ongenade gevallen of zelfs gedood, dikwijls wegens het vermoeden,
dat zij er naar streefden een erfelijk despotisme te grondvesten,
dat de Arengo wetten liet aannemen, die blijkbaar waren bedoeld als
stappen in democratische richting, doch een tegengestelde uitwerking
bleken te hebben. Tot dusverre had de Doge een bijna absolute macht
bezeten, ofschoon hij door de stemmen van het volk werd gekozen
en afgezet. Aldus was de Venetiaansche staat een republiek met een
president, aan wien koninklijke macht was opgedragen; en toen dit een
gevaarlijke proef bleek te zijn, beperkte de Arengo, in plaats van
(zooals de koningen der Noormannen op Sicilië hadden gedaan) te werken
in de richting van een regeeringsvorm met volksvertegenwoordiging,
de macht van den Doge door hem twee consiglieri (raadslieden) te
geven en hem te dwingen andere voorname en verdienstelijke burgers
uit te noodigen om hem in zaken van groot gewicht met hun raad bij
te staan. Deze particuliere raadslieden en deze kamer van de Pregadi
("uitgenoodigden") maakten het absolutisme van de Doges onschadelijk,
maar tevens was dit de kern, waaraan de Venetiaansche oligarchische
tyrannie en de Raad van Tienen, die zulk een beruchten naam heeft,
hun ontstaan te danken hebben.
Vijftig jaren later (1082-84) werd door Venetië, als bondgenoot van
Alexius, den Keizer van het Oosten, de oorlog ondernomen tegen Robert
Guiscard en werd de ongelukkige zeeslag bij Durazzo (zie p. 360)
geleverd, waarin de vloot van de Venetianen werd vernield en die
tengevolge had, dat Doge Selvo werd afgezet. Maar deze ramp kwamen
de Venetianen weldra te boven. De dood van Robert Guiscard in 1085
was de oorzaak, dat de Noormannen van het oostelijk gedeelte der
Adriatische zee wegtrokken, en daarna nam de Venetiaansche Doge zijn
titel van Hertog van Dalmatië weder aan. Na dien tijd begon de macht
van de Venetianen in het oostelijk deel van de Middellandsche zee
zich snel te ontwikkelen.
Men zegt, dat Doge Selvo, wiens regeering van dertien jaren zulk een
droevig einde nam, de nieuwe S. Marco met vele kostbare marmeren
beelden en Byzantijnsche mozaïeken heeft versierd, zooals hij ook
gedaan had met de S. Giacomo di Rialto [325]. Doge Orseolo I begon
kort na den brand van 976 misschien een nieuw gebouw volgens het plan
van de oude kerk van de Heilige Apostelen te Constantinopel, maar of
het gebouw van Orseolo vernield is door een anderen brand of nooit is
voltooid en weder is afgebroken, weten wij niet. In ieder geval neemt
men gewoonlijk aan, dat de herbouw van de S. Marco in Byzantijnschen
stijl omstreeks 1065, kort voor de regeering van Selvo, begonnen
is. (Dat de overblijfselen van de oude gedenk-kapel en van de nog
oudere kerk van S. Teodoro voor het nieuwe gebouw gebruikt zijn, wordt
bewezen door het feit, dat ongeveer dertig jaren geleden gedeelten van
deze kerken in het tegenwoordige gebouw gevonden werden). In 1094 was
de nieuwe, prachtige kerk gereed om ingewijd te worden; maar na den
grooten brand van 976 was het stoffelijk overschot van den H. Marcus
verdwenen, blijkbaar door de vlammen vernield. De merkwaardige
geschiedenis van zijn gelukkige redding, de miraculeuze wijze, waarop
hij zichzelf door den geur en het uitstrekken van een hand met den
gouden ring openbaarde, behoeft hier niet verteld te worden. Diegene
van ons, die niet dadelijk bereid mochten zijn de legende aan te nemen,
zooals deze door de Venetiaansche kunstenaars wordt voorgesteld,
kunnen misschien overtuigd worden door de mededeeling dat in 1811
het lichaam van den Heilige [326], of hetgeen als zoodanig dienst
moest doen, ontdekt werd in de crypte van de kerk en dat aan den
vinger de beroemde gouden ring werd gevonden en niet ver daarvandaan
een metalen plaat, waarop de datum (8 October 1094) en de naam van
Selvo's opvolger, Doge Vitale Falieri gegraveerd was.
