architectuur van Noord-Italië in de oude Lombardische hertogdommen
nagaan, totdat deze bouwstijl, terwijl Rome bijna niet onder zijn
invloed kwam, in aanraking kwam met den Byzantijnschen en Saraceenschen
(Arabischen); en weldra zullen wij zien, dat de Noormannen in
Zuid-Italië en op Sicilië deze Noordelijke, Romaansch-Lombardische
bouworde aanvaardden en tegelijkertijd den invloed ondergingen van
de Byzantijnsche en Arabische architectuur in het zuiden.
In vele steden van Campanië, Apulië en Calabrië staan kerken, waarvan
de meeste op barbaarsche wijze bedorven zijn, die oorspronkelijk
Romaansch waren of Byzantijnsch met prachtige koepels, en door de
Noormannen in Romaanschen (soms eenigszins Saraceenschen) stijl zijn
herbouwd of vergroot. Te Canosa (in Apulië) vertoont de Byzantijnsche
kerk van S. Sabino, die vijf koepels heeft, eenige Lombardische
toevoegsels van de Noormannen (in deze kerk staat de graftombe van
den kruisvaarder Bohemund, den zoon van Robert Guiscard). Te Trani
heeft de Byzantijnsche kathedraal een prachtige Romaansche portiek. Te
Bari zijn verscheidene oude Byzantijnsche kerken in Romaanschen stijl
bijgewerkt ten tijde van Koning Roger. De kathedraal van Salerno
werd (c. 1070) door Robert Guiscard gebouwd, en de mooie Romaansche
architectuur is nog wel waarneembaar, ofschoon de kerk door moderne
restauratie afschuwelijk ontsierd is. (Het atrium met zijn heerlijke
antieke zuilen van Paestum ontkwam aan die "herstelling"). Verder
kunnen wij te Amalfi en het naburige Ravello merkwaardige, doch ook
leelijk bedorven, voorbeelden van den Zuid-Italiaanschen stijl in de
kathedralen aldaar zien. Beide kerken werden misschien reeds in de
elfde eeuw gebouwd, zelfs vóor de heerschappij van Robert Guiscard en
de ontwikkeling van de Lombardische architectuur der Noormannen. Maar
het is waarschijnlijker, dat de kathedraal te Amalfi dagteekent
uit den tijd, toen de stad, die eeuwenlang in meerdere of mindere
mate te midden van haar vele vijanden onafhankelijk was gebleven,
zich aan den koning der Noormannen, Roger van Sicilië, in het jaar
(1131), dat op zijn kroning volgde, had onderworpen.
Sicilië.
In een vroeger hoofdstuk hebben wij de opkomst en het kortstondige,
maar schitterende bestaan van de heerschappij der Noormannen
in Zuid-Italië en Sicilië geschetst en wij hebben gewezen op
de schilderachtige mengeling van rassen in de bevolking van
dergelijke steden als Palermo, de residentie van de koningen der
Noormannen. Palermo was, zooals het grootste gedeelte van Sicilië,
langer dan 240 jaren (830-1072) in de macht van de Saracenen
geweest. Het aantal zijner inwoners was 300.000 en men zegt, dat
het niet minder dan 300 moskeeën heeft bezeten, groote en kleine. De
Saracenen hadden veel van de voorafgaande Byzantijnsche beschaving
aanvaard, en de Noormannen op hun beurt gaven, in plaats van de
ongeloovige Muzelmannen uit te roeien, hun tamelijk groote religieuze
en civiele vrijheid, gebruikten hen als soldaten en als ambtenaren
en namen veel van hun wetenschap en kunst over.
Natuurlijk vertoont de Siciliaansche architectuur in de periode
van de heerschappij der Noormannen Byzantijnsche en Saraceensche
kenmerken gepaard met eigenschappen van de Romaansche bouworde
der Noormannen, waarvan de voornaamste bron, zooals wij zagen, de
Lombardisch-Romaansche stijl van Zuid-Italië was [356]. Van de vele
prachtige kerken, die door de Koningen der Noormannen, vooral door
Koning Roger en Willem den Goede, in Palermo en elders op Sicilië
zijn opgericht, waren sommige, wat het ontwerp betrof, duidelijk
Byzantijnsch, zooals de Martorana (met een koepel en drie apsiden),
de S. Cataldo (met drie koepels) en de S. Giovanni degli Eremite
(met vijf koepels) terwijl andere beslist Romaansch van bouw waren,
zooals de kathedralen te Monreale en Cefalù en de kerk S. Spirito,
niet ver van Palermo [357], die reeds vermeld is als een herinnering
aan de Engelsche architectuur der Noormannen.
