Wat Italië echter betreft, of misschien juister gezegd, Rome, kunnen

wij, meen ik, de negende en tiende eeuw en de helft van de elfde,

laten wij zeggen 830-1050, als het somberste tijdperk van de Donkere

Eeuwen beschouwen. In vroeger tijden waren er lange perioden geweest,

waarin het geheele land, geteisterd door het zwaard, het vuur,

hongersnood en pest in een ellendigen toestand was geraakt, maar

de voortwoekerende kanker van inwendige verdorvenheid gedurende de

donkerste eeuwen van de geschiedenis van het Christelijke Rome was

oneindig afschuwelijker dan alle ellende die het geleden heeft door

barbaarsche of Byzantijnsche vijanden.

Een eenigszins volledig verslag van deze Donkere Eeuwen in de

Italiaansche geschiedenis zou meer bladzijden beslaan, dan dit boek

bevat. Wij moeten ons dus tevreden stellen met eenige algemeene

opmerkingen te maken en een paar beschrijvingen te geven van de

levenswijze en gewoonten van die dagen. Soms krijgen wij door de

vluchtige schildering van een enkel tooneel een beteren en meer

blijvenden indruk van het karakter van een tijd dan door vele woorden.

Wij kunnen ons voorstellen, dat de oorspronkelijke voorraad van

klassieke kunst en literatuur langzamerhand verminderd is gedurende de

drie eeuwen, die volgden op den tijd der Antonini en dat de klassieke

invloed nauwelijks meer van kracht is geweest in de dagen van Theoderik

en tijdens de Lombardische overheersching, wanneer wij de litteraire

werken van Boëthius, Cassiodorus en Amalasuntha uitzonderen en ook

eenige scholae, die de traditie van klassieke kunst hoog hielden.

Het is waar, dat er in de kloosters een zekere soort van beschaving

beoefend werd, die berustte op klassieke geschriften, ofschoon

deze beschaving bijna geheel was gericht op theologische en vrome

doeleinden. Deze cultuur verbreidde zich, zelfs vóór den tijd

van Benedictus en Monte Cassino, in de woeste streken van Gallië

en Brittannië, zoodat er ten tijde van Gregorius den Groote en

Theodelinda in dat opzicht waarschijnlijk meer beschaving was te Tours,

Bangor-Iscoed en Caerleon, of in Ierland en het Iersche St. Gallen,

dan in Rome; en bijna een eeuw voor Karel den Groote, in een periode,

toen de duistere nevelen zich steeds dichter over de hoofdstad van

het Westelijke Christendom samenpakten, kon het vaderland van Beda er

aanspraak op maken een belangrijk centrum van Europeesche wetenschap

te zijn en had St. Bonifacius den titel van Apostel van Duitschland

verworven.

