranderde. Een algemeene beweging was begonnen, die

bestemd was ten slotte het geheele gebouw der wereldlijke macht van het

Pausdom omver te werpen en het eerst zou Innocentius' geweldige Toren

van Babel plotseling ineen storten, daar deze slechts gegrondvest

was op den bijgeloovigen eerbied voor een verouderde instelling,

die haar grootheid reeds lang verloren had.

Hoe de Kerk een tijdlang een deel van hare vroegere zedelijke hoogte

en haar zedelijken invloed herwon, niet door toedoen van de Pausen en

kardinalen, maar omdat in nederiger harten het gevoel van Christelijke

liefde en verachting der wereldsche dingen weder opleefde, zooals

St. Franciscus het door zijn daden bewees en St. Dominicus dit preekte,

zullen wij weldra zien.

In 1220 besloot Frederik zijn zuidelijke gewesten weder te bezoeken, en

liet in Duitschland als "onderkoning" zijn zoon Hendrik achter, die nu

een jongen van tien jaren was en dien hij te Frankfurt tot Koning der

Romeinen had laten kiezen. Daarna hield hij zich gedurende dertig jaren

bijna uitsluitend bezig met Sicilië en Italië. In Noord-Italië bestond

zijn gezag voornamelijk slechts in naam, want vele van de steden,

die door den Welfschen bond en den buitengewonen groei van den handel

steeds machtiger waren geworden, genoten volkomen vrijheid, behalve

wanneer zij zoo nu en dan bang werden gemaakt door de aanwezigheid

van keizerlijke troepen. Bovendien had zijn Noord-Italiaansch

gebied weinig bekoring voor hem; het was vooral het zuiden, in het

bijzonder Sicilië en Apulië, dat hij als zijn vaderland en zijn

eigenlijk koninkrijk beschouwde. En hij had ook nog andere redenen

om terug te keeren. Tijdens zijn afwezigheid in het noorden hadden er

onlusten plaats gehad op Sicilië. Zijn Mohammedaansche soldaten waren

aanmatigend opgetreden en de Christenen waren verontwaardigd. Hij vond

het noodzakelijk de orde te herstellen en bracht dit op krachtdadige

wijze tot stand door al zijn Saraceensche troepen van Sicilië te

verwijderen en hun dicht bij Pompei een woonplaats aan te wijzen,

welke plaats sinds dien tijd bekend was als Nocera dei Pagani en voor

hem een onschatbaar steunpunt werd.

Innocentius was in 1208 opgevolgd door Honorius III, die Frederik

in den beginne vijandig gezind was; maar toen deze te Rome kwam,

haalde hij dien zachtaardigen Paus door rijkelijke concessies

en beloften van kruistochten en andere middelen over om hem als

Keizer te kronen, een plechtigheid, waartoe hij des te gemakkelijker

besloot, omdat de onttroonde Otto onlangs was gestorven. De kroning

van Frederik en zijn koningin, Constantia van Arragon vond in 1220

plaats. Twee jaren later--het jaar van de geweldige aardbeving, die

op Kerstdag den dood van vele duizenden in Noord-Italië ten gevolge

had--stierf de gemalin van Frederik en de Paus, die steeds een heftig

voorstander van kruistochten was, overreedde hem toen Jolanthe de

Brienne, de zuster van den Franschen patriarch van Jeruzalem, Jean

de Brienne (den lateren Keizer van het Oosten), te trouwen. Toch

toonde Frederik geen grooten lust om zijn belofte gestand te doen en

zich als kruisvaarder te onderscheiden. Ofschoon hij later als een

vurige en wreede vervolger van ketters optrad, was hij niet alleen

verdraagzaam jegens ongeloovigen, maar bewonderde hen zelfs; inderdaad

was hij waarschijnlijk, om geen sterker uitdrukking te gebruiken,

een even goed Muzelman als Christen. Zoo gingen de jaren voorbij;

