In het jaar 996 liet Otto III, die toen nog slechts zestien jaar was,

tot paus kiezen den kapelaan Bruno, zijn achterneef, 23 jaar oud,

den zoon van de Markgravin van Verona. Bruno, die de eerste Duitsche

Paus was, nam den naam Gregorius V aan. Ongeveer drie weken na zijn

wijding zette hij den keizerlijken diadeem op het hoofd van zijn

koninklijken bloedverwant in de St. Pieterskerk te Rome. Maar in

September van hetzelfde jaar werd Paus Gregorius door een opstand,

die geleid werd door een machtig edelman, Crescentius, gedwongen

te vluchten naar Pavia, vanwaar hij een machteloozen banbliksem

slingerde tegen den Romeinschen rebel. Crescentius beantwoordde de

uitdaging door een tegenpaus te laten benoemen. Zijn keuze viel op

Philagathus, den Bisschop van Piacenza, een Griek uit Calabrië,

die vroeger, evenals Silvester II, de gouverneur van Otto was

geweest. Deze prelaat was onlangs uit Constantinopel teruggekeerd,

waarheen Otto, zijn vroegere leerling, hem had gestuurd om voor hem

de hand te vragen van een Byzantijnsche prinses. Zeer waarschijnlijk

had hij de hoop gekoesterd den pauselijken zetel te bemachtigen en

voelde zich ongetwijfeld beleedigd, toen de jonge Otto zijn neef Bruno

benoemde. Hoe dit ook zij, hij nam het aanbod, dat Crescentius hem

deed, aan en werd in Mei 997 gewijd met den naam Johannes XVI. Toen

besloot Otto zijn neef in de pauselijke waardigheid te herstellen. Hij

trok de Alpen over en bracht Kerstmis van dat jaar te Pavia door. Vroeg

in het volgend voorjaar trok hij Rome binnen. Crescentius trok zich

in den bijna onneembaren, van levensmiddelen goed voorzienen burcht

van S. Angelo (Engelenburg) terug, terwijl de tegenpaus uit de stad

vlood en een toevlucht in een kasteel, ergens in de Campagna, zocht,

in de hoop vandaar over land of over zee naar het Byzantijnsch gebied

te kunnen ontsnappen. Voor een beschrijving van hetgeen daarop volgde

zullen wij een passage uit Villari, vrij vertaald, laten volgen:

"Terwijl de tegenpaus zich in dit kasteel schuil hield, werd hij door

eenige soldaten van den Keizer ontdekt, die hem zijn oogen uitstaken,

zijn tong uitrukten en zijn ooren afsneden. Zoo verminkt werd hij

voor een Synode gebracht, geëxcommuniceerd en van zijn pontificale

kleederen beroofd. Daarop werd hij omgekeerd op een ezel gezet en in

optocht door de straten van Rome geleid, vergezeld van een heraut,

die zijn misdaden en de straf, die hem was opgelegd, met luider

stemme afkondigde. Vervolgens werd hij in een kerker geworpen en daar

stierf hij.

Nadat Otto verscheidene concilies geleid had en bevel had gegeven,

dat nieuwe kerken en kloosters zouden worden opgericht, bij welke

gelegenheden hij voor geen uitgaven terugdeinsde, begon hij wederom

den Engelenburg te belegeren en moest Crescentius dien weldra

overgeven. Hij slaagde daarin, zegt men, door te beloven het leven

van Crescentius te sparen; maar hij hield zijn woord niet. Crescentius

werd onthoofd en zijn lichaam werd, nadat men het van den muur van den

burcht had geslingerd, aan de voeten opgehangen aan een galg op den

Monte Mario. Ook de voornaamste magistraten van elk der twaalf wijken

van de stad werden met den dood gestraft. Zoo trad deze fanatische

hersteller van het Romeinsche Keizerrijk, deze vrome stichter van

kerken en kloosters, deze godsvruchtige vereerder van kluizenaars,

wanneer zich de gelegenheid aanbood, als een wreede despoot op".

HOOFDSTUK II.

DE NOORMANNEN.

