tot paus kiezen den kapelaan Bruno, zijn achterneef, 23 jaar oud,
den zoon van de Markgravin van Verona. Bruno, die de eerste Duitsche
Paus was, nam den naam Gregorius V aan. Ongeveer drie weken na zijn
wijding zette hij den keizerlijken diadeem op het hoofd van zijn
koninklijken bloedverwant in de St. Pieterskerk te Rome. Maar in
September van hetzelfde jaar werd Paus Gregorius door een opstand,
die geleid werd door een machtig edelman, Crescentius, gedwongen
te vluchten naar Pavia, vanwaar hij een machteloozen banbliksem
slingerde tegen den Romeinschen rebel. Crescentius beantwoordde de
uitdaging door een tegenpaus te laten benoemen. Zijn keuze viel op
Philagathus, den Bisschop van Piacenza, een Griek uit Calabrië,
die vroeger, evenals Silvester II, de gouverneur van Otto was
geweest. Deze prelaat was onlangs uit Constantinopel teruggekeerd,
waarheen Otto, zijn vroegere leerling, hem had gestuurd om voor hem
de hand te vragen van een Byzantijnsche prinses. Zeer waarschijnlijk
had hij de hoop gekoesterd den pauselijken zetel te bemachtigen en
voelde zich ongetwijfeld beleedigd, toen de jonge Otto zijn neef Bruno
benoemde. Hoe dit ook zij, hij nam het aanbod, dat Crescentius hem
deed, aan en werd in Mei 997 gewijd met den naam Johannes XVI. Toen
besloot Otto zijn neef in de pauselijke waardigheid te herstellen. Hij
trok de Alpen over en bracht Kerstmis van dat jaar te Pavia door. Vroeg
in het volgend voorjaar trok hij Rome binnen. Crescentius trok zich
in den bijna onneembaren, van levensmiddelen goed voorzienen burcht
van S. Angelo (Engelenburg) terug, terwijl de tegenpaus uit de stad
vlood en een toevlucht in een kasteel, ergens in de Campagna, zocht,
in de hoop vandaar over land of over zee naar het Byzantijnsch gebied
te kunnen ontsnappen. Voor een beschrijving van hetgeen daarop volgde
zullen wij een passage uit Villari, vrij vertaald, laten volgen:
"Terwijl de tegenpaus zich in dit kasteel schuil hield, werd hij door
eenige soldaten van den Keizer ontdekt, die hem zijn oogen uitstaken,
zijn tong uitrukten en zijn ooren afsneden. Zoo verminkt werd hij
voor een Synode gebracht, geëxcommuniceerd en van zijn pontificale
kleederen beroofd. Daarop werd hij omgekeerd op een ezel gezet en in
optocht door de straten van Rome geleid, vergezeld van een heraut,
die zijn misdaden en de straf, die hem was opgelegd, met luider
stemme afkondigde. Vervolgens werd hij in een kerker geworpen en daar
stierf hij.
Nadat Otto verscheidene concilies geleid had en bevel had gegeven,
dat nieuwe kerken en kloosters zouden worden opgericht, bij welke
gelegenheden hij voor geen uitgaven terugdeinsde, begon hij wederom
den Engelenburg te belegeren en moest Crescentius dien weldra
overgeven. Hij slaagde daarin, zegt men, door te beloven het leven
van Crescentius te sparen; maar hij hield zijn woord niet. Crescentius
werd onthoofd en zijn lichaam werd, nadat men het van den muur van den
burcht had geslingerd, aan de voeten opgehangen aan een galg op den
Monte Mario. Ook de voornaamste magistraten van elk der twaalf wijken
van de stad werden met den dood gestraft. Zoo trad deze fanatische
hersteller van het Romeinsche Keizerrijk, deze vrome stichter van
kerken en kloosters, deze godsvruchtige vereerder van kluizenaars,
wanneer zich de gelegenheid aanbood, als een wreede despoot op".
HOOFDSTUK II.
DE NOORMANNEN.
De schitterende episode van de Noormannen-overheersching in Sicilië
en Zuid-Italië is zoo belangwekkend [295] en had zulk een grooten
invloed op de geschiedenis van Italië, dat, ofschoon de voornaamste
gebeurtenissen reeds vermeld zijn in het historisch overzicht van
dit tijdperk, er toch nog eenige bladzijden aan dit onderwerp zullen
gewijd worden.
