het noorden van Italië, werd in het zuiden ernstig tegengewerkt door de
veroveringen van de Noormannen. In Rome zelf had de geest van vrijheid,
ofschoon deze krachtig onderdrukt werd door invloedrijke families,
zooals de Tusculaansche graven, de Crescenzi en de Frangipani, en door
die Pausen, die de werktuigen van de aristocratische en keizerlijke
partijen waren, zich toch in zooverre laten gelden, dat het burgerlijk
bestuur van de stad vrijwel republikeinsch was, terwijl het leger,
volgens de twaalf wijken van Rome in twaalf scholae verdeeld, met
zijn twaalf bevelhebbers (banderesi) onder toezicht van het volk
stond. Maar een plotselinge en hevige uitbarsting zou ten gevolge
hebben, dat Rome een tijdlang een volkomen republiek werd. De kleine
stad Tibur (Tivoli), wier liefde voor de vrijheid de vrijheidslievende
Romeinen ten zeerste had gehinderd, was overweldigd, maar weigerde
hardnekkig zich te onderwerpen aan het Romeinsche volk, op grond van
de bewering, dat de Paus het eenige hoogste gezag in Rome was; en toen
Paus Innocentius openlijk deze theorie steunde, vond er een omwenteling
plaats: de Republiek werd afgekondigd, de Prefectuur afgeschaft, en de
Senaat, voornamelijk samengesteld uit burgers in plaats van patriciërs,
werd geïnstalleerd op het Capitool [261]. In hetzelfde jaar (1143)
stierf Innocentius en eveneens zijn opvolger, Celestinus. De volgende
Paus, Lucius II, werd doodelijk getroffen door een steen, toen hij
aan het hoofd van een bende edelen het Capitool trachtte te bestormen;
zijn opvolger, Eugenius III, die op denzelfden dag werd gekozen, werd
genoodzaakt uit Rome te vluchten [262]. Als Consul of eerste senator
van de nieuwe republiek werd Giordano gekozen, blijkbaar een afvallig
lid van de aristocratische familie der Pierleoni, want hij was, zeide
men, een broeder van den tegen-paus Anacletus. Onder zijn presidium
schijnt de herrezen Romeinsche Republiek zich gevestigd te hebben op
een stevigen grondslag, waarvan zij zelfs door de vereenigde krachten
van Barbarossa en Paus Hadrianus IV niet kon worden afgeworpen. Te
oordeelen naar haar munten, erkende de Republiek in den eersten tijd
den Keizer als haar vorst, maar stond den Paus geen aandeel in de
regeering toe, en dwong hem van alle wereldlijke macht afstand te
doen en zich tevreden te stellen met tienden en geschenken.
Men geloofde vroeger, dat deze omwenteling was voorbereid en geleid
door Arnold van Brescia; doch het schijnt zeker, dat hij zelf,
ofschoon zijn leerstukken reeds over geheel Italië [263] waren
verspreid en zonder twijfel grooten invloed uitoefenden op de
Romeinsche republikeinen, in 1143 niet te Rome was, aangezien hij
daar in 1145 voor het eerst kwam.
Arnold, geboortig uit Brescia, had onder Abelard te Parijs gestudeerd
en was een geestdriftig bewonderaar geworden van het oude Rome en
de republikeinsche vrijheid. Bij zijn terugkeer in Italië werd hij
monnik en predikte vurig tegen alle vormen van tyrannie, vooral tegen
de wereldlijke macht van de Pausen, terwijl hij met voorliefde de
apostolische armoede aanhaalde, die ook St. Benedictus prees, toen
Dante hem in den hemel [264] ontmoette:
Pier cominciò senz' oro e senz' argento,
Ed io con orazione e con digiuno.
