De honderd jaren (1087-1189), gedurende welke Sicilië onder

de heerschappij der Noormannen stond, vormen een van de meest

aantrekkelijke perioden in de lange en merkwaardig afwisselende

geschiedenis van het eiland, dat reeds sinds den tijd van de oude

Siculi en Sicani (of misschien van de Cyclopen en Laestrygonen) tot

de dagen van de Bourbons en Garibaldi het slagveld en het vaderland

van vele rassen is geweest. Deze Noorsche vorsten, afstammelingen

van de piraten-koningen van Scandinavië, die niet alleen Sicilië,

maar ook een groot gedeelte van Zuid-Italië (het oude Magna Graecia)

veroverden en een tijdlang belangrijke streken van Dalmatië en

Griekenland in hun macht hadden, en wier vloten de kusten van de

Adriatische en Aegaeïsche zee en den Levant onveilig maakten en zelfs

Constantinopel bedreigden, schijnen de polyglottische menigte van hun

Sicilische onderdanen op verstandige en onbekrompen wijze bestuurd te

hebben. Zij stonden niet alleen den Muzelmannen vrije uitoefening van

hun godsdienst toe, maar namen hen zelfs als soldaten in dienst en

ook als ambtenaren; de Noormannen zelf stonden onder den invloed van

de Saraceensche wetenschap en kunst. Grieksch en Latijn en Arabisch

werden zonder onderscheid in publieke documenten [306] gebruikt, en

ten aanzien van godsdienst heerschte er blijkbaar een merkwaardige

verdraagzaamheid, wanneer men ten minste bedenkt, dat het de tijd

van de kruistochten en het fanatisme was. "De Koning", zegt Villari,

"was bij de Katholieke plechtigheden als apostolische afgevaardigde

aanwezig, gekleed in een dalmatiek, waarop met gouden Kufische

karakters de datum van de Hegira [307] geborduurd was. Dicht bij

elkander zag men feudale kasteelen, Grieksche steden, Mohammedaansche

dorpen, Lombardische kolonies, straten, bevolkt met Pisanen, Genueezen

en Amalfitanen. Het geluid van kerkklokken en het gezang van monniken

vermengde zich met de stem van den Muezzin, die van zijn minaret de

uren van het gebed afriep, en in de menigte zag men naast elkander

het Arabische kleed, den Mohammedaanschen tulband, den Noorschen

maliënkolder, het lange Grieksche gewaad en het korte Italiaansche

wambuis". Zooals wij zullen zien, draagt hun bouwkunst ook den stempel

van deze schilderachtige verscheidenheid. Ofschoon de koningen van

de Noormannen in werkelijkheid zeer zeker absolute monarchen waren,

droegen zij toch het militaire en burgerlijke gezag op aan hun

"Admiraals" (bevelhebbers of ministers, Ammàraglio is het Arabische

al Emir), en het schijnt dat zij een soort van Parlement hebben

ingesteld, waarin het volk was vertegenwoordigd door aanzienlijke

leeken en geestelijken, zoodat wij deze Normandische koningen van

Sicilië misschien moeten beschouwen als de eerste constitutioneele

vorsten. Aan hun hoven vinden wij vele geleerde en bekwame mannen,

b.v. den Engelschman Gualtiero Offamilio (Walter Of a Mill).

De krijgsdaden van Koning Roger waren schitterend, maar hadden geen

blijvende gevolgen. Hij maakte eenige veroveringen in Noord-Afrika,

en deed, evenals Robert Guiscard had gedaan, een aanval op het

oostelijke Keizerrijk, veroverde Corfu, nam Thebe en Corinthe in,

en genoot zelfs de voldoening, dat de pijlen der Noormannen tegen de

vensters van het keizerlijk paleis te Byzantium hadden gekletterd.