De Noormannen, wier voorvaders, zooals van de meeste der vroegste
bewoners van Noord- en Midden-Europa, waarschijnlijk uit het
verre oosten kwamen en tot den zoogenaamden Indo-Germaanschen
stam behoorden, schijnen een ras van buitengewoon schoon-gevormde,
moedige en geharde Noren geweest te zijn, nauw verwant aan de Denen,
en die evenals deze hartstochtelijk van het zeeleven hielden. Gedreven
door lust tot avonturen en door een stem uit het zuiden, die in deze
Arische indringers van de sombere en ruwe noordelijke landen dikwijls
reeds lang sluimerende herinneringen aan een zonniger klimaat wakker
riep, begonnen zij de woeste golven op hun vlugge zwarte schepen te
doorklieven, "de vlucht van den zwaan volgend"; en weldra verspreidden
deze stoutmoedige Vikings (kreek-mannen, fjordmannen) schrik en angst
langs de kusten van Duitschland en Frankrijk en voeren met hun lichte
vaartuigen zelfs ver het binnenland in, de bevaarbare rivieren op,
en droegen soms hun schepen van de eene rivier naar de andere over.
Toen Karel de Groote een vloot van deze Noorsche zeeschuimers in snelle
vaart langs de kust van Frankrijk zag zeilen, werd hij door sombere
voorgevoelens bevangen. En weldra werd zijn angst bewaarheid. In
845 staken de Noormannen Hamburg in brand en een paar jaren later
plunderden zij Keulen, Trier en Aken en gebruikten de prachtige
kathedraal van Karel den Groote als stal voor hun paarden. Ongeveer
een halve eeuw lang maakten zij deze streken onveilig, maar in 891
viel Arnulf van Carinthië, voordat hij naar Italië kwam en tot Keizer
werd gekroond, hun sterke legerplaats in de moerassen van de Dyle aan
en bracht hen daar bij Leuven zulk een verpletterende nederlaag toe,
dat zij uit Noord-Duitschland wegtrokken, hen in de toekomst met vrede
[296] lieten en naar het Westen, naar de noordkust van Frankrijk
gingen. Zij voeren hier de Seine op, veroverden Rouaan en bezetten
het omliggende gebied. In 911 stond de Fransche koning, Karel de
Eenvoudige, deze landstreek af aan Rollo, den hertog der Noormannen
en het duurde niet lang, of de heidensche "Piraten", zooals zij
gewoonlijk werden genoemd, namen taal (langue d'oïl), godsdienst en
zeden, en zelfs de volkslegenden, van hun nieuw vaderland over [297].
Toen de Noormannen den Christelijken godsdienst hadden aangenomen en
als volk door de andere Christelijke volkeren waren erkend, bracht
hun oorlogzuchtige en rustelooze geest, en misschien ook staatkundige
troebelen, vele edelen er toe benden van avonturiers naar zuidelijke
landen te leiden. Onder deze, die men dolende ridders, doch ook
wel pelgrims zou kunnen noemen, waren eenige Noormannen, die zelfs
het Heilige Land bereikten en wel ongeveer vijftig jaar, voordat de
Noormannen Engeland veroverden en de Turken Jeruzalem innamen. Op
hun terugtocht naar het vaderland landden zij in Italië. Daar vonden
zij de Saracenen van Sicilië, die hun niet minder vijandig gezind
bleken dan de Fatimiden, de kaliefen in Palestina. De Saracenen
belegerden de stad Salerno, om haar te dwingen schatting te betalen;
ofschoon de Noormannen slechts veertig in getal waren, noodzaakten
zij, naar men vertelt, de ongeloovigen het beleg op te breken. De
vorst van Salerno, Guaimar, was zoo onder den indruk van dit feit,
dat hij de vreemdelingen verzocht in zijn dienst te treden, en toen