De schitterende episode van de Noormannen-overheersching in Sicilië

en Zuid-Italië is zoo belangwekkend [295] en had zulk een grooten

invloed op de geschiedenis van Italië, dat, ofschoon de voornaamste

gebeurtenissen reeds vermeld zijn in het historisch overzicht van

dit tijdperk, er toch nog eenige bladzijden aan dit onderwerp zullen

gewijd worden.

De Noormannen, wier voorvaders, zooals van de meeste der vroegste

bewoners van Noord- en Midden-Europa, waarschijnlijk uit het

verre oosten kwamen en tot den zoogenaamden Indo-Germaanschen

stam behoorden, schijnen een ras van buitengewoon schoon-gevormde,

moedige en geharde Noren geweest te zijn, nauw verwant aan de Denen,

en die evenals deze hartstochtelijk van het zeeleven hielden. Gedreven

door lust tot avonturen en door een stem uit het zuiden, die in deze

Arische indringers van de sombere en ruwe noordelijke landen dikwijls

reeds lang sluimerende herinneringen aan een zonniger klimaat wakker

riep, begonnen zij de woeste golven op hun vlugge zwarte schepen te

doorklieven, "de vlucht van den zwaan volgend"; en weldra verspreidden

deze stoutmoedige Vikings (kreek-mannen, fjordmannen) schrik en angst

langs de kusten van Duitschland en Frankrijk en voeren met hun lichte

vaartuigen zelfs ver het binnenland in, de bevaarbare rivieren op,

en droegen soms hun schepen van de eene rivier naar de andere over.

Toen Karel de Groote een vloot van deze Noorsche zeeschuimers in snelle

vaart langs de kust van Frankrijk zag zeilen, werd hij door sombere

voorgevoelens bevangen. En weldra werd zijn angst bewaarheid. In

845 staken de Noormannen Hamburg in brand en een paar jaren later

plunderden zij Keulen, Trier en Aken en gebruikten de prachtige

kathedraal van Karel den Groote als stal voor hun paarden. Ongeveer

een halve eeuw lang maakten zij deze streken onveilig, maar in 891

viel Arnulf van Carinthië, voordat hij naar Italië kwam en tot Keizer

werd gekroond, hun sterke legerplaats in de moerassen van de Dyle aan

en bracht hen daar bij Leuven zulk een verpletterende nederlaag toe,

dat zij uit Noord-Duitschland wegtrokken, hen in de toekomst met vrede

[296] lieten en naar het Westen, naar de noordkust van Frankrijk

gingen. Zij voeren hier de Seine op, veroverden Rouaan en bezetten

het omliggende gebied. In 911 stond de Fransche koning, Karel de

Eenvoudige, deze landstreek af aan Rollo, den hertog der Noormannen

en het duurde niet lang, of de heidensche "Piraten", zooals zij

gewoonlijk werden genoemd, namen taal (langue d'oïl), godsdienst en

zeden, en zelfs de volkslegenden, van hun nieuw vaderland over [297].

Toen de Noormannen den Christelijken godsdienst hadden aangenomen en

als volk door de andere Christelijke volkeren waren erkend, bracht

hun oorlogzuchtige en rustelooze geest, en misschien ook staatkundige

troebelen, vele edelen er toe benden van avonturiers naar zuidelijke

landen te leiden. Onder deze, die men dolende ridders, doch ook

wel pelgrims zou kunnen noemen, waren eenige Noormannen, die zelfs

het Heilige Land bereikten en wel ongeveer vijftig jaar, voordat de

Noormannen Engeland veroverden en de Turken Jeruzalem innamen. Op

hun terugtocht naar het vaderland landden zij in Italië. Daar vonden

zij de Saracenen van Sicilië, die hun niet minder vijandig gezind

bleken dan de Fatimiden, de kaliefen in Palestina. De Saracenen

belegerden de stad Salerno, om haar te dwingen schatting te betalen;

ofschoon de Noormannen slechts veertig in getal waren, noodzaakten

zij, naar men vertelt, de ongeloovigen het beleg op te breken. De

vorst van Salerno, Guaimar, was zoo onder den indruk van dit feit,

dat hij de vreemdelingen verzocht in zijn dienst te treden, en toen

zij weigerden, daar zij "slechts voor hun geloof en niet voor betaling

streden", gaf hij hun een boodschap, of gezanten, mede naar Normandië,

in de hoop daar soldaten te zullen werven. Het was misschien ook deze

troep pelgrims, die, toen zij uit Palestina terugkeerden, bij den Monte

Gargano (zooals wij vroeger reeds hebben verteld) een zekeren soldaat,

een gelukzoeker, Melus of Melo geheeten, ontmoetten. Er wordt verteld,

dat deze man gevlucht was uit de stad Bari, die toen in handen van

de Byzantijnen was, en dat hij met de Noormannen en met soldaten van

Guaimar een overeenkomst heeft gesloten om zich op de Byzantijnen te

wreken. [298]