Maar Arnold's welsprekendheid werd koel ontvangen, zelfs te Brescia,
en hij keerde naar Frankrijk terug, waar zijn leermeester Abelard
hevige aanvallen te verduren had van St. Bernard; en nadat de
toornige heilige den ketteraanvoerder verpletterd had, wendde hij
zich tegen diens leerling. Arnold werd verbannen en schijnt eenige
jaren, misschien als onderwijzer, in Zürich te hebben doorgebracht,
een plaats, waar later een gelukkiger hervormer, Zwingli, heeft
gewoond. In 1145 vinden wij hem te Rome, waar zijn staatkundige
theoriën uitvoerig in praktijk werden gebracht. Tien jaren lang
bezielde en leidde zijn ijver en geleerdheid de jonge republiek,
en wanneer zijn hoogste ideaal verwerkelijkt was, het ideaal van een
waarlijk apostolisch Pausdom, hoog tronend boven elke begeerte naar
wereldlijke rijkdom en macht, hoevele eeuwen van ellende zouden Italië,
en het menschdom, bespaard zijn gebleven! Maar het laffe weifelen
van Koenraad en de blinde staatkunde van Barbarossa in zijn eerste
dagen, misbruikt door de verwaande eerzucht van een Engelschen Paus,
verijdelden een hervorming, die misschien heilzamer en grondiger was
geweest dan die van Luther's tijd.
In 1147 namen een millioen krijgslieden van West-Europa, voornamelijk
opgewekt door de prediking van St. Bernard, deel aan den tweeden
kruistocht. Deze verwekte meer geestdrift in Duitschland dan de eerste
kruistocht, en Koenraad III besloot eindelijk zich er bij aan te
sluiten. Twee jaren was hij in het Oosten, en het verdient vermelding,
dat in zijn gevolg zich twee strijders bevonden, die in onzen geest
twee zeer levendige, maar geheel verschillende voorstellingen wakker
roepen. Een van deze was zijn neef, de jonge Frederik van Staufen
(Barbarossa), die vele jaren later, als Kruisvaarder, wederom naar die
oostersche landen trok en daar stierf. De ander was een voorvader van
Dante, zijn overgrootvader, Cacciaguida, die, toen de dichter hem in
den hemel van Mars [265] ontmoette, hem vertelde, dat hij op aarde
Keizer Koenraad gevolgd was en dat deze hem tot ridder had geslagen
(mi cinse della sua milizia).
Maar deze "imperador Currado" werd nooit als Keizer gekroond. Toen
hij in 1149 uit het oosten terug kwam, zonden de Romeinsche senatoren,
misschien op aanraden van Arnold, hem eenige bombastische epistels. In
den laatste van deze, doorspekt met barbaarsche hexameters, wordt hij
"de Heerscher over de Stad en de geheele Wereld", "Koning der Romeinen"
en "Augustus" genoemd; men smeekt hem te komen en den roem van het
Romeinschen Keizerrijk te herstellen, zooals het onder Constantijn en
Justinianus was, voordat het te gronde werd gericht door de Pausen
en den adel. Ook werd daarin te kennen gegeven, en terecht, dat het
Romeinsche volk, en niet de Paus, de werkelijke bevoegdheid had om
iemand met de keizerlijke waardigheid te bekleeden.
Doch Koenraad aarzelde. Hij was noch verstandig noch dapper genoeg om
het aanbod aan te nemen. Ten slotte schreef hij, dat hij zou komen
"om de orde te herstellen, de trouw van zijn vrienden te steunen en
de opstandelingen te straffen", een ietwat dubbelzinnig antwoord,
dat de republikeinsche partij met vrees vervulde. En deze vrees nam
grootelijks toe, zoodra het bekend werd, dat Koenraad onderhandelingen
had aangeknoopt met Paus Eugenius, die uit Frankrijk was teruggekomen
en de laatste drie jaren in Latium van de eene plaats naar de andere
rondzwierf. Eindelijk, nadat hij eenige lastige Welfsche rebellen in
Duitschland had onderworpen, schreef Koenraad, niet aan den Senaat,
dien hij negeerde, maar aan den weder onlangs benoemden Prefect en aan
andere magistraten, en gaf als zijn voornemen te kennen, dat hij Rome
zou bezoeken en gekroond wilde worden, niet door afgevaardigden uit
den Senaat, maar door den Paus. Dit plan echter werd niet uitgevoerd,
want hij stierf in Februari 1152, voordat de maatregelen voor zijn
reis voltooid waren.