zij weigerden, daar zij "slechts voor hun geloof en niet voor betaling
streden", gaf hij hun een boodschap, of gezanten, mede naar Normandië,
in de hoop daar soldaten te zullen werven. Het was misschien ook deze
troep pelgrims, die, toen zij uit Palestina terugkeerden, bij den Monte
Gargano (zooals wij vroeger reeds hebben verteld) een zekeren soldaat,
een gelukzoeker, Melus of Melo geheeten, ontmoetten. Er wordt verteld,
dat deze man gevlucht was uit de stad Bari, die toen in handen van
de Byzantijnen was, en dat hij met de Noormannen en met soldaten van
Guaimar een overeenkomst heeft gesloten om zich op de Byzantijnen te
wreken. [298]
Dit zijn de gebeurtenissen, die misschien een juiste verklaring
geven van de aanwezigheid van verschillende benden van Noorsche
krijgslieden in Zuid-Italië, omstreeks 1018. Melo's poging om wraak
te nemen mislukte, niettegenstaande den moed van zijn huursoldaten,
de Noormannen, en de Byzantijnen breidden voor eenigen tijd hun
macht aanzienlijk uit (zie p. 308). Maar de Hertog van Benevento en
andere vorsten streefden er ijverig naar de Noormannen in dienst te
nemen en het aantal van deze geweldige krijgers nam zoo snel toe,
dat zij weldra in staat waren hun aanspraken op het gebied, dat door
hun krachtige hulp veroverd was, te laten gelden; aldus begonnen zij
onafhankelijke gemeenten te stichten. Het recht om zoo te handelen was
hun omstreeks 1028 door Koenraad II geschonken, die hun had toegestaan
zich te vestigen in het gebied van Capua om Pandulf tegen te werken,
den oproerigen despoot van die stad; en Pandulf's vijand, de Hertog
van Napels, Sergius, beloonde de Noormannen voor hun hulp door de
stad Aversa aan hun aanvoerder, Rainulf te geven. Deze stad Aversa,
welke achttien K.M. ten noorden van Napels ligt, was de eerste vaste
woonplaats van de Noormannen in Italië en het werd, als het ware,
de kern van hun toekomstig koninkrijk.
Behalve de Noormannen te Aversa waren er vele groepen, die zich
nog nergens blijvend gevestigd hadden, maar in dienst traden, waar
gestreden werd, en hun aantal groeide voortdurend aan door nieuwen
aanvoer uit het noorden. Guaimar van Salerno, die steeds door de
Saracenen met hun sterke vloten werd lastig gevallen, verbond zich
(1038) met de Byzantijnen van Zuid-Italië om een aanval te doen op
Sicilië, dat reeds twee eeuwen, sinds den val van Palermo in 831,
in de macht van de ongeloovigen was. Deze expeditie, ofschoon die
mislukt is, omdat de aanvoerders twist kregen en de strijdkrachten
van de Christenen weldra naar Italië terugkeerden, verdient toch onze
aandacht, daar een van de voornaamste strijders bij het contingent
van de Noormannen een oudere broeder van den beroemden Robert Guiscard
was, een van de twaalf zonen van Tancredo d'Hauteville. Zijn naam was
Willem Bras de fer, hij noemde zichzelf Graaf van Apulië en volgens
zijn levensbeschrijver [299] was hij "een leeuw in den oorlog, een lam
in gezelschap en een engel in den raad". Met zijn "ijzeren arm" wierp
hij den emir van Syracuse van het paard en doodde hem; zijn kleine
troep krijgslieden versloeg 60.000 Saracenen. Doch niettegenstaande
dergelijke wapenfeiten was alles vergeefsch en het duurde nog vijftig
jaren, voordat de heerschappij der Noormannen op Sicilië gevestigd was.