Dit zijn de gebeurtenissen, die misschien een juiste verklaring

geven van de aanwezigheid van verschillende benden van Noorsche

krijgslieden in Zuid-Italië, omstreeks 1018. Melo's poging om wraak

te nemen mislukte, niettegenstaande den moed van zijn huursoldaten,

de Noormannen, en de Byzantijnen breidden voor eenigen tijd hun

macht aanzienlijk uit (zie p. 308). Maar de Hertog van Benevento en

andere vorsten streefden er ijverig naar de Noormannen in dienst te

nemen en het aantal van deze geweldige krijgers nam zoo snel toe,

dat zij weldra in staat waren hun aanspraken op het gebied, dat door

hun krachtige hulp veroverd was, te laten gelden; aldus begonnen zij

onafhankelijke gemeenten te stichten. Het recht om zoo te handelen was

hun omstreeks 1028 door Koenraad II geschonken, die hun had toegestaan

zich te vestigen in het gebied van Capua om Pandulf tegen te werken,

den oproerigen despoot van die stad; en Pandulf's vijand, de Hertog

van Napels, Sergius, beloonde de Noormannen voor hun hulp door de

stad Aversa aan hun aanvoerder, Rainulf te geven. Deze stad Aversa,

welke achttien K.M. ten noorden van Napels ligt, was de eerste vaste

woonplaats van de Noormannen in Italië en het werd, als het ware,

de kern van hun toekomstig koninkrijk.

Behalve de Noormannen te Aversa waren er vele groepen, die zich

nog nergens blijvend gevestigd hadden, maar in dienst traden, waar

gestreden werd, en hun aantal groeide voortdurend aan door nieuwen

aanvoer uit het noorden. Guaimar van Salerno, die steeds door de

Saracenen met hun sterke vloten werd lastig gevallen, verbond zich

(1038) met de Byzantijnen van Zuid-Italië om een aanval te doen op

Sicilië, dat reeds twee eeuwen, sinds den val van Palermo in 831,

in de macht van de ongeloovigen was. Deze expeditie, ofschoon die

mislukt is, omdat de aanvoerders twist kregen en de strijdkrachten

van de Christenen weldra naar Italië terugkeerden, verdient toch onze

aandacht, daar een van de voornaamste strijders bij het contingent

van de Noormannen een oudere broeder van den beroemden Robert Guiscard

was, een van de twaalf zonen van Tancredo d'Hauteville. Zijn naam was

Willem Bras de fer, hij noemde zichzelf Graaf van Apulië en volgens

zijn levensbeschrijver [299] was hij "een leeuw in den oorlog, een lam

in gezelschap en een engel in den raad". Met zijn "ijzeren arm" wierp

hij den emir van Syracuse van het paard en doodde hem; zijn kleine

troep krijgslieden versloeg 60.000 Saracenen. Doch niettegenstaande

dergelijke wapenfeiten was alles vergeefsch en het duurde nog vijftig

jaren, voordat de heerschappij der Noormannen op Sicilië gevestigd was.

