Aldus kunnen wij de uitbreiding van de Lombardisch-Romaansche

architectuur van Noord-Italië in de oude Lombardische hertogdommen

nagaan, totdat deze bouwstijl, terwijl Rome bijna niet onder zijn

invloed kwam, in aanraking kwam met den Byzantijnschen en Saraceenschen

(Arabischen); en weldra zullen wij zien, dat de Noormannen in

Zuid-Italië en op Sicilië deze Noordelijke, Romaansch-Lombardische

bouworde aanvaardden en tegelijkertijd den invloed ondergingen van

de Byzantijnsche en Arabische architectuur in het zuiden.

In vele steden van Campanië, Apulië en Calabrië staan kerken, waarvan

de meeste op barbaarsche wijze bedorven zijn, die oorspronkelijk

Romaansch waren of Byzantijnsch met prachtige koepels, en door de

Noormannen in Romaanschen (soms eenigszins Saraceenschen) stijl zijn

herbouwd of vergroot. Te Canosa (in Apulië) vertoont de Byzantijnsche

kerk van S. Sabino, die vijf koepels heeft, eenige Lombardische

toevoegsels van de Noormannen (in deze kerk staat de graftombe van

den kruisvaarder Bohemund, den zoon van Robert Guiscard). Te Trani

heeft de Byzantijnsche kathedraal een prachtige Romaansche portiek. Te

Bari zijn verscheidene oude Byzantijnsche kerken in Romaanschen stijl

bijgewerkt ten tijde van Koning Roger. De kathedraal van Salerno

werd (c. 1070) door Robert Guiscard gebouwd, en de mooie Romaansche

architectuur is nog wel waarneembaar, ofschoon de kerk door moderne

restauratie afschuwelijk ontsierd is. (Het atrium met zijn heerlijke

antieke zuilen van Paestum ontkwam aan die "herstelling"). Verder

kunnen wij te Amalfi en het naburige Ravello merkwaardige, doch ook

leelijk bedorven, voorbeelden van den Zuid-Italiaanschen stijl in de

kathedralen aldaar zien. Beide kerken werden misschien reeds in de

elfde eeuw gebouwd, zelfs vóor de heerschappij van Robert Guiscard en

de ontwikkeling van de Lombardische architectuur der Noormannen. Maar

het is waarschijnlijker, dat de kathedraal te Amalfi dagteekent

uit den tijd, toen de stad, die eeuwenlang in meerdere of mindere

mate te midden van haar vele vijanden onafhankelijk was gebleven,

zich aan den koning der Noormannen, Roger van Sicilië, in het jaar

(1131), dat op zijn kroning volgde, had onderworpen.

Sicilië.

In een vroeger hoofdstuk hebben wij de opkomst en het kortstondige,

maar schitterende bestaan van de heerschappij der Noormannen

in Zuid-Italië en Sicilië geschetst en wij hebben gewezen op

de schilderachtige mengeling van rassen in de bevolking van

dergelijke steden als Palermo, de residentie van de koningen der

Noormannen. Palermo was, zooals het grootste gedeelte van Sicilië,

langer dan 240 jaren (830-1072) in de macht van de Saracenen

geweest. Het aantal zijner inwoners was 300.000 en men zegt, dat

het niet minder dan 300 moskeeën heeft bezeten, groote en kleine. De

Saracenen hadden veel van de voorafgaande Byzantijnsche beschaving

aanvaard, en de Noormannen op hun beurt gaven, in plaats van de

ongeloovige Muzelmannen uit te roeien, hun tamelijk groote religieuze

en civiele vrijheid, gebruikten hen als soldaten en als ambtenaren

en namen veel van hun wetenschap en kunst over.

Natuurlijk vertoont de Siciliaansche architectuur in de periode

van de heerschappij der Noormannen Byzantijnsche en Saraceensche

kenmerken gepaard met eigenschappen van de Romaansche bouworde

der Noormannen, waarvan de voornaamste bron, zooals wij zagen, de

Lombardisch-Romaansche stijl van Zuid-Italië was [356]. Van de vele

prachtige kerken, die door de Koningen der Noormannen, vooral door

Koning Roger en Willem den Goede, in Palermo en elders op Sicilië

zijn opgericht, waren sommige, wat het ontwerp betrof, duidelijk

Byzantijnsch, zooals de Martorana (met een koepel en drie apsiden),

de S. Cataldo (met drie koepels) en de S. Giovanni degli Eremite

(met vijf koepels) terwijl andere beslist Romaansch van bouw waren,

zooals de kathedralen te Monreale en Cefalù en de kerk S. Spirito,

niet ver van Palermo [357], die reeds vermeld is als een herinnering

aan de Engelsche architectuur der Noormannen.