Honorius stierf in 1226 en de belofte bleef nog steeds onvervuld. Maar

de volgende Paus, Gregorius IX, ofschoon meer dan tachtig jaar oud,

drong zoo krachtig bij Frederik aan, dat hij genoodzaakt was toe te

geven, een groot leger van Kruisvaarders, voornamelijk Duitschers,

verzamelde, en van Brindisi wegzeilde. Een hevige epidemie brak evenwel

onder zijn volgelingen uit, die verschrikkelijk te lijden hadden van

de Apulische hondsdagen en hij gaf haastig bevel, dat de vloot den

steven zou wenden en liet de bemanning te Otranto aan wal zetten.

Hierop sprak de heftige, oude Paus den banvloek over hem uit en

kondigde een Encycliek af, waarin hij hem als verrader en lafaard

brandmerkte. Maar de jonge Keizer, niet minder heftig van aard,

beantwoordde dezen zendbrief met een moed en oprechtheid, die, zooals

Villari zegt, Luther zelf tot eer zouden gestrekt hebben. Zijn beroemd

Manifest was het eerste, werkelijk belangrijk en plechtig protest

van de hoogste civiele macht tegen de aanmatigende overheersching

van de Kerk en den Paus, waarvoor Innocentius met zulk een gunstig

gevolg had gewerkt. "Het was gericht tot alle Vorsten en Volkeren

van het Keizerrijk en herinnerde hen aan het lot van den ongelukkigen

Raimond, Graaf van Toulouse, en Koning Jan van Engeland (Jan zonder

Land), terwijl het bovendien zonder eenig medelijden een levendige

beschrijving gaf van het zedelijk verval der Kerk en de wereldlijke

eerzucht der Pausen. De Keizer van het Christendom verklaarde

sympathie te gevoelen voor de zienswijze der ketters ten opzichte

van de onchristelijke neigingen van het Pausdom." (Gregorovius). Het

Manifest werd in het openbaar op het Kapitool te Rome voorgelezen

onder groote geestdrift van een menigte toehoorders. Er ontstond een

oploop en Gregorovius vluchtte naar Viterbo en daarna naar Perugia,

vanwaar hij banbliksems tegen zijn tegenstanders slingerde.

Men zou er zich over kunnen verwonderen, wanneer men hoort, dat

Frederik onder dergelijke omstandigheden uit eigen beweging besloot

een kruistocht te ondernemen, ditmaal in vollen ernst, doch na eenig

nadenken zal men inzien, dat dit een meesterlijke zet van hem was. Hij

wenschte de wereld te laten zien, dat Keizers en Kruisvaarders zich

niet bekommerden om krachtelooze banbliksems en hij wilde bewijzen,

dat de Paus zijn eigen kleinzielige wraak hooger stelde dan de

bevrijding van het Heilige Graf. Terwijl de banvloek nog steeds op hem

rustte en de geestelijken hem brandmerkten als een "zeeroover, geen

Kruisvaarder", bereikte hij Jeruzalem. Daar geen priester die plechtige

handeling durfde verrichten, hief hij met eigen hand de kroon van het

altaar van het Heilige Graf op en zette die op zijn hoofd, een daad,

die door de tegenstelling ons herinnert aan dien gran capitano van

den eersten kruistocht, die weigerde gekroond te worden in de stad,

waar de Koning der Koningen een doornenkroon had gedragen [371].