Koenraad liet een zoon na, die slechts acht jaren oud was. Daarom
had hij de keurvorsten verzocht zijn neef te kiezen, die met hem
aan de kruistocht had deelgenomen, Frederik van Staufen, die nu een
en dertig jaar was. Frederik's staatkunde betreffende Italië werd
weldra duidelijk. Toen de Romeinsche Senaat hem, evenals vroeger aan
Koenraad, een hoogdravend schrijven zond, waarin werd medegedeeld,
dat de S. P. Q. R. er trotsch op zou zijn hem te bekleeden met den
titel van Keizer, antwoordde hij, dat zijn voorvaderen dien titel
met de wapenen hadden gewonnen en "dat hij, die het durfde, maar
moest trachten Hercules de knots te ontwringen". Hij had besloten de
hydra van de republikeinsche vrijheid te dooden. Hij schreef aan Paus
Eugenius; deze wakkerde door zijn antwoord Frederik's toorn jegens de
onbeschaamde senatoren nog aan en verklaarde hem te zullen kronen,
indien hij kwam en Rome, zooals hij beloofd had, onderwierp aan het
Keizerrijk en de Heilige Kerk. En Frederik stelde zijn komst niet
lang uit. Zoodra hij zijn gezag in zijn noordelijke landen stevig
had gevestigd, de kronen van Denemarken en Boheme had vergeven en
Bourgondië had geannexeerd, trok hij de Alpen over en hield in November
1154 een groote bijeenkomst van al zijn Italiaansche leenmannen, leeken
en geestelijken, in de vlakte van Roncaglia, dicht bij Piacenza. Trouw
aan zijn staatkunde nam hij strenge maatregelen tegen de toenemende
onafhankelijkheid van de Lombardische steden; en de nijd, het vergif
voor de republieken, bewees hem goede diensten, want bittere afgunst
en twisten waren reeds tusschen de steden ontstaan, en sommige grepen
de gelegenheid om hun mededingers te beschuldigen gretig aan. Milaan
vooral werd heftig aangevallen door andere steden, die minder welvarend
en meer imperialistisch waren, zooals Pavia, en wekte Frederik's
misnoegen in hooge mate op door hem de koninklijke rechten (b.v. het
munten, het voedsel voor zijn soldaten enz.) te weigeren; ook spoorde
zij tot verzet aan, toen hij de consuls en andere republikeinsche
magistraten trachtte af te schaffen en Duitsche gouverneurs (Podestà)
met dictatoriaal gezag wilde aanstellen. Hij achtte het niet raadzaam
Milaan zelf aan te vallen, maar gaf zijn toorn lucht door twee steden
van haar bondgenooten te verwoesten, het kleine Tortona, dat twee
maanden heldhaftig een belegering doorstond (en weldra herbouwd werd
door de Milaneezen) en Asti, later beroemd door haar wijn en Alfieri.
Onderwijl was Paus Eugenius en ook zijn opvolger gestorven en had de
Engelschman Breakspear (Hadrianus IV) den pauselijken zetel bezet. Zijn
trots en onstuimigheid, die hem voor zijn dood de bekentenis ontlokten,
dat een Paus de ongelukkigste sterveling op aarde was, kwamen spoedig
aan het licht.
Een kardinaal was op straat aangevallen, misschien door anti-clericale
republikeinen. Hadrianus, die wist, dat Frederik weldra zou komen
om hem te helpen, deed oogenblikkelijk, wat nog nooit een Paus had
gedurfd--hij kondigde over de geheele stad het interdict af. Geen
godsdienstige handelingen mochten verricht worden, behalve de doop
en het toedienen van het laatste oliesel. De Romeinen waren zoo
verschrikt, dat zelfs de senatoren eindelijk om vergiffenis smeekten;
en zij verwierven die door de verdrijving van Arnold van Brescia, die
als banneling van de eene plaats naar de andere zwierf, bevreesd voor
de wraak van den Engelschen Paus, terwijl Hadrianus triomfantelijk in
het Lateraan troonde. En nu verscheen Frederik, "bezoedeld met het
bloed van de Lombardische steden", voor de poorten van Rome. Arnold
werd verraden en door den Keizer aan den Paus overgeleverd, en door den
Paus aan den Prefect, die hem liet ophangen en verbranden. De Senaat,
die zich verbeeldde door deze laffe daad de gunst van den Duitschen
vorst gewonnen te hebben, zond naar zijn legerplaats een bericht,
vol van walgelijke vleierij, en stelde wederom voor hem den titel
van Keizer te schenken.