Onder hen, die in dezen tijd Venetië bezochten om hun hulde brengen
aan de overblijfselen van den Heilige [327] en de nieuwe kathedraal
met haar oostersche mozaïeken en marmeren beelden te zien, was Hendrik
IV. Hij werd op luisterrijke wijze ontvangen en uit dankbaarheid voor
de privileges, die hij aan de Venetiaansche kooplieden toestond,
ontving hij waarschijnlijk de belofte, dat de Venetiaansche vloot
hem zou bijstaan tegen zijn talrijke vijanden, want in dit tijdperk
van zijn regeering was hij niet slechts gewikkeld in den wanhopigen
strijd tegen het Pausdom en tegen de steden, die overal in Italië waren
opgestaan, maar ook was hij in botsing gekomen met zijn eigen zonen,
hetgeen een veel droeviger ramp voor hem was.
De Venetianen namen op schitterende wijze deel aan den eersten en
tweeden kruistocht, misschien meer met het oog op handelsbelangen dan
uit godsdienstige beweegredenen, ofschoon Ruskin ons verzekert, dat
Venetië, al was het ook zeer begeerig, toch oprecht vroom was en niet
alleen zonder meer beheerscht werd door een begeerte naar geld maar
ook naar roem en marmeren zuilen. Als een bewijs van zijn commercieele
afgunst kunnen wij misschien het feit beschouwen, dat Venetië op
den eersten kruistocht met gunstigen afloop een zeer belangrijken
zeeslag tegen de Pisanen leverde bij Rhodus, en als een staaltje van
zijn begeerte naar het bezit van marmeren zuilen kunnen wij ons de
drie prachtige zuilen in herinnering brengen, die in 1127 door Doge
Michieli naar zijn vaderstad werden gebracht; Michieli was naar het
oosten getrokken om Koning Boudewijn te helpen, had de Saraceensche
vloot bij Jaffa (Joppe) een verpletterende nederlaag toegebracht,
had Tyrus helpen innemen en op zijn terugtocht vele eilanden, die aan
den Keizer van het Oosten behoorden, veroverd en geplunderd. Bij den
schitterenden buit, dien hij in triomf naar Venetië bracht, waren de
lichamen van de twee heiligen, waarover reeds gesproken is en deze
drie groote zuilen; éen van deze ligt nog in het groote kanaal en de
andere twee werden met veel moeite opgericht onder de bekwame leiding
van een Lombardisch ingenieur, Barattieri, en hebben reeds meer dan
700 jaar op de Piazzetta gestaan [328].
In 1172 vond er weder een verandering in de staatsregeling plaats. Het
gezag van den Doge werd nogmaals beperkt, maar voor den tweeden keer
werd de macht van de edelen vergroot door een maatregel, die zooals
het volk geloofde, een democratische strekking had, doch inderdaad
een tegengestelde uitwerking bleek te hebben. De sestieri (zes wijken
van de stad) kregen in naam het recht den grooten jaarlijkschen Raad
te kiezen; maar ofschoon dit lichaam voor de eerste maal gekozen werd
door de twaalf, die de zes wijken benoemd hadden, benoemde de Raad na
het eerste jaar zelf de twaalf kiezers. Er werd ook door den Raad een
commissie uit zijn leden afgevaardigd om den Doge te kiezen. Aldus
werd het volk ten opzichte van zijn kiesrecht bedrogen.
