omgeven. Deze sloten een aanmerkelijk grooter ruimte in dan het oude
Florentia quadrata, ofschoon veel van hetgeen wij gewoon zijn te
beschouwen als typisch Florentijnsch buiten die muren staat. Een paar
jaren later werd de volksregeering voor eenigen tijd omvergeworpen
door een opstand van den adel, die geleid werd door het Duitsche
geslacht der Uberti, voorvaders van Farinata, dien Dante in den
Inferno uit zijn vlammende graftombe zag oprijzen met somberen en
uitdagenden trots, "alsof hij de Hel in groote verachting hield"
[340], maar die zeker een beter lot verdiend had als degenen, die
Florence van volkomen ondergang na de nederlaag bij de Arbia gered had.
De Uberti zetten de republikeinsche Consuls af en hadden gedurende
twee jaren ongeveer (1177-79) het hoogste gezag in handen, maar toch
bleek ten slotte de volkspartij krachtiger te zijn en niettegenstaande
Frederik Barbarossa hen trachtte te overweldigen, dwongen zij eindelijk
den adel zich te onderwerpen aan den door het volk gekozen magistraat
[341] en zich, voor een deel ten minste, te vestigen binnen den
kring van de nieuwe muren in de nieuwe stadswijken (Sestieri). Deze
regeling was blijkbaar noodzakelijk, maar het bracht een nieuw en
verschrikkelijk gevaar mede, want deze edelen begonnen nu onneembare
torens [342] binnen de grenzen van de stad te bouwen en vormden de
zoogenaamde "torenvereenigingen" (Società delle Torre), die gericht
waren tegen de Arti of Kooplieden-Gilden. Bovendien begonnen zij, daar
zij zoo dicht bij elkander woonden, onderling strijd te voeren. Het
kwam tot een uitbarsting in 1215, toen, zooals wij reeds verteld
hebben, de jeugdige Buondelmonte werd vermoord om de beleediging te
wreken, die hij de aanzienlijke, aan de Uberti verwante familie der
Amidei had aangedaan door zijn verloving te verbreken en een meisje
van het geslacht der Donati te trouwen. Dit had het uitbreken van de
familie-veeten ten gevolge, die, in verband met de politieke twisten
der Welfen en Ghibellijnen, gedurende vele jaren Florence zoo veel
ellende zouden brengen.
HOOFDSTUK IV.
ROMAANSCHE BOUWKUNST [343].
800-1200.
Het epitheton "Romaansch" wordt soms toegekend aan alle rondboogstijlen
van de middeleeuwsche bouwkunst, die men afleidt van den Romeinschen
stijl--aan den vroeg-Christelijken (basiliek-stijl), Byzantijnsch-,
Lombardisch-, Toskaansch-, Normandisch-, (Fransch-, Engelsch-,
Siciliaansch)-, Duitsch- en Spaansch-Romaanschen stijl, zelfs aan
den Saraceenschen, daar deze onder invloed van den Romeinschen of
Byzantijnschen stond; en sommige schrijvers gaan zelfs zoo ver, dat
zij den Gotischen stijl een vorm van den Romaanschen noemen, en dien
beschouwen als het eindelijke resultaat van het overgangstijdperk,
de rondbogen-periode. Dit gebruik van het woord kan men misschien wel
verdedigen; maar ik heb er de voorkeur aan gegeven den Italiaanschen
basiliek-stijl, den Byzantijnschen en den Romaanschen stijl als
specifiek verschillend [344] te beschouwen en in een voorafgaand
hoofdstuk is in het kort de oorsprong behandeld van die architectuur,
die naar mijn meening met evenveel recht vroeg-Italiaansch-Romaansch
of Romeinsch-Lombardisch kan worden genoemd, wanneer wij er slechts
om denken, dat het woord "Lombardisch" de Romeinsch-Lombardische
bouwkunst volstrekt niet beperkt tot hetgeen nu Lombardije heet.