Vier van de meest belangrijke dezer Siciliaansche kathedralen, die

door de koningen der Noormannen werden gebouwd, zijn gegeven in de

illustraties (plaat 33, 36, 43, 44) en beschreven in de Lijst, en ook

de graftomben van Koning Roger en Keizer Frederik II (plaat 35 en 47)

zijn in de Lijst der Illustraties besproken, zoodat hier slechts de

opmerking behoeft bijgevoegd te worden, dat de aanwezigheid van den

spitsboog door sommigen wordt toegeschreven aan Saraceenschen invloed,

terwijl anderen daarin een voorbode zien van den Gotischen bouwstijl,

zooals wij reeds hebben opgemerkt bij de S. Ambrogio. Doch de spitsboog

werd in de Romaanschen stijl niet zelden gebruikt, reeds lang voor de

komst van de Gotische architectuur, en wordt ook in Engeland gevonden

in gebouwen, die zijn opgericht vóor het zoogenaamde overgangstijdperk

tusschen de bouwkunst der Noormannen en de vroeg-Engelsche b.v. in

de Fountains- en in de Malmesbury-Abdij, welke beide echt bouwwerk

van de Noormannen zijn en in denzelfden tijd zijn gebouwd als de

prachtige Capella Palatina (plaat 33), die opgericht is door Koning

Roger als de Koninklijke Kapel van zijn paleis te Palermo--eenmaal het

kasteel van de Saraceensche Emirs, hetgeen toen, zooals Villari zegt,

"het eerste waarlijk koninklijke paleis in Europa" was, en nu behalve

de buitengewoon mooie Capella, een treurige ruïne is [358].

Aanteekeningen over mozaïek-werk en beeldende kunst in Zuid-Italië

en Sicilië

1050-1200.

In een later hoofdstuk zullen wij den oorsprong beschouwen van de

groote herleving der kunst in Toskane en andere streken van Italië

tegen het einde van den dertiende eeuw en zullen wij de aandacht

vestigen op de vroege kenteekenen van den nieuwen geest en den invloed

van de Byzantijnsche schilders en mozaïekwerkers, die, vooral na

de plundering van Constantinopel door de Latijnen in 1204, geheel

Italië overstroomden. Hier zullen wij slechts wijzen op den stand van

zaken in Zuid-Italië en Sicilië gedurende de periode c. 1050-1200

ten opzichte van de mozaïeken en de beeldende kunst. Het is een

onderwerp, waarover nog veel meer licht moet gespreid worden, voordat

men kan hopen eenige zekerheid te krijgen omtrent de theorie, dat de

schitterende bloei van de kunst in de dagen van Niccolo-Pisano, Giotto

en Dante voornamelijk moet worden toegeschreven aan de beeldhouwers

en dichters, en misschien zelfs aan de schilders van Zuid-Italië.

Byzantijnsch mozaïek-werk, Byzantijnsche schilderkunst en Byzantijnsche

metaalbewerking (geen beeldhouwkunst, want deze werd door de

Byzantijnen weinig beoefend) hadden zonder twijfel de overhand in de

streken van Zuid-Italië, die onderworpen waren aan den Byzantijnschen

Keizer [359]. Indien men de archieven mag gelooven, dan was er een

bijna onbeperkte hoeveelheid van zulke schatten in die streken en

het aantal prachtige bronzen deuren, die nog in de kathedralen van

Campanië en Apulië bestaan en van de buitengewone bekwaamheid der

Byzantijnsche kunstenaars getuigen, is aanzienlijk (b.v. te Amalfi,

Atrani, Salerno enz.). Deze Byzantijnsche deuren dagteekenen uit

den tijd van c. 1050 tot 1100. En wij vinden even prachtig werk

van Italiaansche kunstenaars, doch van iets later dagteekening,

b.v. de groote bronzen deuren van de Kathedraal te Trani, en andere

te Benevento en Ravello.