In 1177 had te Venetië de dramatische ontmoeting plaats van Frederik
Barbarossa en Paus Alexander III. Dit is reeds beschreven in het
Historisch Overzicht (p. 337). Tijdens den derden kruistocht (1189-92),
waarbij Frederik Barbarossa het leven verloren heeft, zonden de
Venetianen, waarschijnlijk weder met het oog op hun handelsbelangen
en misschien ook om andere redenen, een sterke vloot naar het oosten,
waar zij zich onderscheidden bij het ontzet van Tyrus en de belegering
van Akkon (Acre).
In 1193 werd tot Doge de beroemde Enrico Dandolo gekozen, wiens naam
misschien bij sommigen van ons eerst bekend is geworden door Byron
[329], al is het twijfelachtig of Byron hem met recht blind noemt
[330]. Reeds gedurende een halve eeuw had hij uitgeblonken zoowel in de
staatkunde als in den oorlog, en ofschoon hij nu reeds ongeveer vijf
en tachtig jaar oud was, zullen wij toch nog veel meer van hem hooren
in een later hoofdstuk, want op den leeftijd van zeven en negentig
veroverde hij tweemaal Constantinopel en zijn wapenfeiten bij de
bestorming van die stad hebben hem met een nimbus van roem omgeven,
die zelfs door de onrechtvaardigheid en de verschrikkingen van dezen
zoogenaamden vierden kruistocht niet verbleekt is.
Milaan.
De geschiedenis van Milaan biedt een zeer sterke tegenstelling met
die van Venetië. Het was geen zeemogendheid en evenmin een welvarende
handelstad. Het bezat geen natuurlijke verdediging, en daar het dicht
bij de noordelijke poorten van Italië lag, is het steeds de prooi
geweest van indringers en heeft het wellicht meer dan eenige andere
stad in Europa, met uitzondering misschien van Rome, geleden, door
verwoesting en vreemde overheersching, van den val van het Romeinsche
Keizerrijk tot onze dagen. Venetië was, ofschoon het volstrekt niet
altijd een voorbeeld van politieke vrijheid was, toch onder haar eigen
Doges gedurende elf eeuwen (697-1797) autonoom, terwijl Milaan tweemaal
bijna geheel met den grond gelijk werd gemaakt, en gedurende al deze
lange eeuwen zuchtte onder het juk van vele vreemde heerschers [331],
uitgezonderd de twee eeuwen (1076-1277) van stormachtige en onzekere
republikeinsche vrijheid.
Van het Romeinsche Mediolanum, ofschoon het van de dagen van
Diocletianus tot den tijd van Attila de residentie was van de
Westersche Keizers was en, naar men zeide, Rome in omvang en
belangrijkheid evenaarde, is nauwelijks iets overgebleven, behalve de
zestien Corinthische zuilen in den Corso della Porta Ticinese. Uit
de dagen van St. Ambrosius en St. Augustinus bestaan waarschijnlijk
nog slechts eenige gedeelten van de basiliek van S. Ambrogio, die
geheel gereconstrueerd is in de negende eeuw, en ofschoon de Franken en
Bourgondiërs, die in 538 de stad plunderen en volgens Procopius 300.000
inwoners slachtten, naar men vertelt een paar kerken hebben gespaard,
is naar alle waarschijnlijkheid het oudste ongeschonden gebouw in
Milaan de S. Lorenzo, die eenige jaren na de zoo even vermelde ramp
gebouwd werd [332] op de fundamenten van een Romeinschen tempel.