Maar de gezanten werden smadelijk weggezonden en Frederik rukte
met zijn soldaten de Città Leonina binnen en bezette de basiliek
van St. Pieter; daar legde Paus Hadrianus, een paar dagen, nadat
hij Arnold aan de galg en den brandstapel had overgeleverd, den
keizerlijken diadeem op het hoofd van zijn weldoener (Juni 1155).
Maar dit onnatuurlijk verbond, dit puttaneggiar co' regi, zooals
Dante zegt [266], was een kort leven beschoren. Een hevig gevecht
werd na de kroning geleverd, op en bij de brug van S. Angelo. Ongeveer
duizend Romeinsche burgers werden gedood of verdronken. Geweldig was
de verontwaardiging en Frederik vond het raadzaam uit Rome te vluchten
en naar het noorden te trekken, nadat hij den Paus en zijn kardinalen
veilig in Tivoli had achtergelaten. Met moeite baande hij zich een
weg door zijn ontrouwe Italiaansche bezittingen, en toen hij weder
in zijn land was, begon hij zijn staatkunde te herzien. Hij had zich
reeds geërgerd over de Pauselijke aanspraken op Toskane (de domeinen
van Mathilde) en over het feit, dat Hadrianus, zooals verscheidene
van zijn voorgangers, getracht had zijn macht te versterken door een
verbond met roovers en overweldigers, de Noormannen, en zich zelfs had
aangematigd als leenheer van Zuid-Italië en Sicilië op te treden en
Willem den Booze, den zoon van Roger, met de koninklijke waardigheid te
bekleeden. Doch ernstiger gebeurtenissen zouden volgen. Frederik was
begonnen, zonder zich te bekommeren om het Concordaat van Worms, zijn
eigen Duitsche bisschoppen te benoemen. Hadrianus protesteerde, en in
zijn brief maakte hij een toespeling op de kroning, alsof hij Frederik
door die daad beleend had met het Keizerrijk als een beneficium,
zoodat hij daarmede wilde te kennen geven dat de Keizer zijn leenman
was. Daarop volgde een hevige uitbarsting van verontwaardiging. De
vriendschap met den Paus werd in flarden gescheurd en Frederik trok
wederom (Juli 1158) met een sterk leger en een groot aantal juristen,
leeken zoowel als geestelijken over de Alpen om de ongehoorzame steden
[267] te straffen en eens voor altijd zijn rechten tegenover Pausen
en republieken vast te stellen. Milaan werd gedwongen zich over
te geven en niet alleen de burgers, maar ook hun aartsbisschop en
consuls moesten als smeekelingen, barrevoets, met asch bestrooid,
met een koord om den hals voor hem verschijnen; terwijl de vaandels
van hun Carroccio (vaandelwagen) als teeken van onderwerping laag
werden gehouden, zonk de geheele menigte op de knieën en bad om genade.
De besluiten, die de rechtsgeleerden van Frederik te Roncaglia hadden
genomen, berustten voornamelijk op verouderlijke bepalingen van
Justinianus en gaven den Keizer een gezag, dat onvereenigbaar was
met een constitutioneelen regeeringsvorm. Ja zelfs, er werden zeer
onrechtvaardige beslissingen genomen, daar sommige steden groote
vrijheid kregen en andere tot slavernij werden gedoemd. Maar de
vernedering van Milaan had den tegenstand gebroken. Een dapper stadje,
Crema, trotseerde den Duitschen despoot, maar na een belegering [268]
van zes maanden werd het genomen en verwoest.