Hier en daar treffen wij ook mozaïeken aan, die dateeren uit het

tijdperk der Noormannen en die blijkbaar geen Byzantijnsch werk zijn,

zooals het groote S. Mattheus-mozaïek te Salerno. Te Salerno is ook de

beroemde paliotto (manteltje), een altaar-bedekking met ivoren reliefs

die een aantal Bijbelsche tooneelen voorstellen. De bekwaamheid,

waarmede dit werk is gedaan, is zeer merkwaardig. Het is zeker niet

de arbeid van een kunstenaar, die alleen bij de Byzantijnsche school

in de leer is geweest, en wanneer het werkelijk uit de twaalfde eeuw

dagteekent, dan schijnt er mogelijkheid te bestaan, dat deze vroeg

Lombardisch-Romaansche school van Zuid-Italië ten slotte in staat is

geweest werk voort te brengen, dat, met meer recht dan de Pisaansche

kansel (plaat 61) van Niccolò, de "ark" kan genoemd worden, waaruit

de Toskaansche beeldhouwers zijn voortgekomen.

Maar in het Siciliaansche mozaïekwerk vooral vinden wij zeer duidelijk

aanwijzingen, dat er tegen het einde van deze periode (c. 1140-1200)

een belangrijke school van nationale kunst heeft bestaan. Deze

mozaïeken zijn wezenlijk verschillend van die der Byzantijnsche

school, en het feit, dat in dit tijdperk de groote Romeinsche school

van mozaïek-kunst blijkbaar [360] geheel verdwenen was (dit was

sedert 900 ongeveer het geval), maakt het vrij waarschijnlijk, dat

kunstenaars der Noormannen, onder Lombardischen invloed, een nieuwen

en zeer edelen stijl hadden ontwikkeld.

In de Cappella Palatina te Palermo (plaat 33) kan men veel en

schitterend mozaïekwerk zien; het oudste en fraaiste dagteekent

uit de regeering van Koning Roger (c. 1032-40). De waardige en

indrukwekkende voorstelling van den Verlosser, zoowel hier als

te Cefalù is zeer merkwaardig. De kathedraal te Cefalù (plaat 44)

bezit nog mooier voorbeelden van vroeg-Siciliaansch mozaïekwerk. De

behandeling van sommige engelen en heiligen toont misschien eenigen

Byzantijnschen invloed, maar de heerlijke Christus-figuur is in den

Lombardischen stijl, dien de Noormannen hebben overgenomen. Wanneer men

de overlevering mag vertrouwen, heeft Roger in 1129 Cefalù gebouwd,

voordat hij den koningstitel heeft aanvaard en indien dit zoo is,

zijn sommige van deze mozaïekwerken waarschijnlijk de oudste van

hun soort en kunnen wel Byzantijnsch werk zijn; maar men neemt aan,

dat de Christus-figuur van het jaar 1148 dateert.

In de kerk te Palermo, die sinds 1433 la Martorana heet naar de

stichtster van een klooster, doch oorspronkelijk den naam droeg van

S. Maria dell' Ammiraglio (de Admiraal of Emir van Koning Roger, die de

kerk in 1143 gesticht heeft), is het belangrijke mozaïekwerk te zien,

dat op plaat 34 is afgebeeld. Waarschijnlijk versierde het vroeger

de voorzijde. Het stelt Koning Roger voor, die uit de handen van

Christus de koningskroon ontvangt--een scherpzinnig bedacht protest

tegen Paus Innocentius II, die Roger niet erkend had, toen hij den

koningstitel aannam (zie p. 362).

In de kathedraal te Monreale is een soortgelijk mozaïek, waar

Willem de Goede, zooals zijn grootvader, wordt voorgesteld, terwijl

hij zijn kroon van Christus ontvangt; de gedachte was blijkbaar

erfelijk geworden. Deze kerk vertoont een geweldige oppervlakte van

mozaïeken (ongeveer 6400 M2) van verschillende dagteekening. Zij

stellen tooneelen voor uit de geschiedenis van het Oude Testament,

van het Leven van Christus en de Levens der Apostelen en vertoonen

een ontelbaar aantal heiligen en engelen.

AANTEEKENINGEN BIJ DE MUNTEN [361]

Plaat 45

van c. 650 tot c. 1313.

1. Een gouden munt van de "Heracliussoort" (c. 670), die Constans II

en zijn drie zonen vertoont, Constantinus Pogonatus (die zijn bijnaam

kreeg wegens zijn baard, dien hij gedurende een veldtocht in Afrika

liet groeien), Heraclius en Tiberius. Toen Constantinus Pogonatus

den troon besteeg, benoemde hij zijn beide broeders tot Augusti

(keizerlijke collega's) en gaf hen even groote macht als hij zelf

bezat, in navolging van de Heilige Drieëenheid, naar men zeide.