De regeering (1154-1166) van Roger's zoon en opvolger, Willem I,

werd door verschillende opstanden zeer verontrust. Hij had vele

machtige vijanden. Tegen den Keizer van het oosten, Manuel Comnenus,

handhaafde hij zich krachtig, en veegde de Jonische en Aegaeïsche

zee met zijn vloten schoon, zooals zijn voorvaderen, de Vikings, de

noordelijke zeeën hadden schoongeveegd; maar gevaarlijker vijand was

Barbarossa, die, in bondgenootschap met den Engelschen Paus Hadrianus

en vertrouwend op de vloot van de Pisanen, het plan beraamde de "Beide

Siciliën" te veroveren, en een ernstigen opstand verwekte onder de

edelen van Apulië tegen hun Normandischen vorst. Willem slaagde er

evenwel in Paus Hadrianus met zich te verzoenen, en deze waarborgde hem

genadiglijk de investituur [308]. Daarna keerde hij zich woedend tegen

de edelen van Apulië en legde hun een verdiende straf op; door zijn

wreede wraakneming verwierf hij den naam van Willem den Booze. Ook

op Sicilië stonden de feudale edelen op, richtten een bloedbad aan

onder de Saraceensche aanhangers van den koning en slaagden er zelfs

in hem gevangen te nemen en op te sluiten; maar het volk trad voor

hem op en bevrijdde hem; zijn laatste jaren schijnt hij bezoedeld

te hebben met verdere wreedheden tegen de oproerige edelen. Zonder

twijfel was hij heftig, wraakzuchtig en bloeddorstig van aard; maar

zijn biografen behoorden allen tot de feudale en clericale partijen

en misschien verdiende hij, van het standpunt van het volk beschouwd,

allerminst bij de nakomelingschap bekend te zijn als Willem de Booze.

Hoe dit ook zij, wij behoeven er niet aan te twijfelen, dat zijn zoon

terecht Willem de Goede werd genoemd, want gedurende zijn regeering

van twee en twintig jaren (of zeventien, indien wij het regentschap van

zijn moeder Margherita er aftrekken), was er geen spoor van oproer of

ontevredenheid. Toen zijn vader stierf, was hij een jongen van dertien

jaar. Zijn opvoeding werd toevertrouwd aan leermeesters, die door zijn

vorstelijke verwanten uit Normandië waren gezonden,--aan Stephanus

van Rouaan, Petrus van Blois, en den Engelschman Walter Of a Mill,

die als zijn particuliere raadsman en kanselier grooten invloed op

hem uitoefende, en door middel van hem op den gang der staatszaken,

en in later tijden beroemd is geworden door de prachtige kerken,

tot wier bouw hij, als Aartsbisschop van Palermo, zijn steun heeft

verleend. Door zijn invloed geschiedde het ongetwijfeld, dat Willem

met een Engelsche prinses in het huwelijk trad, Johanna, de dochter

van Hendrik II en de zuster van Richard Leeuwenhart. Dat Willem II op

een verstandige en onbekrompen wijze optrad, blijkt niet alleen uit

den vreedzamen en welvarenden toestand van zijn eigen gebied, maar

ook uit zijn buitenlandsche staatkunde. Hij sloot een verbond van

twintig jaren met Venetië, en waarschijnlijk werd door zijn toedoen

verhinderd, dat die stad door de wraakzuchtige Byzantijnen verwoest

werd. Hij ondersteunde ook de Noord-Italiaansche republieken krachtig

in haar wanhopigen strijd voor de vrijheid en nam door middel van zijn

afgevaardigden deel aan de beroemde bijeenkomst te Venetië in 1177,

waar Barbarossa met den Paus en de Lombardische steden vrede sloot.

Als een groot en uitstekend regeerder heeft Willem II van Sicilië

onsterfelijke eer gekregen door Dante, die zijn ziel, in de gedaante

van een schitterende ster, in het sterrebeeld van den machtigen Adelaar

plaatst, in den hemel van Jupiter--niet alleen het symbool van het

Romeinsche Keizerrijk, maar van elke rechtvaardige regeering [309].