Sinds de dagen van St. Ambrosius was de kerk van Milaan, evenals
die van Ravenna, geneigd haar onafhankelijkheid tegenover Rome te
handhaven, en in tijden van gevaar of wanorde na den val van het
Longobardische koninkrijk maakten de Aartsbisschoppen van Milaan zich
soms van de leiding van de stad meester en namen de teugels van het
burgerlijk gezag in handen. Een treffend voorbeeld hiervan ziet men
in den persoon van den Aartsbisschop Aribert (Heribert, Herbert),
die ongeveer tien jaar lang, van 1035 tot 1045, zich tegen de Keizers
Koenraad II en Hendrik III verzette. Eerst stond hij aan den kant
van de keizerlijken (voor kroning van Koenraad en Gisela zie p. 310)
en voerde den adel aan tegen het volk en de lagere nobiliteit; maar er
viel verdenking op hem en hij werd door Koenraad gevangen genomen. Ten
slotte stelde hij zich aan het hoofd van de volkspartij en trotseerde
de keizersgezinde edelen en de strijdmacht van den Keizer, die Milaan
aanviel, maar stierf, terwijl het nog steeds belegerd werd. Aribert
schijnt de geheele burgerij met geestdrift voor de vrijheid bezield
te hebben en sloeg de aanvallen van de belegeraars dapper af. Een
uitvinding van hem, die later door andere Italiaansche steden werd
nagevolgd [333], bleek zeer krachtig de vaderlandslievende gevoelens
van de burgers op te wekken. Dit was de Carroccio, die, evenals de
Ark van de Israelieten, de burgers naar het slagveld vergezelde,
een wagen, die door ossen werd getrokken, en waarop een mast stond
met een groot crucifix en twee wapperende vaandels. Van dezen wagen
of van een tweeden, die daar achter kwam, weerklonk de bel, die aan
den strijders signalen gaf.
Ondanks den gunstigen uitslag van dezen strijd bevond Aribert zich toch
in een zeer moeilijken toestand als tegenstander van de aristocratische
partij, waartoe hij behoorde als een verdediger van de onafhankelijke
Milaneesche Kerk en van het huwelijk der geestelijken. De hervormers
van Cluny en Hildebrand, die de partij van het Pausdom en het coelibaat
vertegenwoordigden, waren op de hand van het volk van Milaan,
evenals Aribert, maar zij waren bittere vijanden van de autonomie
der Milaneesche Kerk van St. Ambrosius, waarvan hij, evenals de adel,
een vurig voorstander was. Eindelijk trok hij zich uit het openbare
leven terug en stierf kort daarna (1045). Na zijn dood hadden er
hevige gevechten plaats, daar het volk voor zijn politieke vrijheid
en religieuze slavernij streed, terwijl de adel, die krachtig opkwam
voor de onafhankelijkheid van zijn Kerk en gehuwde geestelijken,
zelfs bereid was zijn staatkundige vrijheid aan den vreemden vijand
te verraden. Ten slotte kreeg de partij van den Paus en het volk de
overhand; de gehuwde priesters werden uit de kerken gejaagd en hun
echtgenooten in het openbaar door de vrouwen van de stad gehoond en
beleedigd. Een diaken van de Kerk van Rome, Erlembald, maakte zich
meester van het hoogere gezag en regeerde een tijdlang over Milaan met
een Raad van Dertig, terwijl hij zich zulk een ijverig voorstander van
de pauselijke partij betoonde, dat hij door den Paus vereerd werd met
den titel van il Gonfaloniere della Chiesa. Doch er waren nog vele,
die aan hun Ambrosiaansche Kerk verknocht waren, en toen Erlembald bij
een oproer was gedood, besloten de Milaneezen zich voor een nieuwen
aartsbisschop te wenden tot Hendrik IV, en niet tot Gregorius; wegens
die daad werd Milaan door den banbliksem van den Paus getroffen.
Niet lang daarna hooren wij voor het eerst van Consuls te
Milaan. Het schijnt wel alsof de Milaneezen besloten hadden hun
godsdiensttwisten ter zijde te zetten ter wille van hun republikeinsche
vrijheid. Ongeveer zestig of zeventig jaren lang wordt er weinig
vermeld, een feit, dat men zonder twijfel moet toeschrijven aan
betrekkelijk vreedzame en welvarende toestanden. Omstreeks 1154 wordt
deze rust afgebroken door de geweldige botsing van Frederik Barbarossa
met de Lombardische steden en, zooals wij reeds weten, was Milaan het
middelpunt, de Carroccio als het ware, waar om heen zich de strijd
ontwikkelde. Den uitslag van dien strijd en de lotgevallen van Milaan
hebben wij reeds beschreven.