Vier van de meest belangrijke dezer Siciliaansche kathedralen, die
door de koningen der Noormannen werden gebouwd, zijn gegeven in de
illustraties (plaat 33, 36, 43, 44) en beschreven in de Lijst, en ook
de graftomben van Koning Roger en Keizer Frederik II (plaat 35 en 47)
zijn in de Lijst der Illustraties besproken, zoodat hier slechts de
opmerking behoeft bijgevoegd te worden, dat de aanwezigheid van den
spitsboog door sommigen wordt toegeschreven aan Saraceenschen invloed,
terwijl anderen daarin een voorbode zien van den Gotischen bouwstijl,
zooals wij reeds hebben opgemerkt bij de S. Ambrogio. Doch de spitsboog
werd in de Romaanschen stijl niet zelden gebruikt, reeds lang voor de
komst van de Gotische architectuur, en wordt ook in Engeland gevonden
in gebouwen, die zijn opgericht vóor het zoogenaamde overgangstijdperk
tusschen de bouwkunst der Noormannen en de vroeg-Engelsche b.v. in
de Fountains- en in de Malmesbury-Abdij, welke beide echt bouwwerk
van de Noormannen zijn en in denzelfden tijd zijn gebouwd als de
prachtige Capella Palatina (plaat 33), die opgericht is door Koning
Roger als de Koninklijke Kapel van zijn paleis te Palermo--eenmaal het
kasteel van de Saraceensche Emirs, hetgeen toen, zooals Villari zegt,
"het eerste waarlijk koninklijke paleis in Europa" was, en nu behalve
de buitengewoon mooie Capella, een treurige ruïne is [358].
Aanteekeningen over mozaïek-werk en beeldende kunst in Zuid-Italië
en Sicilië
1050-1200.
In een later hoofdstuk zullen wij den oorsprong beschouwen van de
groote herleving der kunst in Toskane en andere streken van Italië
tegen het einde van den dertiende eeuw en zullen wij de aandacht
vestigen op de vroege kenteekenen van den nieuwen geest en den invloed
van de Byzantijnsche schilders en mozaïekwerkers, die, vooral na
de plundering van Constantinopel door de Latijnen in 1204, geheel
Italië overstroomden. Hier zullen wij slechts wijzen op den stand van
zaken in Zuid-Italië en Sicilië gedurende de periode c. 1050-1200
ten opzichte van de mozaïeken en de beeldende kunst. Het is een
onderwerp, waarover nog veel meer licht moet gespreid worden, voordat
men kan hopen eenige zekerheid te krijgen omtrent de theorie, dat de
schitterende bloei van de kunst in de dagen van Niccolo-Pisano, Giotto
en Dante voornamelijk moet worden toegeschreven aan de beeldhouwers
en dichters, en misschien zelfs aan de schilders van Zuid-Italië.
Byzantijnsch mozaïek-werk, Byzantijnsche schilderkunst en Byzantijnsche
metaalbewerking (geen beeldhouwkunst, want deze werd door de
Byzantijnen weinig beoefend) hadden zonder twijfel de overhand in de
streken van Zuid-Italië, die onderworpen waren aan den Byzantijnschen
Keizer [359]. Indien men de archieven mag gelooven, dan was er een
bijna onbeperkte hoeveelheid van zulke schatten in die streken en
het aantal prachtige bronzen deuren, die nog in de kathedralen van
Campanië en Apulië bestaan en van de buitengewone bekwaamheid der
Byzantijnsche kunstenaars getuigen, is aanzienlijk (b.v. te Amalfi,
Atrani, Salerno enz.). Deze Byzantijnsche deuren dagteekenen uit
den tijd van c. 1050 tot 1100. En wij vinden even prachtig werk
van Italiaansche kunstenaars, doch van iets later dagteekening,
b.v. de groote bronzen deuren van de Kathedraal te Trani, en andere
te Benevento en Ravello.