Het was evenwel ook naar aanleiding van zijn oorlogen tegen de

Muzelmannen en de anti-pauselijke Byzantijnen, dat Willem van de

kroniekschrijvers, de monniken, den bijnaam van "de Goede" [310]

verwierf, ofschoon deze oorlogen niet zeer roemvol of bijzonder

gerechtvaardigd waren. Omstreeks 1180 stak een groote vloot, met

80.000 man, naar men zeide, de Adriatische zee over, en veroverde

Durazzo. Daarna zeilde men Griekenland om en werd Thessalonica

genomen. Maar door een woedenden storm, zooals die, waardoor de vloot

van Darius bij Athos schipbreuk leed, verloren 10.000 man het leven;

en tegen deze ramp woog nauwelijks een groote overwinning ter zee op,

die later op de Grieksche vloot bij Cyprus werd behaald. Willem zond

ook schepen naar het oosten, ofschoon hij zelf zich niet aansloot bij

den derden kruistocht, toen, zooals wij hebben gezien, de inneming

van Jeruzalem door Saladin in 1187 zoovele vorsten opwekte (b.v. de

jonge Richard Leeuwenhart en de oude Barbarossa), om in eigen persoon

deel te nemen aan de herovering van de Heilige Stad.

Niet lang voordat Frederik Barbarossa naar het oosten trok (vanwaar

hij nimmer zou terugkeeren), vond het huwelijk van zijn zoon

Hendrik met de erfgenaam van het koninkrijk der Beide Siciliën te

Milaan plaats. Willem had geen kinderen. Ongeveer drie jaren voor

zijn dood nam hij, gehoor gevend aan den dringenden raad van zijn

Engelschen kanselier, Walter Of a Mill, het verderfelijke besluit

(verderfelijk voor de toekomst van het Italiaansche patriottisme) om

dit huwelijk van zijn tante Constantia met den vorst der Hohenstaufen

te begunstigen. Sommige oude schrijvers beweren, dat Constantia,

die toen op middelbaren leeftijd was, uit een klooster [311] werd

gehaald om dat huwelijk aan te gaan. Dante, die dit verhaal gelooft

en haar ziel in de sfeer van de veranderlijke maan plaatst, spreekt

(bij monde van Beatrice) over haar gehechtheid aan den sluier, dien

zij tegen haar wil weder moest afleggen, en geeft ons een preek over

geloften, die vrijwillig of gedwongen gebroken worden. Machiavelli

verzekert ons, dat Paus Celestinus III (hetgeen onjuist is, want

Celestinus werd eerst in 1191 Paus) trasse di monastero Costanza già

vecchia figliuola di Guglielmo, om haar aan Hendrik als echtgenoot te

geven. Hoe dit ook zij, vrijwillig of onvrijwillig, Constantia trad

in het huwelijk met den Duitschen vorst; honderd en vijftig paarden

brachten naar Milaan een geweldige hoeveelheid goud en zilver en

kostbare stoffen, den bruidschat van haar, die bestemd was de moeder

[312] te worden van het "Wonder der Wereld".

Met den dood van Willem den Goede eindigde de dynastie van de

Noormannen op Sicilië. Onwettige pretendenten verschenen ten tooneele,

maar, zooals wij zullen zien, de Hohenstaufen wonnen het pleit [313].

HOOFDSTUK III.

DE OPKOMST DER REPUBLIEKEN.

tot c. 1200.