Eenige van de vroeg-Romaansche overblijfselen van het Lombardische
tijdperk en van de periode van Karel den Groote zijn reeds
beschreven. Gedurende den daarop volgenden tijd, de regeeringen
der Karolingers en de Donkere Eeuwen, onderging de architectuur,
zooals alle andere kunsten, een totale eclips, die ongeveer twee
eeuwen duurde [345]. Te Rome duurde de duisternis inderdaad nog veel
langer. Wij hooren van restauraties en reconstructies, waarvoor de
antieke gebouwen onbarmhartig werden geplunderd, en eenige mozaïeken en
muurschilderingen van dezen tijd zijn nog over; maar tot de twaalfde
eeuw of later, bleef Rome in diepe duisternis gehuld, terwijl in
andere deelen van Italië, zoowel in het noorden als in het zuiden,
een nieuwe, schitterende architectuur snel opkwam; deze bouwkunst
ontwikkelde zich tot wondere volmaaktheid uit de Romeinsch-Lombardische
architectuur, die reeds in de dagen van Koningin Theodelinda (c. 600)
was ontstaan, doch in haar groei blijkbaar is tegengehouden tot het
einde van de tiende eeuw, niettegenstaande een tijdlang de kunsten
en wetenschappen door Karel den Groote met zooveel geestdrift zijn
begunstigd. Misschien heeft de angst, dat de wereld in het jaar 1000
na Chr. te gronde zou gaan, eenigermate het Christendom verlamd en de
meening verbreid, dat de oprichting van aanzienlijke kerken overbodig
was; maar, wat ook de redenen mogen geweest zijn, kort na het jaar
1000 werd bijna de geheele Christelijke wereld aangegrepen door een
plotseling verlangen om prachtige kerken te bouwen--om de oude plunje
weg te gooien, zooals Rodolf Glaber (omstreeks 1045) schrijft, en een
nieuw, wit gewaad aan te trekken (candidam ecclesiarum vestem induere).
De Romaansche stijl is voortgekomen uit de vereeniging van de oude
Romeinsche architectuur met die van de noordelijke streken, het
vaderland van de Longobarden, en zooals Ruskin heeft aangetoond, moet
men sommige van de eigenaardigheden, die dezen stijl scherp van den
Basiliek- en Byzantijnschen stijl onderscheiden, blijkbaar toeschrijven
aan noordelijke invloeden. Een Romaansche kerk, bijvoorbeeld, biedt
meestal een treffende tegenstelling met de rijkelijk gekleurde en
versierde oppervlakten, de glanzende zuilen, de met marmer bedekte
muren en de groote mozaïeken van de Byzantijnsche bouworde. Wij,
menschen van het noorden, schijnen soms eenig wantrouwen te koesteren
jegens heldere kleuren en rijke decoratie; de meeste van ons geven
de voorkeur aan hetgeen dof en bijna kleurloos is--het schaakbord en
het spel van licht en schaduw in de schemering van bosschen of in de
groote, holle Normandische kathedralen. In Italië had de bouwmeester
van noordelijke afkomst het voordeel in de gelegenheid te zijn zich
prachtige marmeren zuilen te verschaffen of van oude gebouwen te stelen
in plaats van zware pijlers te moeten bouwen, en de tegenstellingen
van marmer, gehouwen en gebakken steen in de Italiaansch-Romaansche
bouworde zijn dikwijls buitengewoon mooi. Men streefde niet in de
eerste plaats naar een decoratief effect, dat bereikt werd door kleur
en weerspiegeling, maar belangrijker vond men het spel van licht en
schaduw tusschen de lijsten, het beeldhouwwerk, de bogenreeksen, en
alle soorten van concaaf en convex bouwwerk. Derhalve hebben wij in het
gebouw convexe vormen, zooals gebeeldhouwde kapiteelen en hoogreliefs,
om het licht op te vangen, en aan de buitenzijde holten, die door
arcades zijn gevormd, en façades met zuilenrijen, laag-reliefs,
overhangende draagsteenen, en prachtige, diep terugwijkende portalen
en ramen, die de schaduw opvangen en die, als achtergrond voor
beeldhouwwerk en marmeren kunstwerken, het gebouw van buiten gezien
een schoonheid verleenen, die onvergelijkelijk veel hooger staat,
dan van eenige oude basiliek, en misschien zelfs den luister van zulk
een kleurendroom als de S. Marco overtreft.
