de heerschappij der Noormannen stond, vormen een van de meest
aantrekkelijke perioden in de lange en merkwaardig afwisselende
geschiedenis van het eiland, dat reeds sinds den tijd van de oude
Siculi en Sicani (of misschien van de Cyclopen en Laestrygonen) tot
de dagen van de Bourbons en Garibaldi het slagveld en het vaderland
van vele rassen is geweest. Deze Noorsche vorsten, afstammelingen
van de piraten-koningen van Scandinavië, die niet alleen Sicilië,
maar ook een groot gedeelte van Zuid-Italië (het oude Magna Graecia)
veroverden en een tijdlang belangrijke streken van Dalmatië en
Griekenland in hun macht hadden, en wier vloten de kusten van de
Adriatische en Aegaeïsche zee en den Levant onveilig maakten en zelfs
Constantinopel bedreigden, schijnen de polyglottische menigte van hun
Sicilische onderdanen op verstandige en onbekrompen wijze bestuurd te
hebben. Zij stonden niet alleen den Muzelmannen vrije uitoefening van
hun godsdienst toe, maar namen hen zelfs als soldaten in dienst en
ook als ambtenaren; de Noormannen zelf stonden onder den invloed van
de Saraceensche wetenschap en kunst. Grieksch en Latijn en Arabisch
werden zonder onderscheid in publieke documenten [306] gebruikt, en
ten aanzien van godsdienst heerschte er blijkbaar een merkwaardige
verdraagzaamheid, wanneer men ten minste bedenkt, dat het de tijd
van de kruistochten en het fanatisme was. "De Koning", zegt Villari,
"was bij de Katholieke plechtigheden als apostolische afgevaardigde
aanwezig, gekleed in een dalmatiek, waarop met gouden Kufische
karakters de datum van de Hegira [307] geborduurd was. Dicht bij
elkander zag men feudale kasteelen, Grieksche steden, Mohammedaansche
dorpen, Lombardische kolonies, straten, bevolkt met Pisanen, Genueezen
en Amalfitanen. Het geluid van kerkklokken en het gezang van monniken
vermengde zich met de stem van den Muezzin, die van zijn minaret de
uren van het gebed afriep, en in de menigte zag men naast elkander
het Arabische kleed, den Mohammedaanschen tulband, den Noorschen
maliënkolder, het lange Grieksche gewaad en het korte Italiaansche
wambuis". Zooals wij zullen zien, draagt hun bouwkunst ook den stempel
van deze schilderachtige verscheidenheid. Ofschoon de koningen van
de Noormannen in werkelijkheid zeer zeker absolute monarchen waren,
droegen zij toch het militaire en burgerlijke gezag op aan hun
"Admiraals" (bevelhebbers of ministers, Ammàraglio is het Arabische
al Emir), en het schijnt dat zij een soort van Parlement hebben
ingesteld, waarin het volk was vertegenwoordigd door aanzienlijke
leeken en geestelijken, zoodat wij deze Normandische koningen van
Sicilië misschien moeten beschouwen als de eerste constitutioneele
vorsten. Aan hun hoven vinden wij vele geleerde en bekwame mannen,
b.v. den Engelschman Gualtiero Offamilio (Walter Of a Mill).
De krijgsdaden van Koning Roger waren schitterend, maar hadden geen
blijvende gevolgen. Hij maakte eenige veroveringen in Noord-Afrika,
en deed, evenals Robert Guiscard had gedaan, een aanval op het
oostelijke Keizerrijk, veroverde Corfu, nam Thebe en Corinthe in,
en genoot zelfs de voldoening, dat de pijlen der Noormannen tegen de
vensters van het keizerlijk paleis te Byzantium hadden gekletterd.