Gedeeltelijk aan de onvolledigheid hunner veroveringen, gedeeltelijk

aan de uiteenloopende eigenschappen der rassen moet men het

toeschrijven, dat geen der indringers en vreemde overheerschers er in

geslaagd is een Italiaansche natie te stichten. De krachten, die onder

bepaalde voorwaarden verschillende volken tot één natie vereenigen,

openbaarden zich gedurende de middeleeuwen in Italië, zooals dat in

het oude Griekenland was gebeurd, in een plaatselijk patriottisme

en in de vorming van een aantal onafhankelijke steden, die, omdat

er geen organisch verband tusschen bestond, veroordeeld waren om,

evenals de steden van Griekenland, nooit samen te smelten tot een

hechte confederatie, zooals gevormd wordt door het stevige lichaam van

de moderne constitutioneele republiek of het beperkte koningschap,

maar die er steeds naar streefden zich los van elkander te houden,

behalve wanneer zij tijdelijk door een druk, die van buiten kwam,

werden bijeengehouden. Wat de inwendige aangelegenheden betreft,

hadden de Grieksche en Italiaansche steden ervaringen, welke, daar

zij onder invloed van gelijke krachten, die onder ongeveer gelijke

omstandigheden werkten, ontstonden, dikwijls groote overeenkomst

vertoonen, maar soms ook merkwaardige tegenstellingen [314]. De

binnenlandsche, godsdienstige zoowel als staatkundige twisten, de

omwentelingen, de perioden van democratie, oligarchie en tyrannie,

die vele van deze steden hebben doorgemaakt, bieden belangwekkende

stof voor degenen, die vergelijkende staatkunde studeeren. Doch

hier moeten wij er ons mede tevreden stellen in het kort de opkomst

van deze Italiaansche gemeenten of republieken te verhalen, en haar

ontwikkeling tot het einde van de twaalfde eeuw na te gaan, tot den

vrede van Constanz ongeveer, terwijl wij eenige bijzonderheden zullen

vermelden in verband met de meer belangrijke steden.

De republikeinsche regeeringsvorm vond natuurlijk geen gelegenheid om

zich te ontwikkelen tijdens het militaire despotisme van de Goten,

Byzantijnen, Longobarden en Saracenen, en het civiele en clericale

leenstelsel van het herleefde Keizerrijk was een aartsvijand van dien

regeeringsvorm. Het aangeboren verlangen naar vrijheid en zelfbestuur

geeft een voldoende verklaring van zijn bestaan [315]. De wrok tegen

de vreemde overheersching, die sinds den tijd van Theoderik steeds is

blijven bestaan, kwam bij vele gelegenheden tot uitbarsting; vooral

bleek dit bij de ernstige onlusten, die dikwijls zoowel te Rome als

elders, plaats vonden bij de kroning van een keizer; en toen gedurende

de slappe regeering van de Karolingische vorsten en de anarchie van

de daarop volgende periode vele steden met eigen krachten oorlog

moesten voeren tegen de verschillende vijanden, Saracenen, Magyaren,

Byzantijnen, Lombardische hertogen of vijandige gemeenten, was het

natuurlijk, dat zij op zich zelf moesten leeren vertrouwen en zelf

hun onafhankelijkheid moesten handhaven.

Wij hebben reeds gezien (Deel III, hoofdst. III), hoe Venetië in vroege

tijden reeds voordeel trok van zijn natuurlijke ligging om een bond te

stichten van de steden op de eilanden en zich zoowel van het oostelijk

als van het westelijk Keizerrijk vrij te maken. Ook in het zuiden

vinden wij reeds vroeg ettelijke zeesteden, zooals Napels, Gaeta,

Salerno en Amalfi [316], die haar onafhankelijkheid trachten staande te

houden (niet altijd als republikeinschen regeeringsvorm); deze steden

bereiken door haar handel een hoogen graad van welvaart en door haar

vloten worden zij belangrijke zeestaten, die den Mohammedaanschen

indringers krachtigen weerstand bieden en zich ook weten staande te

houden tegen de Byzantijnsche overweldigers en tegen de Noormannen,

totdat zij ten slotte bij het koninkrijk van de Beide Siciliën worden

ingelijfd. Toen de onafhankelijkheid van deze zuidelijke zeesteden

door de Noormannen was gebroken, ging, ofschoon de Noormannen haar

handel volstrekt niet vernietigden, toch een groot gedeelte van dien

handel over op de Pisanen, Genueezen en Venetianen. In het begin van de

elfde eeuw waren de vloten van Pisa en Genua er in geslaagd Sardinië

te bezetten en de Saracenen [317] van de Ligurische en Toskaansche

kusten en zeeën te verdrijven, en sinds dien tijd groeide de macht van

deze twee steden, onder het bestuur van hun republikeinsche consuls

en volksvergaderingen zeer snel aan, zoowel te land als ter zee; Pisa

werd heerscheres over de Toscaansche en Romeinsche Maremma van Spezia

tot Civita-vecchia en ook over Sardinië en de Balearen, terwijl Genua

het grootste gedeelte van de Riviera bezette en Pisa het bezit van

Corsica betwistte. Beide steden hadden ook een werkzaam aandeel in de

kruistochten en breidden om strijd hun handel naar het oosten [318]

uit, zoodat zij eeuwen lang alle andere machten ter zee, behalve de

Venetianen, overvleugelden; maar Venetië had twee groote voordeden;

het stond in nauwe verbinding met het Byzantijnsche Keizerrijk, en

het had den transito-handel van de oostersche handelswaren, bestemd

voor West- en Noord-Europa, waar nu de verfijning en de weelde van

oudere culturen in hooge mate begon door te dringen.