Een zeker mate van kleurversiering werd in den Italiaansch-Romaanschen
stijl toegelaten, in het bijzonder in Toskane, waar marmer en mozaïek
vrijelijk werden gebruikt. De houten zolderingen, die vlak waren
(zooals in de Pisa-Kathedraal), of voorzien van open timmerwerk,
zooals in de S. Zeno en S. Miniato, werden met vroolijke kleuren
beschilderd. Maar deze beschilderde houten zolderingen gaven aanleiding
tot het ontstaan van het leelijke van ribben voorziene tongewelf en
uit de rechthoekige kruising van twee tongewelven kwam het kruisgewelf
voort. Deze vorm van gewelven verdween gelukkig door de invoering
van den Gotischen spitsboog en het echte Gotische gewelf.
Een ander, ietwat latere uitvinding van den Italiaansch-Romaanschen
stijl, die daarna ook door de Gotische bouwkunst wordt aangenomen,
was het roos- of radvenster, waarvan nog prachtige voorbeelden over
zijn (zie plaat 25 en 26).
Het heerschende beginsel van de Romaansche bouworde was nog steeds
strenge, stijve kracht. Bij het antieke systeem van zuilenrijen
en architraven (wat Gotische zeloten de "kruipende, verachtelijke,
horizontale" bouworde noemen, ofschoon het leidende beginsel juist
het volmaakt verticale is) bestond geen buitengewoon zware druk
van boven en bijna volstrekt geen zijdelingsche druk (deze laatste
was inderdaad afwezig, wanneer het dak ontbrak of vlak was). Toen de
door bogen gedragen "clerestory" [346] van de basilieken hooger werd,
brachten de zijbeuken voldoenden steun aan; maar toen de Byzantijnsche
koepels, de Romaansche bogen en apsiden grootere afmetingen begonnen
aan te nemen, werd het noodzakelijk muren van geweldige dikte te
bouwen of deze aan de buitenzijde te versterken. En hier kan er in
het voorbijgaan op gewezen worden, dat het beginsel van evenwicht
(in plaats van strenge kracht), dat later in de Gotische architectuur
werd toegepast, het mogelijk maakte, dat de zwaarste massa's gedragen
werden door een systeem van bogen en pijlers (of "bundelpijlers")
en uitwendige contraforten (steunbeeren), zoodat betrekkelijk dunne
muren, nog verzwakt door geweldige ramen, in staat waren het geheel met
groote zekerheid omhoog te houden, ofschoon men moet toegeven, dat het
inwendige van een groote Gotische Kathedraal, wanneer men een oogenblik
het uitwendige stelsel van contra-forten vergeet, wel geschikt is om
iemand een gevoel van onbehaaglijke onveiligheid te geven.