De regeering (1154-1166) van Roger's zoon en opvolger, Willem I,
werd door verschillende opstanden zeer verontrust. Hij had vele
machtige vijanden. Tegen den Keizer van het oosten, Manuel Comnenus,
handhaafde hij zich krachtig, en veegde de Jonische en Aegaeïsche
zee met zijn vloten schoon, zooals zijn voorvaderen, de Vikings, de
noordelijke zeeën hadden schoongeveegd; maar gevaarlijker vijand was
Barbarossa, die, in bondgenootschap met den Engelschen Paus Hadrianus
en vertrouwend op de vloot van de Pisanen, het plan beraamde de "Beide
Siciliën" te veroveren, en een ernstigen opstand verwekte onder de
edelen van Apulië tegen hun Normandischen vorst. Willem slaagde er
evenwel in Paus Hadrianus met zich te verzoenen, en deze waarborgde hem
genadiglijk de investituur [308]. Daarna keerde hij zich woedend tegen
de edelen van Apulië en legde hun een verdiende straf op; door zijn
wreede wraakneming verwierf hij den naam van Willem den Booze. Ook
op Sicilië stonden de feudale edelen op, richtten een bloedbad aan
onder de Saraceensche aanhangers van den koning en slaagden er zelfs
in hem gevangen te nemen en op te sluiten; maar het volk trad voor
hem op en bevrijdde hem; zijn laatste jaren schijnt hij bezoedeld
te hebben met verdere wreedheden tegen de oproerige edelen. Zonder
twijfel was hij heftig, wraakzuchtig en bloeddorstig van aard; maar
zijn biografen behoorden allen tot de feudale en clericale partijen
en misschien verdiende hij, van het standpunt van het volk beschouwd,
allerminst bij de nakomelingschap bekend te zijn als Willem de Booze.
Hoe dit ook zij, wij behoeven er niet aan te twijfelen, dat zijn zoon
terecht Willem de Goede werd genoemd, want gedurende zijn regeering
van twee en twintig jaren (of zeventien, indien wij het regentschap van
zijn moeder Margherita er aftrekken), was er geen spoor van oproer of
ontevredenheid. Toen zijn vader stierf, was hij een jongen van dertien
jaar. Zijn opvoeding werd toevertrouwd aan leermeesters, die door zijn
vorstelijke verwanten uit Normandië waren gezonden,--aan Stephanus
van Rouaan, Petrus van Blois, en den Engelschman Walter Of a Mill,
die als zijn particuliere raadsman en kanselier grooten invloed op
hem uitoefende, en door middel van hem op den gang der staatszaken,
en in later tijden beroemd is geworden door de prachtige kerken,
tot wier bouw hij, als Aartsbisschop van Palermo, zijn steun heeft
verleend. Door zijn invloed geschiedde het ongetwijfeld, dat Willem
met een Engelsche prinses in het huwelijk trad, Johanna, de dochter
van Hendrik II en de zuster van Richard Leeuwenhart. Dat Willem II op
een verstandige en onbekrompen wijze optrad, blijkt niet alleen uit
den vreedzamen en welvarenden toestand van zijn eigen gebied, maar
ook uit zijn buitenlandsche staatkunde. Hij sloot een verbond van
twintig jaren met Venetië, en waarschijnlijk werd door zijn toedoen
verhinderd, dat die stad door de wraakzuchtige Byzantijnen verwoest
werd. Hij ondersteunde ook de Noord-Italiaansche republieken krachtig
in haar wanhopigen strijd voor de vrijheid en nam door middel van zijn
afgevaardigden deel aan de beroemde bijeenkomst te Venetië in 1177,
waar Barbarossa met den Paus en de Lombardische steden vrede sloot.
Als een groot en uitstekend regeerder heeft Willem II van Sicilië
onsterfelijke eer gekregen door Dante, die zijn ziel, in de gedaante
van een schitterende ster, in het sterrebeeld van den machtigen Adelaar
plaatst, in den hemel van Jupiter--niet alleen het symbool van het
Romeinsche Keizerrijk, maar van elke rechtvaardige regeering [309].