Karel de Groote was de beschermheer van de wetenschap, zooals die door

de monniken bewaard is, een wetenschap, die bezield was met slechts

weinig geestdrift voor hetgeen groot is in de oude literatuur en kunst,

maar die ten minste de krachten van de literaire beschaving levendig

hield [277]. Aan zijn hof vinden wij een aantal geleerde mannen, zooals

zijn biograaf Einhart (Eginhard), Paulus Diaconus, en den Engelschman

Alcwin, den raadsman van den Keizer, die bijzonder bij hem in de

gunst stond en op wiens raad in verschillende streken scholen werden

gesticht. Men zegt ook, ofschoon het niet gemakkelijk te bewijzen is,

dat Karel vele kerken liet bouwen en de kunst begunstigde. Hoe dit

ook zij, wij weten, dat zijn liefde voor schoone kunstwerken geen

gewetensbezwaren kende, daar hij Ravenna van vele prachtige marmeren

beelden beroofde om zijn paleis en kathedraal te Aken te versieren. In

het Karolingische [278] tijdperk werd Rome, en met Rome ook het

grootste deel van Italië, behalve die steden, die onder Byzantijnsche

heerschappij of in verband met het Oosten stonden, zooals Venetië,

of die, zooals Palermo en Messina, met de Saraceensche beschaving

in aanraking kwamen, in steeds dieper duisternis gehuld en tijdens

het sociale en politieke verval, veroorzaakt door den regno d'Italia

independente en de regeering van Marozia, Alberik en Johannes XII was

te Rome de dofheid misschien het ergst. Sommige schrijvers trachten

aan te toonen, dat wij ten opzichte van deze eeuwen misleid worden

door het gebrek aan goede berichtgevers en dat wij over den algemeenen

toestand geen oordeel kunnen vellen op grond van de droevige literaire

voortbrengselen, die overgebleven zijn [279]. Men vertelt ons, dat

Duitschland nooit geleerder en voortreffelijker bisschoppen heeft

bezeten, dan aan het einde van de tiende en in het begin van de elfde

eeuw. Dat kan volkomen waar zijn. Zooals wij reeds opgemerkt hebben,

heerschte de Donkerste Eeuw niet in denzelfden tijd met dezelfde

intensiteit over geheel West- en Midden-Europa. In de tiende eeuw waren

er middelpunten van wetenschap, zooals Reims en Cluny. Ook Duitschland

was waarschijnlijk in dat tijdperk met meer licht gezegend dan Rome, en

die geleerde en voortreffelijke bisschoppen waren zonder twijfel door

Duitsche koningen gekozen en geen handlangers van de Pausen. Maar hoe

was het met Italië in die eeuwen gesteld? En hoe was het in Rome zelf?

Van den socialen en intellectueelen toestand in het overige

gedeelte van Italië gedurende het tijdperk, dat wij de Donkere

Eeuwen (c. 830-1050) kunnen noemen, weten wij weinig, maar het is

duidelijk, dat, niettegenstaande de voortdurende burgeroorlogen, die

er tot de komst van Otto den Groote gewoed hebben, in sommige van de

noordelijke steden, die zich reeds een tamelijk groot zelfvertrouwen

en onafhankelijkheid verworven hadden, de zeden en de opvoeding op een

belangrijk hooger trap van beschaving stonden, dan in de stad, die er

zich op beroemde de metropolis van den godsdienst van West-Europa te

zijn. Kunstgevoel en kunstvaardigheid stonden in ieder geval beslist

hooger in de noordelijke steden, zooals men kan zien, wanneer men

de eerste teekenen van die schitterende Romaansche architectuur, die

zich weldra in al haar schoonheid in die streken [280] zou ontwikkelen,

vergelijkt met de volstrekte doodschheid van alle oorspronkelijke kunst

gedurende dezen geheelen tijd in Rome. Terwijl Pisa plannen maakte om

te beginnen met den bouw van den Dom en Venetië de S. Marco herbouwde

en die kerk met wondermooie mozaïeken versierde, ondernam men in Rome

niets dan reconstructies, waarvoor de oude monumenten zonder genade

werden geplunderd; en de mozaïekkunst was verdwenen [281].