De breuk met Frederik bracht den Paus er toe een ander onnatuurlijk
verbond te sluiten. Ofschoon de Paus te Rome een doodvijand was van
republikeinsche vrijheid, was hij nu verstandig genoeg vriendschap met
de steden in Noord-Italië te zoeken en deze te steunen in den strijd
tegen den gemeenschappelijken vijand. Na den dood van Hadrianus in
1159 was er door de clericale partij een Paus gekozen, die een even
sterken wil en een even groote eerzucht bezat.
Maar geweldige onlusten waren het gevolg van die verkiezing geweest, en
de keizerlijke partij had met zulk een goeden uitslag den tegen-paus
Victor tegenover Alexander III gesteld, dat deze naar Frankrijk
moest vluchten en zich slechts kon troosten door een machteloozen
banvloek over den tegen-paus en den Keizer uit te spreken. Aldus
werd de zaak van de republieken voorloopig door het verbond met den
Paus weinig geholpen, en toen Frederik in 1161, geprikkeld door de
hernieuwde onbeschaamdheid van Milaan, het beleg voor die stad sloeg,
daagde er geen ontzet op. Na een langen en heldhaftigen tegenstand
werd zij genomen (1162), en, zooals wel te verwachten was, geheel
en al verwoest en ontvolkt, een lot, dat het in vroeger tijden reeds
meerdere malen had ondergaan [269].
Maar de strijd voor de vrijheid werd hardnekkig volgehouden. De
Noord-Italiaansche steden, tot wanhoop gedreven, door het thans
machtige en onafhankelijke Venetië geleid, begonnen zich te vereenigen,
en toen, tegen het einde van 1163, Frederik voor den derden keer
Italië was binnengedrongen, vond hij het weldra raadzaam terug te
trekken. Drie jaar daarna kwam hij terug met een grooter leger; maar
ondertusschen had de Bond [270], die onlangs door Venetië, Verona,
Padua en Vicenza gesticht was, zich uitgebreid over Lombardije en
sloten zich daarbij zelfs steden aan als Cremona, dat tot nog toe op de
hand van den keizer was geweest. Bovendien verminderde de invloed van
de keizerlijke partij in Rome. Victor, de tegenpaus van Frederik, was
gestorven en ofschoon de keizerlijken terstond een ander, Paschalis,
hadden gekozen, was toch Paus Alexander III uit Frankrijk teruggekeerd
en had zijn mededinger verjaagd.
Frederik besloot eerst tegen Rome op te trekken. Hij liet de
noordelijke steden dus ongemoeid, veroverde Ancona, een strategisch
punt, dat hij noodig had om zijn vooruitrukkend leger te dekken, en
trok in het midden van een buitengewoon heeten en gevaarlijken zomer
(1167) de Città Leonina binnen. Maar de Romeinen boden tegenstand en
de Duitschers waren niet in staat zich een weg te banen over den Tiber
of den Engelenburg te bemachtigen. Zij konden slechts de St. Pieter
met troepen bezetten, terwijl de tegenpaus Paschalis de gemalin
van Frederik plechtig tot Keizerin kroonde. En zij waren nauwelijks
veertien dagen in Rome, toen er een kwaadaardige malaria-epidemie of
misschien een pest uitbrak, en Frederik zijn leger haastig naar het
noorden voerde. Velen van zijn gevolg, edelen, generaals en prelaten,
vielen als slachtoffers van die ziekte en ongeveer 2000 van zijn
krijgslieden; de sterfte hield eerst op, toen men reeds eenigen tijd
in Duitschland was [271].
Padua was bijna de eenige groote Lombardische stad, die zich niet
had aangesloten bij den Bond. Het bleek een voortdurend gevaar voor
Milaan, dat door de geestdrift van de bondgenooten in een ongelooflijk
korten tijd was herbouwd [272]. Om Pavia ook van het zuiden te kunnen
beteugelen, werd nu de stad Alessandria gesticht, die in korten tijd
15000 krijgslieden kon leveren. Haar naam kenmerkte de vriendschap
van den Paus, maar van haar vijanden kreeg zij den hoonenden bijnaam
van "stad van stroo", een toespeling op haar vooronderstelde zwakte
of op de haastig opgerichte, met stroo bedekte huizen. Zwak bleek
Alessandria niet te zijn, want toen na een pauze van zes jaren
Frederik zijn vijfden tocht naar Italië maakte en deze stad van
stroo trachtte in te nemen, werd hij na een vergeefsch beleg van vijf
maanden gedwongen zijn troepen terug te trekken en kort daarna werd
hem door de bondgenooten een verpletterende nederlaag toegebracht
bij Legnano, ongeveer twintig K.M. ten noord-westen van Milaan. Zoo
verschrikkelijk was de catastrophe, dat, naar men vertelt, Frederik
zelf in de algemeene slachting verdween, en eerst drie dagen na het
gevecht met groote moeite Pavia bereikte.