Florence (tot 1200)
La bellissima e famosissima figlia di Roma, Fiorenza.
Dante.
In verband met Florence, dat later in het bijzonder onze aandacht zal
vragen, is er betrekkelijk weinig van algemeen belang te vermelden
gedurende deze vier eeuwen en dit onderwerp wordt dan ook, niet
alleen door den Taciteïschen Machiavelli, maar zelfs door Sismondi
in zijn uitvoerig werk van zestien deelen kort afgehandeld. Er
zijn echter verschillende bijzonderheden, die alleen door het feit,
dat zij betrekking hebben op de "schoonste dochter van Rome", een
sterke bekoring uitoefenen op allen, die de Italiaansche kunst en
de Italiaansche literatuur liefhebben. Wij zullen hier in het kort
de vroegste lotgevallen van de stad beschrijven en dan eenige van
deze details geven, zonder ons bij het laatste al te zeer om den
historischen samenhang te bekommeren.
Florentia was ongetwijfeld oorspronkelijk niets anders dan een
aanlegplaats aan de rivier van de Etruriërs en Galliërs, die de
vesting Faesulae op den heuvel bewoonden. Het werd eerst een stad,
toen de pax Romana na de burgeroorlogen van Marius en Sulla grootere
veiligheid aan de laaglanden verschafte. Faesulae deed dienst als
hoofdkwartier van het leger van Catilina. Toen dit genomen werd,
zijn waarschijnlijk de zware Etruscische muren (waarvan nu nog
overblijfselen zijn gevonden) geheel afgebroken; maar de stad bleef
bestaan. Florentia werd volgens de overlevering door Julius Caesar
gesticht. Hij vergrootte het waarschijnlijk en omgaf het met muren,
gelijk Romulus het gedaan had met Roma quadrata, als Romeinsche castra
(zie p. 68). Hij voorzag het van baden en tempels, een citadel en een
amphitheater, en bevolkte het niet alleen met bewoners van Faesulae
maar ook met Romeinsche coloni [334]. Overblijfselen van het oude
Romeinsche Florentia kan men misschien vinden in den onderbouw van
het Baptisterium [335], dat volgens den ouden geschiedschrijver
Villani († 1348) oorspronkelijk een tempel van Mars, den beschermgod
van Florence, was geweest. Een ander zeer belangrijk overblijfsel,
dat ten slotte verdwenen is door de groote overstrooming van 1333,
twaalf jaren na den dood van Dante, was een standbeeld van Mars. Dat
stond misschien vroeger in dien tempel. Later werd het op een zuil
dicht bij de rivier geplaatst; het werd er door de Goten afgeworpen
en lag eeuwen lang in of bij het water. Toen de Ponte Vecchio werd
herbouwd (volgens sommigen door Karel den Groote, waarschijnlijk
gebeurde dit niet voor 1180 ongeveer) werd het verweerde standbeeld,
of beter hetgeen er nog van over was, aan het begin van de brug gezet,
waar het later met sombere gebeurtenissen in verband werd gebracht;
want dicht bij dezen "verminkten steen, die de brug bewaakt" [336],
zooals Dante zegt, werd aan den oorlogsgod de jonge Buondelmonte
geofferd; en deze moord had de uitbarsting van den bitteren strijd
tusschen de Neri en Bianchi te Florence ten gevolge.