Tijdens de heerschappij van de Saksische en Frankische Keizers, in

den loop van de elfde eeuw, begint het eerste licht van een nieuwen

dageraad, die over Italië zou opkomen, door te breken. De roem van

de Italiaansche hoogescholen te Bologna en te Salerno dringt tot ons

door. (De laatste evenwel heeft waarschijnlijk haar vermaardheid op het

gebied van geneeskunde en wiskunde te danken aan de Saracenen.) Wij

hooren ook van geleerde Italianen in verre landen, zooals Lanfranc

en Anselmus, die beiden priors waren van de beroemde Abdij van

Sainte-Marie-du-Bec en beiden Aartsbisschoppen van Canterbury, de

een geboortig uit Pavia, de ander uit Aosta. Kort daarna, ongeveer

in de jaren van 1030 tot 1040, hooren wij van Abelard, die voor een

buitengewoon talrijk gehoor voordrachten houdt te Parijs en van zijn

leerling, Arnold van Brescia, wiens gloeiende geestdrift gedurende

korten tijd als een vuurbaak haar licht, dat, helaas, al te spoedig zou

worden uitgebluscht, laat schijnen voor de vrienden van de wetenschap

en de vrijheid. En nu worden de republieken in Lombardije met een zoo

krachtigen geest bezield, dat zij vol verwachting zijn die staatkundige

vrijheid te zullen veroveren, waardoor zij, niettegenstaande vele

droevige en beklagenswaardige gebeurtenissen, zich met grooten moed

en standvastigheid een weg gebaand hebben naar het licht.

Men heeft weleens beweerd, zooals ook reeds is opgemerkt, dat de

stand der wetenschap in Italië, zelfs in Rome, gedurende de Donkere

Eeuwen in werkelijkheid niet zoo slecht was, als wordt aangenomen

[282]. Men heeft verzekerd, dat er meer scholen waren in Italië dan

in eenig noordelijk land en dat te Rome de geleerdheid op een hoog

peil stond, vooral onder de leeken (zulke leeken als de heeren van

het hof van Marozia, of de Graven van Tusculum?), en dat, indien de

Pausen en de geestelijkheid van Rome slechts weinig belangstelling

in zulke dingen toonden, de oorzaak daarvan was, dat zij verdiept

waren in zaken van groot belang--dergelijke zaken misschien als de

uitbreiding van de wereldlijke macht van de Kerk en de verbanning of

vergiftiging van hun staatkundige vijanden of tegenpausen.

Zelfs indien wij deze verzekering aannemen en toegeven, dat er geleerde

Grieken te Rome waren, en bibliotheken en vele oude handschriften, die

later zijn verdwenen, dan zijn wij toch gedwongen er bij te voegen,

dat het bestaan van scholen en geleerdheid in de hoofdstad van het

Christendom de onzedelijkheid, het bijgeloof en de wreedheid, die daar

toen heerschten, des te feller doen uitkomen. En dat de toestand

zoodanig was, is niet moeilijk te bewijzen. Zooals Gregorovius

terecht zegt, leefden Pausen, geestelijken, edelen en het volk in

een toestand van barbaarschheid, die bijna onbegrijpelijk is, en

Rome had zich niet slechts diep vernederd tegenover het Christendom

en de wetenschap van Gallië, Brittannië, Duitschland en Byzantium,

maar ook tegenover die Arabische Muzelmannen, die wel de Campagna

verwoestten en de altaren van de heiligen ontwijdden en plunderden,

maar toch het licht van de wetenschap--van wiskunde, wijsbegeerte,

geneeskunde en sterrekunde--van Bagdad naar Alexandrië, van Alexandrië

naar Sevilla verspreidden [283]. En ofschoon Rome zelf zich van die

vernedering misschien niet bewust was, aan de buitenwereld was het

bekend genoeg. De minachting, die de Byzantijnen voor de Romeinen

gevoelden, blijkt ten duidelijkste uit de smadelijke woorden van Keizer

Michael, die in zijn brief aan Paus Nicolaas I (c. 860) hun taal [284]

een taal van barbaren en Scythen noemt; en de hoonende schimpwoorden,

waarmede de bisschoppen van de Gallische Kerk, die in 900 ongeveer te

Reims vergaderd waren, de ongeletterde geestelijkheid van Rome en den

Paus zelf aanvielen, geven ongetwijfeld het algemeene gevoelen van de

noordelijke Christenen goed weer. En zeker rijst Rome en het Pausdom

niet in onze achting, wanneer wij vernemen, dat deze smaadrede door

den pauselijken gezant beantwoord werd met de verzekering, dat God

in den beginne den eenvoudige en ongeletterde had uitverkoren om

de wijsheid van de wereld te vernietigen en dat de Vicarissen van

den H. Petrus en hun discipelen "niet behoefden vetgemest te worden

aan den trog van Plato, Vergilius, Terentius of een ander dergelijk

philosophisch varken". Maar een paar schetsen van hetgeen in Rome

gedurende deze Donkere Eeuwen werkelijk gebeurd is, zullen beter

in staat zijn ons een indruk te geven, hoe het met den godsdienst,

zedelijkheid en menschelijkheid gesteld was.