Deze ramp gaf Frederik de overtuiging, dat wreedheid en
onmenschelijkheid niet in staat waren hen te overweldigen, die bereid
waren voor de vrijheid te sterven. Ook was zijn karakter niet zoo
hardvochtig en laag, dat hij niet eenige bewondering kon gevoelen
voor heldhaftigheid. Hij nam het voorstel van den Doge Ziani aan om te
Venetië niet alleen Paus Alexander en de gezanten van Willem den Goede
van Sicilië te ontmoeten, maar ook de afgevaardigden van de verbonden
steden. Dit was de eerste keer, dat republikeinsche afgevaardigden als
gelijken met een Paus of Keizer in onderhandeling traden. Het was dus
een gebeurtenis, die belangrijke dingen voorspelde. Misschien was dit
de ernstigste crisis, die Italië ooit beleefde. Helaas, dat een zoo
schoone belofte zonder uitwerking is gebleven door inwendige twisten,
die er de oorzaak van waren, dat Italië een parel van groote waarde
wegwierp, en zelfs de herinnering aan de herwonnen vrijheid uitwischte.
De ontmoeting van Frederik Barbarossa en Paus Alexander te Venetië
in den zomer van 1177 is zoo dikwijls beschreven, (soms zelfs buiten
eenig verband met Legnano en de afgevaardigden van de Lombardische
republieken!) dat wij het hier wel kort kunnen behandelen. In den Atrio
van de S. Marco zijn drie porfieren steenen, die, naar men gelooft, de
schitterende en dramatische plechtigheid vermelden; maar ongetwijfeld
gebeurde het, zooals een ooggetuige [273] beschrijft, buiten of bij
den grooten ingang. Het gevolg van de Venetiaansche bijeenkomst was,
dat Calixtus (de derde van Frederik's tegenpausen) werd afgezet,
dat er een vrede van vijftien jaren met Willem van Sicilië werd
gesloten en een wapenstilstand van zes jaren met de Lombardische
republieken. Bovendien werd er een overeenkomst ten opzichte van de
lastige kwestie over Mathilde's erfenis getroffen; doch deze afspraak
bleek niet afdoende of van blijvenden aard te zijn. Paus Alexander trok
in triomf Rome weder binnen, onder luide toejuichingen en geestdrift
van alle partijen [274]. Frederik keerde naar Duitschland terug
en genoot gedurende de volgende zeven jaren van de trouwe hulde
zijner noordelijke onderdanen, terwijl hij de genegenheid van de
Lombardische steden door een edelmoedig verdrag, dat hij in 1183
te Constanz teekende, in zoo hooge mate won, dat Alessandria zelfs
aanbood zijn naam te veranderen in Caesarea! Duidelijke bewijzen van
zijn geluk vindt men ook in de beschrijving, die de kroniekschrijvers
geven van een schitterend feest, dat hij in 1184 te Mainz vierde. Zijn
laatste bezoek aan Italië droeg een geheel ander karakter dan zijn
vroegere tochten. Zonder leger reisde hij van stad tot stad, overal
met vroolijk gejuich en hulde ontvangen. In het bijzonder gaf hij
blijk van zijn genegenheid voor Milaan en hij maakte plannen om het
kleine heldhaftige Crema weder op te bouwen.
In 1186 werd er te Milaan een zeer belangrijke bruiloft gevierd. Willem
II, koning van Sicilië, had geen kinderen; hij stemde er derhalve in
toe, dat zijn oude tante en erfgenaam Constantia (Costanza) de dochter
van wijlen koning Roger, zou trouwen met Frederik's zoon, Hendrik, een
jongen man van een en twintig. Aldus eindigde de langdurige vijandschap
van de Noormannen en de Duitschers, en voegden de Hohenstaufen Sicilië
en Zuid-Italië bij hun machtig Keizerrijk.