Hier en daar treffen wij ook mozaïeken aan, die dateeren uit het
tijdperk der Noormannen en die blijkbaar geen Byzantijnsch werk zijn,
zooals het groote S. Mattheus-mozaïek te Salerno. Te Salerno is ook de
beroemde paliotto (manteltje), een altaar-bedekking met ivoren reliefs
die een aantal Bijbelsche tooneelen voorstellen. De bekwaamheid,
waarmede dit werk is gedaan, is zeer merkwaardig. Het is zeker niet
de arbeid van een kunstenaar, die alleen bij de Byzantijnsche school
in de leer is geweest, en wanneer het werkelijk uit de twaalfde eeuw
dagteekent, dan schijnt er mogelijkheid te bestaan, dat deze vroeg
Lombardisch-Romaansche school van Zuid-Italië ten slotte in staat is
geweest werk voort te brengen, dat, met meer recht dan de Pisaansche
kansel (plaat 61) van Niccolò, de "ark" kan genoemd worden, waaruit
de Toskaansche beeldhouwers zijn voortgekomen.
Maar in het Siciliaansche mozaïekwerk vooral vinden wij zeer duidelijk
aanwijzingen, dat er tegen het einde van deze periode (c. 1140-1200)
een belangrijke school van nationale kunst heeft bestaan. Deze
mozaïeken zijn wezenlijk verschillend van die der Byzantijnsche
school, en het feit, dat in dit tijdperk de groote Romeinsche school
van mozaïek-kunst blijkbaar [360] geheel verdwenen was (dit was
sedert 900 ongeveer het geval), maakt het vrij waarschijnlijk, dat
kunstenaars der Noormannen, onder Lombardischen invloed, een nieuwen
en zeer edelen stijl hadden ontwikkeld.
In de Cappella Palatina te Palermo (plaat 33) kan men veel en
schitterend mozaïekwerk zien; het oudste en fraaiste dagteekent
uit de regeering van Koning Roger (c. 1032-40). De waardige en
indrukwekkende voorstelling van den Verlosser, zoowel hier als
te Cefalù is zeer merkwaardig. De kathedraal te Cefalù (plaat 44)
bezit nog mooier voorbeelden van vroeg-Siciliaansch mozaïekwerk. De
behandeling van sommige engelen en heiligen toont misschien eenigen
Byzantijnschen invloed, maar de heerlijke Christus-figuur is in den
Lombardischen stijl, dien de Noormannen hebben overgenomen. Wanneer men
de overlevering mag vertrouwen, heeft Roger in 1129 Cefalù gebouwd,
voordat hij den koningstitel heeft aanvaard en indien dit zoo is,
zijn sommige van deze mozaïekwerken waarschijnlijk de oudste van
hun soort en kunnen wel Byzantijnsch werk zijn; maar men neemt aan,
dat de Christus-figuur van het jaar 1148 dateert.
In de kerk te Palermo, die sinds 1433 la Martorana heet naar de
stichtster van een klooster, doch oorspronkelijk den naam droeg van
S. Maria dell' Ammiraglio (de Admiraal of Emir van Koning Roger, die de
kerk in 1143 gesticht heeft), is het belangrijke mozaïekwerk te zien,
dat op plaat 34 is afgebeeld. Waarschijnlijk versierde het vroeger
de voorzijde. Het stelt Koning Roger voor, die uit de handen van
Christus de koningskroon ontvangt--een scherpzinnig bedacht protest
tegen Paus Innocentius II, die Roger niet erkend had, toen hij den
koningstitel aannam (zie p. 362).
In de kathedraal te Monreale is een soortgelijk mozaïek, waar
Willem de Goede, zooals zijn grootvader, wordt voorgesteld, terwijl
hij zijn kroon van Christus ontvangt; de gedachte was blijkbaar
erfelijk geworden. Deze kerk vertoont een geweldige oppervlakte van
mozaïeken (ongeveer 6400 M2) van verschillende dagteekening. Zij
stellen tooneelen voor uit de geschiedenis van het Oude Testament,
van het Leven van Christus en de Levens der Apostelen en vertoonen
een ontelbaar aantal heiligen en engelen.
AANTEEKENINGEN BIJ DE MUNTEN [361]
Plaat 45
van c. 650 tot c. 1313.
1. Een gouden munt van de "Heracliussoort" (c. 670), die Constans II
en zijn drie zonen vertoont, Constantinus Pogonatus (die zijn bijnaam
kreeg wegens zijn baard, dien hij gedurende een veldtocht in Afrika
liet groeien), Heraclius en Tiberius. Toen Constantinus Pogonatus
den troon besteeg, benoemde hij zijn beide broeders tot Augusti
(keizerlijke collega's) en gaf hen even groote macht als hij zelf
bezat, in navolging van de Heilige Drieëenheid, naar men zeide.