Het was evenwel ook naar aanleiding van zijn oorlogen tegen de
Muzelmannen en de anti-pauselijke Byzantijnen, dat Willem van de
kroniekschrijvers, de monniken, den bijnaam van "de Goede" [310]
verwierf, ofschoon deze oorlogen niet zeer roemvol of bijzonder
gerechtvaardigd waren. Omstreeks 1180 stak een groote vloot, met
80.000 man, naar men zeide, de Adriatische zee over, en veroverde
Durazzo. Daarna zeilde men Griekenland om en werd Thessalonica
genomen. Maar door een woedenden storm, zooals die, waardoor de vloot
van Darius bij Athos schipbreuk leed, verloren 10.000 man het leven;
en tegen deze ramp woog nauwelijks een groote overwinning ter zee op,
die later op de Grieksche vloot bij Cyprus werd behaald. Willem zond
ook schepen naar het oosten, ofschoon hij zelf zich niet aansloot bij
den derden kruistocht, toen, zooals wij hebben gezien, de inneming
van Jeruzalem door Saladin in 1187 zoovele vorsten opwekte (b.v. de
jonge Richard Leeuwenhart en de oude Barbarossa), om in eigen persoon
deel te nemen aan de herovering van de Heilige Stad.
Niet lang voordat Frederik Barbarossa naar het oosten trok (vanwaar
hij nimmer zou terugkeeren), vond het huwelijk van zijn zoon
Hendrik met de erfgenaam van het koninkrijk der Beide Siciliën te
Milaan plaats. Willem had geen kinderen. Ongeveer drie jaren voor
zijn dood nam hij, gehoor gevend aan den dringenden raad van zijn
Engelschen kanselier, Walter Of a Mill, het verderfelijke besluit
(verderfelijk voor de toekomst van het Italiaansche patriottisme) om
dit huwelijk van zijn tante Constantia met den vorst der Hohenstaufen
te begunstigen. Sommige oude schrijvers beweren, dat Constantia,
die toen op middelbaren leeftijd was, uit een klooster [311] werd
gehaald om dat huwelijk aan te gaan. Dante, die dit verhaal gelooft
en haar ziel in de sfeer van de veranderlijke maan plaatst, spreekt
(bij monde van Beatrice) over haar gehechtheid aan den sluier, dien
zij tegen haar wil weder moest afleggen, en geeft ons een preek over
geloften, die vrijwillig of gedwongen gebroken worden. Machiavelli
verzekert ons, dat Paus Celestinus III (hetgeen onjuist is, want
Celestinus werd eerst in 1191 Paus) trasse di monastero Costanza già
vecchia figliuola di Guglielmo, om haar aan Hendrik als echtgenoot te
geven. Hoe dit ook zij, vrijwillig of onvrijwillig, Constantia trad
in het huwelijk met den Duitschen vorst; honderd en vijftig paarden
brachten naar Milaan een geweldige hoeveelheid goud en zilver en
kostbare stoffen, den bruidschat van haar, die bestemd was de moeder
[312] te worden van het "Wonder der Wereld".
Met den dood van Willem den Goede eindigde de dynastie van de
Noormannen op Sicilië. Onwettige pretendenten verschenen ten tooneele,
maar, zooals wij zullen zien, de Hohenstaufen wonnen het pleit [313].
HOOFDSTUK III.
DE OPKOMST DER REPUBLIEKEN.
tot c. 1200.
Gedeeltelijk aan de onvolledigheid hunner veroveringen, gedeeltelijk
aan de uiteenloopende eigenschappen der rassen moet men het
toeschrijven, dat geen der indringers en vreemde overheerschers er in
geslaagd is een Italiaansche natie te stichten. De krachten, die onder
bepaalde voorwaarden verschillende volken tot één natie vereenigen,
openbaarden zich gedurende de middeleeuwen in Italië, zooals dat in
het oude Griekenland was gebeurd, in een plaatselijk patriottisme
en in de vorming van een aantal onafhankelijke steden, die, omdat
er geen organisch verband tusschen bestond, veroordeeld waren om,
evenals de steden van Griekenland, nooit samen te smelten tot een
hechte confederatie, zooals gevormd wordt door het stevige lichaam van
de moderne constitutioneele republiek of het beperkte koningschap,
maar die er steeds naar streefden zich los van elkander te houden,
behalve wanneer zij tijdelijk door een druk, die van buiten kwam,
werden bijeengehouden. Wat de inwendige aangelegenheden betreft,
hadden de Grieksche en Italiaansche steden ervaringen, welke, daar
zij onder invloed van gelijke krachten, die onder ongeveer gelijke
omstandigheden werkten, ontstonden, dikwijls groote overeenkomst
vertoonen, maar soms ook merkwaardige tegenstellingen [314]. De
binnenlandsche, godsdienstige zoowel als staatkundige twisten, de
omwentelingen, de perioden van democratie, oligarchie en tyrannie,
die vele van deze steden hebben doorgemaakt, bieden belangwekkende
stof voor degenen, die vergelijkende staatkunde studeeren. Doch
hier moeten wij er ons mede tevreden stellen in het kort de opkomst
van deze Italiaansche gemeenten of republieken te verhalen, en haar
ontwikkeling tot het einde van de twaalfde eeuw na te gaan, tot den
vrede van Constanz ongeveer, terwijl wij eenige bijzonderheden zullen
vermelden in verband met de meer belangrijke steden.