2. Constantinus VI en zijn moeder Irene, die hem blind liet

maken. Gouden Byzantijnsche munt van ongeveer 800.

3. Munt van den laatsten Longobardischen Koning, Desiderius. Tremissis

van electron (ongeveer vier deelen goud en éen deel zilver). Voorzijde:

DN. DESIDER R (de R is een gewone afkorting voor REX op Lombardische

munten). Keerzijde: Een ster of bloem in een cirkel en de woorden

FLAVIA LUCA. Voor "Flavia" zie men aanteekening bij Plaat 9, munt

17. Dit woord vindt men op Lombardische munten als bijvoegelijk

naamwoord bij steden, zooals Lucca, Piacenza enz. en beteekent

misschien, dat deze steden "koninklijke vestingen" waren met zekere

privileges. De namen van vele andere steden komen op deze soort voor

b.v. Milaan, Pavia (Ticino) enz., waar misschien een koninklijke

munt was. Er zijn ook eenige merkwaardige munten, zooals deze

"ster-tremisses" met den naam van een stad, over met een zinloos

opschrift (VIVIVI.... in plaats van den naam van een koning. Ook

werd in 1904 te Ilanz, in Zwitserland een schat gevonden, waarbij

vele dergelijke tremisses waren, voorzien van den naam van Karel den

Groote. Deze beide typen zijn blijkbaar uitgegeven, nadat Desiderius

(774) naar Frankrijk verbannen was (zie p. 212), daar de oude keerzijde

is behouden.

4. Munt van Liutprand. Voorzijde van een gouden tremissis. Borstbeeld

van Liutprand met diadeem, schepter, borstharnas en krijgsmantel. Lees:

DN. LUTPRAN R. Op de keerzijde van deze soort Lombardische munten neemt

een gevleugelde figuur, de H. Michael, beschermheilige der Lombarden,

de plaats in van de Victoria, die op de klassieke munten zoo dikwijls

voorkomt. De vroeg Lombardische munten (zelfs die van Agilulf en

Theodelinda) zijn barbaarsche navolgingen van de keizerlijke. Omstreeks

den tijd van Liutprand (712-44) krijgen zij een meer eigen karakter,

maar de uitvoering is nog barbaarsch en de opschriften zijn dikwijls

onduidelijk en onjuist.

5. Karel de Groote (uit de Biblioth. Nation., Parijs). Munten van

Karel den Groote komen voor met de namen van verschillende steden,

Parijs, Parma, Florence, Rome enz. Dit is een zeldzamer, keizerlijke

munt met beeldenaar (de keizer heeft hier een knevel). Lees: CAROLUS

IMP. AUG. en op de keerzijde RELIGIO KRISTIANA rondom den zoogenaamden

Karolingischen tempel (zie munt op p. 374). De letter M = 40 nummi

(D = 20).

6. Louis de Débonnaire. Eveneens uit de Biblioth. Nation., Parijs. Voor

bijzonderheden zie men Engel et Serrure, Fig. 402.

7. Dukaat van Koning Roger (II) van Sicilië en zijn zoon. In 1140,

tien jaar nadat hij den koningstitel had aangenomen, schafte Roger de

keizerlijke munten (de zoogenaamde tari) af en liet zilveren dukaten

slaan met zijn eigen beeldenaar.

8. Augustal van Frederik II (voorzijde en keerzijde). Een zeer

fraaie munt. "De ware voorlooper van de groote Italiaansche munten

en medailles der vijftiende eeuw" (Serrure).

9. Carlin d'or (1/4 ons) van Karel van Anjou, geslagen in 1277 op de

munt in den Castell dell' Uovo, Napels. De keerzijde stelt de Heilige

Boodschap voor.

10. Real d'or (1/4 ons) van Karel van Anjou, geslagen in 1270 in

navolging van de Augustal van Frederik II.

11. Zilveren munt van het type der prachtige gouden dukaten van Pedro

III van Arragon en Costanza, de dochter van Manfred. Niet lang na den

Siciliaanschen Vesper (1282) uitgegeven. De typische munt van Sicilië

gedurende de volgende twee eeuwen. Op de voorzijde de keizerlijke

adelaar en COSTA[NTIA] DEI GRATIA ARAG. SIC. REG. Op de keerzijde

Pedro's naam als koning van Arragon.