In het voorbijgaan dient er de aandacht op gevestigd te worden,

hoe tegelijk met de opkomst van deze Italiaansche republieken reeds

dadelijk de onderlinge twisten begonnen. Nauwelijks waren Pisa

en Genua door hun overwinningen op de Saracenen ter zee machtig

geworden, of zij richtten hun vloten tegen elkander en toen namen

die ellendige conflicten een aanvang, die eeuwen lang de krachten van

Italië ondermijnden. Zelfs leenden zij, om sommige hunner mededingers

te vernietigen, hun vloten aan vreemde overweldigers en vijanden van

de republikeinsche vrijheid [319].

Behalve de zeesteden, waarbij Venetië natuurlijk een belangrijke

plaats innam en later onze aandacht zal vragen, verdienen nog de

Lombardische en Toskaansche steden, en ook Rome, nadere beschouwing.

De pogingen van het Romeinsche volk om de Republiek te herstellen,

zijn beschreven in het Historisch Overzicht. Dat deze pogingen,

ofschoon zij een tijdlang met gunstigen uitslag bekroond werden,

ten slotte schipbreuk leden, is zeer goed te begrijpen, wanneer wij

denken aan de eindelooze botsingen tusschen de Pausen en de edelen,

en wanneer wij ons ook rekenschap geven van het feit, dat de stad Rome

zelf, ofschoon er groote rijkdom was onder de feudale aanzienlijken,

zoowel onder de leeken als onder de geestelijken, toch niet zulk

een handel bezat als die, waarop de nieuwe republieken gegrondvest

waren. Rome was geen zeestad met een haven en een sterke vloot. Het was

ook geen middelpunt van een productieve landstreek. Evenmin bezat het

een talrijke en vermogende klasse van burgers, die handel dreven. De

bevolking bestond bijna geheel uit het gepeupel en de aristocratie,

die op veel grooter afstand van elkander stonden dan de plebejers

en patriciërs van vroeger dagen, en tusschen hen bestond slechts

een niet talrijke middenstand, de leden van de militaire scholae

(stads-militie), die zekere staatkundige rechten hadden, bezitters

mochten zijn van onbezwaard land, en wier eenige groote eerzucht was

tot de klasse der nobiliteit te worden toegelaten.

In vorige hoofdstukken hebben wij vele gewichtige punten besproken

in verband met de oudste geschiedenis van de meer belangrijke steden

van Noord- en Midden-Italië. Wij moeten nu onze aandacht beperken

tot eenige van deze steden, die een voornaam aandeel hadden in de

groote republikeinsche beweging van de twaalfde eeuw tegen Frederik

I. Deze beweging bepaalde zich eerst tot eenige Lombardische steden,

waarvan de voornaamste waren Milaan, Brescia, Piacenza, Parma en

Modena (tegen de keizersgezinde steden Pavia, Como, Lodi, Cremona

en andere), maar bij den Bond sloten zich weldra ook de steden,

die meer in het oosten lagen aan, namelijk Verona, Padua, Bologna,

Mantua en Vicenza. De leiding van deze steden had Venetië [320].