Doch voordat wij eenige van de voornaamste voorbeelden zullen geven
van Italiaansch-Romaansche bouworde is het noodig te wijzen (ofschoon
het onmogelijk is dit hier uitvoerig te bespreken) op het lastige
vraagstuk van de verwantschap tusschen deze en den zoogenaamden
"Normandischen" en en Duitsch-Romaanschen stijl. De vraag loopt
hierover, of de architectuur van de Noormannen in Normandië, waardoor
de prachtige kerken van Caen ontstonden en die door de Noormannen
in Engeland werd ingevoerd, als ook de Romaansche bouwstijl in
het overige Frankrijk met zijn schitterende kerken van Angoulême,
Toulouse, Vézelay en Arles, en in België met de heerlijke kathedraal
van Doornik, en in Duitschland met de prachtige kathedralen van
Mainz, Worms, Trier en Spiers, en in Spanje met zijn kerken te Toro
en Tarragona en op Sicilië (Palermo en Cefalù), en ten slotte, wat
wij noemen den Italiaansch-Romaanschen stijl--de vraag is of al deze
bouworden, zooals sommigen meenen, moeten worden toegeschreven aan
het vindingrijke vernuft van de bouwmeesters der Vikings of dat deze
bouwstijl door een merkwaardige coïncidentie onafhankelijk van elkander
in al deze verschillende landen ontstond--of dat eindelijk, zooals ik
heb voorondersteld, deze architectuur is opgekomen, toen, omstreeks
de zevende eeuw, de Longobardische vorsten in Noord-Italië, en later
de Longobardische hertogen van Zuid- en Midden-Italië inheemsche
bouwmeesters, misschien de beroemde magistri comacini (zie p. 247)
gebruikten om kerken en paleizen in Italië op te richten. Wanneer dit
zoo is, lijkt het zeer waarschijnlijk, dat de nieuwe bouwstijl zich
van Italië over de Alpen verbreid heeft langs den loop van den Rijn
[347], en in Bourgondië, en daarna (c. 1060) door de hertogen van
Normandië is overgenomen. Maar in Normandië kan die architectuur ook
langs een anderen weg gekomen zijn, want deze Normandische hertogen
stonden in rechtstreeksche verbinding met Italië door hun stamgenooten,
die reeds veertig jaren in Zuid-Italië waren, voordat de grootsche
St. Etienne van Willem den Veroveraar te Caen begon te verrijzen [348].
Dit vraagstuk over den oorsprong van de Normandische bouworde zal ieder
van ons verschillend beantwoorden, naarmate hij zich meer door zijn
vaderlandsliefde of door verstandelijke redeneering laat leiden. Maar
wanneer men aldus handelt is het noodzakelijk er op te wijzen, dat het
bestaan van een gelijken bouwstijl in landen, die ver van elkander
verwijderd liggen, dikwijls verklaard kan worden door het feit, dat
bouwmeesters en werklieden niet zelden uit de beroemde centra van
architectuur werden ontboden naar ver afgelegen plaatsen. Zoo liet
Venetië voortdurend bouwmeesters komen uit Constantinopel, en Karel
de Groote en andere Frankische en Duitsche vorsten gebruikten in hun
noordelijke landen ongetwijfeld vele Italiaansche architecten; men moet
zich er dus niet over verbazen, wanneer men in Engeland en Frankrijk
karaktertrekken van den Italiaansch-Romaanschen stijl vindt of zelfs
Byzantijnsche en Oostersche versieringen (die door de kruisvaarders
zijn gebracht), of wanneer men in Italië de zigzaglijn (die, evenals
de overal voorkomende swastika [349], soms misschien spontaan is
opgekomen), aantreft, of wanneer de kerk van den S. Spirito, omdat
de Engelschman Of a Mill (Offamilio) aartsbisschop en kanselier te
Palermo was, met de zware pijlers en eenigszins gespitste bogen is
gebouwd, die den Engelsch-Normandischen stijl van denzelfden tijd
(c. 1175) kenmerken. Uit zulke feiten moeten wij nog niet afleiden,
dat de Italiaansch- en Siciliaansch-Romaansche architectuur made in
Engeland was, of zelfs ook maar in Normandië.