12. Munt van Robert d'Anjou, Hertog van Calabrië, zoon van Karel II,

lo Zoppo (de Lamme) en kleinzoon van den grooten Karel van Anjou. Hij

was koning van Sicilië 1309-43. Zie Dante, Paradiso VIII, 76.

13. Een fraaie munt van Pavia van ongeveer 1400. Het type is echter

ouder. Op de keerzijde een bisschop op een troon. Pavia verklaarde

zich na den dood van Frederik II in 1250 onafhankelijk, maar kwam

later in de macht van de Visconti van Milaan.

14. Venetiaansche gouden zecchino [362], het eerst geslagen door Doge

Giovanni Dandolo, c. 1285. Op de voorzijde: Doge Dandolo, die knielend

den schepter van den H. Marcus ontvangt. Keerzijde: de H. Marcus

geeft hem zijn zegen. Zie ook de munt uit veel vroeger tijd, p. 374.

15. Zilveren florijn (fiorino) van Pisa (na 1313) met den naam van

Frederik Barbarossa, dien het Ghibellijnsche Pisa op zijn munten hield

tot 1494 (uitgezonderd de jaren 1312-13, toen de naam van Hendrik

VII daarvoor in de plaats kwam; zie No. 18). Voorzijde: Keizerlijke

adelaar en FREDERICUS IMPERATOR. Keerzijde: Madonna en Kind.

16. Gouden florijn van Florence uit het jaar 1304. Zie de zilveren

grosso van ongeveer 1200 op p. 388, die als type werd aangenomen voor

deze latere gouden munten, met Johannes den Dooper, den beschermheilige

van Florence, en de Florentijnsche lelie, die Dante il maladetto

fiore noemt.

17. Men zegt, dat dit de eenige beeldenaar van Frederik Barbarossa

is. Hij is zeer barbaarsch en grotesk: een leelijke, baardelooze

jongen.

18. Pisaansche munt met den naam van Hendrik VII, dus dagteekent deze

van 1312-1313. Zie No. 15.

19. Beeldenaar van Hendrik VII.

VIJFDE DEEL

HISTORISCH OVERZICHT

1190-1313.

(1) Hendrik VI.

Men zal zich herinneren, dat, een jaar voordat Frederik Barbarossa in

den Salef verdronk, zijn zoon Hendrik door zijn gemalin Constantia

de opvolger werd van Willem den Goede van Sicilië, wiens huwelijk

met Joan van Engeland kinderloos was gebleven. Vele Sicilianen

echter weigerden den Duitschen vorst te erkennen, die hun door den

Engelschen Aartsbisschop Of a Mill (Offamilio) was opgedrongen. De

staatkundige mededinger van Offamilio, Aiello van Salerno, die jaren

lang het ambt van Staatssecretaris (protonotario) van den overleden

koning had bekleed, verwekte een opstand ten gunste van Tancred,

Graaf van Lecce (in Apulië), bastaard-zoon van Hertog Roger, een

zoon van Koning Roger en liet hem tot koning kronen; en Paus Clemens

III zond zijn zegen. Dadelijk verzamelde Hendrik VI, die zich door

zijn wreed en niets ontziend karakter reeds berucht had gemaakt,

een leger en zwoer wraak te zullen nemen; maar de berichten van den

dood van zijn vader in het oosten en de opstand van Hendrik den Leeuw

noodzaakten hem weder om de Alpen over te steken. Hij overweldigde

zijn mededinger naar de Duitsche keizerskroon snel en was weldra in

Rome terug; aldaar kon hij den Paus (Celestinus III) dwingen hem tot

Keizer te kronen (1191), nadat hij door een zeer laffe daad [363]

de gunst van de bevolking van Rome gewonnen had. Daarna marcheerde

hij zuidwaarts om de "Beide Siciliën" te onderwerpen en belegerde met

de hulp van schepen uit Pisa (die "schande van Italië", zooals Dante

de stad noemt) Napels, dat in dezen tijd een bijna onafhankelijke

stad was. Maar de schepen van de Noormannen verdreven de Pisanen

en Hendrik keerde met een leger, dat door ziekte gedecimeerd was,

naar Duitschland terug [364]. Hierop werd de partij van Tancred in

Zuid-Italië aanmerkelijk sterker. De inwoners van Salerno verbraken hun

verbond met den Duitschen Keizer en leverden de Keizerin, Constantia,

die juist in dien tijd in hun stad verblijf hield, aan Tancred uit;

doch deze was ridderlijk genoeg om haar weder in vrijheid te stellen,

een daad, die de ondankbaarheid en wreedheid van Hendrik des te sterker

doet uitkomen; want, toen Tancred in 1193 gestorven was en zijn jonge

zoon Willem tot Koning van de "Beide Siciliën" onder het regentschap

van zijn moeder, Sibilla, was uitgeroepen, rukte Hendrik VI wederom

naar het zuiden, nam Sibilla en haar kind gevangen en zond hen met

andere gevangenen naar Duitschland, waar zij blind werden gemaakt.

