werkkracht en ijver van Hildebrand, de overhand gekregen. In het
algemeen moet het ontstaan van deze partij, zooals ook het geval was
geweest met de hervormers van Cluny en dertig jaar later het geval was
met St. Romualdus en zijn gereformeerde Benedictijnen van Camaldoli,
en ook met de Vallombrosiërs en Kartuizers [252], toegeschreven worden
aan de verontwaardiging over de ruwe onzedelijkheid en simonie van
de geestelijken; maar bij een man als Hildebrand was de voornaamste
beweegreden zonder twijfel van politieken aard. Door aan te dringen
op het celibaat (de slechtste van alle methoden om onzedelijkheid
te bestrijden), hoopten dergelijke verdedigers van het Pausdom
zich te verzekeren van de gehechtheid van een groote menigte,
die geen andere banden had, staccata, zooals Balzani zegt, da ogni
cura d'affetti mondani; en deze menschen kwamen in opstand tegen de
leeken-investituur, niet slechts om dergelijke redenen, waarom men
er toe is overgegaan kosteloos toegankelijke Kerken te stichten,
maar ook omdat de handeling van de investituur gepaard ging met het
schenken van beneficia (leengoederen), waardoor de geestelijke als
vazal aan zijn keizerlijken leenheer gebonden werd. Zoo was Hendrik,
toen hij tegen het Pausdom en den hoogen adel streed, in staat den
steun van een groot aantal bisschoppen en abten in te roepen, die
zijn rechtstreeksche vazallen waren.
Zoowel Nikolaas II als zijn opvolger Alexander II (Bisschop Anselmus
van Lucca) waren door de Kardinalen gekozen, zonder de bekrachtiging
van Agnes of Hendrik. Zij waren voorgedragen door Hildebrand en
door hem daartoe aangezet vaardigden zij decreten uit, die aan de
geestelijken het huwelijk verboden en aan de Kardinalen alleen, in
overeenstemming met den clerus en het volk van Rome, het recht gaven
Pausen te kiezen. En toen in 1073 Hildebrand zelf als Gregorius
VII den pauselijken stoel beklom, aarzelde hij niet een besluit
af te kondigen, dat feitelijk een oorlogsverklaring aan Hendrik
was; want op zijn Concilie van 1075 liet hij een decreet aannemen,
dat de investituur door leeken als de ergste simonie veroordeelde;
tevens verklaarde hij het schenken van ring en staf door Koning of
Keizer van geenerlei waarde, zette de bisschoppen af, die Hendrik had
aangesteld en sprak over verscheidene den banvloek uit, als ook over
eenige ambtenaren van Hendrik, die, volgens hem, geld hadden aangenomen
van die prelaten om hen bij hun benoeming tot bisschoppen te steunen.
Hendrik, zeer verontwaardigd, riep een concilie van zijn geestelijken
te Worms bijeen en, blijkbaar zeer gedachtig aan het prerogatief, dat
zijn eigen vader zich had aangematigd en had uitgeoefend, zond hij
Gregorius bericht, dat hij was afgezet. "Hendrik, koning, niet door
usurpatie, maar door den heiligen wil van God, aan Hildebrand, die geen
Paus meer is, maar een valsche monnik." Zoo was de brief geadresseerd
en hij eindigde aldus: "Ik, Hendrik, Koning bij God's genade, en al
mijn bisschoppen zeggen tot u: "Wees in alle eeuwigheid vervloekt!"
Het antwoord van Hildebrand was de banvloek. In zijn geschriften [253]
verzekert hij, dat de Paus een hooger gezag bezit dan eenige vorst
op aarde en de macht heeft om zelfs Keizers te onttronen: illi licet
deponere imperatores. Maar de manier, waarop hij zijn meening duidelijk
maakte was ongewoon en een bewijs van zijn grooten moed. De gevolgen
waren geweldig, want de Duitsche edelen hielden een vergadering te
Tribur, bij Mainz, en berichtten Hendrik, dat zij hem niet langer
als hun leenheer zouden erkennen, wanneer hij niet binnen een jaar
(dus vóór Februari 1077) absolutie van den ban verwierf. Er bleef nu
slechts één uitweg voor hem open. Vergezeld door zijn gemalin en de
geëxcommuniceerde bisschoppen en ambtenaren, trok hij midden in den
winter de Alpen over om den vrede met den kerkvorst te herstellen. In
Lombardije boden velen hem hun diensten aan en trachtten hem over te
halen weerstand te bieden; maar hij besloot zijn plan ten uitvoer
te brengen en, gekleed als boeteling, barrevoets, kwam hij bij het
voorvaderlijke kasteel van Mathilde, Canossa, waar Gregorius zich
had teruggetrokken, toen hij gehoord had, dat de Lombardijsche steden
Hendrik en zijn gevolg hulp hadden aangeboden.