Ondertusschen had in Italië Paus Gregorius, die nog steeds te

Perugia in ballingschap was, een Heiligen Oorlog afgekondigd tegen

den afwezigen en geëxcommuniceerden Keizer en toen Frederik in

Apulië landde (1229), stootten zijn Kruisvaarders, waaronder vele

Muzelmannen waren, op een bonte menigte, die zich geschaard had onder

de banier van het Pausdom. Maar de Saraceensche soldaten van het Kruis

joegen de pauselijke huurlingen op de vlucht en de Paus sloot gaarne

vrede en was zoo genadig den banvloek over den Keizer op te heffen

[372]. Daarna richtte hij zich met zijn troepen tegen een nederiger,

doch niet minder gevaarlijken vijand--de Patarini en andere ketters,

die sinds korten tijd hun verderfelijke leerstellingen in Noord-Italië

en elders met grooten ijver verspreidden; en wij vernemen, hetgeen

bevreemding wekt, dat Frederik zijn hulp verleende bij die ellendige

vervolgingen. Gregorius IX kan aanspraak maken op de eer (die weinigen

hem zullen benijden), dat hij het eerst de gevreesde rechtbank van

de Inquisitie te Rome heeft ingevoerd en vele veroordeelde ketters

heeft laten verbranden, waarschijnlijk op de piazza van de S. Maria

Maggiore, om een Romeinschen feestdag te maken. In het voorbijgaan

kunnen wij wijzen op het vreemde feit, dat het gepeupel te Rome, dat

om staatkundige redenen zoo dikwijls Pausen verjoeg en terugriep,

blijkbaar ten opzichte van zulke onmenschelijke daden, die in naam

van den godsdienst werden bedreven, het steeds met de Pausen eens

was. Maar toen het wispelturige gepeupel zijn oogen aan dergelijke

autos-de-fé verzadigd had, keerde het zich plotseling tegen zijn

weldoener en verjoeg hem weder uit Rome.

De jaren 1230-35 waren van groot gewicht voor Rome. Tweemaal deed het

een wanhopige poging om zich van den Ouden Man van het Pauselijk Hof

te bevrijden; doch bij elk van deze gelegenheden luisterde Frederik,

die zich liet leiden door staatkundige beweegredenen, vooral door de

verraderlijke kuiperijen van zijn zoon, naar de wanhopige smeekbeden

van den verbannen Paus, die nu de Christenen opriep om een Heiligen

Oorlog tegen de Romeinen te ondernemen, zooals hij kort te voren

een kruistocht had afgekondigd tegen Frederik zelf. Wanneer Rome in

deze omstandigheden zich onafhankelijk had gemaakt en zich aan het

hoofd van een Romeinschen Bond had geplaatst, dan zouden de latere

lotgevallen van Italië geheel anders zijn geweest, dan zij zich nu

ontwikkeld hebben; of het ten voordeele van Italië of van de menschheid

zou geweest zijn, is moeilijk te zeggen. Maar ondanks de heldhaftige

inspanning van de Romeinen eindigde de worsteling ten gunste van het

Pausdom. Het leger van Romeinsche burgers volgde onder aanvoering

van hun Senatoren de rood-en-gouden banier, waarop het trotsche

S. P. Q. R. van de oude republiek stond en zij plunderden de steden van

Toskane en Latium, die de voortvluchtige Paus trachtte te versterken en

te vereenigen tot een anti-Romeinsche Confederatie. Daarna stonden zij,

door bemiddeling van Frederik, Gregorius toe terug te keeren. Maar

weldra hadden zij er berouw van, of, om de symbolische uitdrukking

van een ouden paus-gezinden kroniekschrijver te gebruiken, zeven

booze duivels drongen bij hen binnen, en tot razernij gebracht door de

gedachte aan de vrije republieken in het noorden en hun eigen slaverij,

stonden zij wederom op en eischten onafhankelijkheid. Hun senator Lucas

Sorelli liet afkondigen dat Beneden-Toskane en de Campagna gebied

was van de Romeinsche Republiek. Toen vluchtte Gregorius en sprak

over Rome het interdict uit. Om zich hierover te wreken plunderden

de Romeinen het Lateraan. Ten slotte kwamen op zijn luid geroep om

hulp van heinde en verre troepen om den Paus te helpen en Frederik

stond hem ook weder bij. Een hevig gevecht werd dicht bij Viterbo

geleverd. De Romeinen werden verslagen en naar hun stad gedreven;

en weldra waren zij genoodzaakt hun hoop op vrijheid op te geven

en zich aan den Paus te onderwerpen [373], op voorwaarde, dat zij

gemeentelijke autonomie zouden genieten, maar dat aan den anderen

kant de geestelijken vrij zouden zijn van belastingen en niet onder

de burgerlijke wet zouden staan.