2. Constantinus VI en zijn moeder Irene, die hem blind liet
maken. Gouden Byzantijnsche munt van ongeveer 800.
3. Munt van den laatsten Longobardischen Koning, Desiderius. Tremissis
van electron (ongeveer vier deelen goud en éen deel zilver). Voorzijde:
DN. DESIDER R (de R is een gewone afkorting voor REX op Lombardische
munten). Keerzijde: Een ster of bloem in een cirkel en de woorden
FLAVIA LUCA. Voor "Flavia" zie men aanteekening bij Plaat 9, munt
17. Dit woord vindt men op Lombardische munten als bijvoegelijk
naamwoord bij steden, zooals Lucca, Piacenza enz. en beteekent
misschien, dat deze steden "koninklijke vestingen" waren met zekere
privileges. De namen van vele andere steden komen op deze soort voor
b.v. Milaan, Pavia (Ticino) enz., waar misschien een koninklijke
munt was. Er zijn ook eenige merkwaardige munten, zooals deze
"ster-tremisses" met den naam van een stad, over met een zinloos
opschrift (VIVIVI.... in plaats van den naam van een koning. Ook
werd in 1904 te Ilanz, in Zwitserland een schat gevonden, waarbij
vele dergelijke tremisses waren, voorzien van den naam van Karel den
Groote. Deze beide typen zijn blijkbaar uitgegeven, nadat Desiderius
(774) naar Frankrijk verbannen was (zie p. 212), daar de oude keerzijde
is behouden.
4. Munt van Liutprand. Voorzijde van een gouden tremissis. Borstbeeld
van Liutprand met diadeem, schepter, borstharnas en krijgsmantel. Lees:
DN. LUTPRAN R. Op de keerzijde van deze soort Lombardische munten neemt
een gevleugelde figuur, de H. Michael, beschermheilige der Lombarden,
de plaats in van de Victoria, die op de klassieke munten zoo dikwijls
voorkomt. De vroeg Lombardische munten (zelfs die van Agilulf en
Theodelinda) zijn barbaarsche navolgingen van de keizerlijke. Omstreeks
den tijd van Liutprand (712-44) krijgen zij een meer eigen karakter,
maar de uitvoering is nog barbaarsch en de opschriften zijn dikwijls
onduidelijk en onjuist.
5. Karel de Groote (uit de Biblioth. Nation., Parijs). Munten van
Karel den Groote komen voor met de namen van verschillende steden,
Parijs, Parma, Florence, Rome enz. Dit is een zeldzamer, keizerlijke
munt met beeldenaar (de keizer heeft hier een knevel). Lees: CAROLUS
IMP. AUG. en op de keerzijde RELIGIO KRISTIANA rondom den zoogenaamden
Karolingischen tempel (zie munt op p. 374). De letter M = 40 nummi
(D = 20).
6. Louis de Débonnaire. Eveneens uit de Biblioth. Nation., Parijs. Voor
bijzonderheden zie men Engel et Serrure, Fig. 402.
7. Dukaat van Koning Roger (II) van Sicilië en zijn zoon. In 1140,
tien jaar nadat hij den koningstitel had aangenomen, schafte Roger de
keizerlijke munten (de zoogenaamde tari) af en liet zilveren dukaten
slaan met zijn eigen beeldenaar.
8. Augustal van Frederik II (voorzijde en keerzijde). Een zeer
fraaie munt. "De ware voorlooper van de groote Italiaansche munten
en medailles der vijftiende eeuw" (Serrure).
9. Carlin d'or (1/4 ons) van Karel van Anjou, geslagen in 1277 op de
munt in den Castell dell' Uovo, Napels. De keerzijde stelt de Heilige
Boodschap voor.
10. Real d'or (1/4 ons) van Karel van Anjou, geslagen in 1270 in
navolging van de Augustal van Frederik II.
11. Zilveren munt van het type der prachtige gouden dukaten van Pedro
III van Arragon en Costanza, de dochter van Manfred. Niet lang na den
Siciliaanschen Vesper (1282) uitgegeven. De typische munt van Sicilië
gedurende de volgende twee eeuwen. Op de voorzijde de keizerlijke
adelaar en COSTA[NTIA] DEI GRATIA ARAG. SIC. REG. Op de keerzijde
Pedro's naam als koning van Arragon.