Drie dagen lang moesten Hendrik en zijn gevolg voor de poort van de
binnenplaats in de sneeuw wachten. Toen hij eindelijk werd toegelaten,
wierp hij zich op de knieën, verwierf ten slotte vergiffenis en kreeg
vergunning om wederom van de heilige hostie te proeven, terwijl hij
moest beloven zichzelf als onttroond te beschouwen, totdat zijn edelen
en zijn volk hem herkozen zouden hebben [254]. De verontwaardiging
der Duitsche edelen over deze zelf-vernedering verwekte wederom
een grooten opstand en Rudolf van Zwaben, Hendrik's schoonbroeder,
werd tot koning uitgeroepen. Maar Hendrik trad krachtig en moedig
op en werd geholpen door Frederik van Staufen (van Buren), de eerste
bekende persoonlijkheid van dat beroemde huis, die later schoonzoon
van Hendrik en Hertog van Zwaben werd. Er werd slag geleverd (October
1080) bij Merseburg, een stad dicht bij Leipzig, die reeds bekend was
door de worsteling van Hendrik I tegen de Hongaren. Daar werd Rudolf,
naar men zegt, gedood door Godfried van Bouillon, die in Rudolf's
plaats Hertog van Zwaben werd; later werd deze wereld-beroemd als
de Kruisvader che 'l gran sepolcro liberò di Cristo en weigerde een
koningskroon te dragen in de stad, waar de Koning der Koningen een
doornenkroon had gedragen.
Deze daden hadden de veete tusschen Hendrik en den Paus hernieuwd;
Gregorius zette hem wederom af, sprak den banvloek over hem uit en
erkende Rudolf als koning. Hierop antwoordde Hendrik dadelijk door
nog eens een concilie van zijn bisschoppen, nu te Mainz, bijeen te
roepen, waar Gregorius van zijn waardigheid vervallen werd verklaard
en Wibert, de Aartsbisschop van Ravenna tot Paus werd gekozen. Na
zijn overwinning bij Merseburg trok Hendrik naar Italië, ontving de
ijzeren kroon te Pavia en sloeg driemaal het beleg voor Rome, terwijl
zijn leger hevig te lijden had van malaria; tegen het einde van 1082
drong hij de città Leonina [255] binnen. Gregorius vluchtte naar den
sterken Engelenburg. In 1083 trok Hendrik den Tiber over, bezette het
Lateraan en riep alle edelen en geestelijken van Rome (ook Gregorius,
die niet verscheen) op om een Concilie te houden, waar de verkiezing
van Wibert als Paus werd bekrachtigd; en Paaschzondag 1084 kroonde
deze nieuwe Paus, bekend als de "tegen-Paus" Clemens, in de basiliek
van St. Pieter, Hendrik en zijn koningin Bertha als Keizer en Keizerin.
Al dien tijd bleef Paus Gregorius veilig verschanst in den geweldigen
burcht van S. Angelo en wachtte op ontzet. Deze hulp verwachtte hij,
en niet tevergeefs, van de Noormannen, die zich in deze periode
onder verschillende aanvoerders, maar vooral onder Robert Guiscard,
blijvend gevestigd hadden in Zuid-Italië en daar een geduchte macht
waren geworden. Zij hadden, zooals men zich zal herinneren, Leo IX
volkomen verslagen en gevangen genomen. Doch een paar jaren later
(1060) schijnt Paus Nikolaas II de veroveringen van de Noormannen te
hebben bekrachtigd en hen beloofd, dat hij hen de souvereiniteit over
Calabrië en zelfs over Sicilië, zoodra zij dit op de Saracenen konden
veroveren, zou toestaan en in 1080 had Robert Guiscard, door Hildebrand
tot Hertog van Apulië en Calabrië benoemd, hem, als zijn leenheer,
trouw gezworen en de aanspraken van het Pausdom op Benevento erkend.