Een uitbarsting zooals deze, waardoor de Lombardische Stedenbond tot

stand kwam, moet het gevolg geweest zijn van krachtige invloeden,

die zich ver hadden doen gelden en jaren lang gewerkt hadden. Eenige

van deze krachten hebben wij reeds leeren kennen in verband met de

republikeinsche bewegingen in de aan zee gelegen steden. Wat betreft

de meeste steden van Lombardije en Toskane, belette zonder twijfel

de herhaalde aanwezigheid of doortocht van sterke Duitsche legers de

vroegtijdige ontwikkeling van het republikeinsche regeeringstelsel en

blijkbaar was het eerst gedurende den hevigen en langdurigen strijd

over de Investituur (1073-1122), dat deze steden hun eigen gewicht

als bondgenooten en steunpunten begonnen in te zien en zich gingen

aansluiten bij de eene of de andere partij, zooals het hun voordeelig

toescheen. Florence, en evenzoo een groot deel van Toskane, stond,

gelijk wij in een vorig hoofdstuk hebben gezien, langen tijd onder

regeerders, die het Duitsche imperialisme zeer vijandig gezind

waren en toen na den dood van Gravin Mathilde in 1115 de stad een

zekere mate van onafhankelijkheid verwierf, bleef haar gezindheid

vele jaren lang Welfsch. Maar noch Florence, noch een van de andere

Toskaansche steden, waarvan er sommige Florence vijandig gezind en

hevig Ghibellijnsch waren, nam eenig werkzaam aandeel in de oorlogen

tusschen de republieken en Frederik, ofschoon in dezen tijd vele

van de Toskaansche steden, zooals Siena, Volterra en S. Gimignano,

zich het recht verworven hadden om door jaarlijks gekozen consuls

[321] bestuurd te worden--een voorbeeld, dat weldra door vele andere

steden van Midden-Italië, zooals Spoleto, Assisi, Perugia en Foligno,

zou nagevolgd worden.

De geschiedenis van de botsing tusschen de verbonden republieken en

Frederik Barbarossa is reeds elders verteld. Wij zullen dus eenige

bladzijden besteden aan de inwendige historie van de twee belangrijkste

steden van den Lombardischen Bond, Venetië en Milaan, terwijl wij er

ons niet om zullen bekommeren de feiten nauwkeurig in de omlijsting

van oorlogen en politieke gebeurtenissen te passen.

Venetië (800-1200).

Een vluchtige schets van de geschiedenis van Venetië, of juister

Venetia, van den eersten oorsprong tot de dagen van Karel den Groote

is reeds vroeger gegeven in het derde deel (hfdst. III). Wij zullen

hier nog iets uit de annalen vertellen van de daarop volgende periode

tot de dertiende eeuw. Men zal zich herinneren, dat de vergeefsche

pogingen van Pepijn, den zoon van Karel den Groote, om de Venetianen te

overwinnen, ten gevolge hadden, dat er een nieuwe hoofdstad gesticht

werd op de oevers van den Rivoalto, een plaats, die onneembaar

gebleken was. De aanvoerder van de dappere eilanders, die den aanval

van den Frankischen indringer hadden afgeslagen, werd tot Doge gekozen

(811). Deze nu, Agnello Partecipazio, was de eerste Doge van Venetië,

ofschoon er wel tien Doges van Venetia Maritima waren geweest, van

welke de eerste, Anafesto, reeds in 697 was gekozen. In 813 werd de

zetel der regeering plechtig naar den Rivoalto overgebracht. Hier,

op den westelijken oever van den "Diepen Stroom", op de plaats waar

later, in 1173, de eerste houten Rialto-brug gebouwd werd, was drie

of vier eeuwen lang de marktplaats geweest van deze eilandbewoners,

de Campo di Rialto, en hier was in 421, zooals de overlevering

verhaalt, hun eerste kerk, de S. Giacomo, verrezen [322]. Op den

oostelijken oever van den Rivo Alto stond midden in een grasrijk

veld, de Broglio of Brolo geheeten, de oude kerk van S. Teodore, den

eersten beschermheilige van Venetië, die ongeveer drie eeuwen voor

de dagen van Partecipazio, (wanneer de annalen waarheid spreken),

was opgericht door Byzantijnsche bouwmeesters, die door Narses uit

Constantinopel ontboden waren (zie p. 255). Dicht bij deze kerk werd

weldra, misschien door den zoon en opvolger van Partecipazio, het

oorspronkelijke Paleis van de Doges [323] gebouwd. Ook verrees nu de

oorspronkelijke kerk van S. Zaccaria, om het vermeende stoffelijke

overschot van den vader van Johannes den Dooper [324] te ontvangen

en als begraafplaats van de oudste Doges te dienen.

Omstreeks 828 werd het gewaande lijk van den H. Marcus naar Venetië

gebracht, wanneer men het verhaal van de vrome dieven mag gelooven;

en het werd gered uit de handen der goddelooze Saracenen, die het

aan een onderzoek wilden onderwerpen door het aan den mast te binden

en met varkensvleesch te bedekken. Een kapel (memoria) werd op den

Broglio opgericht om de reliquie te ontvangen.