12. Munt van Robert d'Anjou, Hertog van Calabrië, zoon van Karel II,
lo Zoppo (de Lamme) en kleinzoon van den grooten Karel van Anjou. Hij
was koning van Sicilië 1309-43. Zie Dante, Paradiso VIII, 76.
13. Een fraaie munt van Pavia van ongeveer 1400. Het type is echter
ouder. Op de keerzijde een bisschop op een troon. Pavia verklaarde
zich na den dood van Frederik II in 1250 onafhankelijk, maar kwam
later in de macht van de Visconti van Milaan.
14. Venetiaansche gouden zecchino [362], het eerst geslagen door Doge
Giovanni Dandolo, c. 1285. Op de voorzijde: Doge Dandolo, die knielend
den schepter van den H. Marcus ontvangt. Keerzijde: de H. Marcus
geeft hem zijn zegen. Zie ook de munt uit veel vroeger tijd, p. 374.
15. Zilveren florijn (fiorino) van Pisa (na 1313) met den naam van
Frederik Barbarossa, dien het Ghibellijnsche Pisa op zijn munten hield
tot 1494 (uitgezonderd de jaren 1312-13, toen de naam van Hendrik
VII daarvoor in de plaats kwam; zie No. 18). Voorzijde: Keizerlijke
adelaar en FREDERICUS IMPERATOR. Keerzijde: Madonna en Kind.
16. Gouden florijn van Florence uit het jaar 1304. Zie de zilveren
grosso van ongeveer 1200 op p. 388, die als type werd aangenomen voor
deze latere gouden munten, met Johannes den Dooper, den beschermheilige
van Florence, en de Florentijnsche lelie, die Dante il maladetto
fiore noemt.
17. Men zegt, dat dit de eenige beeldenaar van Frederik Barbarossa
is. Hij is zeer barbaarsch en grotesk: een leelijke, baardelooze
jongen.
18. Pisaansche munt met den naam van Hendrik VII, dus dagteekent deze
van 1312-1313. Zie No. 15.
19. Beeldenaar van Hendrik VII.
VIJFDE DEEL
HISTORISCH OVERZICHT
1190-1313.
(1) Hendrik VI.
Men zal zich herinneren, dat, een jaar voordat Frederik Barbarossa in
den Salef verdronk, zijn zoon Hendrik door zijn gemalin Constantia
de opvolger werd van Willem den Goede van Sicilië, wiens huwelijk
met Joan van Engeland kinderloos was gebleven. Vele Sicilianen
echter weigerden den Duitschen vorst te erkennen, die hun door den
Engelschen Aartsbisschop Of a Mill (Offamilio) was opgedrongen. De
staatkundige mededinger van Offamilio, Aiello van Salerno, die jaren
lang het ambt van Staatssecretaris (protonotario) van den overleden
koning had bekleed, verwekte een opstand ten gunste van Tancred,
Graaf van Lecce (in Apulië), bastaard-zoon van Hertog Roger, een
zoon van Koning Roger en liet hem tot koning kronen; en Paus Clemens
III zond zijn zegen. Dadelijk verzamelde Hendrik VI, die zich door
zijn wreed en niets ontziend karakter reeds berucht had gemaakt,
een leger en zwoer wraak te zullen nemen; maar de berichten van den
dood van zijn vader in het oosten en de opstand van Hendrik den Leeuw
noodzaakten hem weder om de Alpen over te steken. Hij overweldigde
zijn mededinger naar de Duitsche keizerskroon snel en was weldra in
Rome terug; aldaar kon hij den Paus (Celestinus III) dwingen hem tot
Keizer te kronen (1191), nadat hij door een zeer laffe daad [363]
de gunst van de bevolking van Rome gewonnen had. Daarna marcheerde
hij zuidwaarts om de "Beide Siciliën" te onderwerpen en belegerde met
de hulp van schepen uit Pisa (die "schande van Italië", zooals Dante
de stad noemt) Napels, dat in dezen tijd een bijna onafhankelijke
stad was. Maar de schepen van de Noormannen verdreven de Pisanen
en Hendrik keerde met een leger, dat door ziekte gedecimeerd was,
naar Duitschland terug [364]. Hierop werd de partij van Tancred in
Zuid-Italië aanmerkelijk sterker. De inwoners van Salerno verbraken hun
verbond met den Duitschen Keizer en leverden de Keizerin, Constantia,
die juist in dien tijd in hun stad verblijf hield, aan Tancred uit;
doch deze was ridderlijk genoeg om haar weder in vrijheid te stellen,
een daad, die de ondankbaarheid en wreedheid van Hendrik des te sterker
doet uitkomen; want, toen Tancred in 1193 gestorven was en zijn jonge
zoon Willem tot Koning van de "Beide Siciliën" onder het regentschap
van zijn moeder, Sibilla, was uitgeroepen, rukte Hendrik VI wederom
naar het zuiden, nam Sibilla en haar kind gevangen en zond hen met
andere gevangenen naar Duitschland, waar zij blind werden gemaakt.