Gedurende deze vijftig jaar (c. 1040-1090) nam de macht der
Noormannen in Zuid-Italië in hooge mate toe. Willem Bras de fer
stierf, maar andere dappere zonen van Tancredo d'Hauteville kwamen
uit hun vaderland, om zijn plaats in te nemen. Droge was zijn eerste
opvolger en toen Droge door de hand van een sluipmoordenaar was
gevallen, werd zijn broeder Humfried Graaf van Apulië en nam deze de
leiding van de vereenigde strijdkrachten der Noormannen in Apulië en
Calabrië op zich. In 1053 vond de slag plaats (vgl. p. 314), waarin
de Noormannen van Humfried, geholpen door hun landgenooten van Aversa
onder Graaf Richard, de Duitsche en Italiaansche troepen van Leo IX
een verpletterende nederlaag niet ver van den berg Gargano, bij de
Adriatische kust toebrachten. Paus Leo zelf werd gevangen genomen, en
men zal zich herinneren, hoe de overwinnaars zich eerbiedig voor hun
gevangene op de knieën wierpen en hem om vergiffenis smeekten--maar
hem toch zes maanden als gijzelaar vast hielden. Eindelijk, toen zij
hem vrijgelaten hadden, of misschien om zijn vrijheid te herkrijgen,
erkende de Paus als een fait accompli de veroveringen van de Noormannen
en wanneer hij Humfried niet plechtig bekleed heeft met de waardigheid
van Graaf of Hertog van Apulië en Calabrië, dan werd toch zeker zes
jaren later door Paus Nicolaas II de broeder en opvolger van Humfried,
Robert Guiscard, met die waardigheid bekleed. Nicolaas had blijkbaar
niet zulk een reden tot dankbaarheid, als Leo had, maar er waren,
zooals wij zullen zien, staatkundige beweegredenen, die de oorzaak
waren van zijn blijkbaar groote edelmoedigheid; want hij bevrijdde
Robert niet alleen [300] van den ban en huldigde hem als Hertog van
Apulië en Calabrië, maar beloofde ook hem als Hertog van Sicilië te
herkennen, zoodra hij er in zou slagen dit eiland aan de Saracenen
te ontrukken.
Robert Guiscard (of Wiscard, "de Wijze"), de zesde zoon van Tancredo
d'Hauteville, was toen veertig jaar oud. Hij regeerde, nadat hij door
Nicolaas als hertog erkend was, vijf en twintig jaar en breidde de
macht van de Noormannen in Italië aanmerkelijk uit. Hij was eerst,
evenals Richard van Aversa (of beter gezegd, van Capua, want over deze
stad had hij de heerschappij gekregen), op goeden voet met de Pausen,
maar toen Hildebrand gekozen werd, ontstonden er moeilijkheden;
want de toenemende macht van Robert strookte volstrekt niet met
de eerzuchtige plannen van den nieuwen Paus. Maar door de listige
politiek van Hildebrand veranderde de stand van zaken geheel en
al. Men zal zich herinneren, dat Hildebrand, de monnik, lang voordat
hij Paus werd, grooten invloed had uitgeoefend op de besluiten van
het pauselijk hof; inderdaad waren Nicolaas II en Alexander II slechts
zijn werktuigen. Zijn sluwe politiek was het, waardoor Nicolaas er toe
overging om Robert als hertog te erkennen en hijzelf had in zoo hooge
mate de vriendschap gewonnen van den anderen Noorschen aanvoerder,
Richard van Aversa en Capua, dat deze vorst hem had geholpen om den
tegenpaus Benedictus den genadeslag te geven. Toen Hildebrand nu Paus
werd en de Investituurstrijd uitbrak was hij verstandig genoeg om te
voorzien, dat een verbond met de Noormannen voor hem noodzakelijk was
met het oog op zijn conflict met den Keizer; en toen, na de vernedering
van Hendrik IV te Canossa, het zich liet aanzien, dat de twist weder
met groote bitterheid zou losbarsten, was hij vast besloten zich van de
vriendschap met Robert Guiscard te verzekeren, die juist onlangs zijn
macht had vergroot door zich meester te maken van Salerno en aldus het
laatste steunpunt van de Longobardische heerschappij in Zuid-Italië
had doen verdwijnen. Hildebrand's diplomatische bekwaamheid werd in
dit geval met een verrassenden uitslag bekroond.
Hertog Robert (het is niet gemakkelijk te begrijpen, om welke redenen)
ging niet alleen op zijn voorstellen in, maar bracht hem zelfs wegens
zijn hertogdom hulde als leenman (een hulde, die de koningen van
Sicilië 600 jaar gebracht hebben) en bevestigde de aanspraak van den
Paus op Benevento, een recht dat tot het jaar 1860 erkend is. Sinds
dien tijd waren de Noormannen van Zuid-Italië een sterke steunpilaar
van de Kerk van Rome.