Maar, om terug te keeren tot vroegere tijden, men zal zich herinneren,
hoe, omstreeks het jaar 405 Florence, evenals Fiesole, werd belegerd
door Radegast en zijn geweldig leger van barbaren uit het noorden
en hoe Stilicho aanrukte om de stad te ontzetten en de belegeraars
versloeg (zie p. 69). Villani schrijft de redding toe aan de
uitwerking van de gebeden van den eersten, grooten bisschop van
Florence, St. Zenobius; de meesten van hen, die Florence bezocht
hebben, zullen de legenden, die met hem in verband staan, wel
kennen. Ongeveer honderd en vijftig jaren later, heeft Totila, zegt
men, de stad geplunderd en alles verwoest, behalve het Baptisterium,
een daad, waarvan Dante ten onrechte Attila beschuldigt. Nadat wederom
eenige eeuwen waren verloopen, bracht Karel de Groote een bezoek aan
de stad; hij stichtte, zooals de overlevering en een inscriptie op
den voorgevel verzekeren, de kleine basiliek van de Santi Apostoli,
die hij door den Aartsbisschop Turpin in tegenwoordigheid van Orlando
en andere van zijn paladijnen liet inwijden(!).
Over de gebeurtenissen gedurende de heerschappij van de Karolingers en
de woelige tijden van den zoogenaamden regno d' Italia indipendente kan
weinig met zekerheid vermeld worden. Dat de stad nu zeer welvarend was,
blijkt wel uit de herhaalde bezoeken, die de Keizers, zooals de Otto's,
er brachten, en ook uit het feit, dat vele prachtige Romaansche
bouwwerken door de kroniekschrijvers genoemd worden. Onder deze
moeten wij in het bijzonder op de S. Miniato de aandacht vestigen,
die volgens Machiavelli door Hendrik II in 1002 gesticht is. Zij
is van al deze Romaansche kerken, die nog in Florence over zijn,
het eenige ongeschonden voorbeeld.
Ten tijde van Otto II en Otto III werd Florence (tot 1001 of misschien
tot 1006) bestuurd door den beroemden Markies Ugo van Brandenburg,
il gran barone, zooals hij door Dante wordt genoemd, den voorvader van
vijf adelijke Florentijnsche geslachten, wiens graftombe, gebeeldhouwd
door Mino da Fiesole, men in de Badía (de Abdij-kerk, gesticht door
zijn moeder, Gravin Willa, in 978) kan zien. Zijn opvolger, Markies
Bonifacius, die zijn macht uitbreidde als Hertog van Ferrara, Modena
en Mantua, was de vader van de bekende Gravin Mathilde, van wie wij
reeds zooveel gehoord hebben.
Onder Bonifacius († 1052), zijn weduwe Beatrice († 1076) en hun
dochter Mathilde († 1115) werd Florence een belangrijk handelscentrum
en breidde zich uit buiten de cerchia antica van haar oude muren,
waarbinnen nog in de dagen van Dante de klokken den Florentijnen de
uren verkondden [337]. Dit was de Gouden Eeuw van Florence, die met zoo
groote liefde door den ouden Cacciaguida in den Paradiso [338] wordt
beschreven. De stad was wat haar gezindheid betrof geheel Welfsch, en
de ellendige inwendige veeten waren nog niet binnengedrongen. Mannen
en vrouwen leidden het eenvoudige leven van den heldentijd. Zij
konden nog aan iets hoogers denken dan aan het vermoorden van hun
medeburgers. Cacciaguida zelf, zooals wij reeds weten, gordde het
zwaard van kruisvaarder aan en volgde Keizer Koenraad III naar het
oosten, waar hij in den strijd tegen de ongeloovigen werd gedood,
"ontzwachteld uit de bedriegelijke wereld", om zijn eigen vreemde
uitdrukking [339] te gebruiken. En wij vernemen, hoe een andere
Florentijnsche kruisvaarder, een lid van het edele geslacht der Pazzi,
uit Jeruzalem stukken van het Heilige Graf meebracht, waaruit de
bisschop in tegenwoordigheid van een opgewonden menigte vuur sloeg
om daarmede de kaarsen op het hoogaltaar aan te steken--een feit,
dat nog steeds met Paschen herdacht wordt door de plechtigheid van de
witte duif, de columbina della casa de' Pazzi, die hetzelfde heilige,
altijd brandende vuur van het altaar van den Duomo brengt om het
vuurwerk van den carro de' Pazzi op de Piazza te ontsteken.