Door dezen handigen politieken zet had de Paus zich verzekerd van den
krachtigen steun der Noormannen. Men kan wel vragen, met welk recht
de Pausen aanspraak maakten op het leenheerschap over de Apulische
en Calabrische hertogdommen, om niet te spreken van Sicilië, dat nog
steeds in de macht van de Saracenen was. Maar, zelfs al berustten hun
aanspraken op geen hechter grondslagen dan op de fictieve Donatie van
Constantijn, de gevolgen van hun staatkunde waren duidelijk genoeg;
want in antwoord op Gregorius' dringend verzoek om hulp marcheerde
Robert Guiscard met ongeveer 40.000 man, waaronder vele Saraceensche
huurlingen, naar Rome. Drie dagen voor hun aankomst was Hendrik
wijselijk naar het noorden getrokken, terwijl hij beloofde met een
groot leger te zullen terugkeeren. De Noormannen drongen met geweld
binnen en plunderden de stad (Mei 1084).
Nooit te voren, vertelt men, heeft Rome van haar veroveraars zooveel
te lijden gehad. De verwoesting van ontelbare monumenten en vele
prachtige kerken (waaronder de S. Clemente) wordt aan de Saracenen
van Robert Guiscard toegeschreven. Wat Paus Gregorius betreft,
hij werd verlost uit zijn lange gevangenschap in de Moles Hadriani,
doch vond het raadzaam Rome met zijn bevrijders te verlaten en stierf
in den loop van het volgend jaar te Salerno. Zijn laatste woorden
worden dikwijls door zijn bewonderaars aangehaald: Dilexi justitiam,
odi iniquitatem; propterea morior in exilio. Maar deze verklaring
schijnt niet bijzonder oorspronkelijk en evenmin waar te zijn.
In de derde periode van Hendrik's regeering (1085-95) vonden slechts
een paar gebeurtenissen plaats, die hier moeten vermeld worden. In Rome
heerschten, zooals dikwijls het geval was, voortdurend onlusten, die
veroorzaakt werden door de eindelooze twisten tusschen de verschillende
partijen van clericalen en leeken. De verkiezing van Urbanus II, een
Franschen monnik van Cluny en Bisschop van Ostia, die de politiek van
Hildebrand krachtig voortzette, verdient vermelding wegens het feit,
dat hij Koenraad tegen zijn eigen vader heeft opgestookt en wegens
den roem, dien hij heeft verworven door zijn geestdriftvolle opwekking
tot den eersten Kruistocht.
Drie jaren na zijn verkiezing werd hij gedwongen Rome een tijdlang
te ontvluchten, omdat de Romeinen, nadat Hendrik met goed gevolg
een veldtocht in Toskane had ondernomen, uit vrees voor zijn wraak
zich meester hadden gemaakt van den Engelenburg en den "tegen-Paus"
Clemens hadden uitgenoodigd terug te keeren. Maar de triumf van
Clemens duurde niet lang en weldra (1093) nam Urbanus zijn plaats
op den troon van het Lateraan wederom in. Andere, misschien meer
belangrijke gebeurtenissen, die verhaald zullen worden in een later
hoofdstuk, waren de schitterende krijgsdaden van Robert Guiscard
en zijn Noormannen in Dalmatië, zijn dood in 1085, de eindelijke
overweldiging van de Saracenen en de verovering van Sicilië door zijn
broeder, Graaf Roger, in 1091.
De voornaamste gebeurtenis van de vierde periode (1095-1106), een
feit dat bijna op de geheele wereld zijn invloed heeft doen gelden,
was zonder twijfel de eerste kruistocht. Die invloed werd meer
in Italië gevoeld dan in Duitschland, waar men vol verbazing naar
de woeste horden van voorbijgaande kluizenaars staarde en waar de
beklagenswaardige veete tusschen Hendrik en zijn zonen verhinderde, dat
men met geestdrift deelnam aan de onderneming, die door de prediking
van Peter van Amiens werd voorbereid; maar Italië zelf werd toch niet
meegesleept door den wervelwind, die Frankrijk half ontvolkte [256].