Ongeveer tien jaar voor deze gebeurtenis was Robert Guiscard zijn
jongsten broeder, Roger, te hulp gekomen, dien hij had uitgezonden
tegen de Saracenen op Sicilië. In 1072 had hij deelgenomen aan de
inneming van Palermo, dat thans, nadat het 240 jaar in de macht van
de Arabische en Afrikaansche Muzelmannen was geweest, de hoofdstad zou
worden van Christelijke vorsten, wier naaste voorouders Scandinavische
Vikings waren geweest. Roger liet zich tot Graaf van Sicilië uitroepen,
maar het duurde bijna twintig jaar, voordat hij het geheele eiland
volkomen had onderworpen en de Saracenen in zijn leger en zijn rijk
had opgenomen.
Onderwijl had Robert Guiscard, nadat de laatste van de Longobardische
staten in zijn gebied was ingelijfd, het plan gevormd zijn veroveringen
aan de overzijde van de Adriatische zee voort te zetten en zich meester
te maken van Constantinopel zelf. Zijn tochten naar Sicilië hadden
ten gevolge gehad, dat hij een sterke vloot had gekregen, en het bloed
van de oude Vikings klopte in zijn aderen, toen hij voor zijn nieuwe
eerzuchtige plannen [301] meer dan honderd oorlogsschepen liet bouwen
om de zee over te steken met een leger van 30.000 man, naar men zegt,
waaronder vele Saracenen waren, die hij in zijn dienst had genomen. Hij
bezette Corfu en sloeg het beleg voor Durazzo (Dyrracchium). De Keizer
van het oosten, Alexius Comnenus, riep toen de hulp in van Venetië,
en Venetië, dat met afgunst een nieuwe macht ter zee zag opkomen, sloeg
het verzoek niet af. Met een groote menigte galeien viel Doge Selvo aan
en het scheen, alsof hij de vloot der belegeraars zou overweldigen,
maar Robert en zijn Noormannen deden de krijgskans keeren en trokken
weldra Durazzo binnen (1082). Het leek wel waarschijnlijk, dat hij een
aanval zou wagen op Constantinopel, dat men van Durazzo gemakkelijk
kon bereiken langs den prachtigen Romeinschen militairen weg, de Via
Egnatia. Maar in Rome waren ernstige dingen gebeurd. Keizer Hendrik IV
had, zooals wij weten, de città Leonina (de wijk die naar Paus Leo IV
heette) bezet, en Paus Gregorius werd ingesloten op den Engelenburg
en zond angstige boodschappen aan Robert om hulp. Deze liet daarop
den oorlog in Dalmatië aan zijn zoon Bohemund over en ging haastig
naar Italië terug, joeg Hendrik op de vlucht, bevrijdde Hildebrand en
bracht eeuwigdurende schande over zijn goeden naam, door zijn troepen
toestemming te geven Rome te plunderen.
Dit gebeurde in het begin van den zomer 1084. In den herfst bereikte
hij weder Dalmatië, juist op tijd om een tweeden hevigen aanval van
de Venetianen en Byzantijnen af te slaan, die bij deze gelegenheid,
zegt men, 13.000 man verloren. Doge Selvo vluchtte naar zijn lagunen
met de overblijfselen van zijn vloot en werd afgezet [302]. Zijn
opvolger, Vitale Falieri, wendde krachtige pogingen aan om de nederlaag
te wreken, en inderdaad met eenig gunstig gevolg; maar het was de
dood van Robert Guiscard, die een einde maakte aan den aanval van de
Noormannen op het Oostelijke Keizerrijk. Hij stierf plotseling [303],
misschien aan de pest of door vergift, terwijl hij een poging deed
om het eiland Cephalonia te veroveren (Juli 1085).