De republikeinsche regeeringsvorm vond natuurlijk geen gelegenheid om
zich te ontwikkelen tijdens het militaire despotisme van de Goten,
Byzantijnen, Longobarden en Saracenen, en het civiele en clericale
leenstelsel van het herleefde Keizerrijk was een aartsvijand van dien
regeeringsvorm. Het aangeboren verlangen naar vrijheid en zelfbestuur
geeft een voldoende verklaring van zijn bestaan [315]. De wrok tegen
de vreemde overheersching, die sinds den tijd van Theoderik steeds is
blijven bestaan, kwam bij vele gelegenheden tot uitbarsting; vooral
bleek dit bij de ernstige onlusten, die dikwijls zoowel te Rome als
elders, plaats vonden bij de kroning van een keizer; en toen gedurende
de slappe regeering van de Karolingische vorsten en de anarchie van
de daarop volgende periode vele steden met eigen krachten oorlog
moesten voeren tegen de verschillende vijanden, Saracenen, Magyaren,
Byzantijnen, Lombardische hertogen of vijandige gemeenten, was het
natuurlijk, dat zij op zich zelf moesten leeren vertrouwen en zelf
hun onafhankelijkheid moesten handhaven.
Wij hebben reeds gezien (Deel III, hoofdst. III), hoe Venetië in vroege
tijden reeds voordeel trok van zijn natuurlijke ligging om een bond te
stichten van de steden op de eilanden en zich zoowel van het oostelijk
als van het westelijk Keizerrijk vrij te maken. Ook in het zuiden
vinden wij reeds vroeg ettelijke zeesteden, zooals Napels, Gaeta,
Salerno en Amalfi [316], die haar onafhankelijkheid trachten staande te
houden (niet altijd als republikeinschen regeeringsvorm); deze steden
bereiken door haar handel een hoogen graad van welvaart en door haar
vloten worden zij belangrijke zeestaten, die den Mohammedaanschen
indringers krachtigen weerstand bieden en zich ook weten staande te
houden tegen de Byzantijnsche overweldigers en tegen de Noormannen,
totdat zij ten slotte bij het koninkrijk van de Beide Siciliën worden
ingelijfd. Toen de onafhankelijkheid van deze zuidelijke zeesteden
door de Noormannen was gebroken, ging, ofschoon de Noormannen haar
handel volstrekt niet vernietigden, toch een groot gedeelte van dien
handel over op de Pisanen, Genueezen en Venetianen. In het begin van de
elfde eeuw waren de vloten van Pisa en Genua er in geslaagd Sardinië
te bezetten en de Saracenen [317] van de Ligurische en Toskaansche
kusten en zeeën te verdrijven, en sinds dien tijd groeide de macht van
deze twee steden, onder het bestuur van hun republikeinsche consuls
en volksvergaderingen zeer snel aan, zoowel te land als ter zee; Pisa
werd heerscheres over de Toscaansche en Romeinsche Maremma van Spezia
tot Civita-vecchia en ook over Sardinië en de Balearen, terwijl Genua
het grootste gedeelte van de Riviera bezette en Pisa het bezit van
Corsica betwistte. Beide steden hadden ook een werkzaam aandeel in de
kruistochten en breidden om strijd hun handel naar het oosten [318]
uit, zoodat zij eeuwen lang alle andere machten ter zee, behalve de
Venetianen, overvleugelden; maar Venetië had twee groote voordeden;
het stond in nauwe verbinding met het Byzantijnsche Keizerrijk, en
het had den transito-handel van de oostersche handelswaren, bestemd
voor West- en Noord-Europa, waar nu de verfijning en de weelde van
oudere culturen in hooge mate begon door te dringen.