Hij was nu heerscher over de "Beide Siciliën" en eveneens over
Noord-Italië, waar hij door een verstandige toegevendheid gepaard
aan strengheid de republieken in toom hield. Toskane gaf hij aan
zijn broeder Philips en andere Duitsche hertogen kregen Umbrië en
Romagna. Hij deed geen moeite zich te mengen in de aangelegenheden van
den Paus en van Rome. Zooals gewoonlijk, bestonden er twisten tusschen
den Paus en den adel. Juist in dezen tijd had een oligarchische
partij met een Podestà aan het hoofd de macht in handen, die echter
weldra plaats zou moeten maken voor een republikeinschen Senaat en
een Prefect. Het was Hendrik volkomen onverschillig, welke partij de
overhand had, want de Paus had beide in zijn macht.
Keizerin Constantia, een vrome en zachte vrouw, nu reeds tamelijk oud,
leed zonder twijfel ten zeerste door de wreedheden die haar Duitsche
gemaal bedreef. Zij had zich teruggetrokken naar het stadje Jesi,
niet ver van Ancona, en daar schonk zij het leven aan een zoon [365],
den toekomstigen Keizer Frederik II. Door de Duitsche edelen, die
te Aken in 1196 bijeen waren gekomen, werd het kind tot "Koning der
Romeinen" gekozen; bij deze gelegenheid dwong Hendrik den keurvorsten
de erkenning van het absolute erfelijke recht van zijn afstammelingen,
hetzij in de manlijke hetzij in de vrouwelijke lijn, op de Duitsche
kroon af. Kort daarna werd hij naar Zuid-Italië teruggeroepen door
het opnieuw uitbreken van den opstand; hij dempte dien op de meest
barbaarsche wijze. Aangemoedigd door den gelukkigen afloop, begon
hij plannen te maken voor de verovering van Dalmatië, waarop hij
aanspraak maakte als een gedeelte van het gebied, dat de koningen der
Noormannen hadden bezet, en hij wilde zelfs Constantinopel innemen en
het Oostelijke Keizerrijk annexeeren, en deze plannen werden inderdaad
niet lang daarna verwezenlijkt, maar niet door hem; want hij stierf
te Messina in 1197, slechts twee en dertig jaar oud.
(2) Paus Innocentius III.
Overeenkomstig de belofte, die de keurvorsten aan Hendrik VI hadden
afgelegd, moest zijn zoontje Frederik hem opvolgen en inderdaad
werd hij onder regentschap van zijn moeder koning van Duitschland
en Italië, waaronder het rijk van de "Beide Siciliën" begrepen
was; bovendien was hij door zijn titel "Koning der Romeinen" reeds
aangewezen als Keizer. Maar in Duitschland maakten zich Hendrik's
broeder en een pretendent van de macht meester en werden beide tot
koning gekroond. En voordat het kind vier jaar oud was geworden,
stierf zijn moeder Constantia, nadat zij den Paus als voogd over hem
had aangewezen, dien zij tevens tot regent over de "Beide Siciliën"
(het koninkrijk Napels en Sicilië) had benoemd. Men kan wel vragen,
welk recht zij had om dit te doen (zooals wij ook gevraagd hebben,
met welk recht Mathilde het hertogdom Toskane aan de kerk naliet),
maar een dergelijke daad behoeft ons niet te verbazen bij een vrouw,
die men gedwongen had een geenzins gelukkig huwelijk te sluiten, toen
zij haar leven reeds aan den godsdienst had gewijd en wellicht reeds
non was (vgl. p. 367). Bovendien, hoe onwettig de daad misschien
ook was, zij werd erkend en was derhalve een feit van historische
beteekenis geworden. En het is niet gemakkelijk te bewijzen, dat de
gevolgen de daad niet rechtvaardigden.