De Reliquieën-Manie.

In een vroeger hoofdstuk hebben wij de manie beschreven, die reeds

in vroeger dagen ten doel had de lijken of beenderen van heiligen en

martelaars te verzamelen, en ook het bijgeloof, dat samenhangt met

miraculeuze werkingen van beenderen en brandea (vgl. p. 63 noot);

en bij verschillende gelegenheden is melding gemaakt van de vermeende

ontdekking en de vreemde lotgevallen van sommige beroemde reliquieën

(zooals die van den H. Markus, H. Petrus, H. Paulus, H. Bartholomeus,

H. Augustinus); ook hebben wij reeds gesproken van den trots, dien de

steden en de stichters van kerken gevoelden, wanneer zij het lijk van

een heilige hadden kunnen koopen, of, voor het geval dat onmogelijk

bleek (want een ongeschonden echt lijk was buitengewoon kostbaar),

wanneer het hun gelukt was ook slechts de helft of een vierde deel

van een dood lichaam te bemachtigen, dat zij zoo vurig verlangd hadden

te bezitten.

Daar het aantal kerken over de geheele Christelijke wereld toenam,

werd de vraag naar lijken en gebeenten steeds grooter en de

instelling van bedevaarten [285] had ten gevolge, dat de voorraad

voortdurend moest aangevuld worden, want elke roméo (pelgrim, die

naar Rome trok, Roomvaarder), verlangde vurig reliquieën machtig te

worden, zooals de tegenwoordige toerist curiositeiten verzamelt;