Een treffende en schoone eigenaardigheid van de Italiaansch-Romaansche
bouwkunst is de klokketoren. Wij hebben reeds gezien (p. 251), dat
de Italiaansche campanili van oude dagteekening zijn en dat eenige
van de oude basilieken zeer mooie, ronde klokketorens hebben; maar
de hooge, vierkante campanili, die zoo kenmerkend voor Italië zijn
(en waarmede de ronde, scheeve toren van Pisa zulk een merkwaardige
tegenstelling vormt), moeten worden toegeschreven aan den Romaanschen
stijl. Te Rome, dat in andere opzichten niet sterk onder Romaanschen
invloed is gekomen, bestaan vele fraaie, vierkante klokketorens van
de twaalfde en dertiende eeuw, zooals die van de S. Maria in Cosmedin
(plaat 21), S. Maria in Trastevere en SS. Giovanni e Paolo [350]. Te
Rome heeft de campanile in dezen tijd gewoonlijk verdiepingen van
donkerbruin baksteen, die gescheiden zijn door kroonlijsten van
marmer of terra-cotta en bovenaan een plat dak (want torenspitsen
zijn bijvoegsels van later datum). Behalve de benedenste heeft
meestal iedere verdieping aan elke zijde twee ramen, open of blind,
met marmeren zuiltjes (colonelli), terwijl bij de campanili van
Noord-Italië het aantal vensters, zooals bij den klokketoren van Siena,
waar elke verdieping een raam meer heeft, naar den top van het gebouw
toeneemt (zie plaat 41, 55, 65).
Lombardije en Emilia.
De Romaansche bouwkunst van Lombardije schiet dikwijls te kort in
fijnheid van ornamenteering, zooals men door haar half-noordelijken
aard wel kan verwachten en neigt soms tot het fantastische en grillige,
maar toch is het karakter manlijker en gezonder dan het Toskaansche,
of misschien moeten wij zeggen, het Pisaansche. De voornaamste
kenmerken van de Lombardisch-Romaansche kerken zijn de buitengewoon
mooie verhoudingen van de uitwendige architectuur, de grootsche façades
met zuilenrijen en soms rijkelijk met beeldhouwwerk versierd, de fijne
arcaden van de apsiden, de prachtige inspringende portalen en ramen,
de vooruitstekende portieken met zuilen, die dikwijls op marmeren
leeuwen rusten, de heerlijke campanili en bij latere gebouwen de
groote roosvensters. De volgende zijn de belangrijkste van deze
kerken. Eenige daarvan zal men beschreven vinden in de lijst der
Illustraties. De jaartallen geven bij benadering aan, wanneer de
Romaansche gedeelten van deze kerken oorspronkelijk zijn gebouwd.
Pavia: S. Michele (hier werden Berengarius, Frederik I en anderen
gekroond met de ijzeren kroon. Herbouwd c. 1050. Gewelf zooals in de
S. Ambrogio. Prachtig Romaansch portaal).
Pavia: S. Pietro in Ciel d'oro (herbouwd c. 1100. Zie plaat 13).
Verona: S. Zeno (c. 1070-1140. plaat 55).
Cremona: Kathedraal (1107-90) en Torrazzo (1260-80).
Parma: Kathedraal (1058-c. 1200).
Modena: Kathedraal (1099-1184).
Ferrara: Kathedraal (1135-c. 1200. plaat 39).
Piacenza: Kathedraal (1122-c. 1200).
Como: S. Fedele (1100? herbouwd c. 1265) en S. Abbondio
(c. 750? herbouwd c. 1050, geheel hernieuwd c. 1870, maar heeft nog
oude overblijfselen). Zie p. 249.