Ofschoon verscheidene Pausen, waartoe ook de Duitscher Leo IX behoorde,
het verlangen te kennen hadden gegeven om het graf van Christus
te bevrijden, had toch het voorstel om het plan te verwezenlijken,
dat men waarschijnlijk moet toeschrijven aan de Fransche hervormers
van Cluny, den Italianen geen geestdrift kunnen inboezemen, toen te
Piacenza en later te Clermont de Franschman Urbanus den Kruistocht
afkondigde. Mogelijk ook werd in steden, zooals Genua, Pisa en
Venetië door de bezorgdheid voor den uitgestrekten handel het vuur
van het fanatisme gedoofd. Wellicht was ook de aanwezigheid van de
Muzelmannen op Sicilië en de vijandige houding van de Noormannen tegen
den Keizer van het Oosten, die gezanten had gestuurd naar het Concilie
te Piacenza om hulp te vragen tegen de Turken, een hinderpaal voor
de beweging in Zuid-Italië. Maar niet weinig Italiaansche Noormannen
sloten zich bij den Kruistocht aan, waaronder Bohemund, de oudste
zoon van Guiscard, uitblonk en Italië verleende krachtigen steun
door ontelbare kruisvaarders over te voeren, die Rome doortrokken en
zich te Bari inscheepten; deze stonden versteld over den toestand van
heidensche verwildering, die zij in de metropolis van de Christelijke
wereld aantroffen.
Wij gaan nu over tot de regeering van Hendrik V. Zijn verhouding met
het Pausdom leek eerst vriendschappelijk, maar weldra was ook hij van
meening, dat hij het recht van investituur, dat hem het leenheerschap
over zijn bisschoppen verzekerde, niet kon missen, en toen Paus
Paschalis hardnekkig weigerde hem dat recht toe te staan, trok de
koning in 1110 met zijn leger de Alpen over. De Lombardijsche steden,
behalve Milaan en Pavia, erkenden hem; te Florence werd hij zelfs
ontvangen door Gravin Mathilde, die ongeveer twintig jaren geleden, op
den leeftijd van drie en veertig, als haar tweeden gemaal had genomen
een jongeling van achttien jaren, den stamhouder van het hertogelijk
geslacht van de Welfen of Guelfen [257], die trouwe bondgenooten van
de Pausen en tegenstanders van de Frankische Keizers waren [258].
Paus Paschalis was in groote verlegenheid. Hij kon geen hulp verwachten
van Mathilde en haar Toskaners en evenmin van de Noormannen van
Zuid-Italië, die toen juist door den zwakken en ziekelijken Willem, den
kleinzoon van Robert Guiscard geregeerd werden. Hij teekende dus een
verdrag, waarbij de Kerk afstand deed van de wereldlijke rechten der
investituur, maar de geestelijke rechten behield en stemde er in toe
Hendrik als Keizer te kronen. Maar toen het document werd voorgelezen
aan de geestelijken en de edelen, die in de St. Pieter verzameld waren
om de kroning bij te wonen, ontstond er een hevig tumult en Hendrik
vond het raadzaam den Paus en zestien kardinalen gevangen te nemen
en naar Tivoli weg te voeren. Eindelijk gaf de Paus toe. Hij teekende
een Privilegium, waarbij hij aan den koning het recht van investituur
"met ring en staf" toestond, en in April 1111 vond de kroning plaats,
die zoo ruw onderbroken was.
Hendrik V had nu het hoogtepunt van zijn macht bereikt en hij
versterkte zijn invloed door in 1113 een huwelijk aan te gaan met
een Engelsche prinses, Maud of Mathilde, de dochter van Hendrik I,
die later de gemalin van Godfried Plantagenet en de moeder van Hendrik
II van Engeland werd.
In 1115 stierf Gravin Mathilde, negen en zestig jaar oud. Haar
jeugdige echtgenoot had haar reeds lang verlaten en zij had geen
wettigen erfgenaam. Zij liet bijna al haar bezittingen aan de Roomsche
Kerk na. Welke ook de rechten waren, die zij ten opzichte van haar
allodiale bezittingen bezat, zij had zeker niet het recht de erfelijke
leengoederen, die zij (op onwettige wijze, zeide men, daar zij een
vrouw en een rebel was) als vazal van de kroon had, aan iemand,
behalve aan een wettig erfgenaam, na te laten. En zelfs al nemen
wij aan, dat haar rechten als onafhankelijke heerscheres bekrachtigd
waren door het Toskaansche volk, zij was toch niet gemachtigd om het
land, met of zonder souvereine rechten aan de Pausen of aan iemand,
wie dan ook, over te geven. Deze erfenis had echter zoowel goede
als slechte gevolgen, want, ofschoon Toskane later erg geplaagd en
geteisterd werd door Pausen en Keizers, grepen verscheidene steden
van Toskane de gelegenheid aan om het leenmanschap af te werpen en
zich onafhankelijk te verklaren. De geschiedenis van de Florentijnsche
republiek begint met den dood van Gravin Mathilde.