In 976 verwoestte een groote brand deze gedenk-kapel, en ook, ten

minste gedeeltelijk, het hertogelijk paleis. Dit gebeurde gedurende

de korte regeering van den Doge Pietro Orseolo I, die, zooals in een

vroeger hoofdstuk is verteld, door St. Romualdus van Ravenna werd

overreed om kluizenaar te worden en Venetië in het geheim te verlaten

(zie p. 304). Men zegt, dat Orseolo een verzoek naar Constantinopel

heeft gestuurd om bekwame bouwmeesters te zenden en zijn geheele

vermogen heeft verbruikt om de kapel te herbouwen of misschien om

den bouw van de veel grooter kerk te beginnen, die op dezelfde plaats

langzamerhand verrees.

Dat Venetië reeds in deze vroegste tijden, niettegenstaande

den merkwaardigen groei van zijn handel en zijn macht ter zee

en niettegenstaande den schijnbaar stevigen vorm van regeering,

blootgesteld was aan dergelijke gevaren, als die waarvan alle andere

Italiaansche republieken te lijden hadden, blijkt uit de vele en

ernstige intriges en ongeregeldheden, waarover wij berichten hebben

in verband met de verkiezingen van de Doges, en de talrijke veeten en

partijtwisten, die voortdurend in de stad heerschten. Om dit nader

toe te lichten kunnen wij vermelden, dat tijdens de regeering van

Memo, een zwakken en slechten man, die in 991, van moord verdacht,

is afgezet, de invloedrijke familie van de Caloprini er bijna in

slaagde hun geboortestad op te offeren aan de wraak, die zij wilden

nemen op hun staatkundige mededingers, de Morosini; de Caloprini

zochten hun toevlucht aan het hof van Otto II en overreedden hem

met een sterke vloot en een groot leger op te trekken tegen Venetië,

waar hun partijgenooten bereid waren om de belegeraars door verraad

te helpen. Maar, gelukkig voor Venetië, werd het plan verijdeld door

den dood van Otto.

Memo werd opgevolgd door een van de grootste van de Doges, Pietro

Orseolo II, onder wiens regeering Venetië een aanvang maakte met

die veroveringen, waardoor het zulk een belangrijke macht werd

aan de Middellandsche zee; want hij onderwierp de Kroaten en de

Adriatische zeeroovers en annexeerde Dalmatië. Sinds dien tijd werd

door den Venetiaanschen Doge de titel "Doge van Dalmatië" gevoerd,

en maakte Venetië zelf er aanspraak op heerscher van de Adriatische

zee te zijn; het recht op deze heerschappij werd ook zinnebeeldig

voorgesteld door een feest, de Sensa geheeten, waarbij de schepen van

den Staat uitzeilden naar de open zee en de Doge door den Bisschop

met zout water werd besprenkeld. Dit feest ontwikkelde zich in

later tijden tot de schilderachtige plechtigheid van den Sposalizio,

de bruiloft van Venetië met de Adriatische zee, een plechtigheid,

die stand hield tot het jaar 1797, ongeveer achthonderd jaar, nadat

de Sensa was ingesteld. Orseolo II wekte een groote bewondering op

in het overgevoelige gemoed van Otto III. Men zal zich herinneren,

dat deze vrome, overspannen vorst het plan (dat nooit verwezenlijkt

zou worden) koesterde om zich uit de wereld terug te trekken, zooals

de eerste Doge Orseolo had gedaan, en dat hij een tijdlang in het

klooster van Classe, bij Ravenna, leefde, waar St. Romualdus tevergeefs

trachtte hem te overreden zich voor altijd aan het kloosterleven te

wijden. Gedurende zijn verblijf te Ravenna (omstreeks 1000) heeft

Otto, "in slaafsche kleederen vermomd", naar men vertelt, Venetië

bezocht en tranen van ontroering kwamen hem in de oogen, toen hij

den luister van de onlangs herbouwde kathedraal en het hertogelijk

paleis aanschouwde. Maar ondanks deze tranen schijnt Doge Orseolo

toch de Venetiaansche vloot niet beloofd te hebben (of in ieder geval

niet geleend te hebben), die Otto zoo gaarne had willen gebruiken om

zekere plannen van niet zeer godsdienstige strekking te volvoeren.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 32 / 48 段