en dus moesten de reliquieën, evenals de moderne antiquiteiten,

"aangemaakt" worden. Catacomben en graven werden des nachts geplunderd,

en de graftomben in de kerken moesten door gewapende mannen worden

bewaakt. Rome, zegt Gregorovius, geleek op een vermolmde begraafplaats,

waar de hyena's huilden en vochten, terwijl zij begeerig naar lijken

groeven. En deze lijken en geraamten werden voorzien van etiquetten

met de namen van bekende heiligen en bij stukken en brokken aan de

pelgrims verkocht. Soms ook gelukte het een dapperen vreemdeling een

kostbare reliquie uit een kerk te stelen [286]. In 827 ontvoerden

Frankische bedevaartgangers de gebeenten van den H. Petrus en den

H. Marcellinus naar Soissons, en een presbyter van Reims had het geluk

in 849 het vermeende lijk van St. Helena, Constantijn's moeder, machtig

te worden. Soms ook vereerde de Paus, als een zeer bijzondere gunst,

een of andere buitenlandsche kerk of vorst met een kostbaar lijk. "Deze

doode lichamen", zegt Gregorovius, "werden op rijk versierde voertuigen

overgebracht en een eind weegs door de bevolking van Rome in plechtige

processie, met brandende toortsen en onder vroom gezang, uitgeleide

gedaan; en uit elke stad stroomden, bij de nadering van den wagen,

de burgers den optocht te gemoet, terwijl zij smeekend hun hoop op

miraculeuze genezingen te kennen gaven. Wanneer het heilige lichaam

op de plaats van zijn bestemming, een stad of klooster in Duitschland,

Frankrijk of Engeland, aankwam, werd het verwelkomd met triomfliederen

en werden er gedurende vele dagen feesten gevierd". Oorlogen zelfs

werden er ondernomen voor een vurig begeerde reliquie. Zoo dwongen

bijvoorbeeld de Hertogen van Benevento, nadat zij Napels en Amalfi

onderworpen hadden, hun verschrikte slachtoffers de mummies van

St. Januarius en St. Triphomena, als prijs voor den vrede, uit te

leveren. Het was een van deze Hertogen, Sicard, die er in slaagde het

lijk van St. Bartholomeus machtig te worden; over de wonderbare reis

van dat lichaam hebben wij reeds vroeger gesproken (p. 305 n.). "Deze

hertog", vertelt Gregorovius, "zond zijn agenten uit om overal langs

de kusten en eilanden van Italië beenderen en schedels en andere

reliquieën te gaan zoeken en veranderde de kathedraal van Benevento

in een knekelhuis".

Dit afschuwelijk verlangen naar lijken en beenderen is nooit volkomen

verdwenen in de Christelijke wereld, en dat het nog zeer sterk was

aan het einde van de Donkere Eeuwen, kan men afleiden uit het feit

(want als zoodanig wordt het medegedeeld), dat, toen St. Romualdus, de

stichter van de Benedictijner Orde van Camaldoli, Italië zou verlaten,

hem sluipmoordenaars achterna werden gezonden met de opdracht, om,

zoo mogelijk, zich van zijn lijk te verzekeren, liever dan hem naar

zijn eigen land te laten trekken, zoodat hij geheel verloren zou

zijn. Ongelukkig ontsnapte hij [287].

"Pausin Johanna".

Het merkwaardige verhaal van "Pausin Johanna" (la Papessa Giovanna)

ligt buiten het gebied van de vaststaande feiten, maar valt niet

buiten het gebied van de historie, want de geschiedenis moet geen

mogelijkheden verwerpen en evenmin een geloof negeeren, dat invloed

heeft gehad op den gang der gebeurtenissen; en dit verhaal, ofschoon

het waarschijnlijk eerst in de dertiende eeuw ontstaan en misschien

verzonnen is door eenige van de vele heftige vijanden van het Pausdom,

in het bijzonder van Paus Bonifacius VIII, werd eeuwen lang, zooals

Gregorovius ons mededeelt, geloofd door kroniekschrijvers en door

bisschoppen, ja zelfs, door Pausen en verder door iedereen. Hoe

krachtig dit geloof was, wordt bewezen door het feit, dat twee eeuwen

lang (1400-1600) het borstbeeld van "Johannes VIII, femina ex Anglia",

tusschen de borstbeelden van de Pausen in de Kathedraal van Siena stond

[288].

Volgens het verhaal was "Pausin Johanna" de dochter van een

Angelsakser; maar zij was geboren in het Rijnland, te Ingelheim, waar

Karel de Groote een kasteel had, gelegen tusschen Mainz en Bingen. Zij

was te Mainz wegens haar geleerdheid zeer gezien en kwam, als man

verkleed, in het beroemde klooster van Fulda (tusschen Frankfort

en Bebra), dat ongeveer tachtig jaar vroeger gesticht was door den

Engelschen zendeling in Duitschland, St. Bonifacius, den Aartsbisschop

van Mainz. Later studeerde zij, naar men vertelt, in Engeland en ook

te Athene, en kreeg daarna de betrekking van leeraar aan de Schola

Graecorum te Rome, waar van oudsher diakenen hun opleiding genoten;