Gedurende deze vijftig jaar (c. 1040-1090) nam de macht der

Noormannen in Zuid-Italië in hooge mate toe. Willem Bras de fer

stierf, maar andere dappere zonen van Tancredo d'Hauteville kwamen

uit hun vaderland, om zijn plaats in te nemen. Droge was zijn eerste

opvolger en toen Droge door de hand van een sluipmoordenaar was

gevallen, werd zijn broeder Humfried Graaf van Apulië en nam deze de

leiding van de vereenigde strijdkrachten der Noormannen in Apulië en

Calabrië op zich. In 1053 vond de slag plaats (vgl. p. 314), waarin

de Noormannen van Humfried, geholpen door hun landgenooten van Aversa

onder Graaf Richard, de Duitsche en Italiaansche troepen van Leo IX

een verpletterende nederlaag niet ver van den berg Gargano, bij de

Adriatische kust toebrachten. Paus Leo zelf werd gevangen genomen, en

men zal zich herinneren, hoe de overwinnaars zich eerbiedig voor hun

gevangene op de knieën wierpen en hem om vergiffenis smeekten--maar

hem toch zes maanden als gijzelaar vast hielden. Eindelijk, toen zij

hem vrijgelaten hadden, of misschien om zijn vrijheid te herkrijgen,

erkende de Paus als een fait accompli de veroveringen van de Noormannen

en wanneer hij Humfried niet plechtig bekleed heeft met de waardigheid

van Graaf of Hertog van Apulië en Calabrië, dan werd toch zeker zes

jaren later door Paus Nicolaas II de broeder en opvolger van Humfried,

Robert Guiscard, met die waardigheid bekleed. Nicolaas had blijkbaar

niet zulk een reden tot dankbaarheid, als Leo had, maar er waren,

zooals wij zullen zien, staatkundige beweegredenen, die de oorzaak

waren van zijn blijkbaar groote edelmoedigheid; want hij bevrijdde

Robert niet alleen [300] van den ban en huldigde hem als Hertog van

Apulië en Calabrië, maar beloofde ook hem als Hertog van Sicilië te

herkennen, zoodra hij er in zou slagen dit eiland aan de Saracenen

te ontrukken.

Robert Guiscard (of Wiscard, "de Wijze"), de zesde zoon van Tancredo

d'Hauteville, was toen veertig jaar oud. Hij regeerde, nadat hij door

Nicolaas als hertog erkend was, vijf en twintig jaar en breidde de

macht van de Noormannen in Italië aanmerkelijk uit. Hij was eerst,

evenals Richard van Aversa (of beter gezegd, van Capua, want over deze

stad had hij de heerschappij gekregen), op goeden voet met de Pausen,

maar toen Hildebrand gekozen werd, ontstonden er moeilijkheden;

want de toenemende macht van Robert strookte volstrekt niet met

de eerzuchtige plannen van den nieuwen Paus. Maar door de listige

politiek van Hildebrand veranderde de stand van zaken geheel en

al. Men zal zich herinneren, dat Hildebrand, de monnik, lang voordat

hij Paus werd, grooten invloed had uitgeoefend op de besluiten van

het pauselijk hof; inderdaad waren Nicolaas II en Alexander II slechts

zijn werktuigen. Zijn sluwe politiek was het, waardoor Nicolaas er toe

overging om Robert als hertog te erkennen en hijzelf had in zoo hooge

mate de vriendschap gewonnen van den anderen Noorschen aanvoerder,

Richard van Aversa en Capua, dat deze vorst hem had geholpen om den

tegenpaus Benedictus den genadeslag te geven. Toen Hildebrand nu Paus

werd en de Investituurstrijd uitbrak was hij verstandig genoeg om te

voorzien, dat een verbond met de Noormannen voor hem noodzakelijk was

met het oog op zijn conflict met den Keizer; en toen, na de vernedering

van Hendrik IV te Canossa, het zich liet aanzien, dat de twist weder

met groote bitterheid zou losbarsten, was hij vast besloten zich van de

vriendschap met Robert Guiscard te verzekeren, die juist onlangs zijn

macht had vergroot door zich meester te maken van Salerno en aldus het

laatste steunpunt van de Longobardische heerschappij in Zuid-Italië

had doen verdwijnen. Hildebrand's diplomatische bekwaamheid werd in

dit geval met een verrassenden uitslag bekroond.

Hertog Robert (het is niet gemakkelijk te begrijpen, om welke redenen)

ging niet alleen op zijn voorstellen in, maar bracht hem zelfs wegens

zijn hertogdom hulde als leenman (een hulde, die de koningen van

Sicilië 600 jaar gebracht hebben) en bevestigde de aanspraak van den

Paus op Benevento, een recht dat tot het jaar 1860 erkend is. Sinds

dien tijd waren de Noormannen van Zuid-Italië een sterke steunpilaar

van de Kerk van Rome.