Behalve deze is er nog een zeer belangrijke kerk, de S. Ambrogio te
Milaan, waarvan reeds herhaaldelijk melding is gemaakt. Men zegt,
dat zij omstreeks het jaar 380 door St. Ambrosius is gesticht, maar
het schijnt, dat in de negende eeuw deze kerk door Aartsbisschop
Anspert is herbouwd en ten slotte omstreeks 1140 in Romaanschen stijl
is gereconstrueerd. Het fraaie atrium dateert waarschijnlijk uit den
tijd van Aartsbisschop Anspert en de klokketoren is ongeveer 1130
gebouwd. Uitwendig is de kerk eenvoudig, vroeg Romaansch, maar het
inwendige, dat toch uit dezelfde periode is, toont zeer merkwaardige,
Gotische kenmerken door het van ribben voorziene gewelf van het schip
en de beuken, de bundelpijlers en de pilaren, die zich verheffen boven
de kapiteelen van de benedenste pijlers (zie p. 250). De vraag is, of
deze nieuwe bouworde van den anderen kant van de Alpen werd ingevoerd
in een tijd, toen dit ternauwernood bekend was in de noordelijke
landen, of dat het inderdaad hier reeds zoo vroeg ontworpen werd
[351]. Dit zullen wij behandelen, wanneer wij de Italiaansch-Gotische
architectuur bespreken.
Toskane.
De groep van prachtige gebouwen, die zich plotseling vertoonen,
wanneer iemand van de Via Solferino of de Via Niccola Pisano op de
Piazza del Duomo te Pisa komt, geeft een onuitwischbaren indruk van de
voornaamste trekken van hetgeen men Toskaansch-Romaansche architectuur
noemt, die misschien evenwel juister Pisaansch-Romaansch genoemd zou
kunnen worden. Wanneer men kort geleden de kerken van Lombardije
bezocht heeft, zal men gevoelen, dat men hier een variëteit van
Romaanschen stijl voor zich heeft, dien men wel een anderen naam zou
kunnen geven. Het is onmogelijk om dit punt uitvoeriger te bespreken,
maar een enkele blik op plaat 40 zal ons toonen, dat de kenmerkende
eigenaardigheden in alle drie gebouwen (de Kathedraal, de ronde,
scheeve Toren, en de benedenste helft van het Baptisterium, want de
bovenste helft is jonger en in Gotischen stijl opgetrokken) hierin
bestaan, dat de onderste verdieping versierd is met zuilen en hooge,
blinde arcaden en dat de hoogere gedeelten, vooral van de campanile en
de façade van de Kathedraal eenige rijen van prachtige open colonnades
hebben [352]. Deze mooie voorzijden, die men te Pisa zoo goed kan zien
en te Lucca niet zoo volmaakt zijn, kent men in Lombardije nauwelijks,
en het feit, dat zij in Dalmatië worden gevonden, schijnt er op te
wijzen, dat zij moeten worden toegeschreven aan Byzantijnsche of
Oostersche invloeden, zooals men wel kan verwachten in een tijd,
toen de Pisaansche vloten de Saracenen van de zeeën joegen en de
kusten van de Levant bezochten.
Er zijn in Pisa nog verscheidene andere Romaansche kerken, namelijk
de S. Sisto (c. 1090) en de S. Frediano (c. 1150) en de S. Paolo
(c. 1220?), welke laatste een fraaie Pisaansche façade heeft. Te
Lucca zijn veel kerken [353] in navolging van de Pisaansche gebouwen
opgericht, maar wat de schoonheid der verhoudingen betreft, moeten zij
voor den Dom van Pisa onderdoen, zooals men kan zien op de afbeelding
van de kathedraal, wier voorzijde van 1204 ongeveer dateert (zie
plaat 41). Een nog grooter gebrek aan artistiek gevoel vertoont de
S. Michele, bij welke kerk de gevel aanmerkelijk hooger is opgetrokken
dan het dak, om ruimte te krijgen voor de Pisaansche façade met
colonnades. Een ander overdreven navolging van deze voorzijde wordt
geleverd door de S. Giovanni te Pistoia.
Van de Florentijnsch-Romaansche architectuur is het meeste verdwenen,
maar behalve de overblijfselen, die nog gedeelten vormen van de
SS. Apostoli, S. Spirito en S. Lorenzo, is er nog een zeer beroemd
en volmaakt voorbeeld over, de S. Miniato:
la chiesa, che soggioga
La ben guidata sopra Rubaconte [354].