Hij was nu heerscher over de "Beide Siciliën" en eveneens over

Noord-Italië, waar hij door een verstandige toegevendheid gepaard

aan strengheid de republieken in toom hield. Toskane gaf hij aan

zijn broeder Philips en andere Duitsche hertogen kregen Umbrië en

Romagna. Hij deed geen moeite zich te mengen in de aangelegenheden van

den Paus en van Rome. Zooals gewoonlijk, bestonden er twisten tusschen

den Paus en den adel. Juist in dezen tijd had een oligarchische

partij met een Podestà aan het hoofd de macht in handen, die echter

weldra plaats zou moeten maken voor een republikeinschen Senaat en

een Prefect. Het was Hendrik volkomen onverschillig, welke partij de

overhand had, want de Paus had beide in zijn macht.

Keizerin Constantia, een vrome en zachte vrouw, nu reeds tamelijk oud,

leed zonder twijfel ten zeerste door de wreedheden die haar Duitsche

gemaal bedreef. Zij had zich teruggetrokken naar het stadje Jesi,

niet ver van Ancona, en daar schonk zij het leven aan een zoon [365],

den toekomstigen Keizer Frederik II. Door de Duitsche edelen, die

te Aken in 1196 bijeen waren gekomen, werd het kind tot "Koning der

Romeinen" gekozen; bij deze gelegenheid dwong Hendrik den keurvorsten

de erkenning van het absolute erfelijke recht van zijn afstammelingen,

hetzij in de manlijke hetzij in de vrouwelijke lijn, op de Duitsche

kroon af. Kort daarna werd hij naar Zuid-Italië teruggeroepen door

het opnieuw uitbreken van den opstand; hij dempte dien op de meest

barbaarsche wijze. Aangemoedigd door den gelukkigen afloop, begon

hij plannen te maken voor de verovering van Dalmatië, waarop hij

aanspraak maakte als een gedeelte van het gebied, dat de koningen der

Noormannen hadden bezet, en hij wilde zelfs Constantinopel innemen en

het Oostelijke Keizerrijk annexeeren, en deze plannen werden inderdaad

niet lang daarna verwezenlijkt, maar niet door hem; want hij stierf

te Messina in 1197, slechts twee en dertig jaar oud.

(2) Paus Innocentius III.

Overeenkomstig de belofte, die de keurvorsten aan Hendrik VI hadden

afgelegd, moest zijn zoontje Frederik hem opvolgen en inderdaad

werd hij onder regentschap van zijn moeder koning van Duitschland

en Italië, waaronder het rijk van de "Beide Siciliën" begrepen

was; bovendien was hij door zijn titel "Koning der Romeinen" reeds

aangewezen als Keizer. Maar in Duitschland maakten zich Hendrik's

broeder en een pretendent van de macht meester en werden beide tot

koning gekroond. En voordat het kind vier jaar oud was geworden,

stierf zijn moeder Constantia, nadat zij den Paus als voogd over hem

had aangewezen, dien zij tevens tot regent over de "Beide Siciliën"

(het koninkrijk Napels en Sicilië) had benoemd. Men kan wel vragen,

welk recht zij had om dit te doen (zooals wij ook gevraagd hebben,

met welk recht Mathilde het hertogdom Toskane aan de kerk naliet),

maar een dergelijke daad behoeft ons niet te verbazen bij een vrouw,

die men gedwongen had een geenzins gelukkig huwelijk te sluiten, toen

zij haar leven reeds aan den godsdienst had gewijd en wellicht reeds

non was (vgl. p. 367). Bovendien, hoe onwettig de daad misschien

ook was, zij werd erkend en was derhalve een feit van historische

beteekenis geworden. En het is niet gemakkelijk te bewijzen, dat de

gevolgen de daad niet rechtvaardigden.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 35 / 48 段