Ongeveer tien jaar voor deze gebeurtenis was Robert Guiscard zijn

jongsten broeder, Roger, te hulp gekomen, dien hij had uitgezonden

tegen de Saracenen op Sicilië. In 1072 had hij deelgenomen aan de

inneming van Palermo, dat thans, nadat het 240 jaar in de macht van

de Arabische en Afrikaansche Muzelmannen was geweest, de hoofdstad zou

worden van Christelijke vorsten, wier naaste voorouders Scandinavische

Vikings waren geweest. Roger liet zich tot Graaf van Sicilië uitroepen,

maar het duurde bijna twintig jaar, voordat hij het geheele eiland

volkomen had onderworpen en de Saracenen in zijn leger en zijn rijk

had opgenomen.

Onderwijl had Robert Guiscard, nadat de laatste van de Longobardische

staten in zijn gebied was ingelijfd, het plan gevormd zijn veroveringen

aan de overzijde van de Adriatische zee voort te zetten en zich meester

te maken van Constantinopel zelf. Zijn tochten naar Sicilië hadden

ten gevolge gehad, dat hij een sterke vloot had gekregen, en het bloed

van de oude Vikings klopte in zijn aderen, toen hij voor zijn nieuwe

eerzuchtige plannen [301] meer dan honderd oorlogsschepen liet bouwen

om de zee over te steken met een leger van 30.000 man, naar men zegt,

waaronder vele Saracenen waren, die hij in zijn dienst had genomen. Hij

bezette Corfu en sloeg het beleg voor Durazzo (Dyrracchium). De Keizer

van het oosten, Alexius Comnenus, riep toen de hulp in van Venetië,

en Venetië, dat met afgunst een nieuwe macht ter zee zag opkomen, sloeg

het verzoek niet af. Met een groote menigte galeien viel Doge Selvo aan

en het scheen, alsof hij de vloot der belegeraars zou overweldigen,

maar Robert en zijn Noormannen deden de krijgskans keeren en trokken

weldra Durazzo binnen (1082). Het leek wel waarschijnlijk, dat hij een

aanval zou wagen op Constantinopel, dat men van Durazzo gemakkelijk

kon bereiken langs den prachtigen Romeinschen militairen weg, de Via

Egnatia. Maar in Rome waren ernstige dingen gebeurd. Keizer Hendrik IV

had, zooals wij weten, de città Leonina (de wijk die naar Paus Leo IV

heette) bezet, en Paus Gregorius werd ingesloten op den Engelenburg

en zond angstige boodschappen aan Robert om hulp. Deze liet daarop

den oorlog in Dalmatië aan zijn zoon Bohemund over en ging haastig

naar Italië terug, joeg Hendrik op de vlucht, bevrijdde Hildebrand en

bracht eeuwigdurende schande over zijn goeden naam, door zijn troepen

toestemming te geven Rome te plunderen.

Dit gebeurde in het begin van den zomer 1084. In den herfst bereikte

hij weder Dalmatië, juist op tijd om een tweeden hevigen aanval van

de Venetianen en Byzantijnen af te slaan, die bij deze gelegenheid,

zegt men, 13.000 man verloren. Doge Selvo vluchtte naar zijn lagunen

met de overblijfselen van zijn vloot en werd afgezet [302]. Zijn

opvolger, Vitale Falieri, wendde krachtige pogingen aan om de nederlaag

te wreken, en inderdaad met eenig gunstig gevolg; maar het was de

dood van Robert Guiscard, die een einde maakte aan den aanval van de

Noormannen op het Oostelijke Keizerrijk. Hij stierf plotseling [303],

misschien aan de pest of door vergift, terwijl hij een poging deed

om het eiland Cephalonia te veroveren (Juli 1085).