De zoon van Frederik, Hendrik, die sinds het jaar 1220 was opgetreden

als onderkoning in Duitschland, verwekte nu een opstand, stelde

zich in verbinding met de Lombardische steden en den Paus, en liet

zich tot Koning uitroepen. Nadat Frederik de pogingen van zijn zoon

had verijdeld door den Paus hulp te zenden, haastte hij zich over de

Alpen; het gelukte hem den opstandeling te overweldigen en gevangen

te nemen; daarna (1235) werd Hendrik naar Apulië gestuurd, waar hij

het overige van zijn leven in de gevangenis doorbracht, een lot, dat,

zooals wij zullen zien, ook een ander van Frederik's zonen trof.

In plaats van Hendrik koos Frederik als onderkoning van Duitschland

zijn tweeden zoon, Koenraad. Daarna richtte hij zijn aandacht op de

Welfsche Lombardische steden, die een groote welvaart hadden bereikt

en daardoor onafhankelijker en oproeriger waren geworden, zoodat zij

zelfs de passen over de Alpen hadden bezet en in voortdurenden strijd

waren met de steden, die de zaak van den Keizer begunstigden. Het

gezag van den Keizer had evenwel onlangs grooten steun gekregen

door toedoen van den zoon van een monnik, den "Zoon van den Duivel"

zooals men hem algemeen noemde, den "zwart-harigen Ezzelino" [374],

dien Ariosto een kind van de hel heeft genoemd en die met Alexander

en Dionysius door Dante in de rivier van kokend bloed, de Phlegethon,

wordt geplaatst. Ezzelino had zich reeds van verscheidene steden

meester gemaakt; toen Frederik kwam en Vincenza innam, werd deze stad

aan dien condottiere overgegeven; kort daarna nam hij Padua en Mantua

en werd aldus tyran of onderkoning van een aanzienlijk gebied. Milaan

stond aan het hoofd van den opstand der Welfsche steden, maar bij

Cortenova leden zij een nederlaag even zwaar als die bij Legnano en

Frederik trok Cremona zegevierend binnen, terwijl hij den Milaneeschen

Carroccio met zich voerde, die door een witten olifant werd getrokken;

aan den mast van den wagen was de Podestà van Milaan, Tiepolo, de zoon

van den Doge van Venetië, gebonden. Gebroken overblijfselen van den

Carroccio zond Frederik naar Rome om daar ten toon te worden gesteld

en op het Kapitool te worden bewaard.

Dit alles was voor Paus Gregorius in hooge mate onaangenaam. Hij riep

een Concilie in het Lateraan bijeen en sprak den banvloek over den

Keizer uit. Het antwoord hierop werd gestuurd door Pier delle Vigne,

den trouwen secretaris van den Keizer, die, zooals Dante zegt, de beide

sleutels van Frederik's hart bewaarde [375]. Frederik stelde voor

zich te onderwerpen aan de uitspraak van een algemeen Concilie. De

Paus schreef een Concilie uit, maar dit zou alleen uit geestelijken

bestaan en te Rome gehouden worden. Dit was volstrekt niet hetgeen

Frederik bedoelde en toen in 1241 een menigte, een bende, turba, zooals

Frederik hen noemde, kardinalen en bisschoppen en andere geestelijken

zich te Genua naar Rome inscheepten, besloot men, dat Pisaansche en

keizerlijke schepen hen zouden aanvallen. Deze vreemde ontmoeting

ter zee vond plaats dicht bij het eiland Monte Cristo. Het convooi

van Genueesche galeien werd verslagen en de gevangen geestelijken

werden in triomf naar Napels gevoerd.