In 1117, toen deze Toskaansche steden weigerden de Vicarissen
van Hendrik te ontvangen en Paus Paschalis zijn Privilegium had
herroepen, trok de koning wederom met een leger de Alpen over. Het
schijnt, dat hij ervoor terugdeinsde een aanval op de verbonden
steden te wagen, en hij marcheerde recht op Rome aan, daar hij
besloten had niet alleen een bekrachtiging van zijn privileges,
maar ook een herhaling van de kroningsplechtigheid te eischen. Maar
Paus Paschalis was gevlucht. Hendrik overreedde dus een kardinaal om
hem te kronen en vertrok toen. Doch na den dood van Paschalis kwam
hij haastig terug en liet dien kardinaal, Burdino, tot Paus kiezen,
of liever tot tegen-paus, want het volk van Rome had reeds Gelasius
II benoemd. Een geweldig oproer volgde daarop. Eindelijk, toen Paus
Gelasius in ballingschap te Cluny was gestorven, werd een bekwame en
besliste tegenstander van den keizer door de kardinalen, die te Vienne,
in Frankrijk vergaderd waren, gekozen. Deze Paus, die Aartsbisschop
van Vienne was en een bloedverwant van den Franschen koning en van
Hendrik, nam den naam van Calixtus II aan. Hij sprak terstond den
banvloek uit over den tegen-paus van Hendrik en dit flinke optreden
had voor hem een gunstig gevolg, want met den tegen-paus liep het
ellendig af [259] en Hendrik, afgemat door de oppositie in zijn eigen
land en daar buiten, nam ten slotte genoegen met de overeenkomst
(Concordaat), die het Concilie te Worms in 1122 voorstelde.
Volgens de voorwaarden van het Concordaat deed Hendrik V afstand
van het recht om prelaten te kiezen en hen te bekleeden met "ring en
staf". Zijn gezant mocht bij de investituur tegenwoordig zijn; maar
dit was een ijdele vorm. Hij had ook het recht door de aanraking
van zijn schepter de wereldlijke macht te verleenen, d.w.z. de
landen en inkomsten van het ambt aan den nieuw benoemden dignitaris
over te geven, hetgeen echter dikwijls een tamelijk onbelangrijk
koninklijk privilege was. In het algemeen leed het koningschap door
dit Concordaat aanmerkelijke schade. De domeinen van de voorname
edelen waren oorspronkelijk veroverde of verbeurd verklaarde landen,
waarvoor zij, als leengoederen, trouw schuldig waren aan de kroon;
maar deze machtige edelen verpachtten dikwijls hun bezittingen
of beloofden op hun beurt bescherming in ruil voor leenmanschap
(hetgeen men recommandatie noemde) en verwierven zich aldus een
groote menigte van achterleenmannen, die naar hun meening den koning
geen trouw schuldig waren. Deze toestand werd door de Duitsche
koningen hevig bestreden, doch met weinig goed gevolg. Derhalve
vertrouwden zij voornamelijk op de bisschoppen en andere clericale
waardigheidsbekleeders, die zij kozen, en die hun leenmannen waren
door de uitgestrekte kerkelijke beneficia, waaruit het grondbezit van
het rijk voor een groot gedeelte bestond. Maar door het concordaat
van Worms verloor de koning de bevoegdheid om personen te kiezen,
die voornamelijk zijn belangen behartigden en de koninklijke macht
leed ernstig door deze uitbreiding van de pauselijke rechten [260].
(5) Keizers der Hohenstaufen.