In het voorbijgaan dient er de aandacht op gevestigd te worden,
hoe tegelijk met de opkomst van deze Italiaansche republieken reeds
dadelijk de onderlinge twisten begonnen. Nauwelijks waren Pisa
en Genua door hun overwinningen op de Saracenen ter zee machtig
geworden, of zij richtten hun vloten tegen elkander en toen namen
die ellendige conflicten een aanvang, die eeuwen lang de krachten van
Italië ondermijnden. Zelfs leenden zij, om sommige hunner mededingers
te vernietigen, hun vloten aan vreemde overweldigers en vijanden van
de republikeinsche vrijheid [319].
Behalve de zeesteden, waarbij Venetië natuurlijk een belangrijke
plaats innam en later onze aandacht zal vragen, verdienen nog de
Lombardische en Toskaansche steden, en ook Rome, nadere beschouwing.
De pogingen van het Romeinsche volk om de Republiek te herstellen,
zijn beschreven in het Historisch Overzicht. Dat deze pogingen,
ofschoon zij een tijdlang met gunstigen uitslag bekroond werden,
ten slotte schipbreuk leden, is zeer goed te begrijpen, wanneer wij
denken aan de eindelooze botsingen tusschen de Pausen en de edelen,
en wanneer wij ons ook rekenschap geven van het feit, dat de stad Rome
zelf, ofschoon er groote rijkdom was onder de feudale aanzienlijken,
zoowel onder de leeken als onder de geestelijken, toch niet zulk
een handel bezat als die, waarop de nieuwe republieken gegrondvest
waren. Rome was geen zeestad met een haven en een sterke vloot. Het was
ook geen middelpunt van een productieve landstreek. Evenmin bezat het
een talrijke en vermogende klasse van burgers, die handel dreven. De
bevolking bestond bijna geheel uit het gepeupel en de aristocratie,
die op veel grooter afstand van elkander stonden dan de plebejers
en patriciërs van vroeger dagen, en tusschen hen bestond slechts
een niet talrijke middenstand, de leden van de militaire scholae
(stads-militie), die zekere staatkundige rechten hadden, bezitters
mochten zijn van onbezwaard land, en wier eenige groote eerzucht was
tot de klasse der nobiliteit te worden toegelaten.
In vorige hoofdstukken hebben wij vele gewichtige punten besproken
in verband met de oudste geschiedenis van de meer belangrijke steden
van Noord- en Midden-Italië. Wij moeten nu onze aandacht beperken
tot eenige van deze steden, die een voornaam aandeel hadden in de
groote republikeinsche beweging van de twaalfde eeuw tegen Frederik
I. Deze beweging bepaalde zich eerst tot eenige Lombardische steden,
waarvan de voornaamste waren Milaan, Brescia, Piacenza, Parma en
Modena (tegen de keizersgezinde steden Pavia, Como, Lodi, Cremona
en andere), maar bij den Bond sloten zich weldra ook de steden,
die meer in het oosten lagen aan, namelijk Verona, Padua, Bologna,
Mantua en Vicenza. De leiding van deze steden had Venetië [320].
Een uitbarsting zooals deze, waardoor de Lombardische Stedenbond tot
stand kwam, moet het gevolg geweest zijn van krachtige invloeden,
die zich ver hadden doen gelden en jaren lang gewerkt hadden. Eenige
van deze krachten hebben wij reeds leeren kennen in verband met de
republikeinsche bewegingen in de aan zee gelegen steden. Wat betreft
de meeste steden van Lombardije en Toskane, belette zonder twijfel
de herhaalde aanwezigheid of doortocht van sterke Duitsche legers de
vroegtijdige ontwikkeling van het republikeinsche regeeringstelsel en
blijkbaar was het eerst gedurende den hevigen en langdurigen strijd
over de Investituur (1073-1122), dat deze steden hun eigen gewicht
als bondgenooten en steunpunten begonnen in te zien en zich gingen
aansluiten bij de eene of de andere partij, zooals het hun voordeelig
toescheen. Florence, en evenzoo een groot deel van Toskane, stond,
gelijk wij in een vorig hoofdstuk hebben gezien, langen tijd onder
regeerders, die het Duitsche imperialisme zeer vijandig gezind
waren en toen na den dood van Gravin Mathilde in 1115 de stad een
zekere mate van onafhankelijkheid verwierf, bleef haar gezindheid
vele jaren lang Welfsch. Maar noch Florence, noch een van de andere
Toskaansche steden, waarvan er sommige Florence vijandig gezind en
hevig Ghibellijnsch waren, nam eenig werkzaam aandeel in de oorlogen
tusschen de republieken en Frederik, ofschoon in dezen tijd vele
van de Toskaansche steden, zooals Siena, Volterra en S. Gimignano,
zich het recht verworven hadden om door jaarlijks gekozen consuls
[321] bestuurd te worden--een voorbeeld, dat weldra door vele andere
steden van Midden-Italië, zooals Spoleto, Assisi, Perugia en Foligno,
zou nagevolgd worden.