Ondertusschen was Frederik naar het zuiden gemarcheerd en maakte het

plan Rome aan te vallen, toen in zijn legerplaats bij Grottaferrata

(dicht bij het Albaansche meer) het bericht kwam, dat zijn oude

tegenstander, Paus Gregorius, die bijna zijn honderdste jaar had

bereikt [376], gestorven was. Vele geestelijken waren nog in de macht

van Frederik en de Tien Kardinalen, die in Rome waren, werden twee

maanden lang streng gevangen gehouden door den Senator Rubeus, een

despotisch individu, die in dezen tijd in de stad de baas speelde;

eindelijk werden zij uit hun wreede gevangenschap (waarin een van

hen was gestorven) verlost, nadat zij een Paus hadden gekozen, een

zwakken ouden man, Celestinus IV. Deze overleefde zijn benoeming

slechts achttien dagen. Daarop volgde een pauselijk interregnum van

ongeveer twee jaren, gedurende welken tijd alle kardinalen verdwenen

en hun toevlucht zochten in verschillende kasteelen op het land. Ten

slotte, na herhaalde aanmaningen en bedreigingen van Frederik, die nog

steeds de Campagna verwoestte, ofschoon hij Rome niet durfde aanvallen,

kwamen de kardinalen te Anagni bijeen.

Frederik had eenige van de prelaten, die hij had gevangen genomen,

de vrijheid gegeven om zich van hun steun bij de keuze van een Paus

te verzekeren en zoo werd Kardinaal Fieschi van Genua, die langen

tijd zijn vriendschap had genoten, tot Paus gekozen. Maar door dezen

verkiezing verloor Frederik een vriend zonder iets te winnen, want,

zooals hij zelf uitriep, "geen Paus was ooit een Ghibellijn." Inderdaad

toonde Innocentius IV zich een even beslist tegenstander als Gregorius

was geweest. Reeds dadelijk weigerde hij den banvloek, die over den

Keizer was uitgesproken, op te heffen, omdat deze zekere vestingen

niet wilde ontruimen en in 1245 voer hij naar Genua en ging vandaar

naar Lyon, in Frankrijk [377], waar hij een Concilie bijeenriep en

Frederik van den troon vervallen verklaarde.

Er ontbrandde een strijd van twee Titanen, waarbij Encyclieken en

Manifesten werden geslingerd als rotsblokken en bliksemschichten,

terwijl Europa zwijgend, vol ontzag, toekeek. Voorloopig scheen er

nog geen beslissing te zullen vallen. De aanvallen van Frederik tegen

de hebzucht, aanmatiging en ondeugden van het Pausdom werden door de

groote meerderheid der Christenen met geestdrift toegejuicht, maar

Innocentius vond ook levendigen bijval voor zijn bewering, dat "aan

het Hoofd van de Kerk twee zwaarden waren gegeven, de geestelijke en

de wereldlijke macht, en dat hij de vrije beschikking had om er een aan

den Keizer te leenen." Europa was nog niet gekomen tot dat onderscheid

tusschen de koninkrijken van den godsdienst en de wereldlijke macht,

waarvoor Dante in zijn Monarchia en in zijn Divina Commedia [378]

zoo krachtig opkomt. En zonder twijfel had deze geweldige botsing

ver strekkende gevolgen, die niet gemakkelijk te bemerken waren,

en in dien tijd ontstonden naar aanleiding daarvan gevaarlijke

opstanden en werd zelfs een pretendent tot Keizer uitgeroepen;

aan den anderen kant herleefde de anti-pauselijke stemming, waarvan

de Ghibellijnsche partij in Noord-Italië voordeel trok om de jonge

republieken te onderdrukken. De bloeddorstige Ezzelino, die nu de

schoonzoon van Frederik was, onderwierp, geholpen door Frederik's

onwettigen zoon Enzio (of Enzo), vele steden van Lombardije, Emilia

en Venetia en trachtte die in "Signorie" te veranderen, (een lot,

dat weldra de meeste Italiaansche republieken zou treffen) of liever,

één groote Signoria van vele steden te stichten.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 36 / 48 段