Calixtus zoowel als Hendrik V stierven niet lang na het Concordaat van
Worms. Hendrik had geen kinderen en wederom kwamen de edelen te Tribur
bijeen; de meeste van deze edelen verheugden er zich in hun bevoegdheid
als keurvorsten te kunnen uitoefenen en aldus te protesteeren tegen
een erfelijk koningschap. Frederik van Staufen, zoon van dien Frederik,
die door Hendrik IV tot Hertog van Zwaben was verheven en zijn dochter
had getrouwd, was de voornaamste pretendent; maar het Concordaat
droeg reeds vruchten en de aartsbisschoppen, gesteund door eenige van
de edelen, slaagden erin zoowel de aanspraken van Frederik als van
zijn broeder Koenraad te verwerpen, "daar zij te zeer bezield waren
met Ghibellijnschen geest". Een verknochte aanhanger van de Kerk, de
vroegere leider van de Saksische en Welfsche rebellen, Lotharius, werd
gekozen. Frederik weigerde eerst de koninklijke domeinen op te geven,
waarop hij aanspraak had gemaakt, maar eindelijk besloot de familie
der Staufen den nieuwen koning te erkennen, doch niet voordat Koenraad
als Koning van Italië en "aangewezen" Keizer door het volk van Milaan
was erkend (1130) en te Monza met de ijzeren kroon gekroond was. In
1133 kwam Lotharius te Rome. Hier hadden, als gewoonlijk, ernstige
onlusten naar aanleiding van de verkiezing van verschillende Pausen
plaats gehad. De een was Innocentius II, gesteund door de invloedrijke
familie der Frangipani; de ander was Anacletus, behoorende tot de
oude Joodsch-Romeinsche familie der Pierleoni, een monnik van Cluny
en leerling van den beroemden Abelard van Parijs. Anacletus had in
Rome de overhand gekregen en Innocentius was naar Frankrijk gevlucht,
waar hij een krachtigen steun vond in St. Bernard van Clairvaux,
die een heftig tegenstander van Abélard en zijn leer was.
St. Bernard kreeg van Lodewijk van Frankrijk de opdracht uitspraak
te doen tusschen de twee Pausen en besliste natuurlijk ten nadeele
van Anacletus. Maar Innocentius moest met geweld worden hersteld;
de orthodoxe Lotharius nam die taak op zich en liet zich bij die
gelegenheid tevens door Paus Innocentius te Rome als Keizer kronen
(1133). Zijn vrome dankbaarheid voor deze gunst bracht er hem toe
van den Paus de souvereine rechten over de voormalige bezittingen van
Mathilde aan te nemen en aldus erkende hij de geldigheid van Mathilde's
erfenis en degradeerde zichzelf tot een vazal van het Pausdom.
Roger de Noorman, van Sicilië, die zich in 1130 tot koning had laten
uitroepen, was door Anacletus erkend, maar niet door Innocentius. Hij
begon zich thans meester te maken van Zuid-Italië en Innocentius
riep Lotharius te hulp; deze kwam met zijn leger en met Genueesche
en Pisaansche schepen en, geholpen door de steden Napels en Capua,
die waren opgestaan, was hij in staat Roger naar Sicilië terug te
drijven. Maar weldra trokken Lotharius en zijn leger naar het noorden
terug en in December 1137, kort nadat hij de Alpen was overgetrokken,
stierf hij.
Toen het bericht van zijn dood was gekomen, keerde Roger terug en
niet alleen heroverde hij alles, wat hij verloren had, maar ook
versloeg hij Innocentius en nam hem gevangen; door een edelmoedige
behandeling evenwel verwierf hij eindelijk de bekrachtiging van zijn
koninklijken titel.
De Welfsche Hertog van Beieren en Saksen, Hendrik de Trotsche, aan
wien Lotharius de landen van Mathilde als achterleen had gegeven en
die derhalve over een uitgestrekt gebied heerschte, stelde zich voor
tot koning te worden verkozen en had zich reeds van de koninklijke
insignia meester gemaakt. Maar wederom schrikte het Duitsche volk
er voor terug een al te machtigen vorst te kiezen en de aanspraken
van een ander mededingend geslacht te bestendigen. Zelfs nog vóór
de bijeenkomst te Tribur werd de Ghibellijn Koenraad van Staufen tot
koning uitgeroepen en gekroond, en Hertog Hendrik vond het raadzaam
de koninklijke insignia terug te geven; weldra moest hij ook zijn
Saksisch Hertogdom overgeven, want de hevige uitbarsting van de veete
tusschen Welfen en Ghibellijnen, die in deze jaren het volk in twee
partijen verdeeld hield, eindigde ten gunste van Koenraad.
Te midden van zoovele onlusten was het niet waarschijnlijk,
dat Koenraad zich veel met Italië kon bemoeien; maar men zal zich
herinneren, dat, terwijl hij met Lotharius naar de Duitsche kroon dong,
hij erin geslaagd was, hoewel de banvloek over hem was uitgesproken,
den Aartsbisschop van Milaan te overreden hem met de ijzeren kroon
als Koning van Italië en "aangewezen" Keizer te kronen. Hij streefde
er dus naar zijn aanspraken op die titels te verwezenlijken en wij
zullen later zien, hoe hij dit trachtte te bereiken. Ondertusschen
vraagt Rome wederom onze aandacht.