De jongste van Robert's twee zonen, Roger Borsa, was de lieveling
van zijn vader geweest en had zich van de opvolging in het hertogdom
verzekerd. De oudste, Bohemund, moest zich tevreden stellen met Taranto
(Tarente). In 1097 sloot hij zich bij den eersten kruistocht aan met
eenige duizenden Normandische krijgslieden. Verhalen, die in verband
staan met zijn heldendaden in het oosten--de inneming van Antiochië met
de hulp van de Genueezen en Pisanen en door een list, die den zoon van
"Guiscard" waardig was (Gibbon noemt hem den Latijnschen Odysseus),
de ontdekking van de "heilige speer" en de nederlaag van een geweldig
leger der ongeloovigen, de stichting van Christelijk vorstendom in
Antiochië--kan men vinden in de Gerusalemne Liberata van Tasso en
schilderachtige beschrijvingen kan men lezen in de Decline and Fall
of the Roman Empire. Kroniekschrijvers vertellen ook, hoe hij vier
jaren in Turksche gevangenis smachtte en eindelijk ontsnapte door de
hulp van een Mohammedaansche prinses. Na zijn ontvluchting schijnt hij
weder troepen in Italië verzameld te hebben om Antiochië te heroveren,
maar zijn aanval op Durazzo was blijkbaar vergeefsch en hij keerde
naar Tarente terug, waar hij ongeveer 1112 stierf. Roger Borso was
kort tevoren gestorven en het hertogdom van Apulië was overgegaan
in de handen van zijn zoon Willem, die, ofschoon zwak van lichaam en
geest, toch gedurende de volgende zestien jaren 1111-1127 zijn gezag
wist staande te houden.
Ondertusschen had de jongste broeder van Robert Guiscard, Graaf Roger,
de Saracenen in Sicilië volkomen overwonnen. Hij bereikte, evenals
Robert, den leeftijd van zeventig jaar. Bij zijn dood, in 1101, liet
hij slechts twee zonen na, een van acht en een van zes jaar. Hun
moeder, de derde vrouw van Graaf Roger, Adelaïda van Monteferrato,
was regentes over den oudste, Simon, die in 1105 stierf, en over den
jongste, Roger, totdat hij den volwassen leeftijd had bereikt. Zij
vertrok naar Palaestina, waar zij trouwde met Boudewijn (den broeder
van Godfried), den koning van Jeruzalem.
Wij hooren weinig van Graaf Roger den Tweede van Sicilië, totdat
het hertogdom van Apulië en Calabrië openvalt door den dood van zijn
achterneef Willem. Hij treedt nu krachtig op, landt bij Salerno, maakt
aanspraak op de opvolging, aanvaardt de hulde van zijn aanhangers,
stuurt gezanten naar Rome om te berichten, dat het hem aangenaam zal
zijn de investituur te ontvangen, en, wanneer Paus Honorius II niet
genegen blijkt om op dat voorstel in te gaan, wordt hij door eenig
machtsvertoon weldra tot meer inschikkelijkheid gebracht. Nadat hij
door dergelijke maatregelen overal in het gebied der Noormannen zijn
gezag bevestigd had, riep hij een groot Concilie of Parlement bijeen
te Palermo in het jaar 1130 en neemt de koninklijke kroon aan en den
titel Koning van Sicilië of misschien van "de Beide Siciliën [304]".
Men zal zich herinneren, dat in dezen tijd Paus Innocentius II naar
Frankrijk moest vluchten en Anacletus, de tegenpaus, de macht in
handen had. Anacletus zond naar Palermo een gezant om de plechtige
handeling van de kroning te verrichten; maar deze kroning werd
door de orthodoxen als onwettig beschouwd en de toestand werd nog
bedenkelijker, toen St. Bernard van Clairvaux en het Lateraan-Concilie
van 1133 Innocentius alleen als Paus erkenden en de handelingen
van Anacletus nietig verklaarden. Plaat 34 stelt een mozaïek voor,
dat Roger in de S. Maria dell'Ammiraglio (thans la Martorana) te
Palermo heeft laten aanbrengen. Men ziet daarop den koning, die van
Christus de kroon, welke hem door den Paus is geweigerd, ontvangt. Maar
kort na het Lateraan-Concilie overkwam Paus Innocentius het ongeluk
door Roger gevangen te worden genomen en de overwinnaar behandelde,
evenals Robert Guiscard zich ten opzichte van Leo IX had gedragen,
zijn gevangene met eerbied, en werd, als belooning hiervoor, erkend
als Koning van Sicilië, Hertog van Apulië en Capua [305].