en daar verwierf zij zoo grooten invloed, dat zij na den dood van

Leo IV tot Paus werd gekozen (omstreeks 855). Na een pontificaat van

twee jaren, éen maand en vier dagen, zooals de kroniekschrijvers

nauwkeurig hebben berekend, werd haar geslacht ontdekt, daar zij,

tijdens een plechtige processie, plotseling het leven schonk aan een

kind en na die bevalling stierf. De ontstelde geestelijken begroeven

haar op de plaats, waar zij overleden was, tusschen het Colosseum

en S. Clemente, en op deze plek, die later door de Pausen angstig

vermeden werd, richtte men een standbeeld voor haar op, met het

kind in de armen en den pauselijken mijter op het hoofd [289]. Hoe

men zulk een prachtig samenhangend verhaal heeft kunnen verzinnen,

is niet gemakkelijk te raden, maar, ofschoon de geschiedenis van

haar avontuurlijk leven wellicht eenigen grond van waarheid bezit,

de bewering, dat zij tot Paus is gekozen, schijnt beslist te worden

weerlegd door een munt van Paus Benedictus III, waarop de naam van den

Keizer Lotharius voorkomt. Nu staat het vrijwel vast, dat Leo IV den

17en Juli 855 gestorven is, en Lotharius stierf den 28en September

van hetzelfde jaar in een Benedictijner klooster; hieruit blijkt,

dat Benedictus Leo moet opgevolgd hebben, en dit wordt ook bevestigd

door den Liber Pontificalis, waarin ons wordt medegedeeld, dat zijn

wijding den dag na Leo's dood plaats vond.

Een Lijk gedagvaard voor een Synode [290].

Men zal zich herinneren, dat gedurende de woelige periode, die de

Italianen il regno d'Italia indipendente noemen, een Hertog van

Spoleto, Guido geheeten, er in slaagde Paus Stephanus V te overreden

of te dwingen hem in de St. Pieter tot Keizer te kronen, en dat hij

in het volgend jaar (892) een dergelijke dwang uitoefende op den

opvolger van Stephanus, Paus Formosus, die te Ravenna Guido's zoon

Lambertus, als mede-regent van zijn vader, de keizerlijke kroon op

het hoofd zette; zoo ten minste vertellen de kroniekschrijvers, die

door Villari gevolgd worden. Deze Paus Formosus was blijkbaar een

zwak en onbetrouwbaar individu, want zelfs terwijl hij den jeugdigen

Lambertus te Ravenna kroonde, dacht hij er aan (daar behoeft men niet

aan te twijfelen!), evenals Stephanus had gedacht, hoeveel aangenamer

het hem zou zijn de keizerlijke kroon op het hoofd van den Duitscher

Arnulf te zien; en kort na de kroning te Ravenna begon hij zich in

verbinding te stellen met den Hertog van Carinthië en spoorde hem aan

te komen en zijn geluk te beproeven. Na een ongelukkige poging in 894

baande zich Arnulf ten slotte een weg naar Rome en werd onmiddellijk

door Formosus gekroond, die het feit negeerde, dat er nog twee andere

zoogenaamde Keizers bestonden, en dat hijzelf den een had erkend en

den ander met eigen handen had gekroond.