De geschiedenis van de botsing tusschen de verbonden republieken en
Frederik Barbarossa is reeds elders verteld. Wij zullen dus eenige
bladzijden besteden aan de inwendige historie van de twee belangrijkste
steden van den Lombardischen Bond, Venetië en Milaan, terwijl wij er
ons niet om zullen bekommeren de feiten nauwkeurig in de omlijsting
van oorlogen en politieke gebeurtenissen te passen.
Venetië (800-1200).
Een vluchtige schets van de geschiedenis van Venetië, of juister
Venetia, van den eersten oorsprong tot de dagen van Karel den Groote
is reeds vroeger gegeven in het derde deel (hfdst. III). Wij zullen
hier nog iets uit de annalen vertellen van de daarop volgende periode
tot de dertiende eeuw. Men zal zich herinneren, dat de vergeefsche
pogingen van Pepijn, den zoon van Karel den Groote, om de Venetianen te
overwinnen, ten gevolge hadden, dat er een nieuwe hoofdstad gesticht
werd op de oevers van den Rivoalto, een plaats, die onneembaar
gebleken was. De aanvoerder van de dappere eilanders, die den aanval
van den Frankischen indringer hadden afgeslagen, werd tot Doge gekozen
(811). Deze nu, Agnello Partecipazio, was de eerste Doge van Venetië,
ofschoon er wel tien Doges van Venetia Maritima waren geweest, van
welke de eerste, Anafesto, reeds in 697 was gekozen. In 813 werd de
zetel der regeering plechtig naar den Rivoalto overgebracht. Hier,
op den westelijken oever van den "Diepen Stroom", op de plaats waar
later, in 1173, de eerste houten Rialto-brug gebouwd werd, was drie
of vier eeuwen lang de marktplaats geweest van deze eilandbewoners,
de Campo di Rialto, en hier was in 421, zooals de overlevering
verhaalt, hun eerste kerk, de S. Giacomo, verrezen [322]. Op den
oostelijken oever van den Rivo Alto stond midden in een grasrijk
veld, de Broglio of Brolo geheeten, de oude kerk van S. Teodore, den
eersten beschermheilige van Venetië, die ongeveer drie eeuwen voor
de dagen van Partecipazio, (wanneer de annalen waarheid spreken),
was opgericht door Byzantijnsche bouwmeesters, die door Narses uit
Constantinopel ontboden waren (zie p. 255). Dicht bij deze kerk werd
weldra, misschien door den zoon en opvolger van Partecipazio, het
oorspronkelijke Paleis van de Doges [323] gebouwd. Ook verrees nu de
oorspronkelijke kerk van S. Zaccaria, om het vermeende stoffelijke
overschot van den vader van Johannes den Dooper [324] te ontvangen
en als begraafplaats van de oudste Doges te dienen.
Omstreeks 828 werd het gewaande lijk van den H. Marcus naar Venetië
gebracht, wanneer men het verhaal van de vrome dieven mag gelooven;
en het werd gered uit de handen der goddelooze Saracenen, die het
aan een onderzoek wilden onderwerpen door het aan den mast te binden
en met varkensvleesch te bedekken. Een kapel (memoria) werd op den
Broglio opgericht om de reliquie te ontvangen.