In sommige opzichten lijkt de S. Miniato meer op een Latijnsche
basiliek dan op een Lombardisch-Romaansche kerk. Het is een van de
meest belangwekkende voorbeelden van den overgang van de basilieken
naar den Romaanschen stijl en een bewijs, dat de Florentijnen
de Romaansche bouworde, evenals later de Gotische architectuur,
met bedachtzame terughoudendheid beschouwden. De voornaamste,
kenmerkende trekken kan men gemakkelijk op de plaat waarnemen
(zie pl. 30). Hier kan slechts de aandacht gevestigd worden op het
verschil met den Romaanschen stijl door de opmerking, dat de rijke
marmer-incrustatie van de binnenmuren en de voorzijde [355], die een
opgewekten indruk maakt door het gebruik van wit en zwart marmer,
zonder eenige open arcades of effect van licht en schaduw, meer in
den geest van de Byzantijnsche dan van de Romaansche bouwkunst is en
bijna even ver van de Lombardisch-Romaansche architectuur verwijderd
schijnt te zijn als de Pisaansche daarvan verschilt. Zooals wij
zullen zien, bloeide de Byzantijnsche schilderkunst vóor de dagen van
Cimabue te Florence, hetzij door tusschenkomst van Venetië of door de
Byzantijnsche schilderkunst in Zuid-Italië, en waarschijnlijk moet men
de met marmer ingelegde façade van de S. Miniato, evenals bij sommige
andere Toskaansche kerken, aan dergelijke invloeden toeschrijven.
Midden- en Zuid-Italië.
In het tijdperk, toen (1000-1100) in Italië de architectuur begon
te herleven, werd Florence door de Markgraven, Ugo, Bonifacius en
Guelf bestuurd en was noch met het Keizerrijk noch met Lombardische
steden op goeden voet. Dit is misschien de oorzaak van het feit, dat
de Lombardische vorm van Romaansche architectuur hier niet begunstigd
werd, en uitgezonderd een periode van vriendschap, die slechts kort
duurde (zie p. 387), schijnen Florence en Pisa in een toestand van
onafgebroken vijandschap en naijver verkeerd te hebben, zoodat men
er zich niet over behoeft te verwonderen, dat de zelfgenoegzame
en onafhankelijke Florentijnen zich niet wilden verlagen om de
voortbrengselen van de Pisaansche bouwmeesters na te volgen.
Maar in andere streken van Toskane bestaan nog eenige prachtige
overblijfselen van Lombardisch-Romaansch bouwwerk. Toscanella is
reeds vermeld in verband met den vroeg Romeinsch-Lombardischen stijl
(zie p. 249). De buitengewoon mooie portalen en roos-vensters van
de S. Pietro en S. Maria Maggiore (plaat 25, 26) dagteekenen van
c. 1040. Te Volterra was vroeger een fraai Lombardisch-Romaansch
gebouw, de Duomo, en het oude Baptisterium heeft nog een prachtige
portiek van c. 1200 (plaat 32). Te S. Gimignano zijn verscheidene
kerken van de Tempeliers van de twaalfde eeuw, en de Duomo of
Collegiata, die naar men meent van c. 1148 dateert, bezit een mooi
Romaansch schip en zuilen (plaat 42). De twee groote centra van de
Lombardische heerschappij in Midden- en Zuid-Italië waren Spoleto
en Benevento en hier vinden wij, zooals men wel kan verwachten, zeer
schoone voorbeelden van de Lombardisch-Romaansche bouworde. De Duomo te
Spoleto dagteekent van 1050 ongeveer en werd omstreeks 1150 herbouwd;
de Duomo van Benevento werd, naar men vertelt, in het jaar 1047 door
Adalbert van Bremen bewonderd. Het is Lombardisch werk, dat onder
invloed stond van de Saraceensche architectuur. Een zeer merkwaardig
voorbeeld is ook de S. Maria di Collemaggio te Aquila (plaat 49).