Omstreeks 1063, tijdens de regeering van Gravin Beatrice en
haar tweeden gemaal, Godfried van Lotharingen, kwam de stemming
van het volk tot een uitbarsting, die door haar heftigheid
en hardnekkigheid bewees, hoe onafhankelijk en onhandelbaar de
Florentijnen werden. Keizer Hendrik IV, die zooals wij gezien hebben,
met de Pausen over de verkiezing en de investituur van de bisschoppen
streed en die vele van zijn eigen bisschoppen had benoemd, trachtte
den Florentijnen een bisschop, Mezzabarba geheeten, op te dringen;
zijn vijanden beschuldigden er hem zelfs van den bisschopsstaf aan
dien man verkocht te hebben. Ongeveer vijf jaren lang heerschten
er voortdurende onlusten. De Paus zond tevergeefs Pietro Damiano
om den vrede te herstellen. Ten slotte verscheen een kampioen, een
dweepzieke monnik, die aanbood zich aan den vuurproef te onderwerpen
en, gelukkiger dan de arme Savonarola, daar ongedeerd afkwam. Daarop
werd hij tot bisschop gekozen en moest Mezzabarba verdwijnen.
In 1114, een jaar voor den dood van Mathilde, verzochten de Pisanen
(die later zoo gehaat waren in Florence, dat Dante op hen schimpt als
"vossen vol bedrog" en als "de schande van het schoone land waar men si
hoort") de Florentijnen, of zij hun land tegen Lucca wilden beschermen,
terwijl zij op hun expeditie naar de Balearische eilanden waren. Dit
deden de Florentijnen en de Pisanen schonken hun uit dankbaarheid de
twee prachtige porfieren zuilen, die bij den oostelijken ingang van het
Baptisterium en de bronzen deuren van Ghiberti staan. Het lijkt wel
een uiting van lage wraak, dat de Florentijnen juist aan deze zuilen
de kettingen uit de haven van Pisa hebben opgehangen, die de Genueezen
op de Pisanen veroverd hadden. In onze dagen evenwel is dit onrecht
hersteld, en thans hangen de kettingen in den Campo Santo te Pisa.
Ten opzichte van haar bekende nalatenschap schijnt Mathilde zich
als particuliere eigenares een recht te hebben aangematigd, waarop
zelfs de machtigste van de feudale monarchen ternauwernood aanspraak
zou durven maken. Het was haar bedoeling aan de Kerk, en wel aan den
Paus als vertegenwoordiger van de Kerk, niet alleen haar allodiale
bezittingen na te laten, maar ook het geheele Toskaansche gebied,
dat voornamelijk uit leengoederen bestond, die volgens het feudale
stelsel aan het Keizerrijk vervielen. Deze nalatenschap bracht veel
ellende met zich mede, maar voor Florence was het indirect een zegen,
daar de poging om het gebied van de stad bij ontstentenis van een
rechtmatigen opvolger willekeurig weg te schenken voor de stad een
prikkel werd om te streven naar republikeinsche vrijheid.
De republikeinsche regeeringsvorm, die langzamerhand werd ingevoerd,
zal bij latere gelegenheden onze aandacht trekken. Het zal hier
voldoende zijn er op te wijzen, dat het eenige krachtige bolwerk
van de volkspartij bestond in de Kooplieden-gilden (Arti), waardoor
de middenstand, die vooral veel invloed had door den handel en
de ambachten, zich vereenigde tegen den adel. Een feit, dat het
zelfvertrouwen van de burgers verhoogde en hun besef gaf van hun eigen
kracht, was de inneming en verwoesting van Fiesole, dat, ofschoon het
geen sterke vesting meer was, den burgers van de jonge republiek een
doorn in het oog was geworden.