In 976 verwoestte een groote brand deze gedenk-kapel, en ook, ten
minste gedeeltelijk, het hertogelijk paleis. Dit gebeurde gedurende
de korte regeering van den Doge Pietro Orseolo I, die, zooals in een
vroeger hoofdstuk is verteld, door St. Romualdus van Ravenna werd
overreed om kluizenaar te worden en Venetië in het geheim te verlaten
(zie p. 304). Men zegt, dat Orseolo een verzoek naar Constantinopel
heeft gestuurd om bekwame bouwmeesters te zenden en zijn geheele
vermogen heeft verbruikt om de kapel te herbouwen of misschien om
den bouw van de veel grooter kerk te beginnen, die op dezelfde plaats
langzamerhand verrees.
Dat Venetië reeds in deze vroegste tijden, niettegenstaande
den merkwaardigen groei van zijn handel en zijn macht ter zee
en niettegenstaande den schijnbaar stevigen vorm van regeering,
blootgesteld was aan dergelijke gevaren, als die waarvan alle andere
Italiaansche republieken te lijden hadden, blijkt uit de vele en
ernstige intriges en ongeregeldheden, waarover wij berichten hebben
in verband met de verkiezingen van de Doges, en de talrijke veeten en
partijtwisten, die voortdurend in de stad heerschten. Om dit nader
toe te lichten kunnen wij vermelden, dat tijdens de regeering van
Memo, een zwakken en slechten man, die in 991, van moord verdacht,
is afgezet, de invloedrijke familie van de Caloprini er bijna in
slaagde hun geboortestad op te offeren aan de wraak, die zij wilden
nemen op hun staatkundige mededingers, de Morosini; de Caloprini
zochten hun toevlucht aan het hof van Otto II en overreedden hem
met een sterke vloot en een groot leger op te trekken tegen Venetië,
waar hun partijgenooten bereid waren om de belegeraars door verraad
te helpen. Maar, gelukkig voor Venetië, werd het plan verijdeld door
den dood van Otto.
Memo werd opgevolgd door een van de grootste van de Doges, Pietro
Orseolo II, onder wiens regeering Venetië een aanvang maakte met
die veroveringen, waardoor het zulk een belangrijke macht werd
aan de Middellandsche zee; want hij onderwierp de Kroaten en de
Adriatische zeeroovers en annexeerde Dalmatië. Sinds dien tijd werd
door den Venetiaanschen Doge de titel "Doge van Dalmatië" gevoerd,
en maakte Venetië zelf er aanspraak op heerscher van de Adriatische
zee te zijn; het recht op deze heerschappij werd ook zinnebeeldig
voorgesteld door een feest, de Sensa geheeten, waarbij de schepen van
den Staat uitzeilden naar de open zee en de Doge door den Bisschop
met zout water werd besprenkeld. Dit feest ontwikkelde zich in
later tijden tot de schilderachtige plechtigheid van den Sposalizio,
de bruiloft van Venetië met de Adriatische zee, een plechtigheid,
die stand hield tot het jaar 1797, ongeveer achthonderd jaar, nadat
de Sensa was ingesteld. Orseolo II wekte een groote bewondering op
in het overgevoelige gemoed van Otto III. Men zal zich herinneren,
dat deze vrome, overspannen vorst het plan (dat nooit verwezenlijkt
zou worden) koesterde om zich uit de wereld terug te trekken, zooals
de eerste Doge Orseolo had gedaan, en dat hij een tijdlang in het
klooster van Classe, bij Ravenna, leefde, waar St. Romualdus tevergeefs
trachtte hem te overreden zich voor altijd aan het kloosterleven te
wijden. Gedurende zijn verblijf te Ravenna (omstreeks 1000) heeft
Otto, "in slaafsche kleederen vermomd", naar men vertelt, Venetië
bezocht en tranen van ontroering kwamen hem in de oogen, toen hij
den luister van de onlangs herbouwde kathedraal en het hertogelijk
paleis aanschouwde. Maar ondanks deze tranen schijnt Doge Orseolo
toch de Venetiaansche vloot niet beloofd te hebben (of in ieder geval
niet geleend te hebben), die Otto zoo gaarne had willen gebruiken om
zekere plannen van niet zeer godsdienstige strekking te volvoeren.