In 1187 werd Jeruzalem door de Turken heroverd en in 1189 nam Frederik,
nu 68 jaar oud, met Richard Leeuwenhart van Engeland [275] en Philips
August van Frankrijk deel aan den derden Kruistocht. Maar voordat hij
het Heilige Land had bereikt, verdronk hij in 1190 bij een poging om
de rivier den Salef over te zwemmen, niet ver van den Cydnus, waarin
Alexander de Groote bijna het leven had verloren. Eeuwen lang bleef
in Duitschland het geloof leven, dat de groote Kaiser in werkelijkheid
nooit gestorven was, maar onder zijn kasteel op den Kyfhäuserberg sliep
en eens zou ontwaken om het Keizerrijk te herstellen, een overlevering,
die Rückert in een schoone ballade heeft uitgewerkt. Het karakter van
Frederik, zooals wij het uit zijn daden, die ons medegedeeld worden,
leeren kennen, is voor ons moeilijk te waardeeren, en misschien maakt
het oordeel van Dante, dat waarschijnlijk het oordeel van zijn tijd
was, de zaak voor ons nog ingewikkelder; want, ofschoon hij Frederik
II in zijn Inferno met het vlammende graf van een ketter straft,
spreekt hij van il buon Barbarossa [276]. Maar wij moeten er bij
voegen, dat sommige commentatoren deze uitdrukking ironisch opvatten.
Als omlijsting zijn regeeringen en dynastieën dikwijls zeer bruikbaar
en de geschiedenis van Italië in de middeleeuwen heeft zoo weinig
innerlijken samenhang, dat het de omlijsting, die de regeeringen en
dynastieën van de indringers en van de vreemde, vooral de Duitsche
heerschers, verschaffen, zeer noodig heeft. Doch in sommige gevallen
beantwoorden de perioden, waarin de Duitsche geschiedenis vervalt,
niet aan die, waarin men de Italiaansche historie moet verdeden. De
Hohenstaufen-dynastie bleef nog langer dan een halve eeuw regeeren,
maar dergelijke gebeurtenissen, als de erkenning van de republieken
bij het verdrag van Constanz en het samensmelten van het Koninkrijk
der Noormannen met het Duitsche Keizerrijk door het huwelijk van
Constantia met Hendrik VI, doen een nieuw tijdperk ontstaan in de
Italiaansche geschiedenis en maken het raadzaam hier, in 1190, bij
den dood van Barbarossa, af te breken.
HOOFDSTUK I.
DE DONKERE EEUWEN.
Wanneer wij spreken van de Donkere eeuwen van de Europeesche
geschiedenis, gebruiken wij die uitdrukking gewoonlijk tamelijk vaag
om een niet gemakkelijk te bepalen tijdperk van de Middeleeuwen aan
te geven. Het is moeilijk, misschien zelfs niet mogelijk, eenige
eeuw of zelfs in het algemeen eenige periode te vinden, waarin de
duisternis met gelijke sterkte over geheel West-Europa heerschte;
en wij kunnen niet nalaten op te merken, dat de hoedanigheid van de
duisternis in de verschillende landen zeer ongelijk was; want ofschoon
onwetendheid, bijgeloof, misdaad en wreedheid meestal hand in hand
gaan, is het toch ook wel voorgekomen, dat de afschuwelijkste misdaden,
onmenschelijkheid en goddeloosheid bestaan hebben in een gouden eeuw
van wetenschap en aesthetische verfijning, behangen, om zoo te zeggen,
met Raffaeleske gobelins. Ja zelfs, men zou er ons niet van kunnen
beschuldigen een verkeerde uitdrukking te gebruiken, indien wij den
tijd van de Borgia's, welke toch tevens de tijd van de Renaissance
was, de donkerste periode van de Roomsche Kerk noemden,--misschien
zelfs donkerder dan het pontificaat van Johannes XII.