De kroning van den vreemden overweldiger--de unctio barbarica,

zooals men het hoonend noemde--deed de woede van de patriottische,

anti-Duitsche partij in Rome ontvlammen, en toen Arnulf plotseling aan

een beroerte was gestorven en Lambertus met zijn moeder Agiltrud Rome

in triomf was binnengetrokken, overreedde deze wraakzuchtige vrouw den

Paus, Stephanus VI, die voor niets terugdeinsde, een daad te bedrijven,

die in haar ijzingwekkende afzichtelijkheid in de geschiedenis der

menschheid misschien nooit is geëvenaard. Er werd besloten, dat

er een plechtige Synode zou gehouden worden, om Paus Formosus ter

verantwoording te roepen en dat hij zou gedagvaard worden om in propria

persona te verschijnen. Zijn lijk, dat acht maanden in de crypte

van de St. Pieter had gelegen, werd uit de tombe gesleurd, en, in

pauselijke gewaden gekleed, op een troon gezet in de vergaderzaal voor

de verzamelde priesters en prelaten van de Kerk van Christus. Terwijl

allen met afgrijzen naar de spookachtige gedaante staarden, die door

haar aanwezigheid en stank de geheele vergaderzaal met een verpestende

lucht en en somberheid vervulde, rees de advocaat van Paus Stephanus

op en richtte zich tot het lijk, bij hetwelk de bevende diaken stond,

die moest optreden als de verdediger van den dooden man. Toen de

beschuldigingen [291] waren voorgelezen, daagde Paus Stephanus zelf

het lijk uit op de aanklachten te antwoorden. Wat de verdediger van

den overleden Paus, de bevende diaken durfde zeggen, weten wij niet,

maar het vonnis luidde, dat Formosus uit het pauselijke ambt werd

ontzet, en al zijn akten en besluiten werden nietig verklaard, de

drie vingers van de rechterhand, waarmede de pauselijke zegen was

geschonken, werden afgehakt, de pauselijke gewaden werden van het

ellendige, doode lichaam gescheurd, het werd bij de voeten door de

vergaderzaal en de straten gesleept, en eindelijk onder het gejouw

en gelach van het gepeupel in den Tiber geworpen [292].

Stephanus genoot niet lang van zijn triomf. Het toeval, zegt

Gregorovius, dat somtijds de taak van de Voorzienigheid op zich

neemt en wonderen doet, wanneer de heiligen machteloos zijn,

wilde, dat kort na de Synode van Verschrikking, terwijl het lijk

van Formosus nog door de golven van den Tiber werd voortgewenteld,

de oude basiliek van het Lateraan plotseling door een aardbeving

werd geschud en instortte. Door het gekraak van de neervallende kerk

werd Paus Stephanus, die daar dicht bij in het Patriarchium woonde,

opgeschrikt uit zijn sombere overpeinzingen van het verleden, en hem

moest de donder van de instorting der oude kerk van het Romeinsche

Christendom wel een voorteeken toeschijnen van het lot van het Pausdom

en de verdoeming, die hijzelf weldra zou ondergaan. In hetzelfde

jaar stond het Romeinsche gepeupel op tegen Keizer Lambertus en zijn

pauselijken bondgenoot. Stephanus werd gevangen genomen, beroofd

van zijn pontificale gewaden, gekleed in een monnikspij, en naar een

klooster gezonden, waar hij kort daarna werd geworgd [293]. Een van

zijn opvolgers, Theodorus, gaf, ofschoon hij zelf slechts twintig dagen

paus was, een eervolle begrafenis aan het ellendige, geschonden lijk

van Formosus, dat door Romeinsche visschers gevonden was, en Liudprand

verzekert ons, dat hij dikwijls door vrome menschen in Rome had

hooren vertellen, dat, toen het lijk in de St. Pieter werd gedragen,

sommige figuren van heiligen het met eerbied begroetten,--misschien

de heiligen op de schilderijen of mozaiëken, waarmede Formosus zelf

de kerk of de crypte had laten versieren.

Hoe stuitend de voorstelling ook moge zijn, de beschrijvingen, die

de kroniekschrijvers van de Synode van Paus Stephanus geven, dragen

er toe bij om ons een juist denkbeeld te vormen van den toestand,

waarin de godsdienst, de zedelijkheid en de menschelijkheid in de

negende eeuw te Rome verkeerden. En wij moeten er om denken, dat

deze feiten geen uitzondering waren, die algemeene aanklachten of

protesten verwekten. Niet minder afschuwelijke gebeurtenissen vonden

voortdurend plaats. Tijdens de acht jaren, die op deze afgrijselijke

Synode volgden, stierven er zeven Pausen, verscheidene waarschijnlijk

door vergift of worging. Het voorval, dat hierna beschreven zal worden,

is slechts een voorbeeld van de bijna ongeloofelijke wreedheid van dien

tijd en een van de duizend bewijzen van de waarheid van dergelijke

beweringen, als van Gregorovius, die vroeger reeds aangehaald is,

dat "de Pausen, de geestelijkheid, de adel en het volk van Rome in

deze eeuwen in een toestand van verwildering leefden, die nooit in

de geschiedenis is geëvenaard."

Het lot van den tegenpaus Johannes XVI [294].

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 30 / 48 段