De jongste van Robert's twee zonen, Roger Borsa, was de lieveling

van zijn vader geweest en had zich van de opvolging in het hertogdom

verzekerd. De oudste, Bohemund, moest zich tevreden stellen met Taranto

(Tarente). In 1097 sloot hij zich bij den eersten kruistocht aan met

eenige duizenden Normandische krijgslieden. Verhalen, die in verband

staan met zijn heldendaden in het oosten--de inneming van Antiochië met

de hulp van de Genueezen en Pisanen en door een list, die den zoon van

"Guiscard" waardig was (Gibbon noemt hem den Latijnschen Odysseus),

de ontdekking van de "heilige speer" en de nederlaag van een geweldig

leger der ongeloovigen, de stichting van Christelijk vorstendom in

Antiochië--kan men vinden in de Gerusalemne Liberata van Tasso en

schilderachtige beschrijvingen kan men lezen in de Decline and Fall

of the Roman Empire. Kroniekschrijvers vertellen ook, hoe hij vier

jaren in Turksche gevangenis smachtte en eindelijk ontsnapte door de

hulp van een Mohammedaansche prinses. Na zijn ontvluchting schijnt hij

weder troepen in Italië verzameld te hebben om Antiochië te heroveren,

maar zijn aanval op Durazzo was blijkbaar vergeefsch en hij keerde

naar Tarente terug, waar hij ongeveer 1112 stierf. Roger Borso was

kort tevoren gestorven en het hertogdom van Apulië was overgegaan

in de handen van zijn zoon Willem, die, ofschoon zwak van lichaam en

geest, toch gedurende de volgende zestien jaren 1111-1127 zijn gezag

wist staande te houden.

Ondertusschen had de jongste broeder van Robert Guiscard, Graaf Roger,

de Saracenen in Sicilië volkomen overwonnen. Hij bereikte, evenals

Robert, den leeftijd van zeventig jaar. Bij zijn dood, in 1101, liet

hij slechts twee zonen na, een van acht en een van zes jaar. Hun

moeder, de derde vrouw van Graaf Roger, Adelaïda van Monteferrato,

was regentes over den oudste, Simon, die in 1105 stierf, en over den

jongste, Roger, totdat hij den volwassen leeftijd had bereikt. Zij

vertrok naar Palaestina, waar zij trouwde met Boudewijn (den broeder

van Godfried), den koning van Jeruzalem.

Wij hooren weinig van Graaf Roger den Tweede van Sicilië, totdat

het hertogdom van Apulië en Calabrië openvalt door den dood van zijn

achterneef Willem. Hij treedt nu krachtig op, landt bij Salerno, maakt

aanspraak op de opvolging, aanvaardt de hulde van zijn aanhangers,

stuurt gezanten naar Rome om te berichten, dat het hem aangenaam zal

zijn de investituur te ontvangen, en, wanneer Paus Honorius II niet

genegen blijkt om op dat voorstel in te gaan, wordt hij door eenig

machtsvertoon weldra tot meer inschikkelijkheid gebracht. Nadat hij

door dergelijke maatregelen overal in het gebied der Noormannen zijn

gezag bevestigd had, riep hij een groot Concilie of Parlement bijeen

te Palermo in het jaar 1130 en neemt de koninklijke kroon aan en den

titel Koning van Sicilië of misschien van "de Beide Siciliën [304]".

Men zal zich herinneren, dat in dezen tijd Paus Innocentius II naar

Frankrijk moest vluchten en Anacletus, de tegenpaus, de macht in

handen had. Anacletus zond naar Palermo een gezant om de plechtige

handeling van de kroning te verrichten; maar deze kroning werd

door de orthodoxen als onwettig beschouwd en de toestand werd nog

bedenkelijker, toen St. Bernard van Clairvaux en het Lateraan-Concilie

van 1133 Innocentius alleen als Paus erkenden en de handelingen

van Anacletus nietig verklaarden. Plaat 34 stelt een mozaïek voor,

dat Roger in de S. Maria dell'Ammiraglio (thans la Martorana) te

Palermo heeft laten aanbrengen. Men ziet daarop den koning, die van

Christus de kroon, welke hem door den Paus is geweigerd, ontvangt. Maar

kort na het Lateraan-Concilie overkwam Paus Innocentius het ongeluk

door Roger gevangen te worden genomen en de overwinnaar behandelde,

evenals Robert Guiscard zich ten opzichte van Leo IX had gedragen,

zijn gevangene met eerbied, en werd, als belooning hiervoor, erkend

als Koning van Sicilië, Hertog van Apulië en Capua [305